Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 19
De beide Heeren zien elkander aan en eene wolk van misnoegen maakt voor een oogenblik het reeds zoo strakke gelaat van Witsen nog donkerder dan gewoonlijk. Hij bedwingt echter zijn wrevel en zegt:
"Laat den Heer Burgemeester hier.... maar luister!--ik ben voor niemand verder te spreken, dan voor den Heer De Wildt: dien brengt gij, als hij komt, naar de zaal, en komt mij dan waarschuwen."
De knecht buigt het hoofd en verwijdert zich.
"Juist nu een bezoek van onzen collega Appelman!" zegt Witsen tegen Geelvinck: "zou hij lont geroken hebben?"
"Geroken misschien," zegt Geelvinck met een geruststellenden glimlach: "maar hij zal lang rondsnuffelen eer zijn neus hem bij de aangelegde mijn brengt. In allen gevalle, als hij bij ons komt visschen, zullen wij hem met een kluitje in 't riet sturen."
"Stil!" zegt Witsen, "daar is hij."
Appelman komt binnen, en de beide Heeren rijzen op, om hem te groeten. Uit de koel beleefde wijze, waarop Witsen zich buigt en hem den leunstoel aanwijst, dien de knecht heeft gereed gezet, en uit de achteloosheid, waarmede Geelvinck na eene snelle buiging met het hoofd, weder in den pas door hem verlaten zetel terugvalt, mag men opmaken, dat de nauwe betrekking, waarin zij tot den bezoeker staan, tot heden nog maar weinig sympathie, ja zelfs geen gemeenzaamheid tusschen hen verwekt heeft, en de toon, waarop het gesprek aanvangt en voortgezet wordt, versterkt die opvatting niet weinig.
"Ik hoop niet, dat ik de Heeren stoor," zegt Appelman, zoodra hij gezeten is.
"De komst van een ambtgenoot moet ons altijd welkom zijn," zegt Witsen, wederom met eene beleefde buiging.
"Maar misschien ben ik nu over," zegt Geelvinck, "en heeft de Heer Appelman iets aan den Heer Witsen te zeggen, dat ik niet hooren mag: in dat geval zal ik het veld ruimen."
Hoe oogenschijnlijk beleefd deze woorden klinken, men mag twijfelen of zij oprecht gemeend zijn: immers onder 't spreken werkt Geelvinck zich nog dieper in zijn stoel, slaat het eene been over 't ander en neemt in alle opzichten de houding aan van iemand, die zich recht op zijn gemak zet.
"Verre van dien," antwoordt de nieuwgekomene: "het is mij integendeel dubbel aangenaam, twee mijner ambtgenooten hier vereenigd te vinden: ik zal zoodoende een dubbel licht ontvangen."
"Onze waarde collega scherst," zegt Geelvinck, "hij zal ons toch niet willen doen gelooven, dat hij in duisternis verkeert en wij in 't volle licht gezeten zijn."
"Wij zullen in allen gevalle gaarne vernemen, welke inlichtingen de Heer Appelman verlangt," zegt Witsen, met deftige hoffelijkheid.
"Om dan terstond tot de aanleiding van mijne komst over te gaan," hervat Appelman; "zij is gelegen in mijne bezorgdheid over den keer, dien de politieke zaken nemen, en waarover ik volgaarne de gedachten der beide Heeren zou hooren."
"En wat is er gebeurd," vraagt Witsen, "dat juist nu stof geeft tot die meer bijzondere bezorgdheid?"
"Mij dunkt," antwoordt Appelman, "dat die stof nog al voor de hand ligt; wanneer wij al die toerustingen zien te water en te land, die troepen, die op de Mookerheide bijeenkomen, die drukte op de Landswerven, die inspectiereizen, die Z. Hoogheid doet, en honderd andere dergelijke teekenen van onrustige beweging, dan moet men wel tot de slotsom komen, dat er iets buitengewoons op til is."
"Wat zal ik u zeggen?" merkt Witsen aan: "wij hebben een tijd beleefd, toen er te weinig zorg voor de defensie gedragen werd, en dat is ons in 72 zwaar genoeg opgebroken."
"Zie eens," vervolgt Appelman, terwijl hij twee nummers van de Opregte Haarlemmer Courant voor den dag haalt, "de nieuwsmaren zelven brengen 't uit voor wie ooren heeft om te hooren. Wat lezen wij hier in die van Dinsdag: "'s-Gravenhage den 16 Augusti. Gisteren zijn de Heeren Van Massis en Van Coeverden haer Ho. Mo. Gedeputeerden, na 't Noorder Quartier vertrocken tot 't bywonen van de Bestedinge van eenige nieuwe oorlogschepen," en nu in die van gisteren: "tot het campement of de generale Revue over de troepen, dat op de Moocker Heyde in 't laatst van deze ofte in het eerst van de andere maent staet gehouden te werden wort alles vervaerdigt.""
"Ik heb in dat nummer van gisteren eene betere tijding gelezen," zegt Geelvinck: "die van de behouden aankomst der retourvloot met vierd'half millioen aan waarden."
"Nu, dat behoefde de Haarlemmer Courant ons niet te melden," zegt Appelman, de schouders ophalende: "er zijn immers reeds gisteren twee van de Heeren Bewindhebberen naar Texel gegaan om de schepen te ontvangen. Maar die krijgstoerustingen, waar kunnen die op zien?"
"Mij dunkt," antwoordt Witsen: "daar is nog al grond voor te vinden. Heeft Frankrijk niet, om aan Keulen een Aartsbisschop naar zijne keuze op te dringen en evenzeer in Luik zijn haan te doen koning kraaien, de beide Bisdommen met zijne troepen bezet? En als aan onze grenzen onrust heerscht, is het dan zoo vreemd, dat de Staten maatregelen nemen, om onze veiligheid te verzekeren? dat Z. Hoogheid de grensvestingen in oogenschouw neemt, en dat er troepen op de Mookerheide samentrekken, om aan onze buren te doen begrijpen, dat wij niet slapen?"
"Nu ja, dat kan wezen: maar dan dat ongehoord versterken onzer zeemacht?"
"Mijn waarde ambtgenoot ziet mij aan alsof ik het helpen kon," zegt Geelvinck: "het is hem toch bekend, dat ik reeds sedert het voorjaar mijne betrekking tot de Admiraliteit heb opgegeven, en niet verantwoordelijk ben voor 't geen zij besluit."
"Zeker niet," zegt Appelman: "maar toch zou de gissing misschien niet te gewaagd zijn, dat de Heer Van Castricum met het doel dier uitrusting bekend was en daarom juist zijn ontslag genomen heeft."
"De Heer Van Castricum wordt oud," hervat Geelvinck, droog weg: "en op zijne jaren heeft men aan het Burgemeesterschap al meer dan genoeg te dragen.--Maar anders, wat het bouwen van schepen betreft, hebben wij ze niet noodig, om de Algerijnen te tuchtigen? Wanneer hebben die zeeschuimers de stoutheid ooit zoover gedreven als nu, dat zich hunne galeien zelfs in 't gezicht onzer kusten, ja in onze zeegaten durven vertoonen? Is 't niet meer dan tijd, aan zulk een overmoed paal en perk te stellen en hun, eens voor altijd, te toonen, dat wij nog als vanouds den bezem in den mast kunnen voeren en de Zee vrijvegen van zulk schuim?"
"De Heer Van Castricum is dus overtuigd, dat de vermeerdering der vloot geen ander doel heeft dan een expeditie tegen die van Algiers," zegt Appelman op een spottend schertsenden toon.
"Weet de Heer Appelman er een ander aan te wijzen?" vraagt Witsen, een ernstigen blik op hem vestigende.
"Hm!" antwoordt Appelman: "dat zou misschien zoo zwaar niet vallen;--maar van wat anders: is aan de Heeren dat schotschrift onder de oogen gekomen, dat in Den Haag verschenen is, en waarin de echtheid van de geboorte des Prinsen van Wales wordt in twijfel getrokken?"
"La couronne usurpée et l'enfant supposé bedoelt mijnheer?" zegt Witsen: "ik heb daarvan gehoord, en tevens, dat men den drukker voor 't Hof ter verantwoording zal roepen."
"En hem het loon geven dat hij verdient," voegt Geelvinck er bij.
"Nu ja," herneemt Appelman: "men zal hem straffen, maar daarmede toch den indruk niet wegnemen, dien 't geschrift bij velen heeft opgewekt."
"Bij koffiewijven en klappeien," valt Witsen in, terwijl hij de schouders ophaalt: "maar welk man van gezond verstand hecht eenige waarde aan dergelijken naamloozen laster?"
"Misschien niet aan den laster zelf," antwoordt Appelman: "maar wel aan het doel, waarmede gelasterd wordt. De uitgave van dat schotschrift is geen alleenstaand feit: heeft men niet sedert een geruimen tijd allerlei geruchten in omloop zoeken te brengen, ten einde te doen gelooven, dat de Koningin van Groot-Brittannië, reeds eene maand voor den tijd, dat zij bevallen heet te zijn, van een dood kind verlost was? Heeft het grauw die praatjes niet opgevangen met een gretig oor? en hebben wij daaraan niet te wijten, dat toen, nu eene maand geleden, de Engelsche Consul alhier een feest gaf ter viering van die heuglijke geboorte, de glazen bij hem werden ingesmeten en zijne gasten genoodzaakt bij de buren te vluchten?"
"Een droevig geval," zegt Witsen, het hoofd schuddende.
"Ja," gaat Appelman voort, "en het toont weinig diligentie van de zijde der Justitie, dat men nog geen der belhamels gevat heeft. Is 't geen schande voor Amsterdam, dat zulke oproerige bewegingen, bij eene gelegenheid als deze, waar nog wel vreemde Ministers en andere notabele lieden tegenwoordig waren, straffeloos hebben kunnen plaats vinden?"
"Het lokaas, dat de Justitie voorhield, was toch nog al aardig," merkt Geelvinck aan: "duizend gulden voor hem, die den eersten steensmijter verklikte!--honderd dukatons voor het aanbrengen van een handdadige!--'t Schijnt dat niemand tegenwoordig geld noodig heeft; niet eene enkele aanwijzing is er gedaan, zelfs geene valsche."
"En toch," herneemt Appelman, "ware, naar mijne gedachte, mits men zich wat moeite getroost had, deze of gene der schuldigen wel op te sporen geweest. Enkele lieden onderstaan zich dan ook, te beweren, dat de Regeering die beweging niet ongaarne gezien heeft, en zich wel wachten zal, angstvallig naar de bewerkers daarvan te zoeken."
"Dat zijn wij van ouds gewoon," zegt Geelvinck, "dat men ons de schuld geeft, als een boef zijne straf niet krijgt. Onze waarde collega zal zich toch niet storen aan domme praatjes? Hij moet veel brij hebben, die ieders mond wil stoppen."
"Ik zie er intusschen geen bezwaar in," zegt Witsen, "dat Burgemeesteren nog eens aandringen bij den Heer Boreel, om ijveriger nasporingen te doen."
"'t Is nog de vraag," zegt Appelman, "of de Heer Hoofd-Officier niet misschien een wenk van eene andere zijde gekregen heeft, om in dezen niet met rigueur van Justitie te ageeren."
"Hoe!" roept Witsen uit: "zou mijnheer dan denken, dat dergelijke oproerige manifestatiën door de Hooge Regeering werden goedgekeurd?"
"Dat wil ik juist niet zeggen; maar wij hebben meer dingen zien gebeuren, die stof tot nadenken gaven. Toen, nu zestien jaar geleden, de Heeren De Witt werden om hals gebracht, werd zulks als een enorm en ongehoord feit gedeploreerd;--maar wie werd er voor gestraft? Wie zelfs er voor geapprehendeerd?--Immers niemand."
"Wie had men kunnen straffen?" vraagt Geelvinck: "men had den halven Haag moeten ophangen."
"De Prins is geen huichelaar," zegt Witsen: "en ik heb mij overtuigd gehouden, dat hij diep getroffen was door dat beklaaglijke voorval."
"Juist!" zegt Appelman: "men is bij zulke gelegenheden diep getroffen; maar men profiteert van het gebeurde."
"Alzoo," herneemt Witsen, "ziet, naar uwe meening, Z. Hoogheid eenig voordeel in de manifestatiën tegen zijn koninklijken schoonvader gericht?"
"Wel!--was Mevrouw de Prinses geen erfgename van de Britsche kroon? en zijn hare aanspraken niet vervallen sedert aan de Koningin een zoon geboren is? En steekt er iets vreemds in, dat zij, en vooral de Prins haar man, niets liever zouden zien dan de bewijzen, dat die Prins Van Wales een ondergeschoven kind is? ja dat zij, ook bij mangel van dergelijke bewijzen, met welgevallen elken twijfel zullen opnemen aan de wettigheid van zijne geboorte."
"Onverbiddelijk logisch," zegt Witsen.
"En wanneer men daarbij in aanmerking neemt de overkomst van den Admiraal Herbert en van zoovele andere Engelsche Heeren van qualiteit, als dag aan dag het voorsalet van Z. Hoogheid belegeren, en 't luid verkondigen, hoe de zaken in Engeland niet op die wijze kunnen voortduren, en hoe 't Koninkrijk, zoowel als de Protestantsche Kerk aldaar beiden te gronde gaan, tenzij eene krachtige hand dien verwarden boel kome herstellen, zou dan de onderstelling zoo vreemd zijn, dat de Prins wel gaarne de man ware, om die hand te leenen?"
"Alzoo," zegt Witsen, "is mijnheer ook de meening toegedaan van hen, die beweren, dat er eene onderneming tegen Engeland op til is?"
"Wat mijne meening aangaat," zegt Appelman, "die is, dat de Heer Witsen beter dan iemand mij zeggen kan, of zulk een vermoeden juist is of niet. De Heer Witsen heeft in den laatsten tijd meer dan eens een keer naar Den Haag gedaan, en gewis niet zonder daar gewichtige informatiën op te doen."
"De beide Heeren," zegt Witsen, "zijn herhaaldelijk ter dagvaart geweest, en 't is hun zoogoed bekend als mij, dat men in Den Haag ook niet altijd te weten komt wat men verlangt te weten. Z. Hoogheid is de man niet, om zich onvoorzichtig uit te laten en 't moet een fijn diplomaat zijn, die uit kan vorschen wat heimelijk bij hem broeit."
"Maar," herneemt Appelman, "niemand zal mij van overdrijving of vleierij beschuldigen, als ik zeg, dat ik den Heer Witsen houde voor een fijn diplomaat: voor iemand, die weet te doorzien wat voor den kortzichtige verborgen blijft--ja, die misschien in 't geheim is."
"Waarom niet?--Maar zoo dit laatste het geval ware, dan zou daaruit alleen volgen, dat ik mij over het onderwerp niet mocht uitlaten."
"Ha zoo!" zegt Appelman, met een zegepralenden blik: "nu, dan geloof ik te weten, waar ik mij aan moet houden."
"En ik geloof," zegt Witsen, "dat mijnheer zich zou kunnen vergissen, indien hij onderstelde, dat ik eene geheimzinnige houding aanwendde, als wilde ik doen denken, dat ik meer van de zaak af wist dan het geval is."
"Wat meent mijnheer?" vraagt Appelman, eenigszins verwonderd opziende.
"Zie, mijn waarde Heer," vervolgt Witsen, "ik wil u rondborstig mijne meening zeggen. Gesteld, de Prins had het voornemen, dat hem door u wordt toegeschreven, zou daar, naar uwe meening, ooit iets van kunnen komen zonder medewerking van Amsterdam? En zou, in zulk geval, er van zijne zijde geen stap moeten gedaan worden, om de Vroedschap in 't belang der zaak te winnen?"
"Zonder tegenspraak."
"Welnu! Tot heden is niets van dien aard geschied.--Wat volgt hieruit? Of, dat er geen voornemen bestaat, als door u wordt ondersteld: óf, dat de plannen van Z. Hoogheid nog niet tot rijpheid zijn gekomen.--Ware het, in zulk een staat van zaken, niet gevaarlijk, zelfs onverantwoordelijk, vermoedens te helpen verbreiden, die op een valschen grondslag kunnen rusten, en bij onze naburen, vooral bij Frankrijk, den argwaan, dien men wellicht reeds koestert, versterken?"
"Maar," vraagt weder Appelman, "zou die argwaan niet veel beter worden weggenomen door eene ronde verklaring van 's Prinsen zijde, dat hij geen oorlog tegen zijn schoonvader bedoelt?"
"Dat zou zeker het geval zijn," antwoordt Witsen: "alleen moet ik u doen opmerken, dat Z. Hoogheid moeielijk uit eigen beweging zoodanige verklaring kan afleggen, of antwoord geven, voordat hem de vraag gedaan is."
"Wel! misschien wordt die vraag hem wel eerstdaags gedaan," zegt Appelman.
"Ei zoo?" merkt Geelvinck op, zich wederom in 't gesprek mengende, "de Heer Appelman vroeg zooeven, of onze ambtgenoot Witsen in 't geheim was van 's Prinsen bedoelingen; ik zou nu op mijn beurt gaan vermoeden, dat de Heer Appelman in 't geheim was van de bedoelingen der Heeren d'Albeville of d'Avaux."
"Ik hoop, dat mijn geachte collega schertst," zegt Appelman, eenigszins geraakt.
De Heer Van Castricum kan alleen eene scherts bedoelen," zegt Witsen, op verzoenenden toon: "want hij weet zoogoed als een onzer, hoe althans de Heer d'Avaux er volstrekt geen geheim van maakt, dat die wapening hem verontrust, en hij er rekenschap van denkt te vragen. En gebeurt dat, dan zullen Hunne Hoogmogenden dienen te weten wat zij hem hebben te antwoorden,--altijd ondersteld, dat zij zelven op de hoogte zijn."
"Wat vooralsnog stellig het geval niet is," voegt Geelvinck er bij. "Ik heb althans van meer dan een Afgevaardigde ter Generaliteit dezelfde klachten vernomen als nu van den Heer Appelman, dat hij namelijk niets kon te weten komen van wat toch de Prins eigenlijk wilde."
"Ik zie wel," zegt Appelman, "dat mijne komst vruchteloos is, enik niet veel wijzer zal heengaan dan ik gekomen ben:--en toch smart het mij; want mijne stelling wordt gedurig moeielijker tegenover zoovelen, die dagelijks van mij willen weten wat er gaande is."
"Beata ignorantia!" zegt Geelvinck: "zalig die niets te zeggen hebben, omdat zij niets weten: want die loopen nimmer gevaar zich te verspreken."
"Wat er van zij," vervolgt Appelman, zonder de scherts van Geelvinck op te nemen, "ik schroom niet te zeggen aan wie 't hooren wil, dat de Prins als een onzinnige zou handelen, indien hij in ernst op eene onderneming dacht die nooit gelukken kan."
"En dewijl de Prins een verstandig man is," zegt Witsen, "mogen wij ook vertrouwen, dat hij zich in geene zaak zal steken, die geene kans biedt van slagen."
"Hoe zou daar kans toe zijn?" vraagt Appelman, "Lodewijk XIV zal Koning Jakobus niet verlaten."
"Dat zou althans niet met zijn gewoon staatsbeleid overeenkomen," zegt Witsen.
"Ten andere, gelijk door u zelf is opgemerkt, de Prins vermag niets zonder medewerking van Amsterdam, en de Stad zal nimmer toestemmen hem te ondersteunen in een opzet, dat op bederf van haren handel uit zou loopen;--om niet te spreken van de spanning, die nog altijd tusschen haar en Z. Hoogheid bestaat, ondanks de quasi-verzoening."
"Zeker zal Amsterdam den Prins nooit tot den oorlog aansporen," zegt Witsen: "ik althans zou 't niet doen."
"En dan nog, om eene vloot in zee te brengen met eenige hoop op goeden uitslag, dient er een Admiraal te wezen, in wien zoowel de Prins als de equipage een onbepaald vertrouwen stelt. De Graaf Tromp, de man, aan wien als Luitenant-Admiraal-Generaal het bevel zou toekomen, is ontevreden op Z. Hoogheid, sedert die hem in Februari jl. maar veertiend'halfduizend gulden heeft toegewezen, in plaats van f 100.000, die hij wegens achterstallen vorderde."
"Inderdaad," zegt Geelvinck, "ik geloof dat Z. Hoogheid thans moeielijk veel dienst van den Heer Tromp zou kunnen bekomen, indien 't eene onderneming tegen Engeland gold. Ofschoon de Heer Tromp ongelijk heeft, aan den Prins te wijten, wat hij moest wijten aan de Admiraliteit. Z. Hoogheid heeft alleen het advies gevolgd, hem door deze gegeven. Intusschen, ik zie niet in, dat, als de Prins werkelijk plan had op eene onderneming, hij die zou moeten opgeven, omdat de Heer Tromp niet als Admiraal gebood. Wij hebben nog zeevoogden van verdiensten, als de Heeren Evertsen, Almonde, Schepers en anderen, die ik noemen kon."
"Dus gelooft de Heer Van Castricum toch, dat er wel iets gebeuren kon?" vraagt haastig Appelman, terwijl Witsen Geelvinck met eenige bevreemding aanziet over hetgeen hij als eene onvoorzichtigheid van die zijde aanmerkt.
"Wel!" antwoordt Geelvinck, met een onnoozelen blik, "is er dan geene Mogendheid, die men zou kunnen bestrijden, en tegen welke juist de Graaf Tromp zich moeielijk kan laten gebruiken?"
"Inderdaad!" roept Appelman uit, op den toon van iemand, wien een licht opgaat: "dat zou kunnen zijn: mijnheer bedoelt, dat men Zweden wil helpen, en dat het op Denemarken gemunt is."
"De Heer Appelman gelieve wel op te letten, dat ik het niet ben, die zoo iets beweer," zegt Geelvinck.
"Neen, gewis niet," herneemt Appelman, op een toon van tevredenheid, "'t is natuurlijk enkel onderstelling, maar ja wel, de Admiraal Tromp heeft zijn Gravetitel aan den Koning van Denemarken te danken, en dus.... ja, zoo zou zich alles ophelderen."
"Ik geloof," zegt Witsen, "dat het voorzichtigste in dezen is, aan geene gissingen, van welken aard ook, toe te geven."
"Natuurlijk! de Heer Witsen heeft gelijk, als altijd," zegt Appelman, "doch," vervolgt hij, meteen opstaande, "het zal nu mijn tijd worden en ik verzoek mijne geachte collega's nogmaals om verschooning, indien ik hen wellicht in een belangrijk onderhoud heb gestoord."
"'t Waren familie-aangelegenheden, die wij te bespreken hadden," zegt Geelvinck: "anders niet."
"Wij willen intusschen met den Heer Appelman hopen en bidden," zegt Witsen op plechtigen toon, "dat, wat er ook gebeure of niet, het tot welzijn van den Staat moge gedijen."
De beide Heeren zijn onder 't spreken ook opgestaan, de bezoeker neemt zijn afscheid en na wederzijdsche groete verlaat hij het vertrek. Pas heeft Geelvinck hem de trap hooren afgaan, of hij zegt lachende tot Witsen:
"Nu! wat hij hier vernomen heeft, mag hij, voor zooveel mij betreft, gerust overbrieven aan den Heer d'Avaux."
"Indien het waar is," zegt Witsen, "dat hij met dezen in betrekking staat. Maar ik kan zoo ongunstig niet van hem denken, en zelfs de Prins, toen hij mij verzocht voor hem te verbergen, wat hij mij aan Waveren en u verzocht mede te deelen, betuigde mij, hem om geene andere reden te mistrouwen, dan omdat hij hem voor een onvoorzichtigen babbelaar hield."
"En Z. Hoogheid had geen ongelijk," zegt Geelvinck. "Nu, de man moge thans rondbabbelen wat hij hier gehoord heeft; niemand zal er wijzer door worden."
"Intusschen," zegt Witsen, "laat ik het voor uwe rekening, wat gij hem omtrent die familie-aangelegenheden hebt wijsgemaakt, die wij te behandelen hadden."
"Heb ik dan onwaarheid gesproken? Geldt het geene familie-quaestie? Een aanstaanden krijg tusschen schoonzoon en schoonvader?"
De nauwgezette Witsen schudt het hoofd; want voor zijn gevoel is er weinig onderscheid tusschen een gezegde, dat logen behelst, en een gezegde, dat, hoewel niet bepaald logenachtig, toch ten doel heeft te misleiden; hij houdt echter zijne meening daaromtrent voor zich en vergenoegt zich, te zeggen: "'t Is een drukkende last, een geheim van zulken aard als ons is toevertrouwd, en ik wenschte wel in de plaats van onzen ambtgenoot te zijn en van niets af te weten. Wat zouden wij b. v. hebben moeten doen, indien hij ons eens op den man af gevraagd had, of ons iets stelligs van de zaak bekend was?"
"Mij dunkt," antwoordt Geelvinck, "hij heeft de vraag, zij het dan eenigszins ingewikkeld, toch vrij verstaanbaar gesteld en wij hebben er ons uit gered. 't Is intusschen in één opzicht gelukkig, dat onze ambtgenoot Hudde verhinderd is geweest hier te komen. Had onze vriend Appelman ons alle drie bij elkaar gevonden, hij had gewis kwaad vermoeden opgevat."
"En nog beter is het, dat hij niet een half uur langer is gebleven," zegt Witsen: "want er ware dan kans geweest, dat hij bij 't heengaan den man, dien wij wachten, op de stoep ware tegen 't lijf geloopen. Doch waarlijk, 't wordt al duister, en onze Heeren zullen niet lang meer wegblijven: het is tijd, dat ik dien overeenkomstig mijne bevelen geef."
Hij schelt, doch er verloopt eenige tijd eer de knecht zich vertoont. Evenals al zijns gelijken loopt Jan niet gaarne tweemaal en zoekt dus eerst te raden wat men van hem begeert, meenende er nog dank voor in te oogsten als hij zijns meesters wenschen voorkomt. Eindelijk komt hij binnen met twee aangestoken kaarsen in de hand.
Witsen is een man, die zijne wereld te goed kent, om zijn dienstbode in 't bijzijn eens derden te beknorren. Hij bepaalt er zich bij, hem een straften blik toe te werpen, die genoeg aan Jan zijne ontevredenheid te kennen geeft over het ongepaste van zijn bevel vooruit te loopen en hem te laten wachten--en vraagt vervolgens:
"Zijn de lichten in de zaal opgestoken?"
"Nog niet, Edel Achtb.!" zegt Jan bedremmeld, "ik dacht...."
"'t Is onverschillig wat gij dacht. Ga ze terstond opsteken, zet den wijn klaar en kom mij bericht brengen als alles gereed is."