Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 13
't Was dan ook wellicht aan min verlichte lieden niet zoo geheel kwalijk te nemen, dat zij met hun gewoon plomp menschenverstand niet begrepen, hoe Regenten, die in der tijd 't heftigst hadden medegewerkt tot uitsluiting van den Prins, thans, na zijn herstel, met schik in 't bewind konden blijven, ook al hadden zij zelven thans hun stem gegeven aan dat herstel. De Prins, zoo redeneerden zij verder, moest op een tijdstip als het tegenwoordige, nu het Land in gevaar en de vijand voor de poort was, aan 't hoofd der steden zoowel als aan 't hoofd der vloot en des legers alleen zulke mannen vinden, die hij wist, dat aan zijn persoon waren verknocht en hem met trouw en ijver konden dienen; geen politieke weerhanen, die zich nu tot hem keerden, omdat zij niet anders konden en hem, zoodra zij er maar kans toe zagen, weer verlaten, of althans den voet dwars zouden zetten.--De vreeselijke moord, op 20 Augustus, en dus kort na 's Prinsen vertrek vanhier, aan de gebroeders De Witt gepleegd, mocht afschuw verwekken bij alle weldenkenden, hij had gestrekt om nieuw voedsel te geven aan den geest van wantrouwen, die bij de burgers heerschte. Het stuk was gepleegd, niet door een ordeloos grauw, maar door Haagsche schutters en gezeten lieden uit den burgerstand, ten aanzien en met schijnbare goedkeuring van aanzienlijke personen en familiën, ja van bedienaars des Heiligen Woords; en dit een en ander gold bij onnadenkenden voor een onwederlegbaar bewijs, dat hier geen bloote wraak of moordzucht in 't spel geweest was, noch zelfs recht gedaan over vroegere misdrijven; maar dat er een nieuw en schendig opzet ontdekt was, even uitgestrekt van omvang als verderfelijk voor den Staat, en dat de Gebroeders daarvoor hunne billijke straf hadden ontvangen:--en het was onder dezen indruk, dat er zich al meer en meer stemmen hadden doen hooren, die aandrongen op 't ontslag der Regenten, en er in dien geest onder anderen een schotschrift ter beurze was aangeplakt: zoodat de leden der Regeering, zelven beginnende in te zien dat hunne stelling niet langer houdbaar bleef, tot het besluit gekomen waren, hunne ambten ter beschikking van Zijne Hoogheid te stellen.
Maar, terwijl de Vroedschap nog over dit laatste punt beraadslaagde, waren de doldriftigsten onder de Amsterdamsche heethoofden nog steeds aan 't overpeinzen, wie alzoo mede konden betrokken zijn in het verraad op groote schaal, waarvan zij de De Witten verdacht hielden: en zoo gebeurde het, dat men, hetzij domheid, hetzij, wat waarschijnlijker is, doemwaardige boosheid, den naam van De Ruyter noemde. Van hem was het bekend, dat hij én onder den Raadpensionaris, én onder den Ruwaard van Putten, het bevel had gevoerd, en met beiden in volmaakte overeenstemming, ja op den meest vriendschappelijken voet had verkeerd:--wat op zich zelf reeds aanleiding scheen te geven tot verdenking: voorts, ofschoon de Admiraal zich altijd buiten alle politieke geschillen gehouden en zich bepaald had, naar krijgsmansplicht, stipte gehoorzaamheid te betoonen aan zoodanige lastgevingen, als hij van zijne wettige overheden ontving, scheen de omstandigheid, dat juist hij altijd door de Staten, of liever door hun oppermachtigen Raadpensionaris, bij voorkeur boven anderen was gekozen geweest tot het uitvoeren hunner ondernemingen, kracht bij te zetten aan de verdenking, dat hij met lijf en ziel hunne Staatkunde was toegedaan, en, evenals zij, den Prins uit alle hooge ambtsbetrekkingen wilde verwijderd houden. Ten bewijze, dat de vloot- en zeevoogden, in wie de Staten hun bijzonder vertrouwen stelden, noodwendig hunne staatkunde toegedaan moesten zijn, voerde men wijders den schoonschijnenden grond aan, dat de zoodanigen onder hen, die als Prinsgezinden bekend stonden, van bevordering uitgesloten, ja langzamerhand waren ontslagen geworden. Vooral was dit het geval geweest met den Achilles van de zee, gelijk men hem noemde, met Kornelis Tromp. Tweemalen was deze op de schandelijkste wijze verongelijkt. De eerste reize, in 1665, toen hij, tot Luitenant-Admiraal van de Maas benoemd en met het opperbevel der vloot belast, in Texel vergaderd, had moeten ondervinden, dat hem, zonder eenigen schijn van grond, dat bevel ontnomen werd en opgedragen aan De Ruyter, die wel eenige maanden vroeger tot Luitenant-Admiraal verheven was, maar bij de Admiraliteit van Amsterdam, boven welke die van de Maas den voorrang bekleedde:--de tweede reis, in 1666, toen hij, tot loon van de dapperheid door hem in den zeeslag van 4 en 5 Augustus bewezen, op aandrang van De Witt uit 's Lands dienst ontslagen was. En ongelukkig viel het niet te ontkennen, dat dit ontslag een gevolg was geweest van een twist tusschen hem en De Ruyter, waarbij deze--misschien voor 't eerst en 't laatst van zijn leven--zich tot harde en onbillijke beschuldigingen tegen een medebevelhebber had laten verleiden [45]. Was het vreemd, dat De Ruyters gedrag in deze zaak door de vrienden van Tromp, en door de Prinsgezinden in 't algemeen, in het ongunstigste daglicht was gesteld, en nieuw voedsel gegeven had aan het beweren, dat hij in alles met den Raadpensionaris dacht en handelde?
En nu, nu men onder 't volk verspreidde, dat De Witt het Land aan Frankrijk had willen verkoopen, was door de hierboven aangehaalde aantijgingen, den weg gebaand, om De Ruyter voor te stellen als medeplichtige aan zoodanig verraad, en hem van niets minder te beschuldigen dan van 's Lands vloot aan Frankrijk te hebben overgeleverd. En, hoe dwaas en ongerijmd die beschuldiging den naneef ook in de ooren moge klinken, zij deed het niet in de ooren
Van 't lichtgeloovigh volck, dat veel te los van hooft Genoten dienst vergeet, en 't erghste liefst gelooft,
van 't volk, dat De Ruyter nog niet op het voetstuk zag geplaatst, door de nakomelingschap hem toegekend, noch met den stralenkrans omgeven, welken deze hem waardig heeft gekeurd. Neen, dat volk vergat zijne diensten, of liever nog, het vond in die diensten zelven stof tot verwijt. Immers, was het niet voornamelijk tegen den Koning van Engeland, tegen 's Prinsen Oom, dat De Ruyter had gestreden? Waren die oorlogen met Engeland niet--althans zoo redeneerde men--juist het werk van De Witt, en alleen gevoerd om het herstel van den Prins onmogelijk te maken?--Was het gehate en ondankbare Frankrijk bij die oorlogen niet onze bondgenoot geweest?--Had De Ruyter niet van Lodewijk XIV de orde van Sint-Michiel ontvangen?--En moest het dan zoo vreemd schijnen, dat De Ruyter, op last van De Witt, en in overeenstemming met diens veronderstelde bedoelingen, 's Lands zeemacht ter beschikking stelde van den Franschen Monarch?
Ik wil niet beweren, dat verstandige, onbevooroordeelde lieden aan zulke lasterlijke praatjes geloof sloegen; ik heb alleen willen uiteenzetten, hoe hier "het erghste" geloof kon vinden bij de onnadenkende menigte, die langzamerhand--als wij gezien hebben, er toe gebracht was, niemand meer te vertrouwen: hoe het een gretig onthaal vond bij Prinsgezinde matrozen, bij voormalige zeevarenden van Tromp, bij Amsterdamsche werk- en sjouwerlieden, die aan De Ruyter noch zijne Zeeuwsche afkomst, noch zijne lage geboorte vergaven;--want het is opmerkelijk, dat het volk altijd eenigen nijd en wrevel gevoelt tegen iemand, die uit zijn midden tot hooger rang is opgeklommen, en spoediger geneigd is van een zoodanige kwaad te denken dan van iemand van aanzienlijke geboorte. Maar vooral werkten de uitgestrooide geruchten op de beweeglijke gemoederen dier vrouwen, wier mannen of naaste verwanten zich aan boord van de vloot bevonden, en voor wie nu ook, zelfs al hadden zij geen bijzondere reden, om den Admiraal te verdenken, de bloote gedachte, dat hetgeen men verhaalde toch misschien kon gebeurd zijn, reeds voldoende was, om met ongerustheid, met angst, met mistrouwen vervuld te worden, en in allen gevalle te willen weten, waar zij zich aan te houden hadden.
En zoo komt het dan, dat op den meergenoemden zesden September, juist op dien zelfden Dinsdag, nu de Stads-Secretaris, Dirk Schaep naar het leger te Bodegraven is vertrokken, om de Regeeringsambten ter beschikking van Zijne Hoogheid te stellen, de reeds door mij beschreven toeloop plaats heeft voor 't huis van den Admiraal.
De beroerte, zegt Brandt [46], was, door een slinksch geval of loos beleid, zoo schielijk opgekomen als een zomerstorm, die de zeelieden verrast. Ten een ure na den middag, bij 't afgaan der Beurs, was er nog geen mensch omtrent het huis te zien geweest en een oogenblik daarna was het grauw, mannen en vrouwen, van alle kanten komen aanloopen, zoodat het menschen scheen te regenen, en de straat aan alle kanten volstond.
Aller oogen zijn, als wij reeds zeiden, op het huis gevestigd, en wij zullen doen als de anderen, ja meer nog, wij zullen doen wat zij nog niet kunnen, en ons, in spijt dat de deur gesloten is, naar binnen en naar de zijkamer begeven. De blinden voor de benedenvensters van het kruisraam zijn gesloten, doch de bovenvensters verschaffen toch licht genoeg, om ons Mevrouw De Ruyter te doen zien, in niet weinig bekommernis, met gevouwen handen, op een stoel tegen den wit gepleisterden wand gezeten, terwijl haar twintigjarige dochter Margriet in niet minder verlegen houding tegenover haar staat, en de beide dienstmaagden, Aagje de linnenmeid en Klaasje de keukenmeid, zeker om Mevrouw meer moed in te boezemen, handenwringende en schreiende de kamer op en neer loopen.
"Wat zullen wij toch doen, Moeder?" roept Grietje: "en niemand om ons raad te geven! Dat Barend maar hier ware."
De schrandere lezer zal beseffen, dat de Barend, wiens tegenwoordigheid door de jonge juffrouw verlangd werd, natuurlijk niemand anders is dan haar verloofde, de leeraar Bernardus Somers.--Maar eer wij verder gaan, dien ik een woordje te zeggen over het gezin van onzen zeeheld.
De Ruyter was driemalen getrouwd geweest: de eerste reize in 1631, toen hij het nog niet veel verder dan busschieter had gebracht, met Maria Velters van Grypskerke, die nog in 't zelfde jaar in 't kraambed overleden, en wier kind haar in den dood gevolgd was; de tweede reize in 1636, toen hij stuurman was, met Kornelia Engelsdochter van Vlissingen, die hem vijf kinderen schonk, van welke thans--in 1672--nog drie in leven zijn, t. w. Kornelia, in 1639 geboren en nu sedert eenige jaren gehuwd met Johan De Witte, Kapitein van eene compagnie zeesoldaten bij de Admiraliteit te Amsterdam, Alida, in 1642 geboren en eerst met Johan Schorer, vervolgens met Thomas Pots, Predikant te Vlissingen, getrouwd, en Engel, dus naar zijn grootvader van moederszijde genoemd, die zeker niet gedroomd had, dat zijn kleinzoon eens in de gelegenheid zou komen eene Hertogskroon af te slaan [47]. In 1650 zijne tweede vrouw verloren hebbende, was hij, in 1652, nu schipper zijnde, voor de derde reize getrouwd met Anna Van Gelder, weduwe van Jan Pauluszoon, die, als hij, voor de Gebroeders Lampsens gevaren had. Anna Van Gelder had aan haren man een voorzoon aangebracht, die, bij zijns vaders naam Jan Paulusz., haar naam Van Gelder voegde en nu mede in zeedienst en met de dochter van den Amsterdamschen koopman Wessel Smit getrouwd was. Twee dochters had Anna haren man geschonken: met de oudste, Margriet, hebben wij zooeven kennis gemaakt: de jongste, Anna, was in 1666 aan de pest overleden.
"En wat zou Barend?" vraagt Mevrouw De Ruyter, de schouders ophalende: "denkje, dat die lieden met eene predikatie zijn weg te krijgen?"
--"Och lieve hemel!" roept de keukenmeid: "al hadden wij twintig manskerels, in huis wat kon dat nog helpen tegen zoo'n troep."
--"Wat willen zij toch?" vraagt Mevrouw--misschien voor de tiende keer:--"ik begrijp hun oogmerk niet. Kijk eens door 't venster, Aagje! of je ook zien kunt wat ze in 't zin hebben."
Niet zonder vreeze van gezien te worden door hen, die buiten staan, voldoet de deern aan het verzoek: zij sluipt naar 't kruisraam, waarvan de benedenluiken dicht zijn, klimt op een stoel en gluurt even door 't bovenvenster naar buiten.
--"Wel! wat zie je?" vraagt Mevrouw.
--"Och! juffrouw!"--want al draagt de echtgenoote van een Luitenant-Admiraal-Generaal in officiëele stukken en op officiëele vereenigingen den titel van Mevrouw, in haar huisgezin en in den nederigen kring, waarin zij nog voortdurend verkeert, zou haar die als eene bespotting geklonken hebben.--"Och Juffrouw! zij praten en rammelen allen door elkaar en wijzen maar altijd door op het huis.--Och!--waren wij maar hier vandaan."
--"Zouden wij niet naar den tuin, Juffrouw! en over de schutting een goed heenkomen zoeken?" vraagt Klaasje.
--"Wegvluchten!" roept hare meesteres op een toon van verontwaardiging: "het huis alleen laten? Sinjeur zou 't aardig opnemen, als hij terugkwam;--maar toch, je doet me daar aan iets denken.-- Aagje! jij bent de jongste en de vlugste: zie jij, dat je over de schutting komt, in den tuin van buurman Smit, en vraag hem, of hij ons eens van raad wil komen dienen. Hij is kloek en bedaard en weet met dat slag van volk om te gaan: hij zal misschien kunnen uitvorschen wat zij toch eigenlijk verlangen."
--"Wil ik het anders ook doen?" vraagt de keukenmeid, zonder te bedenken dat zij te log en te zwaarlijvig is om acrobatische oefeningen te verrichten, en alleen het vooruitzicht in 't oog hebbende om veilig van de plaats te komen;--maar haar aanbod komt wat laat of is althans overbodig: Aagje heeft nimmer aan een ontvangen bevel met zooveel spoed en bereidvaardigheid gehoorzaamd: zij is de gang reeds ten einde, de achtertrap reeds af--den tuin reeds ingesneld, heeft het houten trapje, dat bij den schoonmaak dienst doet, uit het berghok gehaald en tegen de schutting gezet, is deze overgesprongen, heeft bij de buren, van wie zij niets bespeurt, omdat die allen in 't voorhuis naar den oploop zitten kijken, een ladder, die tegen een pereboom stond, van zijne plaats gehaald en is met behulp daarvan de tweede schutting overgeklauterd, en veilig geland in den tuin van Wessel Smit:--bij dezen loopt zij 't huis in, terstond naar boven, en den man zelven tegen 't lijf, die, geheel gekleed, met den hoed op, den rotting in de hand, sjerp en ringkraag om den hals en den degen op zijde, in de gang staat.
Dat Mevrouw De Ruyter aan Wessel Smit gedacht heeft, is licht te verklaren: niet alleen is hij haar buurman, een welgesteld koopman en kapitein van een Burgervendel, maar zijne dochter is bovendien, als reeds gezegd is, met Jan Pauluszoon Van Gelder getrouwd en er bestaat alzoo een nauwe band tusschen hem en de vrouw des Admiraals.
Maar al bestond die band niet, men heeft, om den man vertrouwen te schenken, hem maar aan te zien, zooals hij daar voor ons staat, met zijne reusachtige gestalte, met zijne breede borst en wakker gelaat, met die sprekende donkerblauwe oogen, die van onder de zware bruine wenkbrauwen u gewoonlijk zoo gul en welwillend, maar op zijn tijd ook zoo streng en gebiedend kunnen aanzien, met dat hooggewelfde voorhoofd en die goedhartig spottende uitdrukking der breede, doch welgevormde lippen: in 't kort met een voorkomen, dat--behoudens eenig verschil in kleederdracht, door een tijdsverloop van bijna vijf-en-twintig jaren teweeggebracht--ons volkomen een dier kloeke hoplieden herinnert, door Van der Helst op zijn Schutters-maaltijd afgebeeld.
--"Jij hier, Aagje!" vraagt hij: "hoe drommel ben jij zoo opeens uit de lucht komen vallen?"
--"Uit de lucht, Sinjeur!" herhaalt Aagje: "neen Sinjeur! uit den tuin; ik ben achterom gekomen, weet UEd? want het is voor niet veilig: en nu laat de juffrouw vragen, of Sinjeur 'reis bij haar wou komen om raad te schaffen."
--"Dat had ik juist al gedacht, dat zij dien noodig zou hebben." zegt Smit: "en zoo had ik den Japanschen rok uitgetrokken en de plunje aangeschoten, waar ik t' avond mee op wacht denk te gaan, om eens naar de Juffrouw heen te kuieren. Ga dan gerust weer naar haar toe: ik zal er misschien zoo gauw zijn als jij."
--"Maar wil Sinjeur ook niet door de tuinen gaan?" vraagt Aagje.
--"Och ja, Sinjeur!" roepen uit één mond de beide dienstmaagden van Smit, die, nieuwsgierig met wie haar meester toch in gesprek kon zijn, inmiddels uit het voorvertrek zijn toegeschoven: "Och ja! 't is moedwillig in 't gevaar loopen, nu op straat te gaan."
--"Gekheid!" zegt Smit, de schouders ophalende: "waar is Willem?"
--"Op 't kantoor," antwoordt eene der meiden: "bezig alles goed weg te sluiten, zoo 't rapalje eens binnen mocht dringen."
--"Roep hem hier."
De meid loopt naar beneden en keert weldra met den jongen kantoorbediende terug.
--"Willem!" zegt Smit: "ik ga naar buurvrouw De Ruyter: krijg jij intusschen de lijsten van de Schutters, die tot mijn vendel behooren: loop bij Sergeant Joosten hier op den hoek, geef er hem een van, draaf dan met u beiden bij al mijne Wilde Ieren rond, en gelast hun uit mijn naam zich onmiddellijk te wapenen en naar 't huis van den Vendrig te begeven: stuur voorts iemand naar 't Stadhuis om kennis te geven van den oploop, en onzen trommelslager, dien je met zijne kameraden op den Dam zult vinden, alarm te laten slaan. Verstaan?"
--"'t Zal gebeuren Patroon!" zegt Willem, met een schalkschen lach, waaruit men kan opmaken, dat reeds het vooruitzicht van het standje, dat plaats zal hebben, hem vermaak verschaft, en hij haast zich weer naar 't kantoor, terwijl Aagje inmiddels langs den weg, dien zij gekomen is, terugkeert, en Smit, zich naar de voordeur begevende, die ontsluit en uittreedt op zijne stoep.
Daar iedereen in de buurt uit vrees zijne deur gesloten houdt, wekt het opengaan van die van Smit noodwendig de aandacht der menigte en zoo wenden zich de oogen opeens van het huis van De Ruyter af en naar het zijne.
--"Wat is er aan de hand, mannen?" vraagt hij, zich schijnbaar verwonderd houdende, en intusschen zijne scherpziende blikken over den volkshoop latende weiden.
--"Wat er aan de hand is?" roept een varensgast: "daar hebben we jou althans geen rekenschap van te geven."
--"Tut, man!" zegt Smit: "ik betaal schot en lot, kaai- en leggeld: en als de vrije doortocht voor mijn huis belemmerd wordt, dan heb ik recht, geloof ik, om te vragen, wat men voorheeft."
--"Wat praatje van recht?" schreeuwt nu een uit den hoop, een vent, met een rood buis, en met een gelaat alsof hij zoo even van de galg gedropen was: "kom maar van de stoep, jou dikke schelm, men zal je op zijn Jan De Witts trakteeren."
Op het oogenblik, dat deze weinig geruststellende toezegging gedaan wordt, is Willem met de lijsten onder zijn wambuis de deur uitgekomen, die hij achter zich sluit.
--"Ei zoo!" zegt Smit, terwijl hij langzaam de stoep afkomt en den doordringenden blik strak gevestigd houdt op den spreker: "wou jij dat doen?--Nu! als ik het verdiend heb, ga dan vrij je gang;--maar ik hoop, dat er hier genoeg vrome lui zijn, die Wessel Smit kennen, en die wel weten, dat hij geen landverrader is."
"Wel neen!" mompelen terstond onderscheidene stemmen: "Wessel Smit is geen landverrader:--wij hebben niks teugens jou, Sinjeur!"
--"Zoo! dat meende ik ook," herneemt hij, terwijl hij bedaard verder stapt.
Willem heeft behendig gebruik gemaakt van het oogenblik, dat aller oogen op zijn patroon gevestigd zijn met die eerbiedige verbazing, welke eene rustige kloekheid altijd bij de menigte verwekt, is de stoep afgesneld en onopgemerkt langs de huizen verder geslopen.
Wessel Smit is voor de stoep van De Ruiters huis gekomen, die vol menschen staat. Zich wel wachtende van iemand aan te raken, wat gevaarlijke gevolgen zou kunnen hebben, vergenoegt hij zich,--rechts en links te verzoeken, dat men hem doorlate;--doch zijn verzoek klinkt als een bevel, en onwillekeurig gehoorzaamt men. Hij staat op de stoep, hij schelt aan: Margrietje, die voor het bovenkruisvenster gegluurd en hem herkend heeft, snelt naar voren, laat hem binnen en haast zich, de voordeur weer achter hem te sluiten.
--"Goddank! dat UEd. gekomen is, buurman Smit!" zegt Mevrouw De Ruyter, opstaande en hem de handen drukkende: "wij zitten hier in doodelijke verlegenheid, wat te doen."
--"Wat te doen?" herhaalt Smit: "te beginnen met deur en vensters open te zetten, een goed gelaat te toonen, en dat rapalje met goede woorden te paaien tot er ontzet komt."
--"Den boel openzetten!" roept Grietje met verbazing uit: "maar dan zullen zij binnenkomen en ons plunderen."
--"Dat zouden zij toch al hebben kunnen doen," zegt Smit: "en dat jelui 't ontkomen zijt, is alleen, omdat het hun aan een hoofdleider mangelt. Zooveel althans heb ik er al van gezien, dat zij nog besluiteloos zijn: en daarom: openzetten! door u schuil te houden, versterkt gij slechts die lieden in hun kwaad vermoeden.--Het gepeupel slacht de honden: als men hun ontloopt of voor hen wegschuilt, blaffen en bijten zij: als men hen fiks in de oogen kijkt, loopen zij druipstaartende weg."
--"Ik geloof, dat buurman gelijk heeft," zegt Mevrouw De Ruyter, die met de komst van Smit haren moed, die door 't gejank van dochter en meiden wat gezakt was, geheel had voelen herleven; en, meteen naar 't raam tredende, opent zij de vensters, schuift de grendels van de luiken en stoot deze naar buiten.
Nu ontstaat er een dof en rondloopend rumoer onder 't grauw, maar toch blijkt het, dat de raad van Smit goed geweest is; want vooralsnog blijft de volkshoop zich bepalen bij uitroepen, als: "kijk daar is ze! en 'er dochters ook! wat 'n astrantigheid, dat ze d'r brutale bakkes zoo vertoonen durven!"
--"En nu, buurvrouw!" herneemt Smit: "houd het mij ten goede zoo ik u voor een oogenblik weer verlaat. Zoo men u iets vraagt, geef goed bescheid, en maakt men het u te lastig, dan ben ik in een ommezien weer bij u. Ik blijf in de buurt; want ik ga niet verder dan Dirk Duizend, om met hem te overleggen hoe wij u best helpen: en ik hou vandaar een oog in 't zeil."
En, de daad bij 't woord voegende, stapt hij weder ter deure uit, door den volksdrom heen, tot aan het vierde huis, dat door zijn Vendrig, Dirk Duizend, wordt bewoond. Ook deze heeft reeds voorzien, dat zijn dienst zal gevorderd worden en staat zijn hopman in de deur te wachten.
--"Dat is een gekke boel, Duizend!" zegt Smit, zoodra hij binnen is.
--"Dat zeg je wel, Kapitein!" is 't antwoord: "maar wat is er nu van je orders?"
--"Ik heb reeds om de manschappen gezonden," zegt Smit: "plant jij nu 't vendel in je stoep, dan weten zij, waar zich te vereenigen."
--"Al ree!" zegt Duizend, en het vendel, dat in een hoek der kamer klaar stond, opnemende, begeeft hij met Smit zich naar buiten en steekt het door de ijzeren ringen, te dien einde aan de leuning bevestigd.
--"Wat moet dat?" wordt straks van alle kanten geschreeuwd, door hen, die een duister vermoeden hebben van hetgeen volgen zal: "wat moet dat Vendel?"
--"Wel mannen!" antwoordt Smit: "zie je niet aan mijn ringkraag en bandelier, dat ik vandaag de wacht heb? Of hadt jelui liever, dat de Muiderpoort onbezet bleef, en de Françoizen er op hunne sloffen binnen konden komen?--Jelui lijkt wel stapel zot, om je over zoo'n natuurlijke zaak te verwonderen, als dat ik mijn vendel opsteek, waar mijn volk bij vergaderen moet. Kom, maakt wat ruimte! ik moet weer naar mijn huis."
En met deze woorden de gemoederen, wat het opsteken van 't vendel betreft, gerustgesteld hebbende, begeeft hij zich weder naar den kant der bedreigde woning heen, waar hij heeft bespeurd dat zijne tusschenkomst noodwendig gevorderd wordt. Immers is daar, terstond na zijn vertrek, het rumoer al meer en meer luidruchtig geworden: woeste kreten, scheldwoorden, bedreigingen, volgen elkander op: menige vuist is gebald, menige arm heeft zich opgeheven: en reeds heeft dezelfde fielt met het roode buis, die Smit gedreigd had met het lot van De Witt, zich gebukt om een steen los te maken en zoo het eerste sein tot vernieling en plundering te geven.
--"Hei wat!" zegt Smit, den vent plotseling bij den arm grijpende: "wie heeft jou tot Stads-stratemaker aangesteld?" en voorts, ziende dat zijne vraag de omstanders doet lachen, gaat hij, zich nu tot hen wendende, voort: