Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 12
Alaards woordeloose praatje Meest heeft uitgekipt het jaatje.... Dat wat lager dan mijn krop Lagh als in een yrendop. Evenwel ik kan niet zeggen, Dat gy 't ook zoo aan moet leggen. Hachelijk waar zulk een raadt. Wat weet ik hoe zij 't verstaat, Ieder eene moet men zoeken Naar haar aangezicht te doeken, Mislijk oft zy waar gestelt Op wat woorden voor haar geldt.
Vastaartjen, hoe 't zal gelukken Zoudt my konst zijn uit te drukken. Altijd is het vraagen vry En het weigren staat er by.
Zou ze zulk een storrem afslaan: Neen ze: ziet gh' haar voor zoo straf aan Jaa ze: zy gelooft te laauw Neen ze: Vastaart is te gaauw. Jaa ze: z' heeft geen zin in zoenen Neen ze: Minnezon doet groenen. Jaa ze: z' hangt haar moeder aan. Neen ze: dat kan overgaan. Jaa ze: z' is te jong van jaaren. Jaa z': hy heeft der daegen veel. Neen ze: 't is het passe scheel.
Zoetjes; toef wat, nog een woordtjen Ik u bijten moet in 't oortjen, Dat myn hoofjes rammelrad Schoontjes schier vergeten had.
Spreekje 't meisjen blond van haaren Past vooral haar te verklaaren, Klaarder dan ghy 't my bediedt, Vastaart, oft ghy 't meent oft niet.
De scherts, welke Hooft zich onder Tesselschades naam jegens Huyghens veroorloofd had, smaakte dezen laatste maar half; althans aan het slot van een ander gedichtje, 't welk hij haar iets later zond, verzocht hij haar vriendelijk, er Hooft buiten te houden:
Tesselschaedje Kameraedje, Die dit praetje Uyt mijn hert En van binnen Uyt het spinnen Van mijn sinnen Hebt ontwert, Hebt het, hout het, Sluyt, ontvouwt het, Siet, aenschouwt het Als belooft, Maar, bewogen Uyt medoogen, Sonder d' oogen Van uw Hooft.
Of hij nu bij de schoone Machtelt een blauwtje liep, dan of hij zich voorzichtig in tijds terugtrok, toen hij bemerkte, dat een ander in haar hart reeds de plaats had ingenomen, weet ik niet; zeker is het, dat hij, om van de zaak met eere af te komen, die later als eene grap behandelde, en boven zijn brief aan Tesselschade, eer die in 't licht kwam, het woord Jock plaatste.
Wat de blonde Machtelt betreft, wel had ik gewenscht dit hoofdstuk te kunnen sluiten met de vermelding, hoe zij den man harer keuze huwde en eene gelukkige gade en moeder werd.--Maar helaas! het was anders beschikt: zij stierf toen de Mei in het land kwam, als verloofde: gelijk wij uit de navolgende aandoenlijke regels van Vondel leeren:
De May, veraert en slinx, die trof ons maeghdepuyk, O Maghtelt, toen zy u benyde 't jeughdig blosen. Een andre bloem verwelckt, gesneden van haer struyck, Maar blancke lelie, och! in 't midden van de roosen,
Men u op uwen steel sagh flaeuwen en beswymen, Die waert des vreyers wensch, der oudren soete hoop. Uw geest gebluscht is en de fackel van uw Hymen, 't Is kostlyck, dat om gout noch tranen is te koop.
AANTEEKENING.
Na het schrijven van dit hoofdstuk vond ik mijn vermoeden, dat als getuige bij Tesselschades huwelijk hare getrouwde zuster Truitje zou zijn opgetreden, bevestigd door het navolgende uittreksel uit het Puiboek, mij door mijnen geachten vriend, den Stads-archivaris Scheltema, medegedeeld:
Puiboek No. 9.
1 November 1623 Compareerden voor Claas Pietersz. en Cornelis Schellinger, Allart Jansz. Krombalch van Alkmaar, geen ouders hebbende, geassisteerd met syn swaager Dirk Jansz. Quitingh, woonende tot Alckmaar, al waar de geboden mede gaan, met Tesselschaa Visschers, out 28 jaaren, geen ouders hebbende, geassisteerd met Truytie Visschers, haar suster, op de Geldersche kai.
(Get.) Allart Janszoon Crombalch. Tesselscha Roemers Visschers.
Men kan uit dit voorbeeld wederom zien, hoe weinig men zich om de spelling der namen en om de rechte qualificatie bekommerde. Van Truitje wordt o. a. niet eens gemeld, dat zij getrouwd is, evenmin als dit plaats heeft in de volgende aanteekening uit hetzelfde Puiboek, betreffende Anna's huwelijk.
12 Janwari 1624. Compareerden voor Cornelis Schellinger en Adriaan Raep, Dominicus van Wesel, out 38 jaaren, woonende op de Wieringerwaard, alwaar de gebooden meede gaan, met Anna Roemers Visschersdr. woonende op de Geldersche Kay, geassisteert de bruygom met Jacob Bicker en de bruyt met Truytie Roemers, haar suster.
(Get.) D. v. Wesell 1624. Anna Roemers.
Opmerkelijk is het, dat in de eerste huwelijks-aanteekening alleen de leeftijd van de Bruid, en in de tweede alleen die van den Bruigom vermeld wordt.
De lezer zij wijders verzocht op de eerste bladz. van dit hoofdstuk voor "den eersten November" te lezen "den twintigsten November." 1 November had de aanteekening, 20 Nov. het huwlijk plaats, als het bruiloftsvers van Hooft ons leert.
Ik zal ook nu wederom het verwijt niet ontgaan, mij, gelijk mij ter ooren is gewaaid, meer gedaan, dat ik gemakshalve mijne opstellen, in plaats van met eigen werk, met verzen van anderen opvulde. Ik geloof echter, dat wie eerlijk denkt en bovendien eenigen goeden smaak bezit, mijne handelwijze aan betere motieven toeschrijven en niet af zal keuren. Die gedichten, door mij geheel of ten deele opgenomen, zijn de bronnen, waaruit ik mijn tafereel geput heb: 't zijn mijne justificatoire bescheiden; vergenoegde ik mij, met er naar te verwijzen, ik zou den lezer noodzaken, om, tot recht verstand van mijn geschrijf een half dozijn boeken bij de hand te hebben en gedurig op te slaan. Maar bovendien strekken die brokken uit Hooft, Vondel, Huyghens enz. minder nog tot toelichting van mijn opstel, dan wel omgekeerd.--Velen (ik zelf tot nog voor korten tijd) hebben die brokken nimmer met dat genot gelezen, hetwelk alleen dan gesmaakt kan worden, wanneer men ze onderling in verband gebracht en daardoor recht heeft leeren begrijpen. Nu wellicht zal menigeen, die ze tot nog toe of niet of maar vluchtig gelezen had, zich wellicht door de uittreksels, die ik geef, aangespoord gevoelen, om ze eens meer opzettelijk in 't oorspronkelijke te gaan nalezen, en zoowel zijne kennis van de zeden, de toestanden en het onderling verkeer--als zijn smaak voor de echte, gezonde, krachtvolle letterkunde van die dagen--zal niet anders dan er bij kunnen winnen.--Dat is mijn wensch; wordt die vervuld, dan zie ik mijn doel bereikt.
In den Amiraal.
Wij stonden in ons vorige Hoofdstuk voor en in het huis der dochters van Roemer Visscher op de Gelderde Kade. Wij laten op eens nagenoeg een halve eeuw voorbijsnellen, begeven ons langs de Bantammerbrug naar de overzijde, stappen de dicht ineengebouwde buurt door, die aldaar gedurende dat tijdsverloop verrezen is, komen door eene tweede brug op 't Waals-eiland, volgen de Nieuwe Bantammerstraat, en staan, den zesden September 1672, op den Buitenkant. 't Is hier altijd druk en woelig; maar heden moet er toch iets ongewoons aan de hand zijn. Van de eene brug tot de andere is de kade zwart van de menschen, zoo dicht opeengedrongen, dat men, om de geijkte uitdrukking te bezigen, "over de hoofden zou kunnen loopen;" 't zijn varensgasten, arbeiders aan de werf, sjouwerlieden, vooral--en die zijn niet de minst luidruchtigen--vrouwen, jonge dochters en kinderen;--maar onder die menigte van hoezeer ruwe en onbeschaafde, toch over 't algemeen ronde en eerlijke aangezichten, wier thans zoo norsche en gramstorige uitdrukking blijkbaar aan de opgewondenheid van het oogenblik is toe te schrijven, vertoont zich hier en daar een gelaat, waarop lage hartstocht te lezen staat, met oogen, die niet van toorn, maar van roofzucht schijnen te branden; oogen, die in rustelooze beweging zijn, nu her- dan derwaarts gluren en overal heen willen kijken, om zich alleen dan af te wenden, wanneer zij den blik ontmoeten van een eerlijk man: en gewis, wanneer wij de fielterige uitdrukking gadeslaan, die zich in den wezenstrek vertoont, wanneer wij letten op die geelachtige, dunne, fijngevormde, maar aan de uiteinden iets gekromde vingers, die zoozeer afsteken tegen de breede, door eerlijken arbeid vereelte, van spek doortrokken handen, die zich naast de hunne bewegen, dan behoeven wij geen dienaars van den Hoofdschout of zelfs geen volleerde gezichtkundigen te zijn, om in de eigenaars van zulke ongunstige aangezichten, van die listige oogen en van die kromme vingers, een slag van volk te zien, dat, zoo 't niet voorlang reeds met het tuchthuis en met de beulsknechts eene nauwe kennis heeft gemaakt, onmisbaar t' avond of morgen met hen in aanraking komen zal.
Maar wat zoekt nu die volksmenigte? Met welk doel is zij bijeenverzameld? Wien bedreigt haar woest getier en haar grimmig gebarenspel? Van weerskanten aangeloopen, hebben de voorsten onder dien hoop zich op één punt vereenigd en er stand gehouden: dáár dringen de achter hen aangroeiende massa's hen op: en wanneer wij nu slechts letten op de oogen der aanwezigen, dan bevinden wij, dat die alle gericht zijn naar een huis, niet ver van de nieuwe Schippersstraat, 't welk, of welks bewoners alzoo het doel moet zijn van hun toeven.
't Moest voorwaar een kloekgebouwde en sterkgespierde gast zijn, die zich thans door dien opeengepakten volksdrom heen, een weg baande naar dat huis; maar wij, die zooeven negen-en-veertig jaren doorzweefd hebben, wij bezitten het voorrecht, met hetzelfde gemak, door een muur, 't zij van steen, 't zij van menschen, heen te dringen, en wij hebben het dan ook nu maar voor 't wenschen, om ons te bevinden ter plaatse, waar wij wezen willen. Wij staan voor het bedoelde huis en nemen het in oogenschouw.
Het perceel onderscheidt zich in niets van de daarnevens gelegene; 't is een enkel erf, waarvan alleen het benedenste gedeelte tot woning is ingericht, terwijl de hoogere verdiepingen tot graanzolders dienen: noch de deur, noch de twee kruisramen daarnevens, noch de gevel trekken 't oog door eenig buitengewoon snij- of lijstwerk: in één woord, er is niets merkwaardigs aan het perceel te bespeuren, en wie er niet ter wille des bewoners op lette, zou er voorbijgaan zonder er in 't minst acht op te geven.
Het kan dus niet het huis als zoodanig zijn, waar 't op gemunt is; die krijtende menigte moet het geladen hebben op den bewoner.
Maar wie is dan die bewoner? Een kapitein of schipper wellicht, die de verontwaardiging der varensgasten heeft opgewekt, door aan zijne manschap hun prijsgeld of gage te onthouden?--Of een scheepsbouwmeester, die zijn werkvolk op het zuur verdiende loon beknibbelt?--Maar neen!--wij leven in een land van rust en orde en de weg van rechten staat immers voor de klagers open?--Is het dan misschien ook een Spion--wij zijn, men vergete 't niet, in 1672 en de voorposten van 't Fransche leger zijn te Muiden--een Spion, die met den vijand heult en hem bericht heeft gezonden, waar, hoe en wanneer hij 't best binnen Amsterdam dringen en Europa's rijkste stad aan plundering en moord zal prijsgeven?--of een omgekochte booswicht, die brandstoffen in zijne kelders verborgen heeft, waarmede hij de stad op onderscheidene plaatsen te gelijk in brand meent te steken?--'t Kan niet missen of de man, die hier woont, moet al het een of ander zeer boosaardig opzet koesteren, dat het eene zoo krachtige openbaring van verontwaardiging heeft uitgelokt.
Niet eene van al die gissingen is juist. De man, die hier in dit eenvoudige huis woont, maar die zich voor 't oogenblik niet daarbinnen en zelfs niet in de stad bevindt, heeft in zijn reeds langdurigen en in lotgevallen buitengemeen rijken levensloop, nimmer in de verste verte aanleiding verschaft, dat aan eene beschuldiging, als die, welke zoo even ondersteld werden, voet zou kunnen worden gegeven:--en ik heb zijn naam slechts te noemen, om aan te toonen, dat, wat men hem ook ten laste kunne leggen, hem stellig geene slechte streken of wandaden kunnen toegeschreven worden van zoodanigen aard als straks genoemd werden. Daartoe staat hij te hoog, en, is hij misdadig, dan moet zijne misdaad in evenredigheid staan met zijne stelling in de maatschappij. Immers, die man moge in eene nederige en onaanzienlijke woning huizen, hij moge, wanneer hij zich daar bevindt, het leven leiden van een doodeenvoudig burgermannetje, zich aan den disch vergenoegen met gezouten vleesch, stokvisch, ingeleide snijboonen en rapen, en hij houde met vrouw en dochter er geen ander dienstpersoneel dan twee meiden op na, toch bekleedt hij den hoogsten rang, dien een gewoon burger buiten de Regeerings-Colleges bereiken kan; toch is hij Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland, Luitenant-Admiraal-Generaal van 's Lands vloot, door den Koning van Denemarken met brieven van adeldom, door dien van Frankrijk met de orde van Sint Michiel, en, wat meer dan al het voorgaande zegt [44], door de Regeering van Amsterdam met het Grootburgerschap beschonken: en hij geeft antwoord op den naam van Michiel Adriaansz. De Ruyter.
De Ruyter--Wanneer men dien naam hoort, dan stroomt ons een zoo hemelsche geur tegen van oprechte godsvrucht, nooit verzaakte plichtsbetrachting, lieftallige minzaamheid, reinheid van hart en wandel, onwankelbare trouw en bestendige gelijkmoedigheid in voor- en tegenspoed, vereenigd met schaars geëvenaard krijgsbeleid, rustigen heldenmoed, vastberaden kloekheid, in 't kort van alle christelijke, maatschappelijke en krijgsdeugden, dat men niet begrijpt, hoe men in één adem van zulk een man en van eene misdaad, zelfs van een vergrijp, kan spreken.
En toch, die doldriftige hoop, die daar de kaai vult en 't huis bedreigt, spreekt er van en beticht den Admiraal van niets minder dan van schendig landverraad.
Vanwaar die beschuldiging, die ons even ongerijmd als lasterlijk in de ooren klinkt? En zijn al de menschen, die daar staan, dan op eenmaal krankzinnig geworden?
Het heeft er zeker veel van, maar om op te lossen, wat een onverklaarbaar raadsel schijnt, dienen wij ons helder voor den geest terug te brengen, wat in die laatste maanden had plaats gehad.
Reeds sedert den jare 1670 waren velen hier te lande niet zonder bezorgdheid geweest, dat de Koning van Frankrijk eenig kwaad opzet koesterde tegen de Republiek. Al meer en meer hadden die geruchten kracht en wichtigheid gekregen, en tegen 't einde van 1671 was de Regeering van Amsterdam zoozeer overtuigd geraakt van de noodzakelijkheid om op alle kansen voorbereid te zijn, dat zij op maatregelen bedacht was, strekkende ter verdediging der stad, de grachten van masten en hout ontledigen en de vestingwerken liet voltooien, den Kolonels aanbeval, de Schutters in den wapenhandel te oefenen en de compagniën voltallig te houden, en zich met Gecommitteerde Raden gelijk mede met de Staten van Utrecht verstond, omtrent de middelen tot tegenweer, aan de Grebbe, aan de Vecht en elders, te bezigen. Tevens was zij, bij 't besef, dat een en ander niets baten zou zonder een eminent hoofd, in wien de natie vertrouwen stelde, eene der eerste geweest om, reeds vroeg in 't voorjaar van 1672, aan te dringen op de spoedige verheffing van Prins Willem tot Kapitein-Generaal. Toen nu werkelijk, op 7 April, niet enkel Frankrijk maar ook Groot-Brittannië den oorlog aan onzen Staat had verklaard, was men hier te ijveriger aan 't werk gegaan met zich ter verdediging toe te rusten en vrijwillige dienstneming aan te moedigen, ja, hoezeer men 't een geruimen tijd tegenhield, men ging er in Juni toe over alle slooten en polders vol te laten loopen, ten einde de stad, in geval van nood, onder water zou gezet kunnen worden, welk laatste dan ook geschiedde omstreeks de helft der maand, zoodra men de tijding ontvangen had, dat de Franschen over den Rijn, en de Betuwe waren binnen gerukt. Eerlang waren Utrecht, Naarden, zelfs een oogenblik Muiden in hunne handen gevallen, en nu werd het omgelegen land, door 't inlaten van 't zeewater, in eene bare zee herschapen, de poorten dicht gehouden, de valbruggen opgehaald, de hameien gesloten:--voorts twaalf compagniën gewapend bootsvolk aangenomen--die, onder 't bevel van den Vice-Admiraal Isaak Sweers, de uitleggers, in 't IJ en in den Amstel gesteld werden--en drie compagniën vrijwillige Ruiters, onder 't bevel van den Oud-Schepen Dirk Tulp, van den Advocaat-Fiskaal der Admiraliteit Hendrik Hooft en van den Stads-Secretaris Jan Van Vlooswijk. De knapen uit de weeshuizen, zelfs vele Doopsgezinden, hielpen mede aan 't voltrekken der wallen: in 't kort, ieder werkte mede, behalve de Joden, die verschoond werden, mits f 1260 aan de stad opbrengende. De wallen met tweehonderd stuks geschut, sommige poorten met ravelijnen voorzien en 't krijgsbestuur opgedragen aan Kolonel Joan Van Beveren, die in Geertruidenberg het bevel had gevoerd.
Het behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat, terwijl in het anders zoo vreedzame Amsterdam zulke buitengewone dingen geschiedden, de goede burgerij niet weinig stof tot praten vond: en, zooals 't gewoonlijk gaat, waren er niet weinigen, die de schuld van hetgeen gebeurde aan de Regeering weten. De De Witten, zeiden zij, en zij, die tot de zoogenaamde Loevesteinsche factie behoorden, gingen slechts van één hoofdbeginsel uit, namelijk, zichzelven te bevoordeelen en alle ambten en waardigheden voor zich en de hunnen te houden, en hiertoe den Prins en alle Prinsgezinden er van uit te sluiten. Daarvoor had die verfoeilijke Akte van Seclusie gediend: daarvoor had men jaren lang met Frankrijk geheuld en den Koning van Groot-Britannië, die 't natuurlijk euvel moest opnemen, dat men den zoon zijner zuster buiten de ambten zijner voorzaten sloot, herhaaldelijk verbitterd: daarom had men oorlog met Engeland, onzen natuurlijken bondgenoot, gevoerd, en zooveel bloeds en schats onnoodig verspild;--en nu scheen 't wel, dat men liever Frankrijk hier den meester zou zien spelen, dan op het gedane terug te komen en den Prins tot Stadhouder verheffen. En al was de volksmenigte in Amsterdam tot geen uitersten overgeslagen, zooals in andere steden plaats vonden, toch ontbrak het onder de burgerij niet aan de zoodanigen, die maar half tevreden waren met de handelwijze hunner Regenten. Zij hadden, ja, in de benoeming van den Prins tot Kapitein-Generaal toegestemd; maar, naar men de leden der Vroedschap kende, was 't niet moeilijk na te gaan, dat de meesten niet dan schoorvoetende tot dien stap waren overgegaan: er waren, ja, middelen van verdediging aangewend; maar ook daarmede had de Regeering zich juist niet gehaast: en mocht die vertraging al in billijkheid worden toegeschreven aan een lofwaardige zucht om geene onnoodige kosten te maken en vooral om geen honderden morgens uitmuntend land ontijdig prijs te geven aan 't geweld der wateren, en alzoo, tot groote schade der eigenaars, millioenen schats te verspillen, de kwade tongen hadden eene andere uitlegging aan de zaak gegeven en zich niet ontzien te fluisteren, dat de Heeren misschien zoo afkeerig niet zouden geweest zijn van, tot loon voor landverraad, met Fransche titels en Fransch goed begiftigd te worden; ja zulke praatjes hadden zelfs bij sommige bedaarde en verstandige lieden geloof gevonden, toen zij vernamen hoe de hofstede van Schepen A, of de landerijen van Raadslid B en zelfs van Burgemeester C, alle in de nabijheid van Utrecht, Amersfoort of Naarden gelegen, op uitdrukkelijken last van den Franschen Veldheer, van alle oorlogslasten waren verschoond gebleven.--In allen gevalle, de Akte van Seclusie was nog niet vernietigd, en de Prins nog geen Stadhouder: en zoolang dit niet geschied was, wilde de Burgerij, nu meest Oranjegezind, zich niet overtuigd houden van den goeden wil harer Regenten, en sloeg zij gretig en gereedelijk geloof aan alle praatjes, waarbij gemelde of andere Heeren, in Lands- of Stads-bediening, verdacht werden gemaakt van ongeoorloofde handeling met het Fransche Hof. Een klaar bewijs had zij daarvan gegeven, door, op den 26sten Juni, den Veldmaarschalk Prins Joan Maurits van Nassau, zeker een der vroomste en getrouwste verdedigers van het Vaderland, bij zijne doorreis naar Muiden, openlijk aan te randen en voor verrader te schelden.--Eene afkondiging op den 29sten Juni door de Regeering gedaan, dat zij gezind was de stad, haar godsdienst en vrijheid, met goed en bloed tot het uiterste te beschermen, en de fiksche wijze, waarop hare Afgevaardigden ter Vergadering van Holland hadden geprotesteerd tegen elke toetreding tot den schandelijken vrede, dien Frankrijk ons aanbood, hadden wel de gemoederen eenigszins tot kalmte gezet; doch groot was nog 't getal gebleven van hen, die heimelijk morden: en 't was geen tien dagen later gebleken, toen de Burgemeester Andries de Graeff, aan 't Nieuwezijds-Heerenlogement op den Haarlemmerdijk gereed staande om den postwagen in te stappen, die hem naar Den Haag ter dagvaart voeren moest, werd aangetast door 't grauw, dat hem beschuldigde, de stad te gaan verkoopen, en hij niet dan met moeite was ontzet geworden; terwijl op den 3den Juli de Afgevaardigden van Edam, door Amsterdam trekkende, insgelijks door 't gepeupel aangetast, naar den Dam gesleept, en gedwongen waren geweest, hunne lastbrieven te doen zien.
De eerlang (op 4 Juli) gevolgde benoeming van den Prins tot Stadhouder had wel voor een tijd de Gemeente tot bedaren gebracht; doch de overtuiging, dat de Regenten in dezen van den nood eene deugd gemaakt hadden, was oorzaak geweest, dat hun die deugd niet als zoodanig was aangerekend: en aldra had weder een dwaas gerucht, dat de sleutels der poorten, die 's nachts ten huize van den voorzittenden Burgemeester berustten, niet goed bewaard werden, aanleiding gegeven tot de bewering, dat het onverantwoordelijk was, die aan één persoon toe te vertrouwen, dewijl toch de ondervinding geleerd had, hoe vaak een Burgemeester, door 't overleveren van der stede sleutels, zijne Stad en Burgerij den vijand in handen geleverd had. Een oploop, en waaraan deze reis een aantal leden der Schutterij deelnamen, was hiervan het gevolg geweest, waarbij het huis van Burgemeester Van de Poll met plundering was bedreigd geworden, en de Regeering had zich verplicht gezien in dezen aan het verlangen der menigte toe te geven en, overeenkomstig een voorstel, door den Krijgsraad gedaan, de sleutels des nachts voortaan in de Hoofdwacht te doen bewaren in eene kist met twee verschillende sleutels, waarvan de eene bij den Burgemeester, de andere bij een der Hoofd-Officieren berustte.
Willem III had nu, omstreeks half Augustus, de stad met een bezoek vereerd, was hoffelijk ontvangen, had een geschenk van f 30,000, en bij zijn vertrek de hernieuwde verzekering van de zijde der Regeering bekomen, "dat Amsterdam steeds met een genegen hart zijn bezoek erkennen zou en besloten had, alles, ja goed en bloed, op touw te zetten ten dienste van Zijne Hoogheid en tot behoudenis van den Staat."--Nu, zou men zeggen, kon niemand iets meer verlangen. En toch had het gemor, hadden de onrustige bewegingen onder de burgerij niet opgehouden.