Part 3
"Ja," knikte Annie blij, terwijl ze vuurrood werd. Nu moest ze even bij de juffrouw komen om gefeliciteerd te worden en alle kinderen keken er naar. Annie jarig, wat prettig, ze hadden allemaal wel jarig willen zijn. Toen Annie weer op haar plaats zat, gaf Toos haar een stootje. "Krijg je visite?" vroeg ze kortaf.
"Ja," fluisterde Annie.
"Vraag mij ook."
Annie schudde van neen en beduidde haar buurtje dat ze stil moest zijn om de juffrouw. Toos zei toen niets meer, maar in 't speelkwartiertje kwam ze op Annie toe, die met haar vriendinnetjes stond te praten en ze alle vier voor dien middag op visite vroeg, en riep hard in haar oor: "Ik kom toch!" Meteen zette ze 't op een loopen.
"Dat durft ze toch niet," zei Mientje zoo stellig, dat Annie er weer door getroost werd, want ze vond het een akelige gedachte dat die stoute Toos, die alle pret bedierf, vanmiddag op eens zou komen aanzetten. Nu deden ze nog met de juffrouw allerlei spelletjes en daar Toos verder geen woordje meer tegen Annie zei, vergat deze heelemaal haar bedreiging.
't Was een middag zoo prettig, als Annie in lang niet had gehad! De vier vriendinnen Mientje, Betty, Truus en Jo waren precies op tijd gekomen; nadat ze de mooie cadeautjes bekeken en 't schilderij bewonderd hadden, dat een groot deel van den wand in de speelkamer besloeg, hadden ze spelletjes gedaan en pret gemaakt met Hektor en nu zaten ze op kleine stoeltjes in 't prieël achter in den tuin bij de zonnebloemen, waar Ma een tafel vol versnaperingen had laten brengen: voor ieder een glaasje frambozenlimonade en een schotel vol taartjes. Annie mocht presenteeren; ze liet de gasten eerst uitzoeken en nam dàn zelf, dat hoorde zoo, zei Ma. 't Was een echte smulpartij, waarvan Hek ook zijn deel kreeg omdat 't vrouwtje jarig was. Toen de schoteltjes leeg waren, stelde Annie voor een beetje te gaan rondloopen, voordat ze aan 't tweede taartje begonnen en in dien tusschentijd ....je moet niet schrikken, 't is heusch waar.... wie zat er toen ze terugkwamen in 't prieël bij de zonnebloemen? Toos? Ja, 't was Toos! Ze had een leeg schoteltje voor zich staan en likte haar vingertjes af, terwijl ze al weer met haar oogen een taartje uitzocht van den schotel.
"Ik zei dat ik zou komen en daar ben ik," vertelde ze heel kalm, terwijl ze zich nog wat dieper in haar stoeltje nestelde en de vijf verschrikte meisjes met haar zwarte oogen donker aankeek; "ik vind visites prettig en 'k houd veel van taartjes."
"Maar, je bent niet gevraagd," zei Truus, [1] die den meesten "durf" had van de vijf.
"Je mag niet op visite komen als je niet bent gevraagd."
"Hoe ben je hier gekomen? Door de voordeur?" vroeg Mientje, die achter Jo kroop, want 't was net alsof ze nu een beetje bang was voor Toos, wier plotseling dáár zitten ze zich maar niet kon verklaren.
"Door de heg, 'k heb de takken op zij gebogen," verklaarde ze kortaf, en peuzelde onderwijl nog een gebakje op.
De meisjes keken elkaar aan. Gelukkig, daar kwam Ma uit huis om eens te zien of de kinderen schik hadden. Annie vloog naar haar toe en vertelde onder tranen van de ongenoode gast. "Nu heb ik heelemaal geen schik meer; die nare Toos ook, u moet haar wegsturen, ze mag hier niet zijn!"
"Nu, nu," zei Ma, die 't niet helpen kon dat ze even moest lachen; "een beetje grappig is het wel van Toosje, maar je mag daarom niet zoo boos op haar zijn en dat nog wel op je jaardag."
Toen Toos de vreemde mevrouw zag aankomen, stond ze op en keek verlegen naar den grond, terwijl ze haar kleverige handjes op haar rug hield.
"'t Is thuis zoo stil en 'k wou ook zoo graag eens op visite," mompelde ze toen Annie's Ma haar vriendelijk 't een en ander vroeg. Annie trok Ma telkens aan haar japon; Ma moest haar nu wegsturen vond ze, maar dit gebeurde niet, nee, Ma zei juist dat Toosje best mocht blijven. "Kom," riep Ma vroolijk, "nu gaan we met elkaar een spelletje doen van, kruip door, sluip door!" Meteen nam ze Toos aan de eene en Annie aan de andere hand, en maakte ze allemaal zoo aan den gang, dat 't vreemde gevoel van zooeven heelemaal wegging, Annie weer vroolijk keek en Toosje ook heel gewoon meedeed, alsof ze er aldoor bij was geweest; ze was nu heel anders dan op school, niets plagerig, vonden de meisjes. "Nu nog even uitrusten in de speelkamer voordat jullie gehaald worden," zei Ma, nadat ze allen terdege moe en warm waren van 't hollen en draven. "Heeft Toosje je presentjes al gezien, Annie?"
"Nee, kijk Toos!" Allen stonden om Toos heen bij de tafel, waarop Annie's moois was uitgestald en ieder deed haar best haar alles te wijzen. "En kijk nu daar eens Toos!" zei Mientje, terwijl ze naar den muur wees.
Toos keek en kreeg 't schilderij in 't oog.
"Nu, hoe vindt je 't?" vroeg Annie, toen er niet gauw genoeg een uitroep van bewondering kwam.
Toos zei nog niets en toen op eens begon ze hard te schreien, zoo hard, dat de meisjes er bang van werden.
Annie's Ma kwam toeloopen, nam haar op den schoot en eindelijk vertelde Toosje onder snikken, dat het op 't schilderij net was als bij Oma thuis, waar Pa en Ma haar als een heel klein kindje gebracht hadden, voordat ze naar Indië gingen en waar ze gewoond had tot nu voor een kort poosje. 't Was er zoo heerlijk bij Oma buiten en ze hield zooveel van de kippen en eenden, die ze altijd mocht voeren. Juist waren er kleine gele kuikentjes uitgekomen, toen ze weg moest naar de stad.
Stilletjes waren de meisjes naderbij gekomen.
"Waarom ben je daar dan niet gebleven?" vroeg Jo.
"Er is geen school en ik moet toch een knap meisje worden," zegt Oma, "maar in de vacantie mag ik weer naar Oma toe en daar hoef 'k niet stil te zitten zooals op school. Maar dat duurt nog zoo lang!" voegde ze er met een zucht bij.
"Je moet maar heel veel bij Annie komen spelen, dan gaat de tijd gauw om," zei Ma en ze pakte Toosje alsof ze haar eigen Annie was.
Toen de visite al weg was, kwam Pa thuis. Annie vloog naar de deur om open te doen en nog voordat zij in de kamer waren, vertelde ze hem al, dat 't stoute kleine meisje, naast wie ze op school zat, nu haar vriendinnetje was geworden. "'t Komt eigenlijk door mijn schilderij," riep ze. "Ra-ra, ra, hoe kan dàt?"
PRUL
Als kleine Prul ging wandelen, kreeg ze handschoentjes aan; natuurlijk, want ze was een jongejuffrouwtje en die moeten in de stad met handschoentjes loopen, zeiden Mama en Juf allebei. Prul vond 't vreeselijk. Als ze handschoentjes aan had, spreidde ze haar tien vingertjes zoo ver mogelijk uit en hield haar armpjes een heel eind van haar lijfje. Wanneer Mama of Juf dan zei, dat ze niet zoo dwaas moest doen, trok Prul met haar scherpe, witte tandjes de handschoentjes aan de vingertoppen omhoog en draaide er punten aan, wat al heel raar stond.
Maar al haalde ze er ook van alles mee uit----de handschoentjes moesten aan blijven; daar was Mama heel streng op.
Haar parasolletje vond Prul haast even erg als haar handschoentjes. Dat was voor de zon, maar waarom mocht de zon haar niet in 't gezichtje schijnen? 't Zou juist lekker zijn, meende Prul.
Juf dacht er anders over; ze zei, dat de zon Pruls gezichtje bruin zou maken en dat mocht niet, want Prul was een stadsjuffertje en geen buitenkind.
"Loopen buitenkinderen altijd zonder parasols en zonder handschoenen?" vroeg Prul aan Juf en toen Juf "ja" zei, had Prul geen grooter verlangen dan ook een buitenkind te mogen zijn.
Dienzelfden dag aan de koffietafel kwam ze al met haar wensch voor den dag. Oom Julius was onverwacht overgekomen en vroeg zoo uit de grap aan Prul, die tegenover hem zat, wat zij wel zou willen worden.
Prul behoefde zich daar niet lang op te bedenken.
"Een buitenkindje, Oom," antwoordde ze dadelijk tot groote verbazing van Papa en Mama, die niet begrepen hoe Prul daarbij kwam.
"Wel kleine meid, dat kan best," zei Oom; "ga straks maar met mij mee--ik woon buiten en je mag net zoo lang bij me logeeren als Papa en Mama je kunnen missen. Wanneer je dan terugkomt, zijn je wangetjes niet meer mager en bleek; dan heb je dikke, roode koonen."
"Neen, bruine," riep Prul, die aan de buitenkinderen dacht, van wie Juf gezegd had, dat ze zonder parasol mochten loopen.
"Goed, bruine dan," lachte Oom; "en dan heb je ook meer trek dan nu; in plaats van één dun boterhammetje niet eens heelemaal te kunnen opeten, wil je er wel graag vier of vijf hebben en flinke dikke, hoor!"
Prul keek een beetje verlegen, omdat Oom er op gelet had hoe ze met haar boterham knoeide, maar toen Oom verder van buiten vertelde, luisterde ze weer met allebei haar oortjes wijd open en wou niets liever dan een buitenkind zijn. Ze vroeg Papa en Mama of 't mocht. Beiden vonden 't goed, dat Prul met Oom mee zou gaan om te probeeren of ze 't buiten heusch zoo prettig zou vinden als ze nu dacht.
Toen Prul 's middags werd aangekleed voor de reis, wou Juf haar ook handschoentjes aandoen. Prul stribbelde tegen: "ik ben nù een buitenkindje," riep ze.
't Hielp haar niets; Juf zette het tòch door en bijna zou Prul zijn gaan schreien, als Oom haar niet had ingefluisterd, dat ze nu nog, totdat ze in den trein zat, een stadsjuffertje was. Tot zoo lang moest ze, om Juf plezier te doen, die nare dingen maar aanhouden.
Prul lachte op eens weer en liet zich goed helpen; zelfs haar parasolletje nam ze zonder pruttelen mee.
Toen Prul een week weg was, konden Papa en Mama het niet langer uithouden, zóó verlangden ze naar hun kleine meisje. Zij gingen dus eens naar Prul kijken en dachten ook, dat 't stadsjuffertje het buiten niets prettig zou vinden, nu 't nieuwtje er af was en wel graag mee terug zou willen gaan.
Papa en Mama hadden niet vooruit geschreven, dat zij zouden komen. Ze werden dus niet afgehaald en wandelden met hun beiden den weg af, die van het station naar het huis van Oom Julius voerde. Aan den eenen kant van dien weg was een sloot en aan den anderen kant een groot weiland, waar druk werd gehooid. Eén wagen stond al volgeladen en een eind verder op 't land waren de knechts van Oom Julius bezig het hooi op hoopen te harken. Een vroolijk troepje kinderen speelde krijgertje om hen heen; hier gooiden een paar elkaar met hooi, daar stoeiden en rolden anderen over de kort afgemaaide stoppels en de drukste van allen was----Prul. Juichend van pret kwam ze op Papa en Mama toeloopen; die kenden hun bleeke, stille Prul haast niet meer, zulke dikke wangen had ze gekregen en zoo vroolijk was ze.
"En bruin ben ik ook," riep ze; "kijk maar, ik ben nu een echt buitenkind, zegt Oom. Ik laat ook nooit meer mijn boterham staan."
Wat had die Prul veel te vertellen, nu ze tusschen Papa en Mama in naar het huis van Oom Julius stapte: van 't prettige logeeren bij Oom, van de kippen en de andere dieren, van de aardige kennisjes, die ze gekregen had. Maar op eens hield Prul op en keek bedrukt.
"Wat is er, kindje?" vroeg Mama, die al dacht, dat ze zich te moe had gemaakt in 't hooi.
Maar dàt was 't niet, wat Prul hinderde. Toen Mama nog eens navroeg, kwam 't hooge woord er uit:
"Ik heb mijn parasolletje en mijn handschoentjes weggegeven aan een klein meisje. Betje heet ze en zij wou zoo dolgraag handschoentjes en een echt parasolletje hebben. 't Mocht wel, hè Ma? 'k Heb ze hier toch niet noodig.--Betje was er zoo blij mee; ze zei: als stadskinderen zoo mooi gingen wandelen, wou ze veel liever een stadskind zijn. Hoe vindt u dàt nu--en ik juist veel liever een buitenkind!"
"Dan moeten jullie ruilen," zei Papa met een ernstig gezicht. "Als we naar huis gaan, zullen we Betje meenemen naar de stad, en jou hier buiten laten."
Prul keek met groote oogen of Papa dàt meende. Toen zag ze Mama aan, die even knipoogde.
"Neen, neen, dat 's maar een grapje; ik blijf uw eigen Prul," riep ze zoo hard ze kon; "'k ben nu maar voor een poosje een buitenkind."
"Hoe zou je 't vinden om voor altijd een buitenkindje te mogen blijven?" vroeg Papa en nu maakte hij geen grapje. "Kijk Prul, dan gaan we ook hier op 't dorp wonen in net zoo'n prettig huis als Oom Julius heeft. Dan houdt mijn Prul haar dikke wangen en haar trek in boterhammen."
"'k Zou 't heerlijk vinden," zei Prul.
"Ik ook," voegde Mama er bij en toen werd 't maar meteen afgesproken dat 't zoo zou wezen.
Prul werd dus een echt buitenkind en mocht spelen en draven en stoeien, alles zonder handschoentjes en parasol. Mama en Juf vonden dit nu allebei goed.
Toen Prul evenwel wat ouder werd en wel eens werd meegenomen naar de stad voor boodschappen en visites, moest ze er toch weer aan gelooven en keurig netjes als een stadsjuffertje gekleed zijn.--Maar is 't niet grappig: toen had Prul niet eens zoo'n hekel meer aan haar handschoentjes en parasol. Dat kwam zeker, doordat ze buiten zoo groot en verstandig was geworden.--
EEN VACANTIEMIDDAG.
Jet en Riek waren van plan eens goed van hun eenigen vacantiemiddag te genieten.
Eén vacantiemiddag maar?
Nu ja, van school hadden ze natuurlijk veel langer vacantie: wel drie weken, net als andere kinderen. Maar ze hadden thuis altijd zooveel te doen met op de kleintjes te passen als Moeder uit werken was of aan de waschtobbe stond, en alles netjes te maken tegen dat Vader 's avonds van het land kwam, dat voor haar beidjes de vacantietijd nog veel drukker was dan de schooltijd.
Nù had Moeder evenwel haar meisjes eens een heel vrij middagje gegeven. Zij waren er dadelijk na 't eten op uitgetrokken en zaten nu op 't dijkje langs de spoorlijn, midden tusschen de bramen.
Eén emmertje hadden ze al volgeplukt en nog zagen ze er een massa, van die donkere, overrijpe, die loslieten als zij ze maar even aanraakten.
"Hè, lekker," zuchtte Jet, terwijl ze er een in haar mond stak; "prettig wij zoo met ons beiden en geen kleintjes er bij op wie we moeten passen. Toe, Riek, waar kijk je zoo naar? Pluk nu ook weer!"
"Jet, ik geloof vast en zeker, dat die schapen vreeselijken dorst hebben. Hoor ze eens blaten. Vanmorgen heb ik 't ook telkens al gehoord en nu is 't nog weer veel warmer geworden."
"Ja, gunst, maar daaraan kunnen wij toch niets doen?" riep Jet ongeduldig terwijl ze nu, evenals haar zus, naar den afgehaakten waggon op het zijspoor keek, waaruit een klagend geblaat en gemekker opsteeg.
"Ze komen den waggon misschien straks wel halen om ze verder te vervoeren; dan hoor je 't niet meer."
Maar nu werd Riek boos.
"Al hoor ik 't niet meer, daarmee gaat hun dorst toch niet over en als ze nu nog een lange reis in de hitte moeten maken, zal het nog veel erger worden. Ik moet er wat aan doen!"
Vastberaden schudde Riek het volgeplukte emmertje leeg en liep het dijkje af naar de pomp, die een eind verder het land in stond.
Jet volgde haar pruttelend van verre, maar toen Riek even later bij den waggon stond en ze zag hoe de arme schapen hun koppen door het latwerk staken en zich verdrongen om bij het emmertje te komen, kreeg 't medelijden ook bij haar de overhand. Zoo hard ze kon liep ze naar het bleekveld achter hun huisje om het bakje met den langen steel te halen, waarmee Moeder het waschgoed altijd besproeide en nam meteen een emmer water mee.
"Hè, heerlijk, dat je me komt helpen," zei Riek. "Er zijn er zooveel: ik kan ze alléén niet allemaal een beurt geven. Geen wonder, dat de stumperds zoo'n dorst hebben; de zon brandt op den waggon. O, het schepbakje, dat is prachtig bedacht! Die kleine lammetjes, daar achteraan, worden aldoor weggeduwd door de groote schapen.--Wacht maar, nu krijgen jullie allemaal wat!"
"De emmers zijn leeg; zal ik ze weer vullen?" vroeg Jet en, zonder 't antwoord af te wachten, draafde ze er mee naar de pomp.
Oef, wat was het warm. Riek en Jet werden rood gestoofd door de zon. 't Was bijna niet uit te houden daar op 't zijspoor, maar de dappere zusjes hielden 't wèl uit. Zij rustten niet, voordat alle, alle schapen en lammetjes zich ruimschoots te goed hadden gedaan aan 't frissche water.
Je kunt wel nagaan hoe lang het duurde, want er was een waggon vol van die wollige reizigers en ze wilden er geen overslaan. Daarbij kwam nog, dat ze gedurig den kluts kwijt raakten, want de schapen stonden geen oogenblik stil en geleken zóó op elkaar, dat 't moeilijk uit te maken was, of zij nu eigenlijk al een beurt hadden gehad of niet. Maar in zoo'n geval lieten Riek en Jet ze voor alle zekerheid nòg maar eens drinken.
Toen zij eindelijk klaar waren, was de vacantiemiddag juist om. De klok sloeg zes uur en ze hadden Moeder beloofd niet later thuis te zullen komen om 't avondeten voor Vader klaar te maken.
Moe en warm kwamen ze er met de leege emmertjes aan.
"Schik gehad?" vroeg Moeder, die in den tuin bezig was.
"Schik?"--Even keken de zusjes elkaar aan. "Schik" kon je 't eigenlijk niet noemen, maar toch..
"Ja, 't was een heerlijke middag," riepen ze beiden als uit één mond.
"Waar zijn de bramen?" vroeg kleine Jaap, terwijl hij naar de leege emmertjes keek en Anton stak de tong tegen die twee luie pluksters uit. Ze moesten nog maar gauw een emmervol gaan halen, vond hij.
"De bramen? Die zou ik heel vergeten; ze liggen nog op 't dijkje," antwoordde Riek.
Moeder keek vreemd op. Die kostelijke bramen zoo maar te laten liggen! Zoo iets was ze niet van haar meisjes gewoon.
Maar toen Jet haar alles had uitgelegd, knikte Moeder goedkeurend; ze zei, dat ze zelf wel voor Vaders eten zou zorgen en Anton moest de bramen maar even halen. De meisjes hadden nu wel wat rust verdiend!
KAREL'S HORLOGE
Er was eens een jongen--Karel heette hij--die dolgraag een horloge wou hebben. Zijn groote broers hadden er allebei een en nu was 't dus zijn beurt om er een te krijgen, vond hij.
"Wacht maar tot je jarig bent," zei zijn vader; "misschien, als je goed oppast, dan...." Meer zei Vader niet.
Of Karel ook goed oppaste!
Toen kwam zijn jaardag.--Op de slaapkamer kreeg hij de presenten van de broers en kleine zus. Vader en Moeder feliciteerden hem ook--maar----er was geen pakje van hen.
Even keek Karel op zijn neus; toen deed hij direct weer vroolijk--hij was immers jarig!
Aan 't ontbijt gekomen zag hij toch nog een pakje op zijn bord liggen.
"Dat heb je van Vader en mij," zei Moeder.
Gauw maakte Karel het open. Wat er wel in zat?----
Een horloge--ja, een echt stevig jongenshorloge aan een koordje! Wat was Karel blij; hij vloog Vader en Moeder om den hals en kuste hen dat 't klapte.
"Mag ik 't mee naar school?" vroeg hij.
"Vandaag wel, omdat je jarig bent, maar dan niet meer. Je kunt het 's Zondags dragen," antwoordde Vader en hij wees hem hoe hij 't moest opwinden en hoe hij 't gelijk kon zetten.
Niemand blijder dan Karel, toen hij met zijn horloge naar school stapte. Meneer en de jongens moesten 't allen zien en onder de les keek Karel er gedurig op of zat er mee te spelen.
Omdat hij jarig was, zag Meneer het maar door de vingers.
't Was Karel zoo goed bevallen zijn horloge mee naar school te hebben, dat hij het wel graag den volgenden dag weer had meegenomen. Maar dit mocht niet van Vader; hij mocht het alleen 's Zondags dragen--door de week zou Moeder 't in haar groote linnenkast bewaren.
Eenigen tijd later kwam er een nieuwe burgemeester op het dorp waar Karel woonde. Die burgemeester had een zoontje van Karels leeftijd--Felix geheeten.
Felix was een eenig kind en werd erg verwend; wat hij hebben wou, kreeg hij van zijn ouders. Natuurlijk had Felix ook al een horloge.
Karel zag 't dadelijk, toen Meneer den nieuwen jongen binnenbracht en hem de plaats naast Karel aanwees. Felix had er zelfs een mooien ketting aan; Karel kon er zijn oogen niet afhouden.
"Ik heb óók een horloge," fluisterde hij hem toe, juist toen Meneer een taaloefening ging dicteeren.
"Dat jok je," zei Felix schamper lachend; "als je er een hadt, zou je 't wel bij je hebben; ik geloof er niets van."
"Vanmiddag neem ik 't mee, dan kan je 't zelf zien," riep Karel, die niet velen kon, dat die vreemde jongen hem niet geloofde, driftig uit.
"Echt waar, hoor!"
"Niet praten," zei Meneer--"allen opletten!"
Toen hielden zij zich stil.
Aan de koffie had Karel niets te vertellen en anders kon hij toch zoo'n praats hebben. Dat kwam, omdat hij nu aan niets kon denken dan aan zijn horloge, dat in Moeders linnenkast lag en dat hij tòch vanmiddag mee naar school wou nemen.
Toen de boterhammen op waren, draaide hij steeds om Moeder heen.
"Jongen, wat wil je toch?" vroeg Moeder verwonderd.
"Een zakdoek," fluisterde Karel verlegen, "alstublieft een schoonen zakdoek uit de linnenkast."
"Nu, dien kan je krijgen," antwoordde Moeder lachend. "Daar behoef je niet zoo benauwd bij te kijken. Haal er zelf maar een; je weet waar ze liggen; ik moet zusje nu eerst helpen."--En Moeder gaf Karel den sleutel.
O, wat bonsde zijn hart, toen hij de kast opendeed en er daarop mèt den zakdoek ook 't horloge uithaalde. Hij stopte het met koordje en al diep in zijn zak. Toen hij Moeder den sleutel teruggaf, durfde hij haar niet aan te kijken, maar Moeder, die met 't kleintje bezig was, had er geen erg in.
Langs een omweg sloop Karel naar school. Hij wou maar 't liefst niemand tegenkomen.
Toen de jongens, die op 't schoolplein speelden, wat tegen hem zeiden, schrikte hij en liep gauw naar binnen. Eerst toen Felix kwam, monterde Karel weer wat op. Nu zou Felix toch zien, dat hij niet gejokt had. Vol trots lei Karel 't horloge vóór zich op den lessenaar.
Felix keek er even naar. "'t Is niet eens van zilver," zei hij minachtend "en er is ook geen ketting aan."--Toen draaide hij 't hoofd om en wou er heel niet meer naar kijken.
Karel kon wel huilen van spijt. Had hij nu dáárvoor Moeder bedrogen? was hij dáárvoor Vader ongehoorzaam geweest?----
Meneer kwam binnen en de les begon.
Karel kon geen enkel goed antwoord geven en lette niet op als Meneer wat op 't bord schreef. Dit was Meneer niet van hem gewend. Hij kwam naar hem toe en zag toen 't horloge nog vóór hem liggen. Dit zou wel de oorzaak van Karels onoplettendheid wezen, dacht Meneer; op zijn jaardag had hij er immers ook zoo mee zitten spelen?
"Weet je wat, Karel," zei hij daarom, "ik zal dat horloge maar eens een poos voor je bewaren. Je bent nog veel te klein voor een horloge; dat zie ik wel." En Meneer nam 't horloge van den lessenaar en ging naar zijn plaats voor de klas terug.
Van schrik kon Karel geen woord uitbrengen. Dit was wel 't ergste wat hem had kunnen overkomen!----Als Meneer 't nu maar om vier uur teruggaf.----
Maar neen, Meneer schudde 't hoofd, toen Karel 't hem na schooltijd met neergeslagen oogen kwam vragen.
"Dan hebben we morgen weer 't zelfde liedje met jou. Je bent veel te speelsch om al een horloge op school te dragen. 't Verwondert mij, dat je Vader dàt wil hebben." Bij deze woorden keek hij hem doordringend aan. Toen liet Karel 't hoofd hangen en durfde niets meer zeggen.
"Dat dacht ik wel," sprak Meneer in zichzelf, terwijl hij den jongen nakeek, die langzaam, op z'n eentje naar huis slenterde. "Dat is bepaald niet in orde"--en hij besloot Karels Vader, met wien hij dien avond een vergadering zou bijwonen, 't horloge zelf terug te geven en er met hem over te spreken.
Maar hiervan wist Karel natuurlijk niets; hij dacht, dat Meneer 't horloge voor altijd zou houden en voelde zich erg ongelukkig.
Zoo werd 't eindelijk weer Zondag.
Anders vond Karel den Zondag de prettigste dag van de heele week, maar nu zat hij stil in een hoek te kniezen en deed niet mee aan de vroolijke spelletjes, die Vader na kerktijd met de kinderen speelde.
Hij zat steeds in angst, dat Moeder hem zou vragen of hij zijn horloge niet wou hebben of--nog erger--dat Moeder naar de linnenkast zou gaan om 't voor hem te halen en dan ontdekken zou, dat 't er uit verdwenen was.
's Middags zouden ze allen met elkaar een groote wandeling doen.
"Om drie uur gaan we er op uit, jongens," had Vader gezegd.
Toen het bijna drie uur was, liep Karel den tuin in; hij wou liever niet mee en hoopte, dat zij weg zouden gaan zonder hem te missen.