Vertellingen van vroeger en later tijd

Chapter 16

Chapter 163,997 wordsPublic domain

"Ik kreeg vergunning, hen in hunne werkplaatsen te bezoeken en ik genoot het voorrecht, mij met hen te onderhouden over de geheimen, zoowel als over de eischen der kunst. Bij het beschouwen hunner meesterstukken, bij het hooren hunner lessen, zag ik wat aan mijne opleiding ontbrak, en trachtte, op hun voorbeeld, lucht en kleurschakeering en helderheid in mijn werk te brengen. Intusschen was 't gebeurd, dat een mijner medeleerlingen bij Rogman, Jan Loten, naar Engeland was gegaan en er door zijn penseel een onafhankelijk bestaan verworven had. Bij een bezoek, dat hij in 1667 aan zijne geboortestad bracht, verhaalde hij er mij zooveel van, dat mij de lust bekroop, hem bij zijn terugkeer te vergezellen. Ik had geen ouders meer, en niemand, die zich mijner aantrok; ik had altijd een afkeer gehad van een zittend leven, op dezelfde plek doorgebracht; ik wilde eens wat anders zien: en zoo nam ik de gelegenheid waar en ging mee. Eenmaal in Engeland zijnde, zag ik al spoedig in, dat mijn belang medebracht, er te blijven. Ik vestigde mij te Londen en bevond er mij niet kwalijk bij; want de stukken, die ik maakte, schonken mij eenigen naam en genoegzaam voordeel. Toch was ik te onrustig van aard om daar ter plaatse, of waar dan ook, hetzelfde zittende leven te leiden, dat mij te Amsterdam had verveeld; en al bleef Londen de plaats waar ik te bevragen was, ik veroorloofde mij uitstapjes, nu te water, dan te land, om de natuur, die ik liefhad, te bestudeeren; en dan bracht ik van mijne zwerftochten telkens wat nieuws voor de kunstliefhebberij terug:--zoo kreeg ik allengskens genoeg bij elkaar om aan trouwen te denken, en kon ik het beter treffen? Ik vond in moeder, die daar zit, juist eene vrouw die ik verlangen kon, de dochter van een schipper, en die menigmalen haren vader naar Oost en West had vergezelschapt, die niet bang was alzoo om ook aan mijne watertochtjes deel te nemen. De fortuin was mij meer en meer gunstig en zoo schafte ik mij een jacht aan, sierlijk en gemakkelijk, en een goede zeiler bovendien, en dat ik geheel naar behooren inrichtte, dat het mij tot magazijn en werkplaats dienen mocht. Ik zei mijne huishuur op, betrok met vrouw en kinderen mijn drijvend logies en toog daarmede nu her- en derwaarts heen, waar mijne luim mij heenvoerde. Dat waren gelukkige dagen, waarbij arbeid en uitspanning hand aan hand gingen, en over 't algemeen zag ik nooit de rivier van Londen weer, of mijne kajuit was wèl gestoffeerd met land- en watertafereelen, afbeeldingen van Italiaansche bouwvallen, uitgewerkte riviergezichten, landschappen, bloemen en vogels, en wat dies meer zij, in olie- of sapverf, somtijds ook in plaat, want ik had mij mede op het etsen toegelegd. Maar zie, een mensch verlangt toch altijd weer naar zijn geboorteland, en zoo ging het mij ook naarmate mijne jaren klommen. Ik besloot, de reis naar Holland te aanvaarden; doch ik kon daar niet met leege handen komen, ik moest eigen werk meebrengen om te toonen wat ik kon, en werk van goede schilders om van den verkoop daarvan te leven, zoolang ik mijn eigen werk niet verkocht had. Ik stak, onvoorzichtig genoeg, bijna al wat ik had in schilderijen en andere kunst; ik scheepte die in en begaf mij op reis met de mijnen. Pas waren wij in volle zee, of het weer, dat tot dien tijd gunstig was geweest, begon te veranderen, een storm stak op uit den Zuidwesten, en, spijt al wat wij vermochten, het jacht werd bij Goeree op den Hinder geworpen. Daar zaten wij, een etmaal lang, met een schip vol water, en niets anders dan den dood voor oogen, toen Onze Lieve Heer uitkomst schonk. Een visschersvaartuig daagde ter redding op, en wij brachten er het lijf af,--maar ook niets dan dat, ik moest mijn sierlijk jacht verliezen, en den geheelen kunstschat, dien het bevatte...."

"Waren er nog al kapitale stukken onder?" vraagt Uilenburg haastig.

"De catalogus is mede naar den kelder gegaan," antwoordt Griffier droogjes, en de trekken des Burgemeesters, die, op het verhaal van den geleden ramp, eene medelijdende uitdrukking hadden aangenomen, ontplooien zich tot een glimlach.

"Het is wonder," zegt hij, "dat ge dien slag te boven zijt gekomen. En waart gij dus alles kwijt?"

"Alles," antwoordt Griffier, "op een rolletje gouden dukaten na, dat mijn oudste dochter in een gordel om haar lijf had geborgen, en, in plaats van, gelijk ik gehoopt had, de Maas met vlag en wimpel en eene kostbare lading triomfantelijk op te varen, kwamen wij als arme en beroofde schipbreukelingen aan wal. Maar toch gaf ik den moed niet op. Ik dacht, zoolang ik door Gods goedheid nog teekenpen, kwast en etsnaald hanteeren kan, zal ik niet van honger omkomen, en, al heb ik vijf kruisen achter den rug, ik zal zien of ik de geleden schade niet herstellen kan. Er zijn sedert dien tijd dertien jaar verloopen, en ik ben al mooi op weg. Ik zette mij te Rotterdam neer, waar ik terstond na mijn aankomst de deernis en hulpvaardigheid van kunstbeschermers ondervonden had. Door hun bijstand, en eerlang door het vervaardigen en verkoopen van nieuwe schilderstukken zag ik mij na een jaar of wat in staat gesteld, mij een ander vaartuig aan te schaffen, dit, waar Uw. Ed. A. zich thans op bevindt, wel niet zoo rijk en prachtig als het oude, maar toch sterk en stevig gebouwd, en ruim genoeg voor zijne bestemming. Ik betrok het met mijne vrouw, die ik tot mijn eerste stuurman verhief, en mijne kinderen, die, naar hunne jaren en geschiktheid, voor bootsman, hofmeester, matroos of putjer moesten spelen. Dat spaarde huishuur en dienstbodengeld. Van dien tijd af heb ik geene andere woning gehad en als een zwerver op de binnenwateren geleefd, nu en dan eens den Rijn, de Schelde of de Maas opvarende, maar zelden mij ver van honk begevende. Op reis zijn wij eenvoudige varenslieden en doen zelven het noodige werk; liggen wij stil, dan verwisselen wij de schippersplunje tegen de gewone burgerkleeren. Nu laatst was ik te Deventer, en toen bekroop mij een onweerstaanbare trek om mijne vaderstad terug te zien,--en zoo ben ik den IJsel afgezakt en gisteren hier gekomen. Dat de eerste persoon, die bij mij aan boord komt, de Heer Burgemeester is, strekt mij wis tot een gunstig voorteeken; en ik durf er nu voorwaar gerust op zijn, dat het mij en de mijnen wél zal gaan, zoolang ik hier vertoef. Ik moet nu Uw. Ed. A. verschooning verzoeken, dat ik zoolang over mij zelven gesproken heb, en hoop maar Uw Ed. A. niet te veel kostbaren tijd ontroofd te hebben."

"Wel!" zegt Pancras, na nogmaals op zijn uurwerk gekeken te hebben, "'t heeft mij niet verveeld, u te hooren, en ik prijs uw loffelijken moed, die zich door geene harde fortuin liet afschrikken. Maar zeg mij nu eens, hoe maakt ge het toch, als ge met ruw weer op het water zijt? Ge kwaamt gisteren over de Zuiderzee en daar kan het ook soms ongemakkelijk spoken. Mij dunkt, dan moet al die rommel hier in de kajuit als een knippelspel door elkander raken."

De schilder glimlacht; doch antwoordt voor 't oogenblik niets, of liever, hij antwoordt op duidelijker wijze dan hij 't met den mond had kunnen doen: hij spreekt alleen 't woord range! (redder op!) uit, en terstond geschiedt er iets, dat den Burgemeester, en meer nog den Amsterdammer kunstkooper, met verbazing vervult. Met schier ongeloofelijke vaardigheid zijn door Robbert en de meisjes al de op tafel en op de bank aanwezige teekeningen en platen in groote omslagboeken geborgen en deze achter twee koperen banden, die de bank over hare geheele lengte langs loopen, vastgestoken. Niet minder snel verdwijnen penseelen, kwasten, tempermessen en alle verdere kleinere gereedschappen in de lade der tafel: de blazen en potjes met verf, de beeldjes, modellen en andere groote voorwerpen in doozen, die door het opslaan van eene klep in de bank hare plaats vinden: paletten en linialen worden aan koperen knoppen opgehangen, de schildersezel ineengeslagen en in 't lang tegen de bank aan lederen riempjes vastgemaakt, in één woord, als door een tooverslag is alles zoo net en handig opgeruimd als geene Amsterdamsche schoonmaakster het in een halven dag had kunnen doen.

"Uw Ed. Achtb. ziet," zegt Griffier, "dat alles zijne plaats heeft, en gauw genoeg uit den weg is. De tafel is goed aan den vloer, gelijk de schilderijen aan den wand bevestigd: zoolang er geen water in de kajuit komt, hebben wij voor geen schade te vreezen, en de schilder kan gerust in den schipper overgaan. Maar al is de boel geborgen, ik ben toch altijd bij machte om, weer of geen weer, eene schets te maken in 't voorbijgaan. Hier in dezen bak," en hij wijst op een blikken bakje, naast de deur tegen den wand gespijkerd, "zijn bestendig teekenpen, houtskool, potlood, krijt, O.-I. inkt, een paar penseelen, eene passerdoos en wat dies meer zij, bij de hand, en in mijn duffelsch buis zit een schetsboek, zoodat ik nooit verlegen ben, zelfs bij stormweer, om in vluchtige trekken hetgeen mij opmerkenswaardig voorkomt op 't papier te stellen."

"Ik zie dat alles goed ingericht is," zegt de Burgemeester, "maar nu, dat werk daar ge aan bezig waart, mag men dat niet zien?"--En meteen wijst hij op de half afgewerkte schilderij, die Griffier, bij 't opruimen, van den ezel genomen had en nog steeds in de hand houdt.

"Met genoegen," zegt de kunstenaar en houdt aan zijn minzamen bezoeker het kunstwerk voor, dat een gezicht vertoont op Antwerpen, van de Schelde genomen. Hoewel Pancras nog moeilijk kan oordeelen over de uitwerking, die het stuk maken zal als 't voltooid is, toch staat hij versteld en opgetogen over de uitvoerige netheid der behandeling, en vooral over den rijkdom van schepen, schuiten en andere vaartuigen en der ontelbare menigte figuren, hier afgebeeld.

"Wat dunkt u, Uilenburg!" zegt hij, "zou dat niet een aardigen tegenhanger vormen voor mijne Van de Velde?"

"Oud en nieuw past niet samen. Edel Achtbare!" merkt Uilenburg aan: "met dat al, 't stuk is niet onaardig; maar men zal het eerst kunnen waardeeren als 't af is."

"'t Is besteld," zegt Griffier met eene buiging.

"Nu, dan spreken wij er niet langer over," zegt Pancras, terwijl hij nogmaals op zijn horloge kijkt: "ook zal het mijn tijd worden, monsieur Griffier dank te zeggen voor hetgeen ik gezien heb. En, wacht, ge moet eens tot mijnent komen, morgen b. v. vóór tien uren; ik wil ook iets van u hebben,--mijne slaapkamer buiten is nieuw opgemaakt; maar er ontbreekt nog een schoorsteenstuk; daar zult ge zoo'n riviergezicht in dezen trant voor schilderen. Ik zal u de maat dan opgeven.... of liever, ge zult zelf eens naar mijn buiten gaan en de gelegenheid opnemen. Gij kunt dan meteen de behangsels in de eetzaal zien, die monsieur Moucheron heeft geschilderd.--En nu vaarwel, monsieur Griffier, en veel voorspoed in onze goede stad van Amsterdam."

En na eene halve buiging tegen Griffier en de zijnen gemaakt te hebben, verlaat hij de kajuit, door vader en zoon gevolgd, die, na hem uitgeleide gedaan en behouden aan wal te hebben zien stappen, tot de hunnen terugkeeren.

"Een minzaam heer is Burgemeester Pancras, niet waar?" vraagt de kunstkooper, terwijl hij, van 't lange staan vermoeid, de ledig gelaten zitplaats inneemt.

"Zeer minzaam!" zegt Griffier: "hij laat mij de schouwe op zijne slaapkamer behangen."

"Minzaam!" herhaalt de moeder des huisgezins, terwijl eene diepe ademhaling het geluk aantoont, dat zij gevoelt, na een zoo langdurig gedwongen stilzwijgen weder te mogen spreken: "minzaam!" vervolgt zij in gebroken Hollandsch, "wel, hij heeft ons geen single wordtoegesproken en juist notice van ons genomen, alsof wij stomme meubelen hadden geweest."

"Hoe! wat had de madam dan gewild?" vraagt Uilenburg, die de pretentie van mejuffrouw Griffier vrij ongerijmd vindt, "mij dunkt, 't is al iets om nooit te vergeten, dat zulk een heer je met een bezoek vereert.--En wat praat jij van behangen, monsieur Griffier?--Wat Holsteyn, Moucheron, Verkolje en zoovele anderen doen, en waar Honthorst zich in zijn tijd ook niet voor geschaamd heeft, daar zul je toch geen te groot heer voor zijn;--en 't geeft goed, hoor!--beter dan al die kabinetstukjes. Je kunt je gelukkig gesternte wel danken, dat je hierheen heeft gevoerd, en mij ook, die den heer Burgemeester zoo gunstig over je gesproken heb.--En kom! nu moeten wij eens zien of wij zaken samen kunnen doen?"

Op dat woord van "zaken doen" hervat de moeder haar borduurraam, en de dochter haar brei- en naaiwerk, en wij.... wij haasten ons, weder uit de kajuit te verdwijnen en de beide heeren achter te laten aan een onderhoud, dat hun zeker veel, ons hoegenaamd geen belang inboezemt. Wij hebben gezien wat wij zien wilden--eene schilderswerkplaats in de stadsgracht.

Nog een kort woord ten slotte om den lezer, zoo hij er belang in stelt, mede te deelen hoe het verder met onzen schilder afliep.

Of Griffier werkelijk het schoorsteenstuk voor Burgemeester Pancras vervaardigde, durf ik met geen zekerheid zeggen; wel, dat zijn verblijf te Amsterdam hem niet onvoordeelig was en hij er vrij wat schilderijen aan liefhebbers verkocht. Hij vertoefde er dan ook een geruimen tijd, gedurende welken, naar Wagenaar verhaalt, zijn vaartuig nu eens in deze, dan weder in gene der hoofdgrachten stil lag. Intusschen begon, gelijk hij vroeger naar zijn geboorteland, zijne vrouw weder naar het hare te verlangen, en hij vond te minder bezwaar, haar daarin te wille te zijn, omdat een zeker soort van bijgeloof hem inblies, dat een terugtocht naar Engeland hem vergoeden zou, wat de tocht vandaar hem gekost had. Hij stak dan nogmaals de zee over, en werkelijk was niet alleen de reis ditmaal voorspoedig, maar ondervond hij te Londen zeer spoedig de gunst en bescherming van aanzienlijke mannen, inzonderheid die van den Hertog van Beaufort. Hij zag dan ook geen reden om de stad weder te verlaten en bleef er wonen tot aan zijn dood, die, naar men beweert in 1718 voorviel.--Inmiddels was zijn zoon Robbert te Amsterdam gebleven, waar hij zich door zijn penseel een ruim bestaan verwierf en, evenals zijn vader zich onderscheidde door de veelsoortigheid van zijn talent. Ongelukkig, niet zoozeer voor zijn tijdelijk belang als voor zijn kunstroem en dien van Nederland, nam hij het aanbod aan, dat hem de oude Uilenburg deed, om diens vennoot in den kunsthandel te zijn, welk vak hij, na 's mans dood, zoo hier als in Engeland bleef uitoefenen: wat hem natuurlijk den tijd ontroofde, dien hij aan de behandeling van 't penseel had kunnen besteden. Te meer moeten wij het betreuren, wanneer wij in aanmerking nemen, welke schoone vruchten de rijpere leeftijd had kunnen opleveren van een man, die reeds in zijne prilste jeugd zooveel schoons en voortreffelijks geleverd had.

In de Klok.

Bij onze laatste wandeling bevonden wij ons in het begin der 18de eeuw en stonden wij aan of liever op een vaartuig in de Keizersgracht bij de Reguliersgracht. Wij springen weer een zeventigtal jaren terug en.... waar zijn de sierlijke huizen, die wij aan weerskanten zagen prijken? Waar de volkrijke straat, die wij voorbij, waar de bruggen, onder welke wij door zijn gevaren? Wij vinden ze niet meer,--om ons juister uit te drukken--wij vinden ze nog niet;--maar toch de merkpalen zijn al aanwezig, die aanwijzen waar ze komen moeten, en uit al wat wij om ons heen zien blijkt, dat hier spoedig de weilanden, tuinen en molenwerven, die ons omringen, zullen plaats maken voor deftige kaaien en volkrijke straten. Immers in den jare 1657 is door de Vroedschap besloten, Amsterdam voor de vierde reize, en wel aan de Zuidzij, te vergrooten: in 1657 is een aanvang gemaakt met het graven van nieuwe grachten en het bouwen van veertien nieuwe, met steen bemuurde, door hooge gordijnen aan elkander verbonden bolwerken: en in 1663 is door 's Lands Staten aan Amsterdam octrooi verleend tot onteigening van alle landen, tuinen, erven en gronden, die met de voorgenomen uitlegging binnen de stad getrokken worden.

Alles is hier nu drukte en gewoel, honderden van arbeiders zijn hier, zijn ginds aan 't werk in die weeke pap, die noch aarde, noch zand, noch klei, noch veen, noch water is, maar een mengsel van dat alles te zamen, aan 't heien van palen, aan 't baggeren, aan 't kruien, aan 't uitdiepen en ophoogen: landmeters, bazen en opzichters beschouwen of besturen den arbeid: karren, wagens en schuiten voeren de benoodigde bouwstoffen aan of keeren terug om nieuwen voorraad te halen: en een tal van nieuwsgierigen waart om de planken schuttingen, die het veld omgrenzen, in de hoop van, 't zij over 't beschot, waar dat laag genoeg is, 't zij door een openstaande deur, 't zij door een reet of opening in of tusschen de planken, te kunnen begluren wat daar binnen geschiedt.

Wij willen ons daarmede niet bezighouden; wij zoeken weer het bewoonde gedeelte der stad op en wel bepaald dat gedeelte, waar de nieuwe Keizersgracht zich bij de reeds bestaande zal aansluiten.

Die aansluiting zal plaats hebben aan den ouden stadswal, die vlak tegenover de Beulingstraat loopt, en waar Heeren-, Keizers- en Prinsengracht tegen stuiten; maar aan wier buitenzijde men bezig is de vaart te graven, die den naam van Leidschegracht zal voeren: en het is nu aan de binnenzijde van dien wal, op den hoek der Keizersgracht, dat wij de woning vinden, waar wij thans voornemens zijn een bezoek af te leggen, en die eene gebeeldhouwde klok in den gevel voert.

Het huis is klein en onaanzienlijk: het schijnt dat van een gewoon ambachtsman; maar toch is de bewoner meer dan dat: hij is een kunstenaar van de hoogste bekwaamheid in zijn vak, en zijn naam is wijd en zijd door Amsterdam en vandaar geheel de wereld door verbreid. Wanneer wij dan ook den kunstig bewerkten hamer, die op de voordeur hangt, oplichten, bij den bewoner aankloppen en aan de dienstmaagd, die ons opendoet, vragen, of wij Monsieur Hemoni kunnen te spreken krijgen, doen wij, schoon onbekenden, niets, dat hare bevreemding wekken kan, want zij is het sedert lang gewend, dat lieden van elken rang en stand en landaard, op dezelfde wijze, zich aanmelden en zich verlangend toonen om den arbeid van haren meester gade te slaan en de kunstgewrochten, door hem vervaardigd, van nabij te leeren kennen.--Op onze vraag wordt dan ook dadelijk met een bevestigenden hoofdknik geantwoord, waarop de bemoedigende toespraak volgt: "als de heerschappen maar over de plaats willen gaan, Mesjeu is op den winkel."

Er zoude nog anderhalve eeuw verloopen, eer men het woord atelier gebruikte.

Wij volgen de aanwijzing, gaan de korte huisgang door, het kleine, met klinkers belegde plaatsje over, stooten daar eene deur van ruwe planken open, en verschaffen ons zoo den doortocht tot de opene ruimte, binnen welke zich de werkplaats van Hemoni bevindt.

En luister, pas zijn wij aldaar gekomen, of op eens, als ware het ter onzer verwelkoming, daar vangt, zwaar en luid, ja oorverdoovend, maar toch zuiver en vol harmonie, de muziek aan van een tal van klokken van metaal, en doet ons voor een poos stilstaan, zoo omdat het onverwachte geluid ons verrast, als omdat wij vreezen, in de nabijheid daarvan, noch ons zelven noch anderen te zullen verstaan.--Maar ook al hadden wij willen voortgaan, wij zouden 't niet hebben durven doen; want uit de werkplaats tegenover ons is plotseling iemand, die ons bespeurd had, voor den dag gesprongen, en hij legt den vinger op den mond en maakt terugwijzende gebaren, een en ander kennelijk om ons te doen begrijpen, dat wij noch naderen, noch geluid geven, noch ons zelfs verroeren mogen. Gehoorzaam aan dien wenk blijven wij dan ook staan, en wachten af tot het verbod moge zijn opgeheven. Doch niet zoo spoedig wordt aan dit verlangen voldaan: het bekende deuntje:

Wel mag ik u Laura vragen,

is afgespeeld en nog blijft van verre de terugwijzende hand opgeheven: wij arme bezoekers zien elkander verlegen en besluiteloos aan en onze oogen schijnen te vragen of wij ook het erf weer verlaten zullen en ons bezoek op een geschikter tijd hervatten; maar toch, een vriendelijk knikje van den man daar tegenover ons geeft ons weer moed; want wij maken er uit op, dat het oponthoud, 't welk wij ons getroosten, maar tijdelijk zijn zal: en inderdaad, na nog eenige minuten verwijls gaat de deur der werkplaats weder open, en een nieuw personage treedt te voorschijn, wenkt den wachter, die buiten stond, weder binnen, en komt naar ons toe.

"Ah bonjour mijn 'eer," zegt hij onder 't naderen: "ikke pardon vraak voor u te ebbe late wakkete, ikke bezik was an te probeer die klokkespel en dan ikke onkaarne kestoor, vous comprenez?"

En wij treden bemoedigd voorwaarts en lichten den hoed af; want wij beseffen, dat de kloeke grijsaard, die tot ons spreekt, niemand is dan de beroemde klokkegieter, monsieur Hemoni zelf.

"Indien wij ongelegen komen...," zoo luidt de afgebroken volzin, dien wij 't beleefdheidshalve noodig achten hem toe te voegen, al ware 't maar om hem welwillend jegens ons te stemmen.

"Oh! pas du tout, kom binne!" klinkt het, en, zijne uitnoodiging gevolg gevende, bevinden wij ons weldra binnen de ruime loods, die des eigenaars gieterij, werkplaats en magazijn bevat.

Het is 't magazijn, of, zooals men gewoonlijk zegt, de winkel, die 't eerst ons ontvangt: de winkel, hoog en omvangrijk, als vereischt wordt uit aanmerking van het getal en de grootte der voorwerpen, die er in bewaard worden. Het eerste, dat dan ook onze oogen trekt, zijn zes kolossale beelden van metaal: vier daarvan stellen even zoovele deugden voor, als: Voorzichtigheid, Rechtvaardigheid, Matigheid en Wakkerheid; het vijfde den Vrede, het zesde een zwaar gebouwden, grofgespierden man, in de houding als torste hij een last, die echter onzichtbaar is.

"Ja," zegt Hemoni, in antwoord op onzen vragenden blik, "dat zijne de beeld, die motte kom te staan op de nieuwe stattuis, boven de frontispice, foor en akketer, datte de werk van monsieur Artus Quellin."

"Ja gewis," merken wij aan, "die beelden zijn voortreffelijk en gemakkelijk te erkennen voor wat zij moeten voorstellen;--maar die man?.... wien moet hij verbeelden?"

"Die man?" herhaalt Hemoni, "dat isse den Atlas, die de emelbolle traak; maar de emelbolle is er nok niet op: ij zal nok lank kenoek ebbe de plaisir van die te foel op sijne nekke; die emelbolle lekke in de werkplaasse: sij nok niet keëel klare. Soo aanstons wij sullen sien datte, comprenez-vous.--Maintenant," gaat hij voort, terwijl hij wijst naar eene der talrijke klokken, die aan 't gewelf hangen: "ier isse de klok voor de poorte, die sel koom te staan an de ende van de nieuwe strate, ofer de Eilike-Wek, nok eene eele end ferder dan de Eilike-Weks-poorte, en die sel iet de Leise poorte: en dan komme er nok twee poort, waarfoor ik bestel eb kekreek de klokken, namelik de Utrekkese poorte en de Weesseper poorte, allebei kroote mooie poorte, comprenez-vous?"

"Volkomen;--maar voor welk gebouw moet die klok dienen, met die keurig bewerkte beeldjes om den bovenrand?"

"Aha! die klok, en al die andere klok, die er bij staan, isse de klokkespel foor die kroote kerke à Rotterdamme, comprenez-vous? Sij eersstaak sal worde afke'aalt. Is eene eele werk kewees, te make alle die beeldjes en relief;--maar esse généralement seer kepreese. Monsieur Artus Quellin, ij mij seide: "friente Emoni," seide hij, "al adde ik selleve die beeldjes kemaak, ikke sou mij daar niet over skaam," en de Bourguemestre van Rotterdamme, als ij ware ier, ij ook daarmee ware bijzonder kontent."

"Wel! hij zou wel ongemakkelijk zijn, of weinig gevoel voor de kunst hebben, zoo 't anders ware," zeggen wij, terwijl wij in opgetogenheid het fraaie beeldwerk beschouwen, op die klokken aangebracht, en waar 't slechts jammer van is, dat ze op eene plaats zullen komen te hangen, waar weinigen ze zoo op hun gemak kunnen zien, als wij nu doen.

"Gij hebt vele dergelijke klokken gemaakt, monsieur Hemoni?" vragen wij verder.