Part 4
Hè, wat vervelend, daar kwamen Vader en Moeder ook den tuin in. Op andere Zondagen kon Karel zich niets genoeglijkers voorstellen dan arm in arm tusschen Vader en Moeder in, door den grooten tuin te wandelen en bij ieder bloemperk of groentebed even te blijven staan--maar nu----o, hij wou Vader en Moeder wel weg kijken!--
"Kom Karel," riep Moeder, "ga je mee? Wij willen nog even den tuin doorloopen."--En zij stak haar arm door dien van Karel. Zoo moest hij wel mee.
Toen ze den tuin één keer door waren geweest, zei Vader: "'t zal, dunkt me, haast tijd wezen voor onze wandeling. De anderen zijn misschien al langzaam vooruitgegaan. Karel kijk jij eens hoe laat het is; mijn horloge gaat niet goed."
Karel wou naar binnen loopen om op de groote gang-klok te kijken, maar Vader hield hem tegen. "Waar is je horloge?" vroeg hij.
Toen barstte Karel in snikken uit.
"Waarom kijk je dáár niet op?" vroeg Vader nog en zijn toon klonk nu heel streng.
"M-m-meneer heeft het," stotterde Karel al schreiend en toen kwamen Vader en Moeder bij stukjes en beetjes 't heele verhaal te hooren. Karel verzweeg niets. Dat hij Moeder bedrogen had, drukte hem nog het zwaarst van alles op 't hart.
"Ik zal 't nooit weer doen; ik heb er zoo'n spijt van," riep hij telkens weer.
Omdat Karel er zoo'n berouw over had, vergaven Vader en Moeder hem graag wat hij gedaan had, maar de straf konden zij hem toch niet kwijtschelden: een maand lang mocht hij zijn horloge niet dragen, neen, nog erger, hij mocht 't zelfs niet zien.
Toen, op een Zondag, deed Vader hem zelf weer het koordje om den hals en liet 't horloge in zijn blousezakje glijden.
"Nu vertrouw ik je weer, Karel," was alles wat Vader zei. Moeder gaf hem een kus en fluisterde hem toe: "ik ook"--toen was Karel o, zoo gelukkig.
GRAPPIGE APPELTJES.
Bep hield veel van dieren. Ze had een hondje, een poes, konijntjes, duiven, en--nu kreeg ze er nog zes witte muizen bij van Oom Kees. In een spanen doos met gaatjes in het deksel, had Oom, die in de stad woonde, ze met den bode meegegeven.
Dat was een grappig pakje! Moeder keek eerst niet heel blij naar de nieuwe huisgenootjes; ze vond muizen naar en dacht, dat ze 't overal erg vuil zouden maken, maar--er was nog geen week voorbij of Moeder had al evenveel schik als Vader en Bep aan de vlugge, witte diertjes, die zoo slim uit hun roode oogjes keken. De groote stopflesch, waarin ze woonden, mocht zelfs in de huiskamer blijven staan.
In 't begin hadden de muizen veel bekijks. Bep bracht telkens vriendinnetjes mee naar huis, die, net als Moeder, eerst maar niet wilden gelooven, dat witte muizen veel aardiger zijn dan gewone grijsjes, en op een mooien Woensdagmiddag kwam Oom Kees zelf met zijn jongens uit de stad, om ook eens naar zijn "cadeautje" te zien. Bep had juist les bij haar handwerkjuffrouw aan huis en zag Oom met Bram en Henk voorbij fietsen. Gelukkig, dat het uur al bijna om was; ze verlangde er zoo naar hem de muizen te laten kijken!
Zou Oom wel kunnen zien, dat ze gegroeid waren? Bep dacht van wel; ze had haar muisjes altijd volop eten gegeven. Prettig, dat ze de flesch juist schoon had gemaakt; frisch zaagsel, om er 's nachts onder te kruipen, was er ook in. Oom zou wel schik hebben, omdat de muisjes 't zoo best hadden!
Toen de les uit was, bleef Bep niet, zooals anders, met de juffrouw babbelen; ze liep in één vaart naar huis.
Mietje stond aan de deur met den kruideniersjongen te praten.
"Raad eens wie er gekomen zijn, Bep?"
"Dat weet 'k al lang! Oom en de jongens. Waar zijn ze, Mietje?"
"In den tuin, bij de rozen."
Bep er ook heen. Ze nam den kortsten weg, door de keuken. "Dag Oom Kees! Dag Oom! Hebt u mijn muizen gezien? Vindt u ze niet groot? Waar zijn de jongens?--U blijft toch tot vanavond laat, hè Oom?"
Oom Kees, die met Vader en Moeder in 't rozenpriëel zat, begon te lachen. Zooveel vragen op eens.
"Ja Beppie," zei hij, "de muizen zijn flink gegroeid; je hebt er best op gepast. De jongens vinden ze ook zoo aardig. Ze zijn net weer naar binnen geloopen, om ze nog eens te bekijken."
"Roep Henk en Bram maar hier," zei Moeder, die limonade inschonk; "ze zullen ook wel dorst hebben."
"Henkie! Bra-am!" riep Bep zoo hard ze kon, onder 't loopen.
"Ja-a! Kom eens kijken!" klonk het terug.
Henk stond voor de waranda en zwaaide met zijn armen. "Toe dan, Bep!"
"Ja, wat is er? Hoe vindt je mijn muizen?"
Bram kwam ook uit de kamer en trok een gewichtig gezicht zoo gauw Bep bij hen was.
"Ik vind, dat uw muizekindertjes erg wit zien, Mevrouw. Ik ben de dokter, weet u en 'k zeg al tegen Meneer Henk, dat ze zeker niet genoeg in de lucht komen. Ze moeten elken dag noodzakelijk een wandelingetje doen."
"Ja," zei "Meneer" Henk, proestend van 't lachen; "ik heb maar dadelijk gedaan wat de dokter zei en de muizekindertjes vonden 't erg prettig."
Bep keek angstig van den een naar den ander.
"Wat hebben jullie met mijn muisjes gedaan? Waar is de flesch?"
"O, Mevrouw, hun bedjes zijn netjes opgemaakt," begon Bram, maar Bep duwde hem op zij en liep naar binnen, naar 't tafeltje, waarop de stopflesch stond.
De muizen waren niet te zien.
Eerst dacht Bep nog, dat ze onder 't zaagsel waren gekropen, maar neen, ze waren niet meer in de flesch.
"Waar zijn mijn muisjes? 't Is jullie schuld, dat ze weg zijn," riep ze half schreiend uit. "Nare jongens!"
"Hè, wat flauw om dadelijk te huilen," zei Henk en trok Bep mee naar buiten. "De dokter wou immers, dat ze een wandelingetje gingen doen? Kijk, dáár kuieren ze." Hij wees naar boven, naar de kruin van den ouden, knoestigen appelboom en ja, daar wandelden Beps muisjes over de takken.
Nu moest Bep toch door haar tranen heen lachen; 't was ook zoo'n grappig gezicht!
"Wat zijn ze al hoog," riep Bram, die er ook bij kwam. "Hoe krijgen we ze nu terug?"
Beps gezichtje betrok al weer en zeker zou ze erg aan 't schreien zijn gegaan als Vader, Moeder en Oom er niet aan waren gekomen. Drie groote menschen er bij, dacht Bep, nù zouden de muisjes wel gauw gepakt zijn!
Daar stonden ze nu met hun vijven onder den boom. Bram klom er een eindje in en schudde aan de takken, maar de muizen waren vlugger dan hij.
"Neen, jongen, zoo krijg je ze niet," zei Oom; "wacht, ik weet iets!"
Op een draf liep hij naar 't schuurtje, waar het tuingereedschap werd geborgen en kwam weldra met een appelplukker terug. Nu moest Bram uit den boom komen; Oom ging er onder staan en toen heel, heel voorzichtig, ving hij de muisjes één voor één met den appelplukker.
Was dàt niet mooi?--Maar 't mooiste is nog, dat 't heusch gebeurd is van dien appelplukker, die, in plaats van appels, muizen uit den boom moest halen----Bep heeft 't me zelf verteld.
JAN'S VERRASSING.
Vanavond laat of vannacht zou St. Nicolaas zeker komen, had groote broer Frans gezegd, toen Jan naar bed ging. Frans was mee naar boven gegaan en had grapjes gemaakt onder 't uitkleeden en toen hadden ze, op den rand van Jan's ledikantje gezeten, samen nog gepraat over St. Nicolaas en bedacht wat Janneman morgen wel in zijn pantoffeltjes zou vinden. Ze stonden ginds bij den schoorsteen met hooi er in en roggebrood en----een paar dikke wortels.
De wortels had Frans er bij gedaan, omdat de schimmel van St. Nicolaas daarvan zooveel hield.
"Wat zal hij smullen," dacht Jan, toen Frans weggegaan was en hij van uit zijn bedje juist de wortels kon zien, die uit zijn pantoffeltjes staken.
Hij was vast van plan wakker te blijven, totdat St. Nicolaas zou komen, maar zijn oogen wilden 't niet; die hadden den heelen dag zooveel rondgekeken, nu moesten de luikjes dicht, vonden ze en Jan was zoo goed niet of hij moest ze hun zin geven.----
Anders werd Janneman 's nachts nooit wakker, maar nu----.
Dat kwam zeker, omdat hij zoo verlangde naar morgen, naar den verjaardag van St. Nicolaas.
Jan deed zijn oogen wijd open. 't Nachtlichtje brandde met een stil, rustig vlammetje op de tafel bij 't raam, maar waar 't schijnsel niet kwam, in den hoek bij de deur, dáár was 't pikdonker.
"Is 't dan nog geen morgen?" dacht Jan en hij ging overeind zitten om naar zijn pantoffeltjes te zien.
Ze stonden nog net zooals Frans en hij ze samen hadden neergezet, 't Brood was er nog in en 't hooi en----de dikke, mooie wortels.
Hè, die lekkere wortels! De schimmel van St. Nicolaas kon er niet meer van houden dan Janneman zelf. Hij was er gewoonweg dol op. Twee waren 't er; uit ieder pantoffeltje stak er één.--
"'k Geloof bepaald, dat Schimmel ziek zal worden als hij dat alles alleen opeet--bij ieder kind staat vanavond wat voor hem klaar en als hij nu overal wortels krijgt----" zei Jan in zichzelf. "Eigenlijk kon ik er wel ééntje bij weg nemen!"
Wip sprong hij uit bed--geschuifel van bloote voetjes over den grond, toen knabbel-de-knabbel van scherpe tandjes... en--Schimmel zou straks maar één wortel vinden.
"Eén staat toch wel wat gek," dacht Jan daarop; "'t is zoo'n groote--ik zal er twee van maken: doorbijten of een stuk er afbreken." Meteen nam hij den overgebleven wortel op.
Rrt ging 't in den schoorsteen, alsof er roet naar beneden viel, of----was het misschien----!
Jan vol schrik op een holletje naar bed. Toen hij echter goed en wel lag, met de dekens hoog opgetrokken, zoodat alleen zijn neusje er uit kwam, bemerkte hij, dat hij den grooten wortel nog in zijn hand had.
't Bleef alles doodstil in den schoorsteen. Toch had Janneman geen zin meer om uit bed te komen; met den wortel gaan slapen kon hij ook niet--neen, er zat niets anders op, nu moest hij dien óók wel opeten!
"'t Is maar goed ook, 't is zoo'n dikke; Schimmel zou bepaald ziek worden," overlegde Jan; "stel je voor, dat Schimmel dan niet verder kon--hoe zou St. Nicolaas dan vannacht nog bij al de kinderen kunnen komen? Als hij dat loopende zou moeten doen, kwam hij zeker in geen week klaar."--En toen vond Jan zichzelf nog erg braaf op den koop toe, omdat hij er zoo goed voor zorgde, dat Schimmel niet ziek zou worden.
De wortel was bijna op, toen kwam de slaap en met den slaap nog iemand anders ook, maar dien zag Janneman niet. Hij had zijn oogen al dicht en in zijn hand hield hij 't laatste stukje afgeknabbelden wortel stevig vast.--
Den volgenden morgen keek Jan, zoo gauw hij wakker werd, naar zijn pantoffeltjes; hij was er zóó benieuwd naar wat daar wel in zou wezen!--Maar wat denk je, dat hij toen zag?----
Worteltjes, niets dan worteltjes, dikke en dunne, groote en kleine worteltjes! Zijn pantoffeltjes waren er tot aan 't randje mee gevuld en op den grond er naast lagen er ook nog.
Janneman wist niet of hij zou lachen of huilen.--Lachen omdat 't zoo'n grappig gezicht was, al die worteltjes--maar... al houdt je er nóg zooveel van, niets dan wortels te krijgen is toch ook niet prettig!
Jan trok dus een pruillip en er zouden zeker tranen gekomen zijn, als Moeder en Frans niet om 't hoekje van de deur hadden gekeken.
"Goedenmorgen Jan!" riepen ze vroolijk en toen ging Frans de worteltjes eens van naderbij bekijken.
"'t Zijn geen echte, Jan, ze zijn van marsepein," riep hij al gauw; "maar waarom zou St. Nicolaas jou zooveel wortels geven? Begrijp jij dat?"
"Jawel--maar--maar, 'k zeg 't alleen aan Moekie," stotterde Janneman verlegen, en toen, bij Moeder op schoot, kwam het heele wortelverhaal voor den dag.
"Omdat Schimmel niet ziek zou worden, dáárom deed ik het," zei Jan.
"Neen, eigenlijk omdat ik er zoo'n zin in had," verbeterde Moeder. "Is 't zóó niet geweest, Jan?"
"Ja! 't Waren ook zulke lekkere, dikke," zuchtte Jan, die zich nu wel erg schaamde voor Moeder en Frans, voor St. Nicolaas en voor Schimmel ook.--
Zou St. Nicolaas er boos om zijn geweest?
Ik denk toch haast van niet, want toen Jan zijn worteltjes ging opbergen, zag hij onder in 't eene pantoffeltje een briefje, waar in stond, dat hij eens in de serre moest kijken.--Toen Janneman 't deed, vond hij daar op de tafel een heele uitstalling van moois en lekkers: juist allemaal dingen, die hij graag wou hebben!--
ALS DE EERSTE SNEEUW VALT.
Doortje en Frits gaven een theepartijtje met 't mooie serviesje, dat St. Nicolaas hun had gebracht; buurtje Mien was de visite. Natuurlijk schonk Doortje in; ze deed 't wat handig en morste geen droppel. Kleine broer Frits presenteerde de beschuitjes, maar nam er eerst zelf zooveel van, dat er voor de visite niets overbleef dan één enkel, afgeknabbeld brokje.
Doortje zag het; bijna zou ze met dien gulzigen Frits aan 't kibbelen zijn gegaan, maar ze vergat het, omdat Oom Jan binnenkwam.
't Was ook zoo leuk, dat Oom Jan kwam, juist nu ze zoo deftig aan 't theeschenken was!
"Oom ook een kopje?"
"Alsjeblieft en met veel suiker, hoor!"
"Ja Oom," zei Door en ze trok een gewichtig gezicht, terwijl ze een kopje halfvol suiker schepte;--zóó zou 't Oom toch wel zoet genoeg wezen, dacht ze.
"Even allemaal je oogen toe," zei Oom, toen hij zijn thee had.
"Eén, twee, drie----nù weer kijken!"
O, die Oom Jan kon tooveren: op 't schaaltje, naast het ongelukkige stukje beschuit, lag een handvol amandels!
"Nu maar gauw aan 't kraken en kijken of je ook een philippine hebt!"
"Een philippine? Wat is dat?" vroeg Doortje.
"O, dat weet ik wel," riep Mien uit; "dat is als er twee amandels in één dop zitten in plaats van één. Als ik nu met jou een philippine heb, dan eten we er ieder één van op en spreken af wanneer we "bonjour philippine" tegen elkaar zullen zeggen; wie 't dan 't eerst zegt, heeft het gewonnen."
"En krijgt een presentje van mij," zei Oom, die vast hielp kraken.
Als er nu maar zoo'n philippine bij was!
"Kijk Oom, probeer deze eens!"
"Nee, die ik hier heb!"
"Hè, eerst de mijne, Oom, dit is er zeker een."
Zoo riepen ze met hun drieën.
Oom kraakte en kraakte.----"Hoera, daar heb je een philippine!" Allemaal kijken. Ja, hoor--twee amandeltjes in één dop.
"Wie zullen 't nu samen doen?"
Doortje en Mien waren er dadelijk voor klaar. Oom gaf ieder een amandeltje, dat ze tegelijk moesten opeten.
En nu bedenken op welken dag ze de philippine zouden hebben.
"Zondag," zei kleine Frits, die er niet eens alles van begreep.
"Och wel neen; dat's veel te gemakkelijk te onthouden."
"Als Oom Jan weer komt!"
"Ook niet, want als Oom hier komt, denk ik er natuurlijk aan en dat 's niet eerlijk voor Mien. Toe Oom, bedenkt u eens iets heel, heel moeilijks!"
"Laat eens zien--als----als de eerste sneeuw valt!"
"Hè ja, dat 's aardig," riepen de meisjes uit, "als de eerste sneeuw valt!" en ze dansten van pret met elkaar rond.
"Nu ben ik er toch benieuwd naar wie er, als de eerste vlokjes naar beneden dwarrelen, 't vlugst bij zal wezen om naar haar buurtje te loopen en "bonjour philippine" te roepen," zei Oom.
"Ik zeker," verklaarde Mien.
"Neen, 'k weet vast, dat ik 't zal zijn," riep Doortje en bedacht bij zichzelf een plannetje. Ze zou aan Saartje, de kindermeid, vragen haar voortaan iederen morgen vroeg wakker te maken, dan één, twee, drie uit bed wippen, kijken wat voor weer 't was en--als ze de eerste sneeuw zag, dan vliegensvlug in de kleeren schieten, naar de buren loopen en zóó hard door de brievenbus: "bonjour philippine" roepen, dat Mien, die dan zeker nog niet op zou wezen, 't boven kon hooren.--En als de eerste sneeuw nu eens overdag kwam? O, dàn, dan zou Door er ook wel weer iets op verzinnen; ze zou--ze zou----o, ze zou zóóveel!
Maar wat ze nu heelemaal niet had gedacht----ze werd erg verkouden en moest verscheidene dagen in bed blijven, warmpjes onder de wol.
Vervelend! Als 't nu begon te sneeuwen, kon ze niet eens naar Mien.
Maar tòch wou Doortje het winnen en ze zou het winnen ook, dacht ze, want zij had nu immers zoo mooi den tijd aan de philippine te denken, veel beter dan Mien, die naar school moest.
Zoo gauw ze de eerste sneeuwvlokjes zag, zou ze Frits met een stukje papier, waarop stond: "bonjour philippine" naar Mien sturen; dan was ze er toch zeker 't eerst bij.
Maar al moest Mien naar school, zij dacht toch óók wel aan de philippine, net zoo goed als Door, en zij had óók een plannetje. Daarbij moest Teunis, de oude tuinman, haar helpen.
Teunis kon 't altijd zoo mooi raden van 't weer: als Teunis zei, dat je maar een paraplu moest meenemen, kon je er bijna zeker van zijn, dat er regen kwam, al leek 't er eerst ook niets op. Dat zag hij aan de wolken en aan den wind, ja, aan nog heel veel meer. Als iemand haast zijn heele leven buiten heeft doorgebracht en altijd goed om zich heen kijkt, ziet en leert hij veel, wat een ander niet eens opmerkt. Zoo was 't Teunis ook gegaan. Hij hield er van op de wolken en de lucht te letten, maar ook op de kleinste bloempjes en diertjes, en wees Mien dikwijls hoe de lieve Heer alles, de groote dingen, zoowel als de kleine, zoo heerlijk gemaakt heeft.
Toen Mien hem van de philippine vertelde, moest oude Teunis even lachen. "En moet ik je nou zeggen wanneer 't zal gaan sneeuwen? Maar Mientje, dat kan ik immers niet."
"Och neen, alleen maar als je 't denkt," zei Mien ongeduldig.
Teunis schudde zijn hoofd, zooals hij altijd deed, als men hem naar 't weer vroeg. "Daar kan een mensch toch immers vooruit niks van zeggen," mompelde hij, maar Mien dacht, dat, als Teunis 't van den regen kon raden, hij 't van de sneeuw ook wel zou weten en huppelde vroolijk naar binnen.
Den volgenden middag ging Teunis net 't hek uit, toen Mien van school thuiskwam. "Nou kon er vannacht wel eens een flink pak vallen," zei hij; "de lucht zit vol, hoor, en--'k voel het ook in mijn botten."
"Heusch waar? Komt er vannacht sneeuw?" vroeg Mien blij.
"'k Weet het natuurlijk niet, maar 't kan zijn----'t kan zijn----" Weg strompelde oude Teunis.
Mien naar binnen, een stuk papier gekregen en daar met groote letters opgeschreven: "bonjour philippine."
Toen naar de buren. Met Saartje, die haar opendeed, fluisterde ze druk en duwde haar een rolletje papier in de hand, dat Saar lachend onder haar boezelaar verstopte, toen ze later naar boven ging.
Een geheimpje?--Wacht maar! Den volgenden ochtend kwam Saartje vroeg 't gordijn van de kinderkamer ophalen. "Sneeuw, Door! Er ligt al een heel pak en 't sneeuwt nog."
"Hoera," kraaide Doortje met haar schorre stem, "de eerste sneeuw," en ze ging overeind zitten om de vlokken voorbij 't raam te zien dansen.
"Kijk eens op je nachtzak," riep kleine Frits uit 't andere bedje, "'t is net alsof er een brief op zit."
Doortje keek naar haar nachtzak, die over 't voeteneind van haar ledikant hing en wat las ze op 't stuk papier, dat er met een speld aan vast was gemaakt? Met groote letters stond 't er op geschreven: "bonjour philippine!" O, die Mien, die slimmerd!--
Toen Oom Jan er van hoorde, moest hij er om lachen, net als iedereen bij Door thuis en--Door zelf ook. Zóó verliezen vond ze wel grappig, maar Oom Jan zei, dat Doortje het toch eigenlijk maar half verloren had, want Teunis had Mien geholpen en dat vond Mien toen ook.
Wie moest nu 't presentje hebben, Mien of Door?
Oom wist 't niet te bedenken en wat deed hij toen?----Hij gaf ieder der meisjes een mooie, groote pop!--
'T ALLERMOOISTE PRESENT.
Er was eens een klein meisje, dat in October jarig was.
Marietje heette ze en ze was een eenig kind, dat een heel, heel groote familie had. Zóóveel ooms en tantes, neven en nichten, neefjes en nichtjes waren er, dat Marietje ze alleen maar met Moeders hulp bij elkaar kon tellen en dan vergiste ze zich toch nog wel eens met de namen. Bijna allemaal woonden ze in dezelfde stad als Marietje en daar ze veel van haar hielden, kwamen ze haar ook feliciteeren. Als je nu weet dat ieder een presentje meebracht, kan je nagaan hoeveel die Rie kreeg! Ja, verwend werd ze wel een beetje, maar 't deed haar niet zooveel kwaad; daar paste Moeder wel op, die Marietje niet verwende en heel ferm voor haar was.
De meeste visite was er al geweest toen er nog heel zachtjes aan de bel werd getrokken. 't Was Truitje, de kindermeid, die vroeger op Marietje had gepast. Sedert ze niet meer bij Moeder en Rie woonde, kwam ze toch ieder jaar op dezen dag om haar pleegkindje te feliciteeren en altijd bracht ze wat voor haar mee: een doosje kraaltjes, een prentje, pepermuntjes of zoo iets. En ieder jaar was Marietje even blij met Trui's eenvoudig presentje als met de prachtigste pop of 't mooiste boek van de ooms of tantes.
Ook dit jaar had Truitje weer wat bij zich. Het taschje kwam open en daar haalde ze een bruin papieren zak uit. Verheugd keek Marietje er in.... wat teleurgesteld trok ze haar hoofdje terug en een heel klein beetje onzeker klonk haar stemmetje toen ze Trui bedankte. Toen liep ze gauw naar Moeder, die in de achterkamer een kopje thee voor Truitje inschonk. Haar lippen beefden en de tranen sprongen haar in de oogen: "Moeder, kijk eens," fluisterde ze, "wat heb ik daar nu aan, uien! Die kunnen we toch wel bij den groenteboer koopen en.... en.... ik houd er niet eens van!"
Moeder keek en Moeder lachte hardop. "Wel mijn kleine domme Rie! Ja, dat zijn uien, maar geen gewone om op te eten. Neem dit kopje thee maar eens mee voor Truitje, dan zullen we 't haar samen vragen!"
En toen Rie met nog wat beverig stemmetje 't aan Truitje vroeg, begon Trui ook al te lachen net als Moeder en door haar traantjes heen lachte Marietje toen ook maar mee, hoewel ze toen eigenlijk nog niet wist waarom.
"Bloembollen zijn het," zei Truitje, "en als je nu precies doet zooals ik zeg, heb je in den winter wat moois om naar te kijken en aan te ruiken. Kom maar hier, dan zal ik 't je vertellen!"
Marietje klom bij haar op schoot, daar had ze als heel klein kindje wat dikwijls gezeten, en luisterde goed naar wat Trui zei.
De bollen moesten in potten met aarde worden geplant, zoo, dat er enkel een klein puntje van hun neusjes boven den grond uitstak en dan moesten die potten wel een maand op een donkere plaats staan.
"O heden, zoo lang!" zei Marietje, "dan vergeet ik ze bepaald!" Maar Moeder beloofde 't haar wel te zullen helpen onthouden. Daarna moesten ze op een zonnig plekje worden gezet, niet al te warm, maar vorstvrij; een beetje begieten kon dan geen kwaad. En dan, ja dan moest Marietje maar eens stil afwachten wat er zou gebeuren. "Moeder," zei ze, toen de goede kindermeid weg was, "dat van Trui is wel een erg langdurig present, ik bedoel, je moet er zooveel geduld bij hebben, hè?"
"Ja," zei Moeder, "maar 't is ook een langdurig present, omdat je er lang plezier van zult hebben. Denk eens even aan, van alles wat je vandaag hebt gekregen, is van den winter 't nieuwtje toch zeker al lang af, maar van dit presentje niet, integendeel, dan zal 't eerst recht beginnen!"
En nu in Februari voor 't raam in de huiskamer mooie blauwe, witte en rose hyacinthen en geel met rood gestreepte tulpjes welig groeien en bloeien en de heele kamer vroolijk maken, ziet Marietje wel in, dat Moeder al weer gelijk heeft gehad. En dikwijls, als ze heel diep den lekkeren geur opsnuift, zegt ze: "Weet u nog wel, dat ik eerst niets blij was en haast huilde om Trui's presentje, en nu vind ik 't eigenlijk nog 't allermooiste van alles wat ik toen heb gekregen!"
"Ja," zegt Moeder dan, "ik zou voortaan mijn traantjes maar niet zoo gauw klaar hebben."
En dan lachen ze allebei.
DE VRIENDJES.
Jupke van den molenaar was Hennemans beste vriend.
Henneman woonde schuins over den molen. Als je het vondertje over ging en dan nog een laantje door, dan was je bij het meestershuis en dáár woonde Henneman.
Alleen 's winters, als de boomen kaal waren, kon Jupke het raam van Hennemans kamertje zien, maar Henneman kon altijd Jupke's venster zien, óók midden in den zomer, als de boomen vol bladeren waren, want de molenkap stak hoog boven de boomen uit en daar bovenin was Jupke's kamertje.
Toen de jongens nog te klein waren om naar school te gaan, speelden ze al met elkaar. Ze waren ook al eens samen weggeloopen, toen ze zulke kleine dribbels waren. Verbeeld je, weggeloopen, heel naar Hennemans Grootmoeder, aan 't andere eind van het dorp! Dat kwam, doordat ze allebei zoo graag bij Grootmoeder waren.