Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 17
"Meer dan er ier sou kunnen 'ang, al wasse de winkel sesmale soo kroot," is het antwoord, en nu verhaalt hij ons, hoe hij de kerken te Hoorn, Enkhuizen, Delft, Utrecht, Amersfoort, Leiden, Arnhem, Kampen, Groningen, Middelstum, Purmerend, Medemblik, den Briel, enz. van klokken heeft voorzien, en er hem nu nog voor de Groote Kerk te Hoorn en voor andere gebouwen meer besteld zijn.
"En wat was uw proefstuk hier te lande?" vragen wij: "gij zijt een Lotharinger, niet waar?"
"Van Levecourt kebore, ja welle! Mijn eerste werke wasse in 't jaar 46, te Zutfen, waar ik met mijn broeder Pieter eb kekoot, die ses-en-twintik klok voor de Wijnuistoor, en in 47 die vijf-en-twintik klok voor die kerke van Saint Levin te Deventre. Maar toen eb ikke kedok, Amsterdamme is de rekte plaasse foor een artist, en ikke pen kekoom ier, waar mij de Magistrat ep afgestaan deze erf om daar te bouw mijne kieterij, en daar eb ik ook al mijn klok kekoot, en voor de Oude kerke dat speelewerk, van vijf-en-dertik klok, en daarvoor eb zij mij betaal f 28,716: en nu sijn mij bestel die klok voor de nieuwe stattuis te kiet binnen ses maand; daar sullen aan kespendeer worden 27000 pond metaal. En as die sinjeurs nu eens wille koom in mijne werkplaas, sij sullen nok ander keurige dink sien."
Wij geven gaarne aan de uitnoodiging gehoor en verlaten de loods, waar wij ons bevinden, voor eene tweede, die tot het bewerken en beproeven der gegoten voorwerpen dient, en vanwaar ons reeds een voor 't gehoor min aangenaam krassend geluid van ijzer, dat geveild of afgeschraapt wordt, is te gemoet gekomen. Was het in den winkel eenzaam en stil, hier in de werkplaats heerscht bedrijvigheid en gewoel. Eene uit een aantal klokken, die van den zolder afhangen en de muziek hebben doen hooren, waarop wij straks vergast werden, is door de werklieden met kabels afgelaten en, met behulp van een kunstig uitgedacht werktuig, omgekeerd in een soort van ijzeren rasterwerk opgevangen en vastgezet. Iemand, die over den rand dier klok is heengebogen, en wiens bovenlijf er geheel in verdwijnt, is bezig, daar die knarsende geluiden voort te brengen, die wij hoorden; terwijl een ander bij de tafel daarnevens staande, met een blad in de hand, vol aanteekeningen en figuren, die blijkbaar pas geschreven zijn--want de inkt is nog nat--den arbeid gadeslaat.
"Ah! monsieur Verbeek!" zegt Hemoni tot dezen laatste: "iere sijn sinjeurs, die mijne winkel en kieterij koom bekijk. Sij koom net van passe, om te zien oe wij probeer die klok."
Wij groeten monsieur Verbeek, wiens naam als kunstenaar ons reeds bekend is uit de navolgende rijmen van den eerzamen Melchior Fokkens:
De kunst in d' avond-stondt der werelt, nu gebooren, Doet met verwonderingh 't Muzyck der klokken hooren, Ons ooren zijn verbaest, den ouden tijd verdwijnt, Vermits een grooter licht in 't nieuwe ons verschijnt. Wie zou dit zoet geluydt der nieuw ghegoten klocken Van over hondert myl niet herwaerts konnen locken? Noyt was ons Amsterdam met sulck vermaeck geciert; Dit zoet gespeel door Straet en Boom en Burghwal zwiert. Laet varen Griecken Landt met zijn verzierde droomen, Parnassus groen geberght en noyt gevonde stroomen, Hier is een and'ren klanck, dat noyt de wijze Grieck', Noch het beroemde Atheen, dat staegh om wijsheidt ziek, Zijn krachten leydt te kost, en mochten oyt gebeuren Gheen volck, hoe woest het is, die dit niet goet zou keuren Wanneer ons hier Verbeeck, door 't klocken zoet gespeel En 't klinckende Muzyck ons hert en ooren streel: Wat 's van Apollos harp, Orfeur kunstigh zinghen, 't Heeft uyt met dit gelaet en oud vermufte dingen: Wanneer men dit gheklanck in Amsterdam begluurt, Ons levenstijdt is kort, de kunst gestadigd duurt.
Die regels zijn zeker niet fraai: zij laten, wat stijl, taal en maat betreft, vrij wat te wenschen over; maar zij kunnen als een staaltje dienen van de ingenomenheid, die de Amsterdammers hebben met hun klokkenspel, en met den bekwamen kunstenaar, die ze zoo tot aller voldoening weet te bespelen. Inderdaad ontlokt Verbeek, niet enkel geleid door zijn juist gehoor, maar ook door onmiskenbaar kunstgevoel gedreven, aan het klokkenspel nog schooner akkoorden dan zelfs den vervaardiger mogelijk was toegeschenen. Gaarne neemt dan ook Hemoni zijn raad in bij den arbeid, en gaarne staat hij Hemoni met dien raad ter zijde.
De meester voert ons thans de werkplaats rond, waar t' elker zijde zijne handlangers en leerlingen zich kwijten, ieder van zijne verschillende taak. Hier ziet men er aan 't schoonmaken, schuren, polijsten, vernissen van klokken en andere gegoten voorwerpen; daar is men bezig aan 't uitbeitelen van letters, cijfers, beeld- of loofwerk of andere sieraden, die er op moeten prijken: wat verder is de een bezig met ingewikkelde berekeningen, en de ander met het uitwerken op grooter schaal van geteekende schetsen van verschillenden aard, door Hemoni ontworpen. Wij zien en verwonderen ons over al het fraaie, dat ons getoond wordt, maar wat in bijzondere mate onze opgetogenheid wekt, is eene sfeer van koper, waarop eene bedreven hand de geheele oppervlakte des aardbols met de graveernaald schetst, naar het voorbeeld van eene houten sfeer, uit den winkel van den grooten aardrijkskundige Blaeu. Het is de bol, waar Hemoni zoo straks van gewaagde, die op de schouders van het Atlasbeeld, dat wij in den winkel zagen, zal komen te rusten.
Maar terwijl wij nog staren op dit meesterstuk, daar houdt eindelijk het gekras binnen de omgekeerde klok op en duikt daaruit de bekwame werkman op, die het had voortgebracht. Aan zijne jaren en aan de onderlinge gelijkenis herkennen wij Pieter Hemoni, den broeder van François. Hij legt den beitel neder, waarmede hij een werk verricht heeft, dat aan geene onervaren handen mocht worden toevertrouwd: de klok wordt weder met de opening naar beneden gewenteld, en opgehaald, doch slechts op twee derden eener manshoogte van den grond, zoodat de beide broeders en Verbeek er hunne hoofden in kunnen steken, om het verrichte in oogenschouw te nemen. Monsieur François is tevreden, althans hij geeft een goedkeurenden knik; maar Verbeek wil nog nadere overtuiging: hij tilt een zwaren hamer op en slaat daarmede tegen de klok, die terstond een zilveren klank laat hooren.
"Ik geloof dat wij het nu meester zijn," zegt hij, "en dat niets het volmaakt akkoord meer storen zal. Haal nu maar op; dan kunnen wij 't nog eens beproeven."
"Silence!" roept Hemoni, terwijl de klok naar boven gaat; en plotseling zwijgt elk geluid in de werkplaats: al de aanwezigen--ook wij--houden den adem in: Hemoni en Verbeek staan in gespannen aandacht, met een blad papier in de eene en eene pen in de andere hand, gereed, elke valsche noot, elk min juist akkoord, elk gebrek aan overeenstemming op te teekenen; en het klokkenspel begint opnieuw. Maar thans ruischen de melodieën zuiver als kristal, en alleen aan de nabijheid, waarin wij geplaatst zijn, is het te wijten, zoo zij op ons niet die aangename uitwerking doen, welke zij eens uit de hoogere verblijfplaats, voor welke het klokkenspel bestemd is, in de ooren van marktbezoeker en wandelaar weerklinken zullen.
"Bravo! bravo!" roepen wij, zoodra de muziek ophoudt: "hoe kan 't zijn, dat zulke zware instrumenten zulk eene liefelijke samenstemming van tonen kunnen teweegbrengen!"
"Ja," zegt Verbeek, terwijl zijn gelaat van welgevallen schittert bij 't ophalen der verdiensten zijns vriends: "dat had niemand kunnen denken, voordat onze meester hier de kunst uitvond. Tot op zijn tijd hing het treffen van den juisten toon van een tal berekeningen af, die, wanneer zij ongelukkig faalden, het geheele werk deden mislukken. Dan moest er weer opnieuw gevormd, en opnieuw gegoten worden, totdat men eindelijk een gunstiger uitkomst verkregen had; maar dan mocht het eer toeval heeten dan kunst: en de meeste klokkenspelen lieten nog veel te wenschen over. Maar onze meester François kwam het eerst op het wijze denkbeeld om de zwaarte van het gietwerk iets ruimer te nemen, en ook den toon wat hooger dan te voren, en dan de klokken met stalen beitelwerk uit te draaien, tot zij op den juisten toon waren gebracht en alle volstrekt samenstemden. Dat stemmen nu wordt, zooals de heerschappen gezien hebben, altijd zoo nauwlettend verricht, dat niemand bij 't geluid mag spreken en wij onze aanmerkingen schriftelijk opteekenen, om ze elkander eerst mede te deelen als het spel heeft opgehouden. Ja hij heeft het zoover gebracht, dat het gewone klokkeluiden, dat elders spoedig verveelt, hier te Amsterdam iets welluidends heeft. Immers er zijn vier groote klokken van hem, waar men mee luidt, van welke de kleinste en de grootste, of de hoogste en de laagste, net een octaaf verschillen en de twee middelsten op een quint of tertie tusschen beide gaan, zoodat, 't zij men ze alle vier, of er maar twee of drie van luidt, zij altijd een geluid geven dat muzikaal accordeert."
"Ja," zegt Pieter Hemoni, met een vroolijken glimlach: "sij lank soek', eer sij tekenwoordik op de wereld eene stad vind', soo voorzien van kunstikke klok' als Amsterredamme."
"Bah!" zegt François: "watte isse er, dat bij Amsterredamme is te verkelijk? Waar finde men erkens eene smid, asse meester Wouter Geurtsgen, die soo excelleer in 't smeeden van ijzeren traliën met loofewerke en krullen, soo net met den 'amere kemaak, dat men niet zou kunnen et soo keurig maak in de kieterij? Nu, ij dan ook lever sijn werk aan den konink van Sweden en andere uit'eemsche prinsen. En waar vinde men kastemakere, die zoo kunstik inlekwerk weten te maak, dat door de eele wereld kezok wor? En waar mozaïsten als meester Dirk Van Rijssewijk? 't Mot alles van ier koom, waar de foorname liede te Londre of Paris unne saal en pronkkamer mee versier, en anders is 't niet koet."
En nu brengen wij, op 's mans voorstel, een bezoek aan de gieterij. Wij zullen er niet anders van zeggen, dan dat, had Schiller anderhalve eeuw vroeger geleefd, men zou hebben kunnen denken, dat hij hier de inspiratiën geput had, die hem zijn heerlijk "Lied van de klok" deden schrijven, en dat wij versteld staan, wij, die 't gebruik der stoomwerktuigen kennen, hoe, zonder hun hulp, en met de middelen, die hem ten dienste stonden, Hemoni, in betrekkelijk korten tijd, zoo ontelbaar vele meesterstukken uit zijne gieterij heeft kunnen afleveren.
Bij het keeren van daar, en voordat wij afscheid nemen van onze heusche kunstenaars, wijst Pieter Hemoni ons nog, in een hoek van de werkplaats, die tot kantoor gebezigd wordt, boven den schrijflessenaar een vers, in plano gedrukt en in een koperen lijst gevat, en van den volgenden inhoud:
Op het Klokmusyk t' Amsterdam. Nec mortate sonans.
Laet al d' oude Grieken zwijgen, Stoffende, zoo trots en fier, Van Amfions goude lier, Op wiens klank de vesten stijgen, Bacchus zijn geboortestadt [52] Van den hemel zagh bescheenen, Daer zoo veel vertrooide steenen Zich verhieven uit het plat, Op de maat van snaer en zanger, Wij verwondren ons niet langer.
Droom en kluchten gaven stof Aen de lichtgelovende ouden, Die gedroomde steden bouden, Dat versieren ging te grof. Grieken, dartel in zijn vonden, Zoekt uit duisternisse licht, Diende zich van ydel dicht, Aan geen schijn van reên gebonden, Toen het geestigh logens goot, En zijn verf niet eens verschoot.
Wij, verlicht door ryper klaerheit, Mogen spreecken, rijck van roem, Zonder dat men 't werck verbloem', In der daedt, en in der waarheit: Gysbrechts stad wordt rontom heen, Op muzyk van torenklokken Met een steenen muur omtrokken, Wordt gekloncken hecht aan een, Wijl Verbeek met voet en vingeren Klancken weet daaraan te slingren.
Hij verdooft met klokgeluit D' allereêlste kerkkooraelen, Speelt met klokken, als cymbaelen, 's Hemels kooren kycken uit, Op de heele en halleve uuren, En de vierendeelen mee, Steeckt de Koningin der zee 't Hooft nu trotser uit haer muuren, Gort haer vruchtbren schepetuin Met een gordel van arduin.
Ik verhef mijn toon in 't zingen Aen den Aemstel en het Y, Op den geest van Hemony. D' eeuwige eer van Loteringen, Die 't gehoor verlekkren kon Op zijn klokspijs, en zijn nooten, Ons zoo kunstrijk toegegoten. 't Lust ons op de klokketoon, Ons doorluchte torentranssen, Eenen klokkedans te danssen.
Cybelé behaelt geen prijs Door geschal van keteltrommen, Nu de torentransen brommen Met een liefelijker wijs, Dan haer dolle Korijbanten. Geen of een alleen vermagh Om te voeren nacht en dagh Eenen rey van musikanten. Voert dien klokhelt op 't altaer, Eens gezien in duizent jaer.
MDCLXI. J. v. d. Vondel.
In de paarlemoeren Schelp.
Wij hebben de woning van Hemoni verlaten en, onzen weg langs de Keizersgracht vervolgende, zien wij uit de Wolvestraat drie heeren komen, wier deftig voorkomen en sierlijke kleedij ons doen vermoeden, dat zij tot den aanzienlijksten stand behooren. Zij spreken een uitheemsche taal, maar toch meenen wij, aan de wijze waarop zulks door twee hunner geschiedt, zoowel als aan hunne gelaatskleur, houding en manieren, stadgenooten te herkennen. Alleen de derde, die, op de eereplaats, in 't midden gaat, is blijkbaar een vreemdeling. De kwistige overvloed van bonte pluimen, die rondom den bol van zijn hoed golven, de zwier, waarmede de oranjekleurige, met goud gestikte mantel van den linkerschouder afhangt, de gouden ketens, die zich kruisen onder en over de slippen van eene das, uit het fijnste kantwerk vervaardigd, de omgekeerde piramide van veelkleurige linten, die 't onderlijf bedekt, de breede kanten, die over de omgeslagen randen neervallen der laarzen, met gouden sporen voorzien, die weelderige opschik in één woord, en daarbij die gele, doorschijnende tint van het gelaat, die blinkende raafzwarte vlechten, die in natuurlijke krullen tot ver over de schouders heen dartelen, die levendige, als sterren vonkelende oogen, en die welluidende uitspraak van de liefelijkste aller talen, stellen het buiten allen twijfel dat wij hier een Italiaan voor ons uit zien gaan, en wel, dat wij de lingua romana in bocca toscana hooren spreken.
En zoo is het ook. Die vreemdeling, die op de plaats van eere gaat, is niet slechts een Toskaner, maar een Florentijner, en niet slechts een Florentijner, maar een zoon uit het doorluchte Huis van Medicis, die de groote wereldstad bezoeken en kennis komt maken met de rijkdommen en merkwaardigheden, waardoor zij zich op dit tijdstip--wij tellen nu 1667--boven alle andere van Europa onderscheidt. De Medicis, dien wij daar voor ons zien, is Kosmo III, zoon van den Groothertog Fernando, en de heeren, die aan weerszijden van hem wandelen, zijn--de Burgemeester Andries De Graeff, die van de reizen, welke hij, op 't voorbeeld der meeste jongelieden van goeden huize, in de dagen zijner jeugd naar Frankrijk en Italië deed, zooveel van de taal van Petrarca onthouden heeft, dat hij zich nog verstaanbaar daarin kan uitdrukken--en de Heer Albertus Benzi, de voorname Amsterdamsche koopman, die, Italiaan van afkomst, groote zaken doet met zijne stamgenooten, de belangen van de Medicissen en andere doorluchte Florentijnsche geslachten te Amsterdam waarneemt, en thans den Prins tot gids en tolk verstrekt. Wij bemerken nu, dat de vijf of zes andere heeren, die de reeds genoemde op korten afstand volgen, tot hun gezelschap behooren. Twee daarvan zijn edellieden van 's Prinsen gevolg, de overige zijn jeugdige leden van Amsterdamsche Regeeringsfamiliën, den doorluchtigen bezoeker als eene soort van eerewacht toegevoegd.
Wij zijn toch nieuwsgierig te weten, wat de Prins en zijne geleiders elkander alzoo te vertellen hebben, en, gebruik makende van ons voorrecht, om alles te hooren en te zien, zonder zelven opgemerkt te worden, voegen wij ons bij hen.
"Ik betuig uwe Edelheid," zegt Kosmo, terwijl hij even stilstaat, om het vergezicht gade te slaan, dat hem van de brug af, waar hij zich op bevindt, rechts en links wordt aangeboden, en zich te verlustigen in het bont gewoel der talrijke schaatsenrijders, die hier op en af langs de baan zwieren, "bij al de wonderen, waarvan ik reeds ooggetuige geweest ben in deze uwe stad, niet te begrijpen, hoe er nog iets zou kunnen zijn, dat mij verwondering baarde."
"Uwe Doorluchtigheid is te welwillend," zegt De Graeff: "wat is Amsterdam toch, in vergelijking met Florence, Venetië, Genua, en het eenige Rome? Wij zijn er hier al grootsch op, als wij eenig marmer binnen onze nederige woningen hebben, terwijl ten uwent geheele paleizen uit marmer rijzen."
"En ziedaar juist wat mij met verbazing slaat," hervat Kosmo: "dat gij, een land bewonende, dat noch marmer, noch steen, noch timmerhout oplevert, toch eene stad als deze op palen hebt weten te stichten, en op die palen huizen gezet, in een bouwtrant, die, van den onzen verschillende, minder statig en grootsch, maar tevens minder eentonig, en oneindig vroolijker, bevalliger en netter is, en die huizen van binnen hebt weten te stoffeeren, niet enkel met het kostelijkste marmer, maar ook met pracht van tapijten, gordijnen, behangsels en meubelen, zoo kunstig en prachtvol als waarvan men bij ons in de verste verte geen denkbeeld heeft. Gij moet dan gruwzaam rijk zijn, gij Heeren Amsterdammers."
"Ik weet niet," verstout Benzi zich op te merken, "of uwe Doorluchtigheid hier wel te recht den tegenwoordigen tijd van 't werkwoord bracht. Die laatste Engelsche oorlog heeft ons vrij wat achteruitgezet."
"Men kan 't niet merken," zegt de Prins, lachende: "en dan," vervolgt hij: "wat al kunstenaren in alle vakken! Gij hebt schilders, wier manier van de Italiaansche verschilt, doch die op hunne wijze met het penseel weten te tooveren en begoochelingen teweegbrengen, waardoor men de natuur zelve waant te aanschouwen: gij hebt bouwmeesters en beeldhouwers, zoogoed als zij ergens te vinden zijn: uw orgelspel overtreft al wat ik ooit gehoord heb; uwe schrijnwerkers, juweliers, goudsmeden en andere kunstenaars van dien stempel zijn de voortreffelijksten, die men vinden kan: uwe drukkerijen zijn de beste van Europa; in elk ambacht levert gij de meest gezochte stukken werks:--ja ik zou niet weten in welk vak eenige stad u den prijs kon afwinnen."
"Indien het mij geoorloofd is, dit te zeggen," merkt 's Prinsen Hofmeester, Signor Filippo de Neri, aan, die, met de overige heeren de brug opgekomen zijnde, de uitboezeming van den Prins gehoord heeft: "dan zou ik willen doen opmerken, dat Amsterdam geene mozaïsten bezit, gelijk Florence die bij menigte telt."
"Om in 't mozaïek te werken," zegt Kosmo, de schouders ophalende, "moet men de onderscheidene soorten van marmer en gesteenten, die men behoeft, maar voor 't grabbelen om zich heen vinden, en hoe zou een kunstenaar daar te Amsterdam aan geraken?"
"'t Is zooals Z. Doorluchtigheid te recht aanmerkt," zegt meesmuilende Benzi: "de materialen ontbreken hier:--intusschen, Signor Filippo heeft nog niet alles gezien, wat er in Amsterdam te zien valt."
"Neen, waarschijnlijk niet," zegt Kosmo: "doch waar gaan wij nu eigenlijk heen?"
"Naar een winkel in de straat hier recht tegenover ons, zoo 't Uwe Doorluchtigheid goeddunkt," zegt De Graeff.
"Ik volg blindelings het geleide van Uwe Edelheid," antwoordt Kosmo: "als wel wetende dat ik dan onmisbaar goed te recht kom."
En wederom zet zich het gezelschap in beweging. 't Werd ook tijd; want de voorbijgangers, nieuwsgierig als de Amsterdammers van oudsher geweest zijn, en wel steeds zullen blijven, hebben zich langzamerhand om het gezelschap heenverzameld en staan den "vreemden Prins" reeds op eene vrij onbescheiden wijze aan te gapen. Doch de wandeling, die men te doen heeft, is niet groot, en men is spoedig van 't lastige bekijk verlost; halverwegen de Beerestraat vertoont zich een gewoon burgerhuis, dat zich in niets van de overige onderscheidt, dan door de kolossale gekleurde schelp, die, bij wijze van uithangbord, boven de luifel uitsteekt. Het is deze woning, welke de Burgemeester zijn voornamen gast verzoekt binnen te treden, en, gevolgd van het geheele gezelschap, begeven zij zich, door de openstaande voordeur en het donkere voorhuis, naar eene ruime, goed verlichte achterkamer, die tot werkplaats dient, en waar zich, op dat tijdstip, drie personen bevinden. Van die drie is er een, die blijkbaar de bewoner van het huis is, achter eene tafel gezeten, op welke het blad eener andere tafel gelegen is. De man is reeds van gevorderden leeftijd: hij draagt eene kalot op het hoofd, en een knijpbril op den neus, en is bezig, uit platgemaakte schelpen, waarmede verschillende houten bakken naast hem gevuld zijn, de zoodanige te kiezen als hem dienstig zijn voor zijnen arbeid. Wat de knaap, die zich achter hem bevindt, uitvoert, is moeielijk te zeggen; want, reeds op het eerste gerucht van aankomende bezoekers, heeft hij een kleed geworpen over de tafel, bij welke hij aan 't werk is. De derde persoon, die zich in de werkplaats bevindt, is een bejaard man in eenvoudige burgerkleeding, die bij het binnentreden des Burgemeesters terstond is opgerezen van de houten schabel, waarop hij gezeten was, en zich bescheiden in een donkeren hoek van de kamer terugtrekt. Ook de heer des huizes is, zoodra hij, van zijn arbeid opkijkende, de qualiteit der bezoekers heeft bespeurd, opgestaan, om hen te begroeten en hunne bevelen af te wachten.
"Gij houdt het mij ten goede, meester Dirck," zegt De Graeff, "dat ik u hier den Prins van Toskane breng, die wel zien mag, dat men ook elders dan in Florence tafels weet in te leggen naar de wijze der mozaïsten."
"'t Zal mij veel eer zijn," antwoordt meester Dirck, "en," voegt hij er met eene niet ongepaste zelfverheffing bij, "hij zal de eerste groote sinjeur niet geweest zijn, die zich overtuigd heeft, dat de Amsterdammers ook nog wat kunnen uitvoeren."
Kosmo heeft van deze woordenwisseling natuurlijk niets verstaan; doch hij heeft er ook geene moeite toe gedaan; zijne aandacht is, reeds van 't eerste oogenblik, aangetrokken geweest door het kunstwerk, dat hij voor zich ziet en geheel verdiept in de beschouwing van dat ronde blad van toetssteen, waarop, binnen een half voltooid randwerk van loofwerk, bloemen en vruchten, eene vaas is afgebeeld, mede gevuld met gebloemte van alle soort, rondom hetwelk bontkleurige kapellen, juffers, bijen, gouden torren en andere gevleugelde insecten vliegen, en dat alles, in plaats van met verven, met paarlemoer afgebeeld, zoo kunstig en natuurlijk, dat gij elk diertje, elk blad, elke bloem of vrucht als in leven waant voor u te zien.