Vertellingen van vroeger en later tijd

Chapter 14

Chapter 143,591 wordsPublic domain

--"Is er een onder jelui, die dezen man kent?--Niet?--Nu! dan zullen de rakkers van den Schout hem wel kennen." En meteen stoot hij den boef van zich af, die, bemerkende, dat hij voor 't oogenblik de lachers niet op zijne zijde heeft, zich brommende onder de menigte terugtrekt.

--"En nu," vervolgt Smit, terwijl hij, met een voet op de onderste trede van De Ruyters huisstoep, met de eene hand den knop van de leuning omvat, de andere, waarin zijn geduchte rotting geklemd is, zoover mogelijk uitgestrekt houdt en in die houding als 't ware post vat om de woning te beschermen: "en nu, vertel jelui mij eens, wat je hier toch komt zoeken?"--

Ieder, zoowel de vrouwen, die daar binnen doodsbleek voor 't raam staan, als de volksmenigte daar buiten, begrijpt, dat het hachelijk oogenblik gekomen is, dat aan den staat van spanning, waarin men over en weder verkeert, een einde maken moet. Er is eene minuut stilte, en dan klinkt het opeens:

--"Dat weet je immers wel!'"

--"Hoe drommel wil ik 't weten?" vraagt wederom Smit, "als niemand het mij zeit. Ziet, je kent mij allen voor een Amsterdammer van ouder tot ouder, en die 't wel meent met den Prins, met de Stad en met de Burgerij, en heb je reden van klagen, dan zal ik je voorspraak wezen, al was 't bij Burgemeesteren:--en zegt nu wat je te zeggen hebt."

--"Wel!" roept een stevige varensgast: "als je 't dan niet weet, dan zal ik het je zeggen. De Admiraal, die schelm, heit zich deur De Witt laten ompraten om 's Lands vloot aan de Françoizen te leveren."

En nu er een het ijs gebroken heeft, raken alle tongen los.

--"Hij heit er honderdduizend kroonen voor ontvangen," roept eene vrouw.

--"Hij zou voor ieder van onze arme mannen een dukaton genieten," roept eene andere.

--"Maar hij is gelukkig intijds gepakt, voordat hij het schelmstuk volbrengen kon," schreeuwt een derde.

--"Ja sekuur," roept de guit met het roode buis, die nu weer de poppen aan 't dansen hoopt te brengen: "ik heb hem gisteren, aan handen en voeten geboeid, in Den Haag op de Voorpoort zien brengen."

--"Heb je?" vraagt Smit, droogjes weg: "ja vriend! ik geloof wel, dat je met de Voorpoort en andere gevangenissen goed bekend bent; maar of je den Admiraal juist kent, dat 's een tweede.--En nu buurvrouw! je hoort, wat die menschen zeggen: wat heb je daar nu op te antwoorden?--Stilte daar!--wij kunnen wel te gelijk zingen; maar niet te gelijk spreken."

--"Ja! ja! stilte!" roepen nu de bezadigdsten onder den hoop: "wij moeten hooren, wat de vrouw te zeggen heit."

Mevrouw De Ruyter was bij de eerste beschuldigingen, tegen haren man ingebracht, niet weinig van haar stuk geraakt; want zij gevoelde, dat zij niet veel anders daar tegen in kon brengen dan betuigingen, die geen geloof zouden verdienen; maar de logen, door den man in 't rood uitgekraamd, hoe kwaadaardig ook, is haar welkom, omdat zij dien voor 't minst met een onwederlegbaar bewijs kan tegenspreken. Bemoedigd steekt zij dan ook het hoofd naar buiten en roept met heldere stem:

--"Die man dáár vergist zich, ik heb vandaag nog een brief van mijn man, die gisteren is geschreven, en waarin hij mij bekend maakt, dat hij met 's Lands vloot eerstdaags de vijanden weer hoopt te gaan opzoeken."

--"Hoor jelui 't?" vraagt Smit; en toen, zich haastig naar Mevrouw De Ruyter keerende: "den brief! den brief!" zegt hij: "spoedig!--Nu zel jelui 't zelven lezen," vervolgt hij tot het grauw: "Hier! is er een onder jelui, die met de hand van den Admiraal bekend is?" en meteen houdt hij den brief, dien Mevrouw is gaan halen en hem toegestoken heeft, geopend in de hoogte.

--"Ik! ik!" roepen eenige stemmen: en een half dozijn burgers treden na voren: met een snellen blik op hen te werpen, overtuigt zich Smit, dat er onder hen althans twee of drie zijn, wier uitzicht vertrouwen inboezemt, en zonder aarzelen stelt hij den brief aan een van dezen ter hand.

--"Daar." zegt hij, "lees, en je zult zelf erkennen, dat bedriegers 't volk misleiden en dat al wat men van omkooperij en gevangenis spreekt, louter verdichtselen zijn."

--"Ja waarachtig!" roept de toegesprokene, na den brief gelezen te hebben, "'t is de hand van den Admiraal, en dag en plaats komen uit!"

--"'t Is zoo, bij me zolen!--ja zeker het is zoo!" zeggen anderen, die, om den eersten spreker heengedrongen, mede een kijkje in den brief gekregen hebben.

--"'t Is een nagemaakt schrift," mompelt Roodbuis, terwijl hij nader sluipt.

--"Kan jij dat daar van daan zien?" vraagt Smit: "dan moet je al bijster goeje oogen in je bol hebben.--In allen gevalle, als jelui beter zekerheid wilt hebben, gaat om naricht naar 't Stadhuis of naar de Admiraliteit."

--"Wel ja!--hij wil ons met een kluitje in 't riet sturen!" roept hij met het roode buis en eenige andere van zijne gasten: "of wij gek waren!--zoo laten wij ons niet afschepen."

--"Maar 't is toch zijne hand," voeren de meest bezadigden hiertegen in: "en als de Admiraal niks gedaan heeft, dan is 't uit!"

--"Neen, 't is niet uit!" bulkt een ander, "al is de man niet gevangen, daarom blijkt het nog niet dat hij geen landverrader is: hij kan wel aan zijne vrouw schrijven wat hij wil."

--"Wij moeten eerst onderzoeken," zegt een van de welgezinden.

--"Wat onderzoeken! Jij heult misschien ook al met die landverraders."

--"Ik met verraders heulen! Een schelm, die 't zeit."

--"Hawaar!" brult de ander, hem een slag gevende;--en nu ontstaat er een gevecht tusschen de twee, waarin straks anderen zich mengen, 't zij om te scheiden, 't zij om aan te hitsen.

--"Tijd gewonnen! Alles gewonnen!" roept Smit met een zegevierenden glimlach Mevrouw De Ruyter toe:--"en nu, kanaljes! scheer je de stoep af! Holla hier mannen!"

Hij had reeds hellebaarden en sabels zien glinsteren voor de stoep van zijn Vendrig, en nu, terwijl hij met sterke vuist een voor een drie of vier van de knapen, die op de stoep hadden post gevat, in de kraag neemt, drijft hij hen met rottingslagen vandaar, waarop hunne makkers, voor dezelfde behandeling beducht, een goed heenkomen zochten. Onderwijl rukt Duizend met het vaandel en een dozijn gewapende schutters aan en vat nevens hem post voor het huis.

--"Wat beduidt dit?" roepen nu niet weinigen onder 't volk, hunne dreigende gebaren hernieuwende.

--"Dat beduidt," antwoordt Smit, op forschen toon, "dat ik met mijn volk naar de poort moet, waar de Françoizen hun eersten aanval zullen doen, en er bijtijds moet wezen, om hen af te wachten. En nu, ruimbaan! daar komen mijne Wilde Ieren!"

En inderdaad, eene geheele compagnie, die in de wandeling met dien naam geheeten wordt, komt in 't volle geweer van den kant der West-Indische pakhuizen aangerukt, dringt door den volkshoop heen en schaart zich voor het huis. Terstond deelt Smit nu zijne bevelen uit, laat de nieuwe Schipperstraat door drie gelederen musketiers bezetten, met last, indien 't grauw wilde doorbreken, daaronder te schieten: en zijne overige manschappen, wel tweehonderd sterk, voorgaande, drijft hij met rottingslagen de menigte tot aan zijn huis terug. Nu de handen wat ruimer hebbende, geeft hij den zijnen bevel, zich gereed te maken, en gebiedt, dat, bij de minste verdachte beweging van 't gepeupel, de musketiers zullen aanleggen en de piekeniers hunne pieken vellen. Maar nog bedaart het woest getier der menigte niet, die weer naar voren en op de pieken aandringt. Hoe gaarne Smit eene bloedstorting wil voorkomen, hoe hij aarzelt last tot schieten te geven, toch vreest hij, er toe te zullen moeten overgaan, wanneer zijn getrouwe Willem hem op zijde komt.

--"Patroon!" fluistert hij: "zie je die tjalk wel, daar in 't water, die niet verder kan? Als wij die eens praaiden."

Smit wendt het oog naar de hem aangewezen richting, en ziet werkelijk een dier gewapende uitleggers, welke ik hierboven verhaald heb, dat de Regeering in dienst genomen had, die met moeite zich een weg zoekt te banen tusschen de schuiten, die, propvol met toekijkers geladen, in het IJ liggen:--zonder zich lang te bedenken, haast hij zich naar den walkant en roept:

--"Kaptein! ben je genegen den vromen Admiraal van dienst te zijn, en zijn huis tegen dat geboefte te beschermen?"

--"Den Admiraal De Ruyter?" antwoordt de bevelvoerder van den uitlegger: "wel zeker ben ik: ik heb niet voor niemendal zeven jaren bij hem aan boord gevaren. Hier mannen!--duwt me die schuiten eens aan een zij; haalt de stukken boven, en dan zullen wij zien, of wij de kust niet schoon kunnen houden."

Zoo gezegd zoo gedaan: het vaartuig werkt zich tot voor den wal! Zes stukken geschuts vertoonen weldra op het dek hunne gapende monden, en worden met schroot geladen, tot niet weinig schrik van de opeengepakte rumoermakers!--en, om hunne ontsteltenis nog te vergrooten, doet zich van verre hoefgetrappel hooren en komen weldra achttien gewapende ruiters, door Burgemeesteren, op 't bericht van Smits Luitenant, naar 't bedreigde punt gezonden, in vollen galop aangerend. Smit ziet met wat ongestuime drift zij toesnellen, en hoe zij, op die wijze voortgaande, allicht een honderdtal van de op elkaar gepakte menigte in 't water zullen drijven: en, nu zelf het grauw in zijne bescherming nemende, treedt hij hun te gemoet en verzoekt hen, zich in 't gelid te stellen en zachter te rijden. Maar nauwelijks heeft hij hen voor het huis en onder zijn bevel, of hij hernieuwt met hunne hulp zijne poging, om de moedwilligen terug te dringen, die hij dan ook werkelijk tot voorbij de nieuwe Bantammerstraat weet te drijven; terwijl hem dit pas gelukt is of de Oud-Schepen en Raad Kornelis Roch komt aan 't hoofd van zijn burgervendel gezegde straat uit tot zijn bijstand. Geen half uur is er verloopen, of vier andere vendels zijn in de wapenen aangerukt, en 't grauw, zijn toeleg verijdeld ziende, is van lieverlede naar alle zijden en van 't eiland verstoven.

--"Zie zoo, Buurvrouw!" zegt Smit tot Mevrouw De Ruyter, "nu kan je gerust deur en vensters weer sluiten en een glaasje voor den schrik drinken. Ik kuier met mijn vendel naar de Muiderpoort, doch er blijft volks genoeg achter om u te beschermen."

En, zonder de dankbetuigingen der gerustgestelde vrouwen af te wachten, zet hij zich aan 't hoofd van zijn vendel en trekt naar zijne wacht; terwijl het Waalseiland dien dag en den geheelen nacht door de vier versch gekomen compagniën bewaakt blijft, die er niemand op laten dan wie er thuis behoort.

Het logenachtige van de verspreide geruchten was inmiddels gebleken: die ter goeder trouw er aan geloofd hadden, zagen in, dat zij bedrogen waren geweest, en die ze met een boos opzet uitgestrooid hadden, dat hun kans vervlogen was.

Zoo was, door de kloeke welberadenheid van één man, eene beroerte gestild, die de schromelijkste gevolgen had kunnen hebben; en dat, zonder dat er een droppel bloeds vergoten was.

In de gracht.

Nog steeds staan wij aan den IJkant, waar wij ons aan het slot van het vorige Hoofdstuk bevonden. Maar, vijf-en-dertig jaren zijn verloopen, en anders, maar niet minder levendig en gestoffeerd is de watervlakte. Toen de voorvallen plaats vonden, die stof gaven tot het laatste, door ons geschilderde tafereel,--was de vijand in 't land en op de kusten, en waren de toegangen tot de machtige koopstad van alle zijden belemmerd. Thans, al moge ook de Staat, de krachtige politiek van Willem III voortzettende, nog voortdurend met Frankrijk in oorlog zijn, en al moge ook nu en dan een kaper van Duinkerken onzen handel afbreuk doen, de schepen der bevriende natiën weten den weg naar Amsterdam te vinden en geene vlag, die niet hier voor onze oogen wappert, geen koopwaar, onbewerkt of bewerkt, die niet hier aangebracht of vanhier vervoerd wordt. Maar ook de schepen, op eigen erf gebouwd, woelen en krioelen hier in steeds toenemende hoeveelheid dooreen: 't zij die uit Ceylon, uit den Indischen Archipel, of uit de havens van den Indischen zeeboezem gekeerd, hier de geurige specerijen, of stofgoud of elpenbeen, of andere kostbare en kostelijke voortbrengselen van die gewesten met zich voeren: 't zij die in de West-Indiën hunne ladingen koffie, suiker en verfhout hebben ingenomen: 't zij die geurige thee en prachtig porselein uit China, of tin uit het verre Japan, of pelterijen uit Archangel, of hout uit Noorwegen, of ijzer uit Zweden, of graan uit Dantzig aanbrengen, of uit de Levant de zijde, waarmede de vermogende Amsterdammers zich zelven, of den ballast van prachtig marmer, waarmede zij hunne gangen en voorportalen zullen versieren: 't zij die van de walvischvaart keeren met overvloed van traan en walrustanden, of van Spanje met de goud- en zilverertsen van Mexiko en Peru.

Maar het zijn niet alleen de groote zeekasteelen van uit- of inheemschen bouw, die hier de breede watervlakte vullen: 't zijn, tusschen hen door en om hen heen, de kleinere vaartuigen voor de kustvisscherij of voor die op de binnenwateren bestemd: 't zijn de tallooze beurt- en marktschepen, tjalken en smakken uit de eilanden en uit al de havens aan IJ of Zuiderzee hier samengekomen: 't zijn boeiers en speeljachten, in de Stad zelve, aan de Zaan, te Haarlem, te Hoorn, ja waar niet al thuis behoorende: 't zijn lichters, die de diepgaande koopvaarders van hunne lading hebben ontlast: 't zijn sloepen, die bij de oorlogsvaartuigen behooren, op Pampus geankerd: 't is in éen woord elke soort van vaartuig, klein of groot, welke zich de verbeelding schier zou kunnen voorstellen, alle zeker, welke de scheepsbouwkunst in 't wezen geroepen heeft.

Tusschen al die vaartuigen door baant een klein, maar vlugzeilend jacht zich een weg:--het voert geen in goud gevat wapen op den spiegel, noch eenig ander teeken, dat van den rang des eigenaars getuigt: het is geen adviesjacht; want het heeft geen wimpel met het wapen van eenige Admiraliteit in top: het is geen pleziervaartuig; want het mist dat kunstige snijwerk, die prachtige kleuren, dat blinkend goud en verlaksel, waarmede het in dat geval zou pronken; het is blijkbaar alleen gebouwd met het oog op stevigheid, kracht en snelheid: en wie eenige kennis van het zeewezen bezit, kan met een oogopslag onderscheiden, dat dit vaartuig moedig den storm het hoofd zal bieden, ongedeerd menigen stoot verduren, en, uit welken hoek de wind ook waaie, zich niet licht de loef door een mededinger zal laten afsteken:--en wij, die gaarne een zoodanig vaartuig zien en trachten te weten, wien het toebehoort, wij volgen het met het oog, nu het met eene zwierige wending, eerst door eene der openingen in het paalwerk, dat de stad omheint, vervolgens door de geopende Kikkerbil-sluis heenzwaait en voortstrijkt langs de Kalkmarkt. Terwijl zeilen en mast gestreken worden, springt een flinke knaap, oogenschijnlijk van ongeveer twintigjarigen ouderdom, haastig aan wal met de opgeschoten lijn, waarvan hij reeds het uiteinde aan een klamp aan boord bevestigd heeft; die lijn ontrolt zich naarmate hij ijlings verder spoedt, en hij maakt zich gereed, het vaartuig voort te trekken: eene flinke deern, wier gelaatstrekken u geen oogenblik doen twijfelen of zij is de zuster van gemelden knaap, neemt een handboom op, stoot het vaartuig van wal, en begint met rustige kracht te boomen.--Het moge voor ons gevoel iets stuitends hebben, zulk een zwaren arbeid door eene vrouw te zien verrichten, toch beweert de "ongevoelige" faculteit, dat eene malsche vrouweborst, hoe teeder en zwak in schijn, daartegen, zoowel als tegen het in 't lijntje loopen beter bestand is dan de ruige borst ook des sterksten mans.--Aan 't roer staat een kloekgebouwde grijsaard, die, terwijl hij met welgevallen de oogen om zich heen slaat, met niet minder welgevallen den geurigen damp schijnt te genieten, die uit het neusbrandertje voortkomt, dat hij tusschen de tanden houdt vastgeklemd. Eene vrouw, weinig jonger dan hij, en een aankomend meisje, houden zich intusschen bezig met het aftuigen en wegwerpen der zeilage; 't is klaar, dat men vooreerst geen plan meer heeft die te gebruiken.

Het is onbetwistbaar een huisgezin, dat wij voor ons hebben, een huisgezin, dat uit man, vrouw en drie kinderen bestaat:--immers in de gelaatstrekken, zoo van den knaap als van de beide vrijsters, vinden wij die van vader en moeder terug:--en even onbetwistbaar schijnt het, dat dit huisgezin de geheele bemanning uitmaakt. Nu! 't zijn ook allen krachtige, door zon en wind verbrande en verweerde tronies, waarop de echte zeemans ongedwongenheid en zeemans-koenheid te lezen is: en toch, er is iets in de levendigheid van den blik, die allen, ouderen en jongeren, onderscheidt, dat ons aan iets anders, dan aan gewone varenslieden denken doet. Wie zijn zij? Vanwaar komen zij?--De vader is een Hollander, zoo wij op gelaat en voorkomen afgaan; maar hadden wij een der kinderen afzonderlijk ontmoet, wij zouden geaarzeld hebben in het wagen eener gissing aangaande den landaard, waartoe het behoort. Het raadsel wordt ons echter opgelost, wanneer wij de moeder met aandacht beschouwen: die gekroesde roodblonde haren toch, die sterk geteekende kinnebakken, die zomersproeten zelfs, bij ongewone regelmatigheid van trekken en ongemeene doorschijnendheid van vel, 't welk b. v. aan den nek, waar het niet door den invloed van zon en luchtsgesteldheid geleden heeft, met hagelblankheid tusschen de krullende lokjes doorschittert:--dat alles te zamen spreekt van 't oude Angel-Saxische bloed, en zij, die wij voor ons zien, kan niet anders wezen dan eene dochter van Albion. Zelfs schijnt het, dat zij voor 't eerst in Amsterdam zich bevindt; want, al gaat zij ijverig voort met den arbeid, waar zij aan bezig is, toch werpt zij nu en dan een blik om zich heen, die van nieuwsgierigheid getuigt. Wel is waar--en dit toont aan, dat zij een echte telg van Engeland is--geen trek op haar gelaat ontplooit zich en zij schijnt over de wonderen der wereldstad noch opgetogen, noch verbaasd, op zijn best bevreemd. Nu en dan een zweem van goed-, niet zelden een zweem van afkeuring is al, wat hetgeen zij opmerkt, bij haar teweegbrengt. Maar sterkeren indruk maakt het tooneel, dat haar omringt, op het zestienjarige dochtertje: de oogen van het meisje tintelen als sterren van vroolijke opgewondenheid en, keer op keer, wanneer in de rij der huizen, die zij langs varen, een fraai gestoffeerd magazijn, een sierlijke gevel, of wat ook door praal of bouwtrant de aandacht wekken mag, of wanneer op de kaai deze of gene Friesche of Zaanlandsche vrouw met haar prachtig hoofdtooisel, of een Armeniër met zijn tulband en kaftan, of een Perziaan, of een Amsterdamsche pronker, of zelfs een citroenjood met zijn baard en zijn samaar zich aan hare oogen voordoet, tikt zij, met een vroolijken lach, soms met een uitroep van dartele blijheid, hare moeder op den arm, om de aandacht van deze op dat ongewone voorwerp te vestigen.

De lijn is alreeds een paar keeren in- en weder uitgegooid: en het jacht is de Sint Antonies-, is de Zwanenburgerbrug door-, den breeden Amstel opgevaren; ook hier moet de lijn weder ingenomen, zoodra men de Blauwbrug is doorgekomen, want aan wederzijden ligt het vol van Keulsche aken en die Samereuzen-(Sambre et Meuse) schepen, naar welke de hooge Amstelbrug daar in de verte bij sommigen den naam voert van Samereuzen-brug--een naam, zoo kluchtig in de dagen der omwenteling, Franschgezindheid en sentimentaliteit vertaald met pont des amoureux;--wat echter nog minder gek was dan de later in zwang gekomen benaming van "Hooge Sluis." Immers, verliefden mag men er nu en dan aantreffen; maar een sluis is niet dan op eerbiedigen afstand te vinden.

Om tot ons jacht weder te keeren, de broeder is, nu het trekken onmogelijk werd, weder aan boord gesprongen, en helpt zijne oudere zuster in het verrichten van hare moeitevolle taak. Maar het zwaarste is volbracht. Het jacht zwaait rechts de Keizersgracht in, en, na nog de brug, die de Utrechtsche-straten aan elkander verbindt, onderdoor te zijn gevaren, houdt het op de kaai aan, wordt aan een paar ringen vastgelegd en kiest hier als in veilige haven, zijne ligplaats voor dezen tijd. De schipper heeft zijn roer vastgezet: zijne vrouw en jongste spruit hebben alles geborgen wat te bergen viel: broeder en zuster de handboomen weder in de mikken gelegd, en het geheele gezelschap zich binnen de kajuit begeven, om na gedaan werk eene welverdiende rust te smaken, en zich met een stevig ontbijt te ververschen.

Wij zouden hen wel willen volgen, om nadere kennis met hen te maken; want, al kunnen wij ons geen bepaalde rekenschap geven waarom, het gezin boezemt ons belangstelling in, en, wij weten het, het kostte ons weinig moeite: de verbeelding is voor ons de ring van Gyges, die ons onzichtbaar alom doet tegenwoordig zijn, het "Zeezaad open u!" [48] waardoor elke deur, hoe vastgegrendeld ook, zich ontsluit. Maar ik wil den lezer eene verrassing besparen, en daarom ons bezoek tot morgen uitstellen, en de goede menschen heden in hunne stille rust niet bespieden.

De dag van morgen is gekomen: het jacht ligt nog terzelfder plaatse aan de kaai vastgemeerd; doch niemand is op het dek te zien. Zouden allen het verlaten hebben? Wij willen dit eens onderzoeken en ten dien einde stappen wij aan boord, treden de kajuit binnen, en.... staan geheel versteld van het onverwachte schouwspel, dat zich aan ons voordoet. Niets, dan alleen de achteroverhellende stelling der vensters tegenover ons, herinnert, dat wij ons hier in een vaartuig, en in het gewone verblijf eens schippers bevinden; al het overige roept ons toe: gij betreedt eens schilders werkplaats, of liever, om geen twijfel aangaande de beteekenis van die twee woorden over te laten, een atelier.