Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 10
Bont en gemengd is doorgaans toch het gezelschap, wanneer, gelijk ten deze het geval is, Bruid en Bruidegom in verschillende plaatsen te huis behooren, en zonder dat de wederzijdsche familiën met elkander in betrekking staan. Maar bont vooral en gemengd zou in elk geval het gezelschap op het feest van eene der dochters van Roemer geweest zijn, ten gevolge van de uiteenloopende soort harer kennissen. Het huis van Roemer toch was vanouds eene soort van vrij territoir, waar ieder, welke ook zijne politieke of godsdienstige denkwijze was, welkom werd geheeten, en alleen zij uitgesloten, die zichzelven en anderen tot last en verveling waren. Roemer Visscher toch en de zijnen waren aan de leer hunner vaderen getrouw gebleven, maar daarom had hij zich niet, na den omkeer van zaken, zooals velen onder zijne geloofsgenooten, teruggetrokken uit den omgang met hen, die anders dachten als hij. Hij was een veel te groot minnaar van de fraaie letteren zoowel als van het beoefenen en opbouwen der moedertaal, en bovendien van te gezelligen aard, om, waar het lieden betrof, wier wetenschappelijke richting met de zijne overeenstemde, of wier tegenwoordigheid zout en leven aan het onderhoud gaf, die, in één woord, gereed waren met hem (om de taal zijner eeuw te spreken) offers aan Apollo en de Muzen te brengen, af te vragen of zij tot de Oude Geuzen of tot de Pausgezinden behoorden. Daarom ontbraken thans ook genen zoomin als dezen, nu het er op aan kwam, de bruidstranen zijner geliefde dochter te komen--drogen, had ik haast gezegd; ik meen--opdrinken. Zie maar dien krassen zes-en-zeventiger, met zijn doordringenden blik, zijn scherpgeteekenden neus en kortaf gebiedenden toon, die daar in gindschen hoek een roemer hippocras aanneemt, hem door een bekoorlijk blond maagdelijn aangeboden: dat is de eerste openlijke verdediger van het stelsel, waarvan het uitvoeren hem voor vijf jaren zijne plaats in de vroedschap en aan 's Lands Advocaat het hoofd gekost heeft--Cornelis Pieterszoon Hooft, oud-geus, rederijker, maar vooral Amsterdammer in zijn hart: en de man met wien hij zich onderhoudt is--zijn gewaad, hoe deftig, ja stemmig, zou 't ons niet verraden--een Roomsch-Katholiek Priester;--maar die Priester is Jan Albert Ban, tevens rechtsgeleerde, en bovendien--wat hem hier zoo welkom wezen doet--wijdberoemd musicus; een man, die, als Vondel van hem zingt,
In 't barnen van den twist En stryt van ongelijcke klancken Ons hooren laet den lieven pais Der Engelen in Godts pallais.
Een ander Roomschgezinde, de Haagsche Advocaat Gysbert Corneliszoon Plemp, staat wat verder, in levendig gesprek gewikkeld met de schoone en lieftallige kasteleines van Muiden, Christina Van Erp: en zij herinnert hem, hoe hij ook hare bruiloft met den Drossaard bijgewoond en met een gedicht heeft opgeluisterd: jammer maar, denkt zij er bij, dat het in 't Latijn was. Ook de Drossaard zelf bevindt zich in de nabijheid en ook hij drukt de hand aan een Katholiek, den Advocaat Vechters, zoo beroemd als taalvorscher en om zijne rijke boekverzameling. In dien anderen hoek wedijvert Dr. Samuel Coster, de reeds bedaagde Academist, met den jongen en vroolijken Daniël Mostert--die in 't vorige jaar tot Secretaris der stad is aangesteld, en wiens kittelend vernuft aan den naam beantwoordt dien hij draagt--wie 't meest de Juffers, die om hem staan, door kwinkslagen en kluchtige gezegden een lachje afpersen, ja nu en dan een blos op de wangen zal jagen.
Zeer verschillend, wat maatschappelijken toestand, rang en betrekking aangaat, zijn de twee personen, die daar in een levendig gesprek gewikkeld zijn: de een, met dat geestig en levendig oog, met die innemende gelaatstrekken en dien zwier in houding en gebaren, die den man der meest verfijnde beschaving kenmerkt, heeft op veertigjarigen leeftijd reeds eene schitterende loopbaan gehad, en reeds Oost-Indië als Gouverneur-Generaal bestuurd; de andere, iets jonger dan hij, met een thans eenigszins bleek en ziekelijk voorkomen, dat zijne fonkelende adelaarsoogen des te meer doet uitkomen, is eenvoudig een welgesteld winkelier in de Warmoesstraat;--maar toch zijn Laurens Reael en Joost Van den Vondel vrienden; ja broeders, vereenigd door gelijkheid van smaak en gemeenschappelijken taal- en letterarbeid. Hun beider reeds bejaarde vriend, de koopman en kunstmeceen Laurens Baeck, voegt zich bij hen: hij heeft zijne hofstede Schey-Beeck in de Beverwijk verlaten, om met zijne bekwame zoons Justus en Jacob en zijne bevallige dochters Katharina en Debora het trouwfeest der pupil van hun vriend Hooft te komen bijwonen.
Nevens Jacob Baeck bemerkt gij diens boezemvriend, den drie-en-twintigjarigen Willem Van den Vondel, met wien hij redeneert over een voornemen, dat zij hebben opgevat, om te zamen het klassieke land der kunst, het schoone Italië te gaan bezoeken. Met zeldzame gaven des verstands en des harten toegerust, is Willem Van den Vondel steeds de lust en de vreugd geweest, eerst van zijns vaders huis en later van allen, die hem kenden, maar vooral is hij de lieveling van zijn ouderen broeder, die, zij het ook al te nederig, aan al wie 't hooren wil verklaart, "dat Willem hem verre overtreft." De zooveel belovende jongeling zal die reize naar 't verre Schiereiland doen; maar helaas! om nimmer in zijn vaderland terug te keeren.
Doch wie is die andere jongeling, slechts weinig ouder dan pas genoemden en die, meer dan zij, ja, meer dan vele mannen van jaren en gezag, hier de aandacht der aanwezigen en niet het minst die der jufferschap tot zich trekt? Zijne rijke en hoofsche kleedij is naar den allerlaatsten smaak, doch wordt met zooveel gemak gedragen, dat men terstond den man herkent, die zich zwierig kleedt, omdat zijn stand het medebrengt en niet, omdat hem zijn snijder aldus heeft opgeschikt. Zijn bruin gelaat kan wel niet schoon genoemd worden, doch het tintelt van geest en leven: en in stem, in spraak, in manieren spreidt hij dat bevallige, dat innemende, dat echt hoffelijke ten toon, 't welk noch goud, noch hooge betrekkingen, noch al de moeite, die men aanwendt, kunnen verschaffen aan hem, wien het van natuur niet eigen is. Zie! daar spreekt hij met de juffers over Fransche modes, over menuetten, pavanes en sarabandes, terwijl Debora Baeck aan eene van hare kaartjes [13] ronduit verklaart, nooit een danser te hebben gehad, die netter passen maakte en beter in de maat bleef; of wel, hij redeneert over muziek, en meester Dirk Swelinck, de wijdberoemde organist, vertelt overluid, dat hij zelden bij een liefhebber meer kennis van het vak bij meer voortreffelijkheid van uitvoering gevonden heeft. Maar daar komt 's Legers Opperwachtmeester Wijts, een der helden uit den vrijheidsoorlog en der bekwaamste krijgskundigen uit zijn tijd, onzen jongeling in 't gemoet, drukt hem de hand en doet hem een paar vragen aangaande 't beleg van Bergen-op-Zoom: en de ander antwoordt daarop, zonder zich te bedenken, met een zaakkennis, die, aan wie hem niet kennen, al licht zou doen gelooven, dat hij een krijgsman is van beroep. Intusschen acht de grijze Burgemeester De Vlaming van Oudshoorn het de moeite wel waard, van de gelegenheid gebruik te maken, die zich voordoet, om een woordje over staatkunde te wisselen. Hij treedt naar onzen jonkman toe, en, hem met meer eerbiedigheid aansprekende dan men in iemand van zijn stand en achtbaarheid tegenover een jongen spring-in-'t-veld verwachten zou, veroorlooft hij zich een paar "bescheiden vragen" aangaande het vermoedelijk doel der zending, die de Heer Gramaye vanwege Keizer Ferdinand bij de Heeren Staten volbrengen komt. Op zedigen toon, maar zonder aarzeling, geeft de jongeling de verlangde inlichtingen, ja treedt daarbij in bijzonderheden, die genoeg bewijzen, dat hij aan een goed geheugen een helder doorzicht paart en den sluier weet op te lichten, waaronder de diplomatie haar geheimen zoekt te verbergen;--nauwelijks heeft hij aan de weetgierigheid van den Burgemeester voldaan of Plemp klampt hem aan boord, om over een paar onlangs verschenen emendaties op Virgilius te spreken en Pieter Corneliszoon Hooft, zijn slag waarnemende, duwt hem een dichtgevouwen papier in de hand en bijt hem in 't oor: "ziehier het sonnet, waar ik u over gesproken heb. Wees zoo goed het eens in te zien en te betuttelen [14] waar 't noodig zijn mocht."
De jongeling, die evengoed in de dans-, muziek-, krijgs- en staatkunst te huis is als in de oude en nieuwe letteren, die in vlugheid van vernuft, schranderheid van oordeel, blijmoedigheid van geest en voortreffelijkheid van inborst voor geen der hier aanwezigen onderdoet, en die eenmaal als geheimschrijver van drie vorsten uit het huis van Oranje en niet minder als kernachtig dichter zich een beroemden naam zal weten te verschaffen, is de Hagenaar Constantijn Huyghens.
Was het wonder, dat hij de hofstad verlaten had om het bruiloftsfeest van Tesselschade te komen vieren? Reeds voor een jaar of vijf had hij de kennis met Roemers dochter op 't Huis te Muiden gemaakt en tusschen hen was eene vriendschap ontstaan, gelijk men zelden tusschen lieden van verschillende kunne aantreft, en die hun geheele leven duren zou. Hiervan getuigde o. a. het gedichtje, dat hij aan de gezusters geschreven had, in dank voor suikerpeen.
Gesonde peen, Ik vatt' de reên Van uw geschenck: 't Is met een wenck Smaecklijk bewezen; De wortel soet, De vrucht moet goet En heilsaem wezen. Op eer en deughd Stond d' eerste vreughd Van ons vergaeren: Al wat der jaeren Knoop en gespann Tot noch daer van Heeft uytgegeven En bij ons leven Uytgeven moet, Sal goed en soet En heylsaem wesen. Vriend'lick paar Weesen, Dit is 't beduyd Van mijn besluyt Uyt uwe gaven: Daer ick begraven En ghy tot stoff Sult wederkeeren, Sal deze lof Ons graf vereeren,
Hier light C. H. En Tesselscha En Anna, d' eerste. Die elck om 't seerste Met schrift en praet, Met wensch en daed, Haer vriendschap sloten: Vriendschap gesproten Uit grond en reên Als suycker-peen.
Reeds vroeger, bij den dood van haren vader, had hij aan het "vriendelijk paar Weesen" een aandoenlijken troostbrief in verzen geschreven, haar bemoedigende met het denkbeeld, dat Hooft haar voortaan tot een voogd en tweeden vader verstrekken zou: en nu een jaar geleden schreef hij uit Londen, waar hij zich bevond als Gezantschaps-Secretaris, een anderen berijmden brief aan 't waardige drietal, zijn vurig verlangen uitdrukkende om hen terug te zien.
Hoe weinig het echter gefaald had, of hij zou door het slechte weer verhinderd zijn geweest de reis naar Amsterdam te ondernemen, blijkt uit de volgende dichtregelen, die Tesselschade weinige dagen geleden van hem ontvangen had:
Tesselschade, Die uw gade Niet te spade, Niet te vroegh Hebt gevonden En verbonden Van de wonden, Die hij droegh,
Wees te vreden Met de reden, Die my heden Seggen doet: Bruiloftslusten, Laet my rusten, Daar ick rust en Rusten moet.
Stuersche buyen, Die zich ruyen Tegen 't Zuyen, Tegen 't West, Hoor ik schreeuwen Door het sneeuwen: Zomer-spreeuwen Houdt uw nest.
........... Had de Son en Lucht begonnen Weer te gonnen 't Soet gelach Van de haegen En te traegen 't Wintrigh jaeghen Van den dagh,
'k Waer geschapen Vreughd te rapen Van 't begaepen Van uw feest, En het proncken Van uw loncken Tot ontfoncken Van mijn geest.
Maar 't benijden Deser tijden Moet ik lijden Met geduld; 't Zijn geen treken Om te wreken Woord te breken Sonder schuld.
Oh! hoe vliegh ik, Hoe bedriegh ick, Hoe beliegh ick, Mijn gemoed! 'k Wil der wesen, Alle vreesen Sijn geresen Uyt mijn bloed.
Swackheit, lijden, Winter-tijden, Die ick mijdden, Staet van kant. Wech vervaren Voor het baeren [15] Van de baeren: 'k Wil van land.
Gae ick? Stae ick, [16] Neen ick? Ja ick: Emmers gae ik; Neen ick, noch. [17] Ja ick, meen ick. Weer versteen ick. [18] Gae ick? neen ick. Ja ick, toch.
't Bleef dus ja, en het werd nog nader door een tweede brief bevestigd:
Winter-dagen, Die de slagen Van de vlagen En de macht Van de winden Schijnt te binden, Daar men in den Haeg op wacht.
Sendt het raesen Van dit blaesen Over Maes en Over Schelt: Laat de Veeren Van de Meeren [19] t' Mijner eeren Ongequelt.
Laat de schueren Onser Bueren Wat besueren Van uw kouw, Laat se lipp' en Tanden klippen Met de slippen In de schouw. [20]
Onderwijlen Sal ick ijlen Als de pijlen Na den Doel, [21] Afgezonden Na de gronden Van den Ponden- rijcken poel. [22]
Zijn uw' ooren [23] Niet te hooren Tot verhooren Van mijn bee? Soud' ick sollen Tegen 't rollen, Tegen 't grollen Van de zee.
'k Sal uw baeren Eer ontvaeren, Danck het Sparen En het pad, Dat den wagen En de slagen Kan verdragen Van het rad. [24]
Maar, nu wij de gasten, immers de voornaamste onder hen, in oogenschouw hebben genomen, wordt het tijd een blik te slaan op haar, die eigenlijk in de eerste plaats onze belangstelling, althans onzen groet verdiend had, op haar, die den last der bezorging van het feest op zich genomen heeft, en ons tot harent ontvangt, op Anna Roemers.
Tien jaren ouder dan Tesselschade en dus reeds in haar veertigste jaar getreden, is Anna nog immer in de volle pracht eener schoonheid, die van geen verwelken schijnt te weten, nog immer
De roem van haren tijd, waar Roemer op mocht roemen.
Vreemd moge het schijnen, dat eene zoo bevallige, zoo rijk begaafde vrouw tot heden ongehuwd gebleven is; maar, zoo zij nog geen plichten als echtgenoote te volbrengen heeft, het is alleen daaraan toe te schrijven, dat tot heden andere plichten op haar rustten: eerst de verpleging van haren vader en het bestier over diens huis: later, na zijn dood, de gehechtheid aan hare jongste zuster, bij wie zij eenmaal de rol eener moeder vervuld had en ook nu nog bleef vervullen, al was het kind voorlang opgegroeid tot maagd en nu reeds haar derde kruis nabij. Maar thans staat die zuster op het punt het ouderlijke huis voorgoed te verlaten en zich met haren gemaal elders neder te zetten: en thans heeft ook Anna begonnen te gevoelen, dat het niet goed is voor den mensch, alleen te zijn. Reeds is haar hart, weldra wordt ook hare hand weggeschonken aan den zoon uit een aanzienlijk Dordtsch geslacht, doch zelf in 't Noorden van West-Friesland gevestigd; aan Dominicus Booth Van Wesel, wiens kennis zij te Alkmaar gemaakt had, toen zij aldaar met hare zuster het gezin van diens verloofde bezoeken ging, en zij zal hem volgen om hem gelukkig te maken en, door geheel Nederland bij voortduring vereerd, nog als zestigjarige vrouw om hare zeldzame gaven en bevallig voorkomen en minzaamheid, den geleerden Puteanus te Leuven en diens gezin in verrukking te brengen en door hem als eene tiende Muze te worden afgeschilderd.
Maar hoor!--een gedruisch ontstaat daar buiten: een geluid van vedels en fluiten klinkt van uit een zijvertrek, waar de muzikanten vereenigd zijn: al de gasten geraken in beweging, zien naar de deur en scharen zich rechts en links om den vrijen doortocht te laten aan het jeugdige paar, dat, vergezeld van zijne getuigen, teruggekeerd is van 't Stadhuis en nu onder oorverdoovend gejuich der op straat verzamelde menigte,--een gejuich van uit de opperzaal straks beantwoord--de woning, en weldra ook de zaal is binnengetreden.
"Ruim baan! ruim baan! Plaats voor de Bruid!" klinkt het van allerwegen: en Tesselschade begeeft zich naar den voor haar bereiden troon; maar haar oog zoekt en ziet onder die schare hare zuster Anna alleen, en de beide zusters vallen in elkanders armen, terwijl warme tranen uit beider oogen elkanders gelaat bevochtigen. Eene eerbiedige stilte vervangt het gedruisch en met aandoening staren de omstanders op de zoo innig verknochte--nu welhaast voor lang gescheiden--zusters. Nu vermant zich echter de Bruid en, na nog een hartelijken kus aan hare beminde Anna, laat zij zich door haren Bruigom verder leiden en neemt plaats op den voor haar bestemden zetel. En wel verdient die thans zijn naam van "troon;" want geen koningin kon dien waardiger bekleeden dan zij van wie wij 't nauwelijks durven beproeven, eene beschrijving te geven.
Een hoog opstaand kanten mutsje, boven hetwelk een gouden kroontje, met paarlen omzet, zich verheft, omvat het hoog gekapte "goutdradich hayr" van Tesselschade: haar hals is door een drie dubbel geplooiden, breed uitstaanden kraag van kostbaar kant omvat; een blauw satijnen kleed met bonten rand omsluit hare rijke gestalte en laat, van voren open, een borstlap zien, die schittert van gesteenten en een onderkleed van gele zijde, op 't rijkst met bloemen gestikt, waarop, van den gordel af, een gouden snoer nederhangt, van afstand tot afstand met paarlen geschakeld en aan welks einde een reukbal vastzit, van gouddraad gevlochten en met vonkelende robijnen, turkooizen en andere puik-juweelen bezet. Maar hoe fraai dit alles zij, het kan de schoonheid alleen opluisteren, niet verhoogen, van haar, die wij als Bruid begroeten. Bevallig, rank en toch krachtvol is hare gestalte: en de gezondheidsblos op het lelieblank gelaat getuigt, dat wij hier niet te doen hebben met eene dier loome, smachtende, verwende juffers, die den halven morgen in 't bed verslapen, een groot gedeelte van den dag aan de kaptafel doorbrengen, en zoowel den zonnegloed als het minste tochtje vreezen: en evenmin met eene dier savantes, die, aan studeervertrek of salon gekluisterd, de kamerkleur verkrijgen als een onmisbaar gevolg van een zittend leven; maar wel met eene zoodanige, die noch lucht noch zonnestralen schuwt en zelfs voor geen lichaamsoefeningen terugdeinst. En inderdaad, niet alleen is Roemers jongste dochter ervaren in muziek en schilderkunst, niet alleen weet zij op 't glas te snijden, in was te boetseeren en met de borduurnaald te tooveren, niet alleen weet zij Tasso's "Verlost Jeruzalem" in Nederduitsche verzen te vertalen, maar ook heeft zij, toen nog haar vader in "de Kreeft" over den Stads Singel woonde, waar in den tuin een groote en diepe vijver was, met hare zusters het zwemmen geleerd. Wakkerheid en levenslust stralen dan ook af van haar gelaat en schitteren ons tegen uit die groote bruine oogen, die spiegels der reinste en edelste ziel: parelwitte tanden glinsteren tusschen het koraal van fijngevormde lippen: het breede voorhoofd duidt een kloek en veel omvattend verstand--de kleine, recht nedervallende Grieksche neus vastheid van karakter aan: de fraaie handen, aan de polsen met een zesdubbel parelsnoer omgeven, zijn blank en zacht als fluweel: maar zoo 't u gebeuren mag, ze te drukken, zult gij voelen, dat in die poezele vingers kracht verborgen is en dat de vereelte toppen gewoon zijn, vedelsnaar en graveerstift te hanteeren.
Ter rechter-en linkerzijde van de Bruid, op lagere zetels, doch mede op den "troon" wordt de plaats van de Bruid, die anders aan de wederzijdsche moeders zou toekomen, bij ontstentenis van dezen, rechts bekleed door 's Bruigoms zuster, links door de tweede van Roemers dochters, Truitje, sedert eenige jaren de gade van Nikolaas Van Buyl. Misschien is het aan dat huwelijk te wijten--waardoor zij vroeg reeds haars vaders huis verliet, en, aan huiszorg gebonden, minder dan hare zusters den omgang bleef aanhouden met doorluchte en beroemde vernuften--dat Truitje Roemers, twee eeuwen lang, geheel vergeten zal blijven bij de geschiedschrijvers, die zoo luid van Anna en Tesselschade zullen gewagen. Maar wij vergeten haar niet, de derde in een trits bevalligheden: wij kennen ook haar een billijk deel toe van den roem, die hare zusters omstraalt.
De gasten zijn achtereenvolgens de Bruid komen begroeten: daar nadert ook Huyghens, en, hield de etiquette Tesselschade niet aan haren troon gebonden, zij ware hem te gemoet gesneld, om hem de hand te drukken. Dit laatste veroorlooft zij zich echter, terwijl zij hem voor zijn heilwensch dank zegt, hem hare blijdschap te kennen geeft, dat hij toch de winterstormen getart heeft, en zij hem haren Bruigom voorstelt, die nevens haar staat. Ja! den Bruigom!--hebben wij dien vergeten, den held van 't feest, dat wij van hem geen gewag maakten?--Neen gewis niet; maar juist, omdat hij de held van 't feest is, kan hij het ons niet ten kwade duiden, zoo wij hem, evenals zulks met de theaterhelden doorgaans het geval is, na de mindere personages laten optreden.
Wie is hij nu, de man, aan wien Tesselschade de voorkeur heeft geschonken boven zoovele kloeke vernuften als naar hare hand dongen? Zeker een geleerde, een toonkunstenaar, een dichter, een staatsman, of in allen gevalle iemand, die zich op deze of gene wijze heeft beroemd gemaakt?