Vertellingen van vroeger en later tijd

Chapter 11

Chapter 113,013 wordsPublic domain

De Bruigom is niets van dat alles: hij is eenvoudig een zeeofficier, die, wanneer hij aan wal is, te Alkmaar woont en antwoord geeft op den (alles behalve dichterlijk klinkenden) naam van Allart Janszoon Crombalgh.

Maar--dat mogen wij niet ontkennen--hij is een flinke, kloeke borst, wiens blauwe oogen helder blinken in dat echt mannelijk gelaat, door de zon der keerkringen gebronst; en is Tesselschade dichteres, zangster en geleerde, voor alles is zij vrouw, en 't is als vrouw, dat zij de liefde van haren Allart of Adelaar, gelijk zij hem soms bij letterkeer noemt, gewonnen en hem de hare geschonken heeft.

De liefde--Vondel zal het ons leeren in het bruiloftsdicht, dat hij bij zich heeft--is in de kerk begonnen:

Een wijl hiernae geviel 't, toen deser dochtren geest Kerckpleghtigh besigh was te vieren 't jaerlyx feest Met lofsangh en gebeên, gelijckse 't noô versloffen, Dat d' een van 't kerckgewelf werd in de borst getroffen, enz.

Allart had Tesseltje hooren zingen: eerst hare zuivere tot het hart dringende stem, vervolgens hare bekoorlijkheden, hadden hem verrukt, en wederkeerig had zij bij den eersten aanblik in hem den man gezien, die haar tot gade beschikt was. Weldra was de zaak beklonken en tusschen hen bepaald, dat het huwelijk zou voortgang hebben, zoodra hij zou terug zijn gekeerd van een zeetocht, dien hij nog te ondernemen had.

Vóór zijn vertrek was hij op 't Muiderslot genoodigd, waar zich de gezusters, aan welke Hooft, gelijk gezegd is, tot vader, of, beter, tot broeder verstrekte, zich veelal onthielden. Ook Vondel was er te gast, en het aanstaande vertrek van den verliefden zeeman gaf hem de navolgende regels in de pen, waarbij hij Hooft onder den naam van den zanglustigen veldgod Pan, den vrijer onder dien van Dafnis, diens liefste onder dien van eene Sirene, wier verleidend gezang allen tot zich lokt, en zichzelven als Tityr voorstelde. Het luidde aldus:

De vleiende Sireen, Wiens zang en vedelsnaer Verlockten naar beneên Den fieren Adelaer, [25] Die met zijn wiecken hingh, Daer zangh zijn hart bekneep En hy verslingert vingh Het keeltjen, dat hem greep.

Dees op den oever stondt, Daer Glaukus, [26] heet van Min, Kust en herkust den mont Der blancke stroomgodin, Die in zijn armen glijdt En zijght van liever leê En voegt haer bruytschat by 't Rijck hylixgoet der zee.

Pan zanghziek, op dat pas, Had Dafnis laten noôn, En, om te luystren, was Hier Tityr mede ontboôn. Zij huckte neêr in 't groen Daer van een hoogen wal Het oogh moght ronde doen En weien overal.

Toen sloegh haer keel geluyt; Help Godt, wat zoeter zangh! Zwijgh Tityrs boerefluit. Wat was hier een gedrangh Van ooren, om dit liedt Te vangen in de lucht. Toen tot haar neighde riet, Geboomte en vogelvlught.

Ach Dafnis, zong zy, ach! Wat gaet u, Ridder, aen? Zoo dit uw moeder zagh, Het hair te bergh zou staen. Is 't groen, daer ghy op staet, Dan 't engh en veel te naeuw, Dat ghy 't verwislen gaet Voor 't wilde en woeste blaeuw?

Versin eer ghy begint, En hou uw oude buurt, Denckt wat de zee verslindt, Als zij den afgrond schuurt, En gaept den Hemel toe, En grimt dat alle Goôn Optrecken, zorgens moê, Hun aangevochten troon.

Wat is hy overstout, Die leven, lijf en ziel Den lichten wint betrout Op 't drijven van een kiel. En stuyft ter weerelt uyt, Daer loot geen gronden peilt, Daer 't schip aen starren stuyt En door de klippen zeilt.

Noch hiel ick u te goe, Indien uw trotse moedt Niet reede een oorloogh toe, O gruwel! op den vloedt, Op grondeloosen plas Te vechten, lijf aen lijf: Die bodem is van glas, O Reuzen, treet niet stijf.

Te lande is vlughtens troost, De wanhoop drijft in 't schuym, Och! of ghy 't land verkoost. Ghy schudt helmet en pluym, En slaet mijn beden af, Wel aen ick neem geduldt, Ghy kiest dan 't levent graf En ick blijf zonder schuldt.

Ten minste denck aen my, Wanneer ghy, als Jupijn, Zult op uw vyants zy Met blixems woênde zijn En Hollants zeebanier Met hoop van zege voên En braken vlam en vier In 's Konings galioen.

Dan denck eens, hoe 't mij kruyst, Als ghy den Spanjaart tart, Met 't slaghswaert in de vuyst, En duy 't zorgvuldigh hart Van uw Sireen dien raedt Altijt ten beste na: Mits ick uw schipbreuk haet, Niet naar uw leven sta [27].

In de afwachting van den dag, waarop de vertrokken zeeman zou terugkomen, waren de zusters haars vaders huis blijven bewonen. Wij leeren dit o. a. uit het slot van een gedicht tot lof der zeevaart, 't welk Vondel omtrent dien tijd zijn vriend Reael had toegezongen.

Wy naecken Schreyers hoek, daar lieffelijck en bly Een waterlandsche Rey, de juffertjens van 't Y, Met ongehuyfde pruyck en kletten [28] geestigh singen, En nae den toon van sangh en spel hun treden dwingen. Twee Diertjens [29] in dien hoop aenminnigh groeten ons, D' een volght met soet musyck des anders violons. En hebben toegewijt haer kuysheyd Phoebus suster. Laet vallen 't ancker, stryck, hier is de vloed geruster. Hier gaet noch eb noch ty, hier hoort men geen geruys. Hier open ick mijn reis in 't saligh Roemers huys.... enz.

Na behouden reis en terugkeer der Bruid,

toen de faem op Schreyers toren sat En bruyloft bruyloft blies, en noodighde al de stad Op 't schaterend bancket, beluyt wet soete rijmen, Van 't Noorden Krombalck quam, verzelschapt met God Hymen.

Wij keeren, na deze uitweiding, tot onze beschouwing terug. Tesselschade stelt--als wij gezien hebben--haren Bruigom voor aan Huyghens, die hem nog niet heeft aangetroffen, en hem in heusche bewoordingen gelukwenscht. De zeeman beantwoordt met beleefdheid den handdruk en den groet des hovelings; maar toch vertoont zich in zijn wedergroet niet die ongedwongenheid, die hem anders zoo eigen is: 't is of hij zich tegenover Huyghens minder dan tegenover elk ander op zijn gemak gevoelt. En geen wonder: hij weet, hoe hoogen prijs zijn liefste op het verkeer met Huyghens stelt: hij weet, welke innige gemeenzaamheid tusschen hen beiden bestaat, en, al heeft hij de overtuiging, dat het gevoel van Tesselschade voor den jongen hoveling niet dan zuivere, zusterlijke vriendschap is, en niets te kort doet aan hare liefde voor hem, Crombalgh, geen Bruigom bestaat er, die zich bijzonder voelt aangetrokken tot den man, die reeds vóór hem met zijne Bruid op een gemeenzamen voet verkeerde, die beweren kan ouder brieven te hebben dan hij, en die haar zijn "kameraadje" noemt--al is 't dan maar om 't rijm.

Maar Huyghens let niet op die koelheid van Allart. Hij heeft het oog gewend naar de blonde, met lauweren gekapte speelnoot der Bruid, de bevallige Machteld Van Kampen, die op dit oogenblik tot hem genaderd is en hem op een zilveren schenkblad de bruidstranen aanbiedt--en zie! een hooge blos kleurt zijn gelaat, terwijl hij een der ingeschonken roemers tot zich neemt. Maar zijne tegenwoordigheid van geest verlaat hem niet. "Schoone juffer," zegt hij, met eene hoffelijke buiging, "geboden mij plicht en genegenheid niet, dezen roemer aan Bruid en Bruigom te brengen, ik had hem reeds ter eere eener zoo bevallige Hébé geledigd."--En nu is het de beurt der juffer te blozen en zich met eenige verlegenheid terug te trekken: verlegenheid, ja; want er bevindt zich onder de aanwezigen een jongeling, die haar met de oogen volgt, en wiens hart reeds in bitterheid ontstoken is tegen den Hagenaar, in wien hij een medeminnaar ziet.

En nu, nu zou ik gaarne met u, waarde lezer! aan het Roemershuis verblijven om er de feestvermakelijkheden bij te wonen en mede aan te zitten aan het overvloedige banket en te luisteren naar de gesprekken der opgewekte dischgenooten, naar de muziek, achter tafel uitgevoerd, naar de liedjes, door de speelnoots gezongen, naar de bruiloftsdichten, door dichters en rijmers voorgedragen. Maar ik vrees, dat die gesprekken, hoezeer dan ook tusschen de uitstekendste vernuften gevoerd, veel van hun zout en aardigheid zouden missen voor u, die niet zijt ingewijd in de nieuwtjes van den dag, in al de bijzondere betrekkingen en omstandigheden van de sprekers, of zelfs in de taal van die eeuw. Ook om de geestige scherts kan alleen hij lachen, die haar verstaat, en ik vrees, dat het snarenspel, al streelt het de ooren der gasten als hemelval, in de uwe, die aan meer ingewikkelde muziek gewend zijt, te schraal zou klinken, ja dat zelfs de beurtzang van Francisca Duarte en Machteld Van Kampen u te eenvoudig zou voorkomen: maar vooral vrees ik, dat gij in slaap zoudt vallen bij de verzen, die men voor zal dragen; 't moge der moeite waard zijn, Vondel te hooren: zijn feestdicht, hoe vol fraaie brokken en vernuftigen zwier, zou u te lang en te mythologisch voorkomen. Bovendien, wij zijn wandelaars en moeten weer verder voort: wij zullen dus het gezelschap vaarwel zeggen, terwijl ik u alleen, bij wijze van toegift, nog vertellen wil, wat het gevolg was van den indruk door de verschijning van de gelauwerde Machteld op Huyghens gemaakt. Hoezeer hij door hare bevalligheid, haar geestig onderhoud, haar zang en snarenspel getroffen werd, getuigt de brief, dien hij, kort na zijne terugkomst te 's-Gravenhage, aan Tesselschade schreef:

Aen joffrouw Tesselschade Visschers. Nieuw-getrouwde.

Teere leerlingh van de Trouw, Onlancks Maeghd, onlancks vrouw, [30] Tesselschade, die uw gade Hebt gevonden, niet te spade, Hebt verbonden, niet te vroegh, Van de wonden die hy droegh; Heeft u noch in 't nieuwe leven d' Oude vriendschap niet begeven, Huyst gy noch in uw gedacht Die die huysingh, als gepacht, In uw vriend'lickheit besaten, Doe ghy, eenigh by de straten, Eenigh t' huys, en om uw bedd Met de eenigheit besett, Spotte met des jongens toortsen [31] Die u doch met sijner koortsen Onafbiddelijcken brand t' Uwer beurten heeft vermant? Zijt ghy noch bedenckens machtigh, Hoe de Herten, heet en jachtig, Na de beeck te koelen gaen, Die de min ten doele staan? Leent my dry der toover-woorden, Die soo menigh oor bekoorden, Dry aen 't schoone Lauren-Hooft [32] Dat het mijne van my rooft...

Seght haar, Wie? Oh! vraeght niet verder, Seght haer hoe een Haeghse Herder.... Onbewogen voor de vonk Van soo menig' minne-lonck.... Endelick de fiere schichten Van haer' ongemeene lichten Heeft onmogelick gesien d' Overwonnen borst te bien....

Na vervolgens aan Tesselschade al de dwaasheden te hebben geschetst, tot welke de liefde hem vervoerd had, roept hij hare hulp in; zij toch heeft hem met Machteld in kennis gebracht; zij is er de schuld van, dat hij verliefd is geworden en moet hem dus tot "soete voorspraak" zijn, en zoo de juffer weten wil, wie het is, die naar hare hand vraagt, tot haar zeggen: dat het iemand is, den meer bezadigden leeftijd genaderd;--terwijl hij haar verder dit afbeeldsel van zichzelven in den mond geeft:

't Welgevall van schoone leden Schreef hem niemand toe met reden: Aen het bruynen van sijn huyt Kijkt de Haeghse Herder uyt;

Maer hy dunckt sich selfs te blosen Als de morgenstondsche roosen, Zedert hy den wederslagh Van haer oogh in 't sijne sagh. Soo verlicht der Sonnen-luyster Aller wegen alle duyster, Soo is heel den Hemel schoon Om het bij-zijn van de Goôn.

Overwicht van gulde schijven Die 't ter wereld al bedrijven, Meer als noodelycke Munt Heeft sijn ster hem niet vergunt; Weinigh maeyen, weinigh ploegen, Klein besitt in groot genoegen, En dat middelmaetigh veel, Zijn gevallen tot sijn deel. Maar sijn nieuwe Min-gedachten, Heele dagen, halve nachten, Zijn sijn schatten in 't gemoed, Daer hy ryck af heeten moet.

Voorraet van gegeten letteren Om geleerde t' overschett'ren, Schuylt er weinigh in sijn hoofd, Waer het evenwel geklooft. 't Waer vol letteren te vinden, Letteren, die harten binden, Maer met hope van gena, Soete lettren M. V. K.

Sterre-stocken aen te stellen Om de fackelen te tellen, Om de keerssen ga te slaen, Die het Hemel-holl begaen Zijn gesifte wetenschappen Die sijn herssenen ontsnappen, En de geesten van sijn oogh Weygeren haer vier soo hoogh; Maer twee helderer Planeten Zijn de doelen van sijn weten En de sterren die hij schiet Hooger hemel kent hij niet.

Stemme-streelingh, snaren-krabb'ling, Is een konstelicke brabb'lingh, Die sijn handen en sijn keel Niet en kennen als ten deel, Maer, al stinckt het eigen roemen, Laura [33] kan sijn keel niet noemen. Of sy staet er af en trilt Als een Eicken rijs in 't wild; Snaeren kan sijn hand niet raecken, Die wat Laura's-achtig kraecken, Of sijn vingers gaender af, Als een viervoet naer een draf. Daer dan hand en keel vergaeren, Laura zeggen al de snaeren, Laura kort en Laura langh Zijn de Noten van sijn sangh.

Verr en versch geraepte Rijmen, Regeldicht aen een te lijmen, Hooger sweven als 't geberght Is sijn pen te veel geverght; Kruypen kan hy, gaan en springen En gelijcks der aerde singen; 't Water dat de Rijmers maeckt, Heeft sijn lippen noyt genaeckt. Maer de wel gevoeghde giften, Die den Hemel door de siften En het keurlijck onderscheid Van een' milde gierigheid Over haer beminde kuyven Nederwaarts heeft laten stuyven, Kittelen sijn aandacht nauw; 't Vliegen wordt hem wel soo gaeuw Als de best-gewieckte vliegers (Dat 's Poëtelickste liegers) En sijn afgevlogen dicht Rijst hem selven uyt 't gesicht.

Seght haer dan, hy heeft den segen Van de schoonheit niet gekregen, Noch de geestelicke gonst Van gesogen Letter-konst. Sterren kan hij niet beroemen Van de seven een te noemen Op de Noten is hy schorr, Op de Snaren vinger-dorr; Rijmens is hy onervaeren Als de Ploeger in de baeren, Als de Zeeman in de Terw, Als de blinden in de verw. Evenwel 't bevalligh wesen 't Rijck, het ruym-gelettert wesen, 't Spelen dat by geen en lijckt, 't Singen dat maer 't uwe wijckt, 't Rijmen dat hy self kan achten Houdt hij all' van uwe krachten, Kont ghy 't schepsel van uw' sin Min vereeren als uw Min?-- Schijnt sy na de min te hooren Vatse vaster bij die ooren, Seght haer dan als Alard sei', Doe sijn krachtiger gevlei Perste door de koele korsten Van uw overvrosen borsten En uw Ys-lijck' ongena Dede doijen in een Ja.

Dese sijn de scherpste pijlen Die wy samen konnen vijlen; Soo haer dan de tegenstand Van een herder Hert vermant: Tesselscha, hoe sal ick 't herden? Ghy, vergeefsche Tolck te werden, En, oh armen, ick! en ick, Proye van mijn eigen strick. Sullen niet mijn eigen schachten Met de woeckerloon van krachten Keeren op het brosse bloot Van de schutter diese schoot? Oh! ick spel het langh te voren, Lieve Tolck! ick sal 't besmooren, 'k Heb geen' Lauwer op de muts Tegen sulcken blixem-bluts. Wil 's haer dan in bloed vermaecken? Ja sy;--'k sie de dood genaecken. Neen sy; 't is geen Maeghden-deughd; Ja sy; 't is onnoosel' vreughd; Neen sy; 't Mocht haer namaels rouwen; Ja sy; Droefheit kan verkouwen: Neen sy; 'k heb het niet verdient; Ja sy; om een liever' vriend.

Oey! daer waggelt mijn vermoeyen; Tesselscha, om tijd te spoeyen; Korte moeyt voor langh bediet, Vraeght haer of sy wil of niet.

Tesselschade mag zich met dezen brief vermaakt hebben, zij vond waarschijnlijk zich in de wittebroodsweken minder opgewekt, dien te beantwoorden, en wellicht begreep zij, dat haar Allart die briefwisseling met een jongen vrijer, al vrijdde die ook naar eene andere, minder noodig achten zou. Had zij geen geheimen voor haren man, zij had die evenmin voor Hooft: zij liet hem den brief lezen en droeg hem de taak op, dien uit haren naam te beantwoorden. Dat antwoord begon aldus:

Koelte van Antwoordt Op Vuur en Vlam van den Heer Constantyn Huigens, [34]

vorderende van Joffrouw Tesselscha Visschers, nieuwgehouwde met den Heer Alaard van Krombalgh2, voorspraek bij Joffrouw Machtelt van Kapnem [35].

Nuchtre montje, minnevastert [36] Hoe komt u vrouw Venus bastert [37] Dus geloopen in het hooft Dat u teffens zijn ontrooft Loddertong en troeteltaalen, En ghy willigs in moet haalen Om voor u te houden 't woordt.

Woorden krachtig om bezweeren, Quaadt van buitene te leeren, Zijn noit opgezocht door my Uit Armidaas boekery Noit en heb ik neus gesteken In de snoo bibliotheken Van Médé of Circe. Trek Om van vlees te maken spek [38] Had ik noit. En zoo mijn gorgel, Dien ghy prijst als waer 't een orgel, Iet kolachtigs heeft geseit, 't Moest mij wesen aangeweidt [39]

Vastaartje, beleefde baasje, Wil je nu juist op een aasje Weegen, wat ik my mishad, Toen ik u te bruiloft had Aan des Ys en Aamstels zoomen? Zeg me, wie zoud' darren [40] droomen, Wie zoud' darren denken, dat Oogenvlam zoud' konnen vat Op uw schootvrij borstjen vinden?

Hebben niet als duistre kleuren Mogen uwen huit gebeuren, Neemt daer inne geen verdriet Koop en zal dat breeken niet. Vaaken zagh ik 't meisjen tasten Naa de karssen bruinst van basten. 't Heeft zoo wel verstandt daar of Als de grootsten van het hof.

Heb je niet te veel van duiten, Dat doet meenigh huwlijk stuiten. Maat in geldtkas luidt zoo wel Niet, als maat in zangkappel.

Wil je jaagen zulk een wiltje, Laat haar, door uw gulden briltje, Niet kleen zandt of ander gruis Of de schoonheit van een muis, Maar tot onder in den rijken Welgespekten geldkist kijken: 'k Wed u, dat dukaat en kroon Straalen als mijn bruiloftstroon.

Laat van geene zeedigheiden U altoos zoo ver verleiden, Dat ghy minder zegt als 't is Dat waar 't heele doelhuis mis.

Maar wie plagh dus voor te stuiven Als ik doe: die zoek te schuiven Van my huwlijkmaakers last En ik hylikmaak al vast.... Venus kint, de looze stooker Betren pijl in uwen kooker Vinden kan, dan ik u zen Al en waar het maar uw pen, Vleidt ghy my om Alaards vleyen [41] 't Meeste zeid' hy als hy zweegh. 't Vuur en moet hem zeer niet bijten, Die zoo luide brand kan krijten? [42] Door een keel, daar hette in haart [43] Wil geen stemme bovenwaart, Dacht ik, in 't gelaat van dezen Kunnen enkele oogen leezen Wat in 't hart geschreven staet.