Vertellingen van vroeger en later tijd

Chapter 18

Chapter 183,609 wordsPublic domain

De Prins heeft een tijdlang in zwijgende verbazing de oogen op dat blad gevestigd gehouden; maar nu richt hij ze op naar den kunstenaar, en, terwijl zijn gelaat de minzaamste uitdrukking aanneemt, geeft hij hem door blik en gebaren de opgetogenheid te kennen, die het aanschouwen van dit meesterstuk bij hem heeft verwekt.

"Het is gelukkig," zegt hij vervolgens, zich tot Filippo de Neri wendende, "dat gij met den Heer Benzi geene weddenschap hebt aangegaan over het al of niet bestaan van mozaïsten te Amsterdam: gij ziet nu, dat ook in dezen opzichte, Amsterdam niets aan Florence te benijden heeft."

"'t Is er mede als met de schilderijen, Uw Doorluchtigheid," zegt de Neri, die zich niet als verwonnen wil beschouwen: "de manier van werken tusschen onze en de Hollandsche meesters is verschillend; maar elke heeft hare eigene verdiensten."

"En is dit alles uit louter paarlemoer vervaardigd?" vraagt Kosmo.

De kunstenaar, aan wien De Graeff de vraag heeft overgebracht, vergenoegt zich, tot antwoord, aan den Prins de bakken voor te houden, waar de materialen zich in bevinden, die hij tot zijn arbeid gebruikt. Die bakken bevatten een aantal dunne, platte schijfjes en schilfers, elk van eene verschillende kleurschakeering, van donkerbruin tot zilverwit.

"En hoe weet gij nu die deelen, waar de ruwe, holle schelp uit is samengesteld, dus van elkander te scheiden en plat te slaan, zoodat zij tot het gebruik kunnen dienen, waarvoor gij ze bestemt?" vraagt Kosmo.

"Indien ik hem dat vertelde," zegt Meester Dirck, op het vernemen der vraag, en terwijl hij met een ondeugenden glimlach naar de overdekte werktafel achter hem omziet, "dan zouden zij het te Florence ook spoedig weten."

"Onze brave kunstenaar heeft geene te hooge gedachten van mijne bescheidenheid," zegt lachende Kosmo, nadat hem het antwoord van meester Dirck is overgebracht: "en toch, ik kan hem geen ongelijk geven.--Met dat al, 't is niet het werktuiglijke van zijne kunst, dat hier 't meest in aanmerking komt: 't is het scheppend genie, dat bij den arbeid heeft voorgezeten, dat die bloemen en dat loofwerk van den rand zoo los en bevallig dooreen heeft weten te slingeren, dat bij het samenstellen van den ruiker in die vaas eene zoo verwonderlijke schikking heeft weten in acht te nemen, waardoor elke bloem en bloemstengel evenzeer uitkomt, en er toch niets is, dat rammelt of aan de werking van het geheel schade doet. Voorwaar, die man is, als teekenaar, als schilder, grooter nog dan als kunstwerker, en wel waardig dat de dichters zijn lof bezingen."

"En dat hebben zij ook gedaan," zegt Benzi: "ginder," vervolgt hij, op den man wijzende, die bij de komst van 't gezelschap zich in een hoek der werkplaats begeven had, en daar in eerbiedige houding is blijven staan: "ginder staat onze puikdichter, die reeds meer dan een halve eeuw alles bezongen heeft wat Amsterdam goeds en grootsch opleverde en ook meester Dirck Van Rijswijk niet heeft vergeten."

Kosmo wendt den blik naar den persoon, die hem wordt aangewezen, en beschouwt met aandacht die flinke gestalte, dat wakker en open gelaat, dat breede voorhoofd, en dat oog, waaraan het wicht van tachtig, vaak kommervolle jaren, niets van zijn gloed ontnomen heeft.

"Men kan het dien man aanzien, dat hij een dichter is," zegt hij tegen De Graeff.

"Hij wordt voor den besten gehouden, dien wij hebben," zegt de Burgemeester: "jammer maar, dat zijne financiën in geen beteren staat zijn: de poëzie moge eene schoone zaak zijn, zij geeft geen brood."

Vondel had in vroegere dagen ook een weinig aan 't Italiaansch gedaan: hij heeft er genoeg van onthouden, om de woorden te verstaan, door De Graeff gesproken, en een smartelijke glimlach zweeft om zijn mond. Kosmo heeft dien opgemerkt, en hij wil een pleister op de wond leggen, die hij gevoelt dat den dichter geslagen is.

"De poëzie geeft meer," zegt hij: "zij geeft de onsterfelijkheid niet alleen aan den zanger, maar ook aan hen, die hij tot stof zijner zangen kiest."

"Verstaat gij, sinjeur Vondel! wat zijne Doorluchtigheid zegt?" vraagt De Graeff, op een half spottenden toon, aan den dichter: "hij zegt, dat gij mij onsterfelijk gemaakt hebt; want ik behoor tot dezulken, op wie gij rijmen gemaakt hebt."

"Ik heb het verstaan," antwoordt de grijsaard, terwijl hij met een vriendelijken blik en eene nederige hoofdbuiging den Prins voor zijne heuschheid dankt: "intusschen," vervolgt hij, zich weer naar De Graeff richtende, "heeft Uwe Edelachtbaarheid wel gezorgd, dat haar naam vereeuwigd blijft, zonder dat ik daar iets aan kan toe of afdoen."

"Gij verstaat dan ook Italiaansch?" vraagt Kosmo, met jeugdige drift, om de tafel heen, naar Vondel toeloopende.

Vondel maakt eene diepe buiging; terwijl hij bij zich zelven zich beklaagt, niet machtig te zijn in dezelfde taal, waarin hij wordt toegesproken, behoorlijk te antwoorden; doch zijne tegenwoordigheid van geest redt hem uit de verlegenheid en, het Latijn te baat nemende, betuigt hij aan den Prins zijn leedwezen, dat onkunde en ongewoonte hem verhinderen, zich van den schoonen tongval te bedienen, waarin Petrarca en Guarini hadden gedicht.

"Maar gij kent hen toch," zegt Kosmo, zich mede van de Latijnsche taal bedienende: "en Tasso, hebt gij hem gelezen?"

"Eene mijner dierbaarste vriendinnen [53], nu helaas! mij sedert lang ontvallen, heeft," antwoordt Vondel, "zijn meesterstuk in ons Neerduitsch overgebracht: zij placht mij haar vertrouwen te schenken en zoo nam zij mijn raad daarbij in: en de uren, door mij besteed, om haren arbeid na te zien en met het oorspronkelijke te vergelijken, reken ik onder de zoetste van mijn leven."

"De vriendin, waar ge van spreekt," zegt Kosmo, "bewees eene vrouw van smaak en oordeel te zijn: van smaak, dat zij het "verlost Jeruzalem" op prijs stelde, van oordeel, dat zij den raad innam van een zoo voortreffelijk dichter, als waarvoor gij, naar ik hoor, bekend staat. Uw naam is...."

"Justus Vondelius, Uwe Doorluchtigheid."

"Het spijt mij nu dubbel, uwe taal niet te verstaan; want daardoor is mij het genot ontzegd, uwe schoone zangen te lezen. Gij hebt, hoor ik, ook de wondere gewrochten van gindschen kunstenaar bezongen."

"Ik heb twee van zijne tafels bezongen," antwoordt Vondel, "de eene, niet ongelijk aan degene, waar meester Dirck thans aan bezig is, en die tot een geschenk moest strekken aan wijlen den Directeur-Generaal Hulft; de andere van meer omvang, en het feestmaal der Goden voorstellende."

"Die tienduizend gulden heeft gegolden," voegt Benzi er bij.

"Tienduizend gulden!" herhaalt de Prins: "maar dat is een rantsoen voor een Vorst; en ik zal mijne kas wel aandachtig mogen raadplegen, eer ik mij veroorloof, hier eene bestelling te doen.--Nu, Signor Justus, gij zult mij verplichten, indien gij mij die beide gedichten wilt doen toekomen: ik zal ze hier ter stede door een bekwamen tolk in 't Italiaansch laten overbrengen en ze als een gedachtenis medenemen."

En met eene minzame hoofdbuiging afscheid nemende van den dichter, begeeft hij zich weder naar de tafel en laat aan Meester Dirck vragen, of hij ook werkstukken heeft, die voltooid en te koop zijn. Rijswijck geeft hierop een wenk aan zijn dienaar, en deze, eene kast openende, haalt daar eenige schenkbladen en andere voorwerpen uit, van minderen omvang dan het kunststuk, dat nu onder handen is, doch, wat de bewerking aangaat, niet minder keurig en uitvoerig. Immers ook van deze kan men, met Vondel, zeggen:

....Hier blinckt de schoone regenboog Van bloemen loofwerck en festoen, Uit root en blaeu en geel en groen En gout gemengelt, in ons oogh.... ....Hier geeft genoffel, [54] leli, roos Gemengt uit onderscheiden kleur, Trots Indisch velt, een lucht en geur, Hier praelt robijn, saffier, turkoos. Hier blinckt de gout- en zilvermijn. Hier rijst de witte morgenstar. Zy voert den dagh af op haer kar En boodschapt ons den zonneschijn.... ....Hier legt de schilder zijn palet En rijck penceel uit zijne hant. De juwelier acht diamant Noch dier gesteente, in gout gezet. Dees kunst schept, uit een ruwe schulp, Gesteente, en tulpen, knoppen, blaên Gestarnte, en licht, en zon, en maen. Zy neemt vernis noch verf te hulp. De schilderkunst verschiet haer verf, Gelijck de maaght haer frissche jeught, De tulpen zien haer waerde en vreught Verwelckt of schrikken voor bederf. De rijp, de nevel en de mist Verstickt de tulp: een felle storm Verslijt haar leven, eer men 't gist: De paerlemoerbloem, op haar steel, Volght d' eeuwigheit in duurzaemheit En blijft tot dat de werelt scheit, Waer bloeide ooit eêler bloempriëel!....

of ook, op eene andere maat;

....Hier weit het oogh in allerhande bloemen, De kunst verdooft de stof. ....Stoft d' Indiaan op d' endeloze rente Van 't vrolijck ooftsaizoen. Dat eeuwigh duert: het is hier eeuwigh lente. Geen kou verbijt dit groen. ....Dees veltzwarm ziet den dischbeemt nooit verdorren. Het leeft er overal Van krekel, vliegh, wywouter, goude torren, En joffren zonder gal, De maenebloem, de starrebloemen locken Die vlugge zielen uit. De morgenstar, de korenbloem, de kloeken Ontluiken op 't geluit. De kivitsbloem, en keur van schoone tulpen, Die, als 't kameleon, Met menigh slagh van verwen zijn behulpen, Bekooren zelf de zon, Genoffel, of eenverwigh, of gemengelt, Gezegent met een lucht Van nagelpoêr [55], in zoo veel kleurs gesprengelt, Het hart verquickt, als 't zucht.... ....Wat quist men tijt om 't eeuwige bewegen Te heffen op het hooft! Dat uurwerck speelt en draait u eeuwigh tegen En flikkert onverdooft. Dees zonnebloem volght met haar drijvende oogen De zon, haar bruidegom. Zy lonckt haar aan, van zuivre min bewogen En zoeckt zijn gunst alom. Wanneer haar lief zijn hooft en gouden luister Des avondts onderhaelt, Dus leentze noch den zonneglans by duister, Hoe diep hy nederdaelt....

"Welnu!" zegt eindelijk Kosmo, nadat hij eene der tentoongestelde voorwerpen heeft uitgekozen: "gij zult dit aan mijn logement doen bezorgen, Signor Van Rijswijck, en hier," op Filippo de Neri wijzende, "is mijn schatmeester, die er den brenger de honderd dukaten voor uitbetalen zal, die gij er voor vraagt. Ik stel er mij een feest van voor, dit kunstwerk aan de mozaïsten in mijn vaderstad te wijzen: en hou u maar goed, Signor! als deze of gene onder hen hier komt en u de kunst poogt af te zien."

Het bezoek is afgeloopen en het hooge gezelschap heeft de werkplaats van Meester Dirck Van Rijswijck verlaten.

"Een nobel Heer, die Prins van Medicis," zegt Vondel, na hun vertrek, tegen zijn vriend den kunstenaar: "zie, onze groote Heeren hier zijn brave, eerbiedwaardige mannen, en toonen zich bij wijlen ook wakkere Mecenaten; maar toch ontbreekt hun iets, dat deze vreemdeling bezit."

"Wat dan?" vraagt meester Dirck, verwonderd.

"Wat?--het echte kunstgevoel," antwoordt Vondel, spijtig voor zich ziende.

"Ei wat," herneemt Rijswijck: "zij hebben toch mijn feestmaal der Goden met tienduizend gulden betaald."

"Ja, dat hebben zij," zegt Vondel, peinzende, en het gevoel onderdrukkende, dat bij hem ontstaat op de vraag, die in weerwil van hem zelven bij hem oprijst, waarom of zijne verzen, die toch ook een kunstig gevlochten, en de eeuwigheid verdurenden krans vormen van bloemen, loofwerk en vruchten, of niet, of met eene aalmoes betaald worden: "dat hebben zij: maar zij hebben uw werk, zij hebben de schilderijen van Van der Helst of Stockade, en de beelden van Quellijn betaald, zooals zij 't een kostelijk meubel, een pronkstuk in hun vertrek of voorportaal doen:--en zij achten in den grond noch uw kunstwerk, noch die schilderijen of beelden meer dan een nieuwmodisch behangsel of vloertapijt, dat veel geld kost: en zij kunnen er den hoogeren geest niet in herkennen, die u en die andere groote kunstenaars bezield heeft. Maar die Italiaan is in eene andere lucht gewonnen en gevoed: op dien bodem, die voorheen Maro's en Flaccussen gekweekt heeft, waar de liefde tot de kunst eeuw in eeuw uit van de vaderen op hunne nazaten is overgegaan, en waar, nog heden, zoowel de Heilige Vader op 't Vaticaan, als de nederigste landbouwer op 't veld, de verzen van Virgilius en die van Tasso of Petrarca in den mond heeft en zich buigt voor de kunstgewrochten van Titiaan en Rafaël en Michel Angelo. Zie!--daar had ik moeten geboren zijn."

"Gij, vader Vondel!" zegt Rijswijck: "'t mocht wat: al zijt gij van Keulen hierheen gedwaald, gij zijt en blijft toch een Amsterdammer in uw hart."

"Nu ja, dat is waar," herneemt de grijsaard, wederom als tot zich zelven sprekende: "want het is te Amsterdam, dat ik geleefd en geleden, en schier al wat mij dierbaar is begraven heb."

"Wat mij betreft," hervat Rijswijck, na een langdurig stilzwijgen van weerszijden: "ik verheug mij, dat ik hier woon; want ik twijfel of ergens, behalve hier, mijne tafels zoo goeden aftrek zouden vinden tot den prijs, waar ik ze op gezet heb."

Den volgenden dag ontving Kosmo van Medicis het bestelde schenkblad; gelijk mede de verlangde gedichten; doch bij deze laatsten was de navolgende tweespraak gevoegd, die Vondel ter eere van 's Prinsen verblijf te Amsterdam had vervaardigd:

Amsterdam.

Wat glori komt mijn hooft beschijnen, In 't hartje van den wintertijt!

Italiaen.

De morgenstar der Florentijnen, Een eeuwige eer, uw kroon benijt.

Amsterdam.

Wat telgh is 't? Uit wiens stam gesproten? Spreekt duitlijck Duitsch. Hoe luit die naem?

Italiaen.

De jonge Kosmo van den grooten, De waerelt kenbaer door zijn faem.

Amsterdam.

Een godtheit daelt, als uit de wolcken Om laegh in 't vrye Nederlant.

Italiaen.

Onthaelt van zeven vrye volcken, Daar gy alleen de zeekroon spant.

Amsterdam.

Zoo zagh voorheen de groote moeder Der koningen [56] mijn groote stadt.

Italiaen.

De moeder van den Franschen hoeder, Geheilight door het lelibladt.

Amsterdam.

Zy gaf Gaston, zijn broeder [57], 't leven, Nu schoonvaêr der Toskaensche spruit.

Italiaen.

En eert u noch in hare neven. Gy zeilt hun havens in en uit.

Amsterdam.

Fernandus zagh mijn bloedvlagh paelen, Toen 't Britsch kasteel ten hemel voer;

Italiaen.

Dat uwen waterleeuw van Galen Den doot in 's Hertoghs haven zwoer.

Amsterdam.

De zoon kan hier het graf aanschouwen, 't Welck 's helts gebeent en naem bewaert;

Italiaen.

En daeden, op de zerk gehouwen. Zoo blijft de deught alom vermaert.

Amsterdam.

Dees prins ziet hier mijn schiltkroon proncken, Ten prijs van zijn voorvaders [58] stam.

Italiaen.

En keizers gifte uw trouw geschoncken, Zoo blinckt Florence te Amsterdam.

Amsterdam.

Mijn kapitool, bij zijn gebouwen Geleken, zal te pover staan.

Italiaen.

Ik zweer, 't gezicht wil hem noit rouwen, Hat wijckt Sint Mark, noch Vatikaen.

Amsterdam.

Maer d' Arno schenckt gezonder luchten En ooft, dan d' Aemstel hem kan biên.

Italiaen.

Uw mastbosch draeght ook goude vruchten, Een bosch, van Princen waert bezien,

Amsterdam.

Prins Kosmo dreight den Griekschen roover Te ketenen op Tunis strant.

Italiaen.

Scheept Putten [59] met uw krijghsvloot over, Zoo wordt die zeepest uitgebrant.

Amsterdam.

Dan keerenze met Kriste-slaven, En Smyrna ziet den handel vry.

Italiaen.

En d' Aemstelheer onthaelt zijn braven Met zeekortouwen langs het Y.

Amsterdam.

Dan brult de zeeleeuw van Venedigh, En Kandië schept verschen moedt.

Italiaen.

Hy wet zijn klaauwen eens zoo snedigh En Villa dempt al 't helsch gebroet.

Amsterdam.

Dan krijgt Europe een nieuw gestalte, En 't kruis braveert de Turksche maen.

Italiaen.

Gansch Barbarye schrikt voor Malte. Dat Asië en haar maght houdt staen.

Amsterdam.

Geene afgunst groey noch rijze tusschen Den Hertogh en 's lants vrijen staet.

Italiaen.

De Batavier omhels Hetrusschen Zoo lang de zon te water gaet.

Bij Burgemeester Witsen.

Uit de Beerestraat op onze schreden teruggekeerd en de brug weder overgegaan zijnde, begeven wij ons rechts de Keizersgracht op, naar het fraaie huis met een hardsteenen gevel, dat ginds over den Schouwburg, Costers oude Academie, zeven-en-twintig jaren geleden--wij zijn nu in 1688--door den bewoner werd gesticht. Die bewoner is Mr. Nikolaas Witsen, sedert 1671 Raad, sedert 1673 Schepen, in 1682, 1685, en ook nu wederom, Burgemeester van Amsterdam. Wij komen de stoep op te gelijk met een welgekleed Heer, die er aanschelt, en terwijl hij wacht, dat hem opengedaan wordt, hebben wij den tijd, hem in oogenschouw te nemen; wat wij beter kunnen doen, omdat hij in 't volle licht staat der ondergaande Augustuszon. Mij dunkt, hij komt ons niet geheel onbekend voor: neen inderdaad, wij hebben dat gelaat meer gezien, en wel op eene dier schilderijen, aan de Stad behoorende, en die nog steeds op eene voegzame verblijfplaats wachten. Maar dáár is hij voorgesteld als een jong en krachtvol man, met levendigen oogopslag, wakker en blozend gelaat, donkerbruin haar, dat in weelderige vlechten over 't voorhoofd en langs hals en schouders nedergolft, terwijl zijn eenige opschik bestaat in een omgeslagen halsboord en een oranjesjerp, die zijn wambuis omsluit;--terwijl nu datzelfde gelaat zich taankleurig en gerimpeld, de houding gebogen, de wangen flets en voos vertoonen, eene krulpruik het hoofd bedekt, eene kanten das met wit lint om den hals is gestrikt, en kanten manchetten uit de breede omslagen van den zwartfluweelen rok te voorschijn komen. En toch hebben wij wel denzelfden persoon voor oogen, maar, sedert hij op de schilderij werd afgebeeld als Sergeant der burgerij, zijn er jaren verloopen, en thans bekleedt hij de Burgemeesterlijke waardigheid. Geen wonder, dat er verschil bestaat tusschen den Jean Appelman van toen en den Jean Appelman van heden.

De deur gaat open: de knecht antwoordt op de hem gedane vraag, of zijn Heer thuis is, wel toestemmend, maar toch eenigszins aarzelend, laat den bezoeker in de zijkamer, en begeeft zich de trap op, naar het studeervertrek van zijn meester, binnen 't welk wij hem volgen.

Wij behoeven niet te vragen of wij ons in de kamer eens geleerden bevinden. Niet omdat talrijke boekenkasten de wanden bedekken, zoodat alleen hier of daar het goudlederen behangsel doorschijnt;--want het bezit eener rijke boekverzameling begint reeds eene der noodwendigheden te zijn, die een man van vermogen--ook al slaat hij er nimmer een oog in--zich wel getroosten moet, wil hij niet voor een plomperd worden aangezien: neen, wat ons tot de zoo even vermelde overtuiging brengt, is, vooreerst, de meer bijzondere aard dezer boekerij, die, schoon verre van arm in werken, die tot godgeleerdheid, rechts- en staatswetenschap betrekking hebben of over letterkunde handelen, toch vooral waarde heeft door de volledige verzameling, die zij bevat, van hetgeen in vroegere en latere tijden over wiskunde in al hare onderdeelen is geschreven, en alzoo bij den bezitter eene bepaalde voorliefde aanwijst voor dat vak van studie:--ten andere, de omstandigheid, dat, waar de voorhang is opengeschoven, zich menige opene ruimte vertoont, getuigende dat aldaar óf een geheel werk óf een deel van eenig werk is uitgenomen, en dat, wanneer wij rondkijken, wij het ontbrekende boek op eene schrijftafel of op een stoel terugvinden, niet zelden open of met talrijke papiertjes bestoken, als zoovele aanduidingen, dat men het geraadpleegd heeft en nogmaals raadplegen wil:--ten derde, omdat de aanwezige aard- en hemelglobes niet, als in de meeste boekerijen het geval is, bij wijze van sieraden op de bovenhoeken der middelste kast prijken, zorgvuldig met hoezen tegen stof bewaard, maar open op eene tafel staan; terwijl evenzeer de talrijke wiskundige, optische en physische werktuigen, in kwistigen overvloed op tafeltjes, buffetten en consoles of zelfs op den grond uitgestald, de bewijzen met zich dragen, dat zij niet voor den pronk zijn aangekocht, maar wel degelijk aan hun bezitter aanhoudende diensten bewijzen:--en eindelijk, omdat de tafels overladen zijn met kaarten, boeken en schrifturen, en wij onder deze laatsten eene menigte opstellen van des bewoners eigen hand erkennen.

Wij bedriegen ons dan ook niet; de man, die daar zit, is werkelijk een der voornaamste wis- en sterrekundigen, waar Nederland op roemen mag, en zoowel de verhandelingen over de Zon en de Kometen, die hij als jongeling schreef, als het werk over de "Aloude en hedendaagsche Scheepsbouw en bestier," dat hij, als vrucht van rijpere ervaring, in 1671 in 't licht gaf, getuigen niet enkel van doorgaande en onvermoeide studie en werkzaamheid, maar vooral ook van grondige kennis der onderwerpen, door hem behandeld.

En toch zijn 't, behalve een zee-atlas en eenige zeekaarten, en eenige tabellen, met weerkundige waarnemingen, geen boeken of papieren, tot het vak der wiskunde behoorende, die op dit oogenblik onder Witsens onmiddellijk bereik gelegen zijn:--neen: 't is Grotius, de jure belli et pacis, 't is een exemplaar van de Engelsche magna charta, 't zijn proclamatiën en pamfletten, betrekking hebbende tot de jongste gebeurtenissen, in Engeland voorgevallen: en zoo het voorhoofd nog meer gefronst, de wenkbrauwen nog meer samengetrokken, de vorens om den mond nog dieper gegroefd zijn dan gewoonlijk, 't is niet op eenig wiskundig problema, dat het schrandere brein thans bezig is te peinzen.

Doch Witsen is het niet alleen, die onze aandacht wekt, en, wanneer wij bloot op 't uiterlijke afgaan, vinden wij ons meer aangetrokken tot den man, die tegen hem over gezeten is, en wiens vlug en vroolijk uitzicht, wiens levendige geestige oogopslag, wiens nu en dan spotachtige glimlach, tot zoovele bewijzen strekken, dat de last van een reeds gevorderden ouderdom hem niet zwaar valt en de lust des levens hem te midden van aanhoudende staatszorgen niet begeven heeft. Die wakkere grijsaard is Cornelis Geelvinck, Heer Van Castricum, sedert 1652 Raad, sedert 1657 Schepen, in 1673 voor de eerste-, nu voor de vierdemaal Burgemeester, Grooter contrast dan tusschen hem en den ernstigen, meest zwaartillenden Witsen is moeielijk uit te denken: en desniettemin--misschien wel juist daarom--bestaat voortdurend tusschen hen beiden de beste overeenstemming en verstandhouding. Al drukken zij, als 't zaken betreft, hun gevoelen uit op geheel verschillende wijze, de slotsom komt meestal op 't zelfde neer: Witsen schaamt zich somtijds zijne zwaarmoedigheid, wanneer hij een ambtgenoot van hoogere jaren en langer ondervinding, zoo moedig en voortvarend ziet, en Geelvinck toont zich minder haastig en luchthartig, wanneer hij de bezwaren heeft gehoord, hem ontwikkeld door iemand, wiens diepe kunde en helderheid van inzichten hij hoogschat.

"Burgemeester Appelman vraagt, of mijnheer geen belet heeft," zegt de bediende, terwijl hij de deur half open houdt.