Vertellingen van vroeger en later tijd

Chapter 15

Chapter 153,693 wordsPublic domain

Rechts, links, tegenover de vensters, is, van boven tot onder, de wand bedekt met teekeningen, met platen, met schilderijen, in de meeste waarvan, zoo niet dezelfde manier, dan zeker dezelfde hand niet te miskennen valt. In de schaarsche tusschenruimte hangen linialen, haken, teekenstokken en verdere behoeften eens kunstenaars. Op de tafel en op de vensterbank staan pleisterbeeldjes, bronzen en houten figuren, van allerlei vorm en soort, modellen van schepen en gebouwen, tusschen rollen prenten en teekenpapier. De zitting van de vaste bank zelve is gedeeltelijk opgeslagen en toont ons, in de holte daarvan verborgen, een aantal doozen, met penseelen, kwasten, doezelaars, potlooden, krijt, kokers, tempermessen en wat dies meer zij, of met blazen verf gevuld: ook potten, sponzen en anderen noodwendigen voorraad. De half uitgehaalde tafellade zien wij insgelijks voorzien van teeken- en schilderbehoeften, en wel voornamelijk van de zoodanige die bij den arbeid het onontbeerlijkst zijn, of die de meeste waarde bezitten. Aan de tafel zit een jong mensch, ijverig bezig eene der schilderijen, die tegenover hem aan den wand hangt, na te teekenen. 't Is een jongeling van een bevallig voorkomen, en al zit hij, om beter op zijn gemak te zijn, zonder rok aan 't lijf, toch kan men het hem aanzien, dat hij niet onverschillig is omtrent zijn uiterlijk voorkomen, en dat hij smaak met zorg vereenigt bij zijn streven om er betamelijk, ja behaaglijk uit te zien: want zijne fraaie bruine lokken glinsteren u welriekend tegen: zijne hemdsmouwen zijn van fijn en helderblank linnen, en eene rijke kanten das is niet zonder zwier om den hals gestrikt: het lichtbruine satijnen vest is bezaaid met zilveren bloempjes, de broek, van grijs satijn, boven de knieën vastgestrikt met rooskleurige linten: rooskleurige satijnen kousen bedekken de beenen, en Moorsche pantoffels, van gouddraad gestikt, versieren de voeten. Nevens hem, in 't midden der kajuit, staat een bruinhouten schildersezel, waarop een half afgewerkte schilderij, een riviergezicht voorstellende, met welks voltooiing zich de ontwerper daarvan bezig houdt: deze is een man, naar 't schijnt van den middelbaren leeftijd, wien eene fraaie blonde pruik over de schouderen hangt. Zijn rok van bruine sergie is eenvoudig, maar net en voegende aan zijn stand; even eenvoudig vest en broek: en de kousen van fijn touwwerk, zoowel als de hooge zwarte schoenen van deugdzaam Spaansch leder, spreken evenzeer van stemmigen eenvoud. Op de bank, aan een der hoeken, zit eene reeds op hare jaren komende en toch niet onbevallige vrouw aan een borduurraam te werken. Hare kleeding, hoewel geen bepaalde zucht tot opschik, veelmin eenige wansmaak verradende, heeft toch, door snede en kleurmengeling iets, dat als ongewoon de aandacht wekt. De moesjes, waarmede 't gelaat spaarzaam bezaaid is, mogen al eene zeer gebruikelijke tooi zijn en het kapsel niets hebben dat bijzonder afwijkt van de heerschende mode, de achter op 't hoofd gedragen hooge kanten muts, hoedanige wij uit de afbeeldingen van dien tijd kennen, verschilt eenigszins in fatsoen van die, waarmede in Holland de dames gewoon zijn uit te gaan: en de laatstgemelden zouden oordeelen, dat de oranjekleurige samaar wel wat scherp afsteekt tegen het blauwe onderkleed; ook zouden zij het vreemd vinden, dat de onbekende, bij 't borduren, de gemslederen handschoenen niet heeft afgelegd, die de handen en een gedeelte van den arm bedekken. Maar gewis zouden zij geene aanmerkingen maken op de smaakvolle kleeding der twee lieve meisjes, bij elkander in een hoek der kajuit gezeten, en waarvan de oudste zich met naaiwerk bezighoudt, terwijl de andere een boek in handen heeft, waar zij overluid aan 't gezelschap uit voorleest. Beider dracht is gelijk van stoffage en kleur en snede: parelgrijze samaren met rozeroode garneersels, over groene onderkleeden: het haar gekapt à la Sévigné en grijze zijden kousen met goudlederen schoentjes.

Gewis, een tafereel, als 't geen zich hier aan u voordoet, waart gij verre van te verwachten; maar uwe verwondering moet nog hooger stijgen; want nu gij aandachtiger de gelaatstrekken der aanwezigen opneemt, nu begint bij u een vermoeden te ontstaan, dat--ja, al schijnt het ongeloofelijk, het is zoo--weldra bij u tot zekerheid wordt:.... de personen, die gij voor u ziet, zijn dezelfden, die gij gisteren zaagt: die net gekleede teekenaar droeg gisteren een schippersbuis en liep in 't lijntje: die zedig gekleede jonge juffer boomde gisteren het vaartuig door de stadsgrachten: die matrone in 't oranjekleurig damast hielp gisteren de zeilage bergen: die schilder eindelijk stond gisteren in zijn duffelsche pij als stuurman aan 't roer.--Zulk eene hervorming brengt verandering van uiterlijke dracht teweeg; vooral als eene blonde pruik dienst doet om grijze haren, moesjes om zomersproeten, handschoenen om de vereelte handen te dekken, en een nieuwmodisch fatsoen van kleedij om aan de gestalte en ledematen een schijnbaar geheel anderen vorm en andere bewegingen bij te zetten.

Maar wie is nu die huisvader, die beurtelings schipper en schilder is?--Een weinig geduld, lezer! wij zullen 't weldra vernemen.

"Leg nu het boek van den vromen ouden Bunyan maar terzijde," zegt de man, en wel in 't Engelsch, tot zijne dochter; "het is elf uren en ik denk, dat wij weldra bezoek zullen ontvangen.--En gij, Robbert! mocht wel denken, uw rok aan te trekken: het past niet, dat men u in uwe hemdsmouwen aantreffe."

"'t Is zoo warm, vader!" antwoordt de jonkman: "ik begrijp zelfs niet, hoe gij 't uithoudt met die pruik. En dan, voor wien zou ik mij geneeren? Voor dien ouden beunhaas, dien wij wachten?"

"Gerrit Van Uilenburg is een man, die zijn vak verstaat, en zelf schilder geweest is," herneemt de vader: "bovendien de vraagbaak van al wie schilderijen koopen of bestellen wil, de man, die reputaties kan maken of afbreken naar verkiezing, en dien het in geen geval zaak zou zijn, ontevreden te maken; bij dat alles, en dit ware reeds genoeg, een man van jaren;--doch al kwam er niemand, gij weet bij ondervinding, ik hou er niet van, dat een der mijnen er verwaarloosd of verwilderd uitziet. Hoe meer wij ons, zoo dikwerf wij op reis zijn, in eenvoudige varenslieden vervormen, hoe meer het noodig is, dat wij met het schipperspak ook alle plompheid en ongemanierdheid afschudden en als deftige lieden voor den dag komen. Zoo gij op een enkel punt vergeet, u als een gentleman voor te doen, gij loopt alras gevaar, u in meer dingen te veronachtzamen, en wanneer ik mij die lastige pruik getroost, kunt gij u een rok getroosten; daarom niet langer gedraald."

Robbert zwijgt, en, zij het met een zuur gezicht, hij trekt den rooden rok met gewerkte knoopen aan, die aan een knop hangt. Terwijl legt zijne moeder ook nog een loodje in 't zakje.

"Ja," zegt zij, "wat men wordt als men zich zelf verwaarloost, dat blijkt uit het onderscheid tusschen de boeren hier en in Engeland. Bij ons in Engeland wascht een boer zijne handen als hij thuis komt, trekt zijn werkbuis uit, doet zijn rok en schoon linnen aan, kleedt zich als een gentleman en is in niets van Lord A. of Sir John B. te onderscheiden; hier in 't land smijt een boer ook zijn buis uit, maar wascht zich niet, trekt niets aan, valt plomp aan de etenstafel neer, en eet, bless my life, in zijne hemdsmouwen en met den hoed op den kop!--en zoo blijft hij ook een kinkel in de oogen van iedereen."

Het blijkt dat de vermaning juist bijtijds gegeven is; want hier wordt de vrouw--van den huize had ik bijna gezegd--in hare rede gestoord door een tikken op de kajuitsdeur, die terstond daarop geopend wordt: een oud mannetje in deftige burgerkleeding brengt eerst het hoofd, vervolgens het geheele lichaam binnen.

"Welkom, sinjeur Gerrit Uilenburg!" zegt de vader des huisgezins, deze reis niet in 't Engelsch, maar in een Hollandsch, waarvan hem de uitspraak terstond als een echten Amsterdammer kenmerkt: "dat is braaf van je, dat je me zoo terstond komt opzoeken."

"Stil! stil!" zegt Uilenburg, den wijsvinger voor den mond brengende en half bedeesd achter zich ziende: "ik ben niet alleen," en meteen, ter zijde schuivende, laat hij den doortocht vrij aan een heer in 't bruin fluweel, met een rijkgeboorden hoed, een kolossale pruik en een stok, met een hoogen knop, van amber en gouden kwasten voorzien, en fluistert: "Burgemeester Pancras!"

Op dien naam buigen vader en zoon zich diep en nijgen moeder en dochter eerbiedig tot den grond: terwijl allen het stilzwijgen bewaren, dat voegt tegenover zoo aanzienlijk een personage.

"Ik ontmoette Zijn Edel Achtbare juist op de Reguliersgracht en Z. Ed. A. was zoo goed mij staande te houden om wat over kunst te praten, en toen Z. Ed. A. hoorde, dat ik naar u toeging, behaagde het Z. Ed. A. te zeggen, dat Z. Ed. A. zelf zulk een ongewone vertooning wenschte te zien, als eene schilderswerkplaats in een vaartuig."

"Het is niet alleen om het ongewone der vertooning, dat ik trek gevoelde mij hierheen te begeven," zegt de Burgemeester met een hoffelijke hoofdbuiging, "de naam en de verdiensten van monsieur Jan Griffier zijn mij genoeg bekend om mij te doen verlangen, hem zelven en het een of ander van zijne laatste werken te leeren kennen, en dit zal, hoop ik, mij bij hem tot verschooning strekken, dat ik dus ongenoodigd en onverwacht zijn heiligdom betreed."

"Al te veel eer," is al wat "Monsieur" Griffier kan uitbrengen, en werkelijk, wat valt er ook veel meer te antwoorden op het beleefde gezegde van een groot heer als de Burgemeester is, die genoeg overtuigd mag zijn, dat hij geen verontschuldigingen behoeft in te brengen, wanneer hij zich zooverre vernedert, om een schilder in diens eigen werkplaats te bezoeken? Wij mogen er hard aan twijfelen, of hij zoodanig bezoek wel gebracht zou hebben, indien het vreemde van de zaak, eene werkplaats in de stadsgracht, hem niet had verlokt. Men laat anders, in deze achttiende eeuw, den schilder tot zijnent komen, evenals den rijtuigmaker, den behanger, den stukadoor en wie men al meer noodig heeft om huis of stal op te pronken, en men gaat niet bij hem. Dat mogen Frans I of Karel V gedaan hebben;--maar die vorsten leefden in een tijdvak, toen men nog niet wist hoe het hoorde, en waren Roomsch bovendien;--en zoo Karel II van Engeland zich ook iets van dien aard mag veroorloofd hebben, het is genoeg bekend hoe die monarch zijn fatsoen te grabbelen gooide. In allen gevalle, hetgeen wij hier zien gebeuren, is bijzonder genoeg, om ook alleen uit het bijzondere der oorzaak verklaard te kunnen worden.

Intusschen hebben de twee meisjes, op een wenk van hare moeder, de kleppen van de bank dichtgeslagen en op de eereplaats twee kussens op elkander gestapeld, ten einde den bezoeker een zetel te bereiden. Hij zegt met een vriendelijken hoofdknik dank voor de attentie; doch maakt er vooreerst nog geen gebruik van, en neemt de kunstwerken, die langs den wand hangen, in oogenschouw.

"Hm!" zegt hij, "dat is de Rijn bij Coblents, niet waar? Ja, ja, ik heb dat gezien, in mijn jongen tijd, toen ik van de academie kwam en de gewone reis door Duitschland en Frankrijk deed.... Heel aardig, op mijn woord! En dat, wat moet dat verbeelden, Uilenburg?"

Is het, om den graad van topographische kennis des ouden mans op de proef te stellen, dat Pancras zijne vraag tot hem, en niet tot den kunstenaar zelven richt? of oordeelt hij, dat de achtbaarheid van stand er bij lijden zou, indien hij zich in een gemeenzaam onderhoud met den laatstgemelde begaf? Wij durven dit niet beslissen.

"Het zal de Teems moeten voorstellen, Edel Achtbare!" antwoordt Uilenburg, met eene diepe buiging.

"De Teems bij Wolwits [49]," voegt de schilder er op bescheiden toon bij.

"Wat dunkt er u van?" vraagt opnieuw Pancras aan den kunstkooper.

"Lief van behandeling," antwoordt deze, terwijl hij met den knijpbril op den neus het stuk van nabij bekijkt en Griffier wederkeerig op hem het oog, niet zonder angstigen schroom, gevestigd houdt, "geestig van stoffage, helder van koloriet; er kon wel wat meer water in de lucht, wat meer lucht in 't water zijn,.... maar over 't geheel is 't een lief stukje."

Griffier haalt adem; want de uitspraak van den gevreesden kunstkenner is over 't geheel gunstig.

Maar wie is die Uilenburg, die hier over de waarde of onwaarde van de aanwezige kunstgewrochten beslissen moet?

Wie hij is, lezer? Sla Vondels Poëzie op, bij voorraad nog de 4o. uitgave, Deel I bladz. 378, Deel II bladz. 372, en gij zult reeds eenigszins op de hoogte komen. Hoor slechts het kortere der beide daar geplaatste, in 't nog bange jaar 1673 vervaardigde gedichten in zijn geheel, en het slotcouplet van het andere.

Op de verkoopinge der Italiaansche Schilderyen, ten huize van Geeraert Uilenburg, Schilder.

Noch spant de Schilderkunst de kroon by brave Heeren, En zwicht voor onverstant, noch geen grimmas van Nijt. Zy wil de nieuwe zael van Uylenburgh stoffeeren Met Italjaensche kunst, in dezen droeven tijd: Schoon Mars, in 't harrenas gewapent, ten bederve Des volx, de landen zet in vier en gloet uit wraeck, Dees tiende Kunstgodin, verkoren bij Minerve, Spreekt door haer schoone verf en stomme beeldenspraeck. Een ieders hart verlangt naer prijs in 't vrolijk loten, De Godt Apollo komt, vol levens en vol geest, In dees vergadering. Hy groet de kunstgenooten, En speelt op zijne harp in 't midden van dit feest. De mist der lastertong verstomt door 's kenners klaerheit. De logentael verdwijnt voor 't helder licht der waerheit.

t' Amsterdam 23 van Sprokkelmaent 1673.

En nu de "Toezang" van den Zege der Schilderkunst:

In Amsterdam trotseert de kunst Van Italjaen en Nederlander Den opgerechten oorlogsstander, En wint by alle kenners gunst Daar Uilenburg [50] zijn Schilderyen, In spijt van alle razernyen, Hoe elk ons dreigt te vier en zwaerd', Met winst vertiert, bedankt van Heeren, Dien 't lust hun zalen te stoffeeren Met zulk een rijkdom, lang vergaert. Dies hoe de krijgselende treffen, De schilderkunst mag 't hooft verheffen.

Wij leeren uit de bovenstaande verzen, dat Uilenburg, reeds in 1673, handel in schilderijen dreef, en wel, in weerwil dat de oorlog nog woedde, met voordeeligen uitslag: wij vinden ook, dat hij, in het opschrift van 't eerste gedicht, "schilder" wordt genoemd: en werkelijk had hij in zijne jeugd het penseel gehanteerd. Doch, ondervindende dat de verkoop van eigen werk hem geen brood gaf, kwam hij bijtijds tot het gelukkig besluit, zich door den verkoop van 't werk van anderen, niet alleen brood, maar zelfs een ruim bestaansmiddel te verschaffen en de beoefening der kunst vaarwel te zeggen voor de critiek der kunst. Het door hem gekozen beroep was, als zoodanig, nog nieuw, en de keuze daarvan bewees, dat hij, zoo al geen kunstgenie, dan voor 't minst doorzicht bezat. Lang zonder mededingers, wist hij de rijke Amsterdammers naar zijne tentoonstellingen te lokken, en zoodoende met hen in aanraking te komen. Weldra was hij hun raadsman, hun gids, hunne vraagbaak in 't vak van kunst, en werd er nauwelijks eene schilderij gekocht of besteld, dan door zijne tusschenkomst. Reeds bijna vijftig jaren had hij nu zijn vak uitgeoefend, en hoe ouder hij geworden was, hoe dieper de eerbied, welke men voor zijne "rijpe ondervinding" gevoelde, hoe machtiger zijn invloed, hoe min betwistbaar zijne uitspraken waren geworden. Is het wonder, dat de kunstenaars niemand gelijk hem ontzagen, en hem luide als hun beschermer, hun goeden genius, hun voorzienigheid roemden?--al mochten sommigen hem in hun hart verwenschen.

"En dit landschapje hier?" vraagt Burgemeester Pancras: "wat stelt dat voor? 't Is in eene heel andere manier dan de vorige stukken."

"Uw Ed. Achtbare zal toch wel niet twijfelen of 't van dezelfde hand is," zegt Uilenburg: "maar anders, ja, Uw Ed. Achtb. ziet volkomen juist: 't is in geheel verschillenden trant geschilderd: en men erkent hier het streven om de manier van Lingelbach na te volgen."

"Ik geloof, dat ik slechter modellen zou kunnen kiezen," zegt Griffier, eenigzins gevoelig over den toon, waarop de toelichting gegeven was: "voor 't overige, 't is eene fantasie:.... ik wil ook nu en dan wel eens iets anders voorstellen dan rivier- en zeegezichten."

"En dit, Sinjeur Uilenburg?" vraagt Pancras, op een klein schilderijtje wijzende, dat een paard voorstelt bij eene herberg: "dat is toch stellig niet van dezelfde hand."

Men lette op het Sinjeur. Griffier was maar een kunstenaar, en werd dus als Monsieur aangesproken; Uilenburg een koopman, al was het dan ook maar in kunst, en stond dus hoog genoeg op de maatschappelijke ladder om den titel van Sinjeur te voeren.

"Volkomen juist aangemerkt, Edel Achtbare!" zegt de toegesprokene: "het is een aardig Wouwermannetje: Ei! ei, monsieur Griffier! tref ik een mededinger in u aan, dat je ook al stukken van anderen vent. Nu! men moet leven en laten leven."

"'t Is niet van Wouwerman," zegt Griffier; "'t is van mijn zoon Robbert, dien ik de eer heb UEd. A. voor te stellen."

Zie, hoe blijde de gelaatstrekken van Robbert staan, en met hoeveel trots en geheime vreugde de blikken van moeder en zuster zich op hem vestigen, nu men zijn jongelingswerk voor dat van den grooten Wouwerman aanziet; maar ook, hoe kijkt onze oude kunstkooper op den neus, hij, die juist bij zich zelven voornam, het schilderijtje bij de eerste gelegenheid aan den eigenaar af te koopen en er winst mede te doen:--zich zóó vergist te hebben! het werk van een aankomeling met dat eens beroemden meesters te verwarren! 't Is om nooit te vergeten.

"Van uw zoon?"--herhaalt Pancras, verbaasd: "Sinjeur Uilenburg, is dat geloofbaar?"

"Ja Edel Achtbare!" antwoordt deze: "als de man het zelf erkent!.... ik zou het trouwens bij nauwlettender onderzoek wel gemerkt hebben.--Mijne oogen worden er niet beter op met de jaren, en zoo meende ik, bij den eersten opslag, dat ik een Wouwerman vóór mij had.--Nu, 't is in allen gevalle eene goede kopie. Die linker voorpoot kon wel wat helderder uitkomen.... en de achtergrond is wat verward;.... maar voor een eerstbeginnende is 't heel wel."

Burgemeester Pancras heeft weinig aandacht op deze soort van rekantatie geslagen. Door opleiding en ambtsbetrekkingen geleerd, menschen te bestudeeren en te beoordeelen, is hij onwillekeurig getroffen geworden door de laatste woorden van Griffier: hij heeft den blik van de schilderij afgewend om dien te vestigen op den man, die nu niet meer alleen door de zonderlinge keuze van verblijfplaats, maar ook om andere redenen zijne opmerkzaamheid waardig schijnt. Er ontstaat een algemeen stilzwijgen: 't welk de achtbare burgervader eindelijk afbreekt met te zeggen:

"Dat is meer eerlijk dan politiek van u gehandeld, monsieur Griffier! hadt ge gezwegen, ge hadt dat stuk voor een Wouwerman aan den man kunnen brengen."

"Ik mag niemand misleiden," hervat Griffier, "en, al ware ik minder nauwgezet, ik geloof toch dat, in een geval als dit, ook bij den hebzuchtigsten mensch de trek naar voordeel zou hebben ondergedaan voor hoogmoedige blijdschap over de zegepraal, door zijn kind behaald. Zie, Edel Achtbare! als een kenner gelijk Sinjeur Uilenburg, zij het ook maar voor een oogenblik, er mee bedrogen is geweest, dan moet mijn jongen er toch niet vergeefs naar getracht hebben, de manier van Wouwerman na te doen;--want eene kopie is 't niet."

"Goed gesproken," herneemt Pancras met een hoofdknik, die van welgevallen getuigt: "ge moet mij eens iets meer vertellen van wat u aangaat en hoe gij er toe gekomen zijt, zulk een avontuurlijk leven te leiden." En meteen, na op zijn horloge gezien te hebben, neemt hij de plaats in, die voor hem was gereedgemaakt: een blijk van welwillendheid, dat de verbazing van Uilenburg wekt en de kajuitsbewoners niet weinig verheugt; want het schijnt zooveel te kennen te willen geven, als dat de machtige Burgervader ook hun ten beschermer wil zijn.

"Ge zijt, zoo ik vernomen heb, een Amsterdammer," vervolgt Pancras.

"In 1645 hier geboren," antwoordt Griffier.

"Zoo! in 't tijdperk dus, dat de kunst hier 't meest gefloreerd heeft: geen wonder, dat een jong mensch toen trek gevoelde om in dat vak te werken. Van der Helst en anderen hebben er nog al wat aan verdiend, aan dat stoffeeren van 't stadhuis en van zooveel andere gebouwen."

"'t Was toch niet zoozeer hun voorbeeld," herneemt Griffier, "of het voordeel, dat hun kunstvak hun bezorgde, dat mij voornamelijk aantrok. Ik was een Amsterdammer, maar toch hield ik van de buitenlucht en de vrije natuur meer dan mijne stadgenooten dat gewoonlijk doen.... ik wilde boomen, ik wilde landschappen teekenen, ik zag ze niet; en zoo stelde ik mij een tijdlang tevreden met bloemen af te beelden. Maar dat was mij weldra niet genoeg: ik moest meer verscheidenheid van voorwerpen, ik moest uitgebreider tafereelen hebben, en om daarin te slagen begaf ik mij onder leiding van Rogman."

"Niet onverdienstelijk," merkt halfluid Uilenburg aan: "maar wat ruw en slordig."

"Door hem," vervolgt Griffier, zonder zich aan de aanmerking te storen, "raakte ik in kennis met Lingelbach, met Adriaan Van de Velde...."

"Knappe lieden, beiden in hun vak," bromde Uilenburg er tusschen.

"Met Ruisdael, met Rembrandt."

"Hm! die zijn lang uit den smaak," bromt dezelfde basstem voort, "de een is al zwarter en onbehaaglijker dan de andere."

--"Heiligschennis!" hoor ik hier den lezer roepen: "Ruisdael en Rembrandt onbehaaglijk? En 't is nog een zoogenaamde kunstkenner, die zoo iets beweert."

Val er den goeden sinjeur Uilenburg niet te hard om, lieve lezer! hij spreekt alleen het gevoelen uit, dat toen, dat vijftig jaar vroeger, dat vijftig jaar later, nog het algemeen heerschende was. In 1714 zal men voor een landschap van Ruisdael f 17, in 1734 voor een kapitaal dito, gestoffeerd door Adriaan van de Velde, f 20 geven,--dat is, omstreeks evenveel penningen als het later guldens zal opbrengen.--En wat Rembrandt betreft, bij zijn leven werd hij onder de kunstenaars van den derden rang gesteld; en schier al wat men, eene eeuw na zijn dood, bij Wagenaar [51] aangaande hem leest, is eene aanhaling uit het "gebruik en misbruik des tooneels" van Pels, voornamelijk strekkende om hem in een ongunstig, ja bespottelijk daglicht te stellen.--Dat echter ten dezen Griftier niet volmondig instemt met het oordeel, door Uilenburg geveld, bewijst de trek van wrevel en minachting, die zich even op zijne omgekrulde lip vertoont; doch hij houdt zich als had hij niets gehoord en gaat rustig voort met zijn verhaal.