Vertellingen

Part 1

Chapter 14,306 wordsPublic domain

ONS SCHEMERUURTJE.

XII.

H. MEULENHOFF--AMSTERDAM--1918.

VERTELLINGEN

DOOR HERMANNA.

GEÏLLUSTREERD DOOR JAN WIEGMAN.

H. MEULENHOFF-- AMSTERDAM--1918.

PIM.

Pim was op een nieuwe, prettige school gekomen; een heel prettige school was het, zei Pim, als je er hem naar vroeg.

Moeder, die de school voor Pim had uitgezocht, vond 't ook; alleen jammer was 't, dat die school zoo'n eind buiten de eigenlijke stad lag en je het spoor moest oversteken om er te komen. Voor groote jongens was dat niet zoo erg, maar Pim was nog maar zoo'n klein ventje! Betje, 't dagmeisje, moest hem daarom altijd tot over de rails brengen, waar hij geen kwaad meer kon. Als Betje dan thuis kwam, deed ze verhalen over de onvoorzichtigheid van sommige jongens: ze kropen onder de afsluitbomen door, als er locomotieven rangeerden, en liepen nog over, als de trein in zicht was. Pim wou nooit hebben, dat Betje een stapje verder meeging dan tot net over de rails, dat vond hij zoo kinderachtig staan, en als Betje dan was omgekeerd, huppelde hij vroolijk met kameraadjes 't plantsoen door--ook bleef hij er nog wel eens even knikkeren of tollen--naar zijn school.

Een heel prettige school was het. Er gingen niet zoo heel veel jongens op en je hadt er dus gezellig kleine klassen.

Behalve in de gewone vakken kreeg je er ook les in slöjd en kleiwerken en bij mooi weer leerde je er tuinieren en allerlei echte jongensspelen. En dan was er nog iets leuks: je kreeg niet alleen cijfers voor je leeren, maar óók voor je gedrag!

Op een andere school ook, zal je zeggen.

Nu ja, maar dan toch enkel voor je gedrag onder de les en tegenover den onderwijzer en hier ging 't er ook naar hoe je op de speelplaats en in den tuin was met de jongens.... of je wel eens valsch speelde of gniepig deedt.... of je slordig was op je tuingereedschap of kleinzeerig, als je wat hardhandig werdt aangepakt.... dit alles had er invloed op, en zoo kwam het, dat 't gedragcijfer hier veel meer in tel was bij de jongens dan meestal op een andere school het geval is. Dan kijken ze maar naar de vorderingen, dat's de hoofdzaak, en wie daar no. 1 in is, die voelt zich een baas, al is zijn gedragcijfer ook nóg zoo leelijk. Op Pims school kon je no. 1 zijn óók door je gedragcijfer en daaraan hechtte meneer bijna nog meer dan aan 't no. 1 zijn door je vorderingen. Nu moet je niet denken, dat er zoodoende allemaal "zoete" jongens werden gekweekt, aan wie de meeste ferme Hollandsche klanten een hekel hebben! Neen, hoor! En 'k geloof ook niet, dat zulke "zoete" jongens veel kans hadden ooit no. 1 te worden, want die zijn meestal flauw, en meneer lette er vooral op, dat zijn jongens flink waren, flink in de echte beteekenis van het woord.

"No. 1 voor gedrag" was zoo'n lange naam, vonden de jongens, daarom hadden ze met meneer samen er wat anders op verzonnen.

Rex noemden ze hem; dat klinkt kort en krachtig en 't beteekent "koning".... of 't dus ook een eerenaam was! Den "no. 1 voor vorderingen" noemden ze Prins.

Prins kon natuurlijk niet iedereen worden; dat hing er van af of je goed kon leeren. Er waren jongens, die 't nooit zoover konden brengen, al blokten ze nog zoo hard--maar Rex te worden stond voor ieder open en dat was er juist het mooie van. Om de drie maanden werd er een nieuwe Rex gekozen uit al de klassen te zamen. Prins was je alleen maar van je eigen klas, maar Rex van de heele school.

Iedere jongen wou graag Rex worden en als hij iets had uitgevoerd, waardoor de kans er voor hem op verkeken was, hoopte hij toch, dat dan een andere jongen uit zijn klas het zou worden.

De jongens uit de hoogste verbeeldden zich, dat zij veel meer kans hadden dan die uit de derde, en de "kleine aapjes," die pas op school waren, konden er naar hun idee al heelemaal niet op rekenen nu al Rex te worden. Maar toen meneer hen zoo hoorde spreken, legde hij 't hun wel anders uit en ook in de lagere klassen zei hij, dat flink zijn volstrekt niet afhangt van je leeftijd; een groote jongen kon wel heel laf en een kleine vent van zeven jaar juist heel flink zijn.

Pim zat meneer met groote oogen aan te kijken, terwijl hem geen woordje van 't gesprokene ontsnapte; hij was óók zeven jaar, zie je! Kon hij dus ook al Rex worden? Dat was iets heel groots en dat zou moeder stellig plezier doen; dan werd moeder misschien ook weer vroolijk, net als vroeger, toen vader nog leefde en ze prettig met elkaar buiten woonden.

Pims gezichtje stond heel vastberaden en ernstig.

Maar nu praatte meneer over te laat komen; dan was je niet flink--en zoovelen van de kleinere jongens kwamen geregeld te laat, omdat ze te lang in 't plantsoen bleven knikkeren en tollen. Pim kreeg een kleur, terwijl hij eens in zijn zak voelde; daar had hij een tol en.... hij kwam ook vaak te laat. Dat mocht dus voortaan ook niet meer, als hij Rex wou worden!.... Den volgenden morgen liet hij zijn tol expres thuis liggen.

Hij voelde zich op eens een groote jongen; niet alleen om die mooie plannen, maar ook omdat hij vandaag voor 't eerst niet weggebracht zou worden.

Betje had vanmorgen een boodschap gestuurd, dat ze wegens ziekte niet kon komen. Moeder moest nu voor alles alleen zorgen: kleine zus aankleeden, telkens opendoen, o, en honderd andere dingen meer; zij kon Pim dus ook niet brengen....

Pims hartje zwol van trots, toen hij dit hoorde. "Ik kan ook best alleen gaan," zei hij vol vertrouwen, terwijl hij moeder ferm aankeek; "ik zal wel heel voorzichtig zijn bij 't spoor."

Moeder hield hem nog eens vóór hoe gevaarlijk 't er was met 't rangeeren van de treinen en liet Pim vast beloven, niet onder de boomen door te zullen kruipen, als ze dicht waren.

"O," zei Pim nu, "maar dat hindert niets, als je maar voorzichtig bent; alle jongens doen het; ze gaan zooveel te vroeg dicht en soms zegt de man, die er bij staat zelf: ga je gang maar!"

Moeder trok hem naar zich toe. "Pim, jongen, moeder heeft het toch liever niet. Beloof je mij het niet te zullen doen, ook al schijnt het alsof 't nog wel kan?"

Pim beloofde het en toen was moeder gerust, want, hoe klein haar jongetje ook was, ze wist, dat ze op hem aan kon.

't Ontbijt was later dan anders; doordat Betje er niet was, kwam er telkens oponthoud. Kleine zus was ook zoo onrustig; ze schreide gedurig en dan moest moeder weer naar boven, waar ze nog in haar wiegje lag.

Pim pakte zelf zijn tasch in; anders keek moeder altijd, of alles er wel in was, nu deed hij het alleen. De sponzedoos was eerst zoek, toen moest hij zijn nieuwe griffels nog uit zijn kastje halen. Door een en ander ging Pim veel later van huis dan gewoonlijk, maar daar hij nu niet wou tollen, hinderde het niet. Als hij flink aanstapte, kon hij best op tijd komen; "tenminste...." zei Pim bij zich zelf terwijl hij op een draf door de drukke straten liep;--hij voltooide zijn zinnetje niet--wou er maar liever niet verder aan denken.

Andere jongens van school kwamen hem achterop; ze waren uit een hoogere klas. 't Leek wel alsof ze vandaag geen van allen te laat wilden komen; zeker dachten ze aan wat meneer gisteren ook in hun klas daarover had gezegd, want in plaats van zooals anders te slenteren of kattekwaad uit te voeren onderweg, stapten ze nu stevig door en één, die al een horloge had, spoorde hen aan nog harder te loopen, want 't werd tijd. Pim kon met zijn korte beentjes die veel grootere jongens niet bijhouden; hij bleef al gauw een eindje achter, hoe hij zich ook inspande en tot overmaat van ramp zag hij in de verte de afsluitboomen dicht. Daar hadt je het nu al! De jongens waren daar al en kropen er onder door. O, Pim hoopte zóó, dat ze weer open zouden zijn tegen den tijd dat hij er was; maar dat viel tegen. Er werd druk gerangeerd; onophoudelijk reden er losse locomotieven met vervaarlijk geblaas en gepuf heen en weer.

Pims hartje klopte hem in de keel van 't harde loopen, en nu zou dat allemaal nog tevergeefs wezen, als.... als die boomen niet gauw opengingen.

O, er kropen wel meer jongens onder door, groote menschen ook. En Pim zou 't ook best durven, maar.... maar.... hij had moeder immers beloofd het niet te zullen doen.

Hij popelde.--Aan een mijnheer, die ook stond te wachten, vroeg hij met een beverig stemmetje hoe laat het was.

"Op slag van negen, ventje," was het antwoord; "je mag straks wel hard loopen, anders kom je nog te laat op school!"

"Kruip er onder door!" ried een slagersjongen aan, terwijl hij 't zelf ook deed; "dat duurt hier altijd zoo bar lang en nou op 't oogenblik is er geen trein." Toen hij midden op de rails was, bleef hij even staan en keerde zich om; "kom maar gauw," riep hij Pim toe, "'t kan best!"

De mijnheer sprak met den wachter; die deed den boom al een klein beetje omhoog voor Pim; ja, 't kon nu wel even. Hij liet ze gewoonlijk maar dicht, omdat er anders op eens zoo'n aandrang kwam van wagens en fietsen, en zoo lang was de weg niet vrij, maar even, heel even kon 't wel,--zeker!

De mijnheer maakte er gebruik van.

Pim aarzelde. Zou hij ook? Zou hij?--Als 't nu toch kon! Deed hij 't niet, dan kwam hij te laat--dan kon hij geen Rex worden, moeder er niet blij mee maken.... Moeder blij maken! Ja, maar.... hij had moeder daarnet toch beloofd.... De kleine jongen werd beurtelings warm en koud. Zou hij?--Zou hij niet?--

"Toe dan!" riep de wachter op barschen toon. "Ik kan den boom niet eindeloos ophouden voor jou!"

Pim zuchtte diep, terwijl hij een paar stappen achteruit ging. "Dank u," zei hij, "ik vind 't heel vriendelijk, maar.... maar...."

Met een harden slag viel de boom dicht, het traliewerk aan den onderkant rinkelde; de wachter keerde Pim den rug toe.

Die stond daar zoo kleintjes, zoo wanhopig in een hoekje. Wat kon 't hém schelen dat de trein daar voorbij snorde, dat nu over een paar minuten, als er ook een van den anderen kant zou zijn gekomen, de weg weer vrij werd.... Hij kwam nu tòch te laat, hij kon nu geen Rex worden; uit was het met zijn mooie plannen. En of hij straks al zei, dat het kwam door den overweg, de jongens, die gelijk met hem hadden geloopen, waren toch wèl op tijd geweest, zou meneer zeggen, en dát was waar; Pim wist er niets tegen in te brengen. Heel langzaam slofte hij naar school. 't Had al negen uur geslagen; Pim had 't wel goed gehoord; iedere slag had hem in zijn hartje pijn gedaan. -------

Pim zat met neergeslagen oogen in zijn bank. Meneer was zoo juist in de klas gekomen om de te-laat-komers op te schrijven. Pim was de eenige en alle jongens keken naar hem, terwijl meneer zei, dat hij dit toch zeker niet meer van Pim had verwacht, nadat ze er gisteren zóó over gesproken hadden. Pim antwoordde niets; zijn lippen trilden, hij zou zeker in tranen zijn uitgebarsten, als hij geprobeerd had wat te zeggen, en dat mocht niet; hij wou flink zijn. Nu riep op eens 't broertje van een der jongens, die Pim zooeven voorbij waren geloopen--een klein, vinnig ventje was 't, dat graag klikte en anderen zwart maakte: "Pim zou niet te laat zijn gekomen, als hij maar niet zoo flauw was geweest; hij is ook zóó bang, zegt mijn broer!"

Dat was te veel voor hem! Hij flauw? Hij bang?--En hij wist zoo heel zeker, dat hij 't ook best zou hebben gedurfd, dat, wat die anderen hadden gedaan!

Hij liet zich voorover op zijn lessenaar vallen en riep driftig onder 't snikken door: "Dàt's nietis, dàt's nietis, dat's nietis! Ik durfde 't óók best!"

De klikspaan schrikte er van; hij had spijt, dat hij zich maar niet had stilgehouden, want nu nam meneer Pim en hem samen mee naar zijn eigen kamer. Hier werden ze beiden ondervraagd.

In de klas was 't erg onrustig. Telkens keken de jongens naar de deur. Wat Pim toch wel voor flauws zou gedaan hebben? Of meneer erg boos op hem zou wezen?

Maar ze zouden 't gauw anders hooren.

Toen ze even later naar buiten gingen om in hun tuintjes te werken, voegde meneer zich bij hen; hij hield Pim aan de hand en praatte vriendelijk tegen hem. Pims gezichtje was nog wel behuild, maar hij keek toch weer vroolijk. De klikspaan-jongen daarentegen zag er uit, alsof hij pas eens ferm op zijn plaats was gezet; ongemerkt probeerde hij achter meneer om naar zijn tuintje te sluipen; daar ging hij dadelijk aan 't graven.

"Jongens," zei meneer, toen ze allemaal bij elkaar waren, ook die van de hoogere klassen, "ik wil jullie even zeggen, dat een jongen, die te laat komt, doordat hij niet een belofte aan zijn moeder heeft willen verbreken, volstrekt niet de kans heeft verloren om Rex te worden; integendeel, hij heeft daardoor bewezen flink te zijn, echt flink, zooals juist een eerste vereischte is voor dezen eeretitel!"

Allen, behalve de klikspaan, keken weer naar Pim; die van de hoogste klas nu ook, want ze gisten wel, dat meneer op hem doelde, hoewel ze er natuurlijk niet allemaal 't rechte van begrepen--maar wat zij wèl begrepen, was, dat zij, grooten, dezen keer een harden dobber zouden hebben om het Rex-schap te verkrijgen, daar er heel veel kans op bestond, dat zoo'n klein aapje uit de eerste klas er mee zou gaan strijken.

DE BOON

't Was Driekoningendag en volgens oud gebruik was er 's middags een Driekoningenbrood met een krans van brandende kaarsjes er om heen op de zaal gebracht, waar de herstellende kinderen waren. Zuster Mina's oogen schitterden net zoo vroolijk als de kaarsjes, toen ze den schotel op de tafel, in 't midden van de zaal, zette, waar alle kinderen er goed naar konden kijken. Straks zouden ze er van mogen proeven, maar nu moesten de kaarsjes eerst maar wat vroolijkheid brengen met hun lichte vlammetjes en onderwijl vertelde Zuster Mina met haar zachte, duidelijke stem van de drie Wijzen, of drie Koningen, uit het Oosten, die de verre, verre reis deden op hun kameelen, geleid door 't licht van de Ster, om het Kindeke in de kribbe te zoeken.

De meeste kinderen waren met Kerstmis ook al in 't Ziekenhuis geweest en hadden toen bij den Kerstboom hooren vertellen van 't Kindeke in de kribbe, geboren in den stillen Kerstnacht.--En dit, waar Zuster Mina nu van sprak, geleek hun een vervolg toe van die mooie, oude geschiedenis.--

De kaarsjes waren nog maar kleine stompjes en 't was begon af te druppelen. Zuster Mina blies ze nu voorzichtig één voor één uit.--Alle kinderen keken er met gespannen aandacht naar, hoe 't ééne lichtje na 't andere verdween.

Hè, zoo jammer, vonden ze 't, toen er geen een meer over was; 't Driekoningenbrood, zonder zijn stralenkrans, geleek zoo nuchter en gewoon.

Maar Zuster Mina had al weer wat te vertellen. Nù sprak ze niet zacht en eerbiedig, want dit, wat er nù kwam, had met die mooie geschiedenis niets te maken; dit was maar een grapje, een aardigheid, die de menschen later verzonnen hadden, toen ze Driekoningenfeest gingen vieren en daarvoor Driekoningenbrood bakten. Al heel lang was 't de gewoonte geweest een boon in 't deeg te bakken. En wie dan straks, bij 't ronddeelen, de boon op zijn bord zou krijgen, werd "koning" genoemd en moest trakteeren.

En nu was er in dit Driekoningenbrood ook een boon verborgen.

Dàt vonden de kinderen leuk, vooral toen ze hoorden dat degene, die de boon zou krijgen, vandaag ook "koning" zou wezen.

"Moet hij dan ook trakteeren?" vroeg Betje de Bruin en ze strompelde op haar krukken naar de tafel om 't gebak eens goed te bekijken. Misschien zag ze de boon wel, dacht ze, maar dat was mis.

"Neen," zei Zuster Mina, "wij doen 't zóó: wie "koning" is, mag kiezen wat voor spelletje er gespeeld zal worden en mag dan 't eerst een beurt hebben. En op zijn bord zetten we een nieuw kaarsje. Dat steken we aan en zoo lang 't brandt, mag de "koning" een mooie kroon op hebben van goudpapier."

"Of de "koningin"," riep Betje.

Zuster lachte. "Ja, natuurlijk, als jij de boon treft, ben je koningin en dan mag jij de kroon op hebben. Kijk, hier heb ik 'm!"

De mooie gouden kroon ging voorzichtig van hand tot hand.

"Pas op, niet scheuren," waarschuwde Dora Bergen, toen Hansje 'm van haar aanpakte. Hans was zoo'n wilde jongen. Door zijn wildheid kwam 't ook, dat hij hier was: hij was achter op een wagen geklommen, had een leelijken val gedaan en had zijn hoofdje erg bezeerd. 't Zat nog in verband, hoewel hij al weer vroolijk rondliep.

Zuster Mina kreeg de kroon weer goed en wel terug. Zij zette 'm op een kastje en ging nu 't Driekoningenbrood snijden. Heel langzaam, dat allen 't goed konden zien. 't Was een gewichtig werkje, vonden de kinderen.

Twaalf gelijke stukken lei Zuster op een schotel. 't Gebak was precies op gedeeld. In één van die stukken was dus de boon verscholen!--

"Hè, 'k hoop dat ik 'm tref!" zei Piet.

"Nee ik!" riep Dirk.

"Och jongen, jij bent al zoo groot!"

"Nou, wat zou dat? 'k Wil toch wel 's "koning" zijn; dat is me nog nooit gebeurd. Wat zeit u, Zuster?"

"Of je gelijk hebt," lachte Zuster Mina en begon rond te deelen.

"Wachten tot ieder een stuk heeft, kinderen, en dan tegelijk beginnen," riep zij.

De grooten gehoorzaamden dadelijk en lieten hun deel rustig liggen, maar voor de kleintjes was 't een toer er af te blijven.

"Hans zit er telkens met zijn vingers aan, Zuster," klikte Betje.

"Nietes," bromde Hans met een vuurroode kleur.

"Ziezoo, nu kunnen jullie beginnen! Wat ik benieuwd ben," zei Zuster Mina, "wie straks de kroon op zal krijgen!" En ze ging vast een nieuw kaarsje klaar maken.

Al gauw klonk het: "Ik heb 'm!" Dat was 't schrille stemmetje van Hans. Hij hield een boontje omhoog.

"Wel, wel," zei Zuster: "zoo'n kleine "koning"--als de kroon je maar past!"

't Kaarsje werd aangestoken en Hans kreeg de kroon op; ja, dat ging best. Alle kinderen lachten en riepen: "Leve koning Hans"!

Maar "koning Hans" zei niets en at stilletjes zijn gebak verder op, zonder haast naar 't kaarsje te kijken. De anderen hapten lustig van hun stuk; ze behoefden niet meer zoo voorzichtig te doen, want ze wisten nu, dat er toch niets in was. Maar 't smaakte er hun even lekker om, hoor!

Opeens, zoo onverwacht, dat ze er allemaal van schrikten, klonk 't heel hard: "hé!" Dat was Dirk.

"Ik heb óók een boon," riep hij verbaasd; "'k had 'm bijna ingeslikt, kijk!" en op zijn bord liet hij 't boontje rondgaan.

"Dan zal de bakker er twee in hebben gebakken," zei Zuster Mina,--"nu hebben we dus twee koningen--dat 's een raar geval, want er is maar één kroon!"

"O, laat Hans 'm gerust ophouden," riep groote Dirk gauw en hij lachte, "'t Is maar de aardigheid; ik ben best tevreden, als jullie allemaal "leve koning Dirk!" roepen!"

Dàt deden ze. Tot de laatste kruimeltjes toe werd 't lekkere Driekoningenbrood opgegeten. Toen was ook meteen Hans' kaarsje opgebrand. Zuster nam hem de kroon af, want de kinderen moesten nu een uurtje rusten. Straks zouden er spelletjes gespeeld worden en Hans en Dirk mochten dan om beurten kiezen. Omdat ze allebei "koning" waren, was dat 't eerlijkste.

Dirk was 't best, maar Hans zei niet veel. Of hij moe was?

's Middags, bij het spelletjes doen, moest Zuster telkens naar hem kijken; hij was zoo hangerig en zat maar 't liefst in een grooten stoel te droomen.

Toen de dokter kwam, sprak ze even apart met hem over den kleinen jongen en 't gevolg was, dat Hansjeman al heel vroeg in zijn bedje werd gestopt.

"Wel te rusten "koning" Hansje!" zei Zuster Mina uit de grap, terwijl zij zich over zijn bedje boog om hem toe te stoppen.

Daar begon Hans plotseling te schreien, zoo bitter bedroefd, dat Zuster er van ontstelde. Ze nam hem in haar armen en suste hem en eindelijk was de kleine jongen zoover bedaard, dat hij zeggen kon, wat er aan scheelde. O, dat was een naar verhaal, dat Zuster te hooren kreeg. Hansje had toch zoo valsch gedaan vanmiddag met de boon! Hij was zoo bang geweest, dat de boon niet in zijn stuk zou wezen en toch had hij zoo dolgraag de mooie kroon op willen hebben; daarom had hij gauw, stilletjes, 't boontje uit zijn sponzendoos in zijn stuk Driekoningenbrood gestopt. De boon van Dirk, dat was wel de echte boon geweest, maar Hans had zich, toen Dirk 'm vond, zóó geschaamd: hij had 't niet durven zeggen. En nu had hij er toch zoo'n vreeselijken spijt van! 't Was aldoor zoo'n akelig gevoel geweest, niks leuk om zóó "koning" te zijn en de kroon had hem zóó gedrukt,--hoewel 't maar een licht dingetje was, dat je wel weg kon blazen,--en 't lichtje had hem zoo in de oogen geschenen, dat was nog 't ergste geweest, dat mooie, heldere lichtje, dat tot in Hansje's hart scheen door te stralen--o, hij had 't haast niet uit kunnen houden.

Zuster praatte zachtjes nog een poosje met Hans. Toen werd hij rustiger en viel kalm in slaap.

Den volgenden morgen was Hans veel beter; hij mocht weer op den gewonen tijd opstaan en 't leek voor de andere kinderen of er niets veranderd was, of alles bij 't oude was gebleven.

Maar er was wèl wat anders geworden--dat wist Hansje heel goed.

Toen hij na eenigen tijd weer heelemaal beter was en naar huis kon gaan, was hij wat ongerust, dat Zuster Mina vergeten zou zijn sponzendoos bij zijn goed te pakken.

In die sponzendoos had Hans een boontje.

Zuster wist 't wel; ze had 't gezien, maar zei er niets van.-- -- --'t Was de boon van den Driekoningendag.--

DE NIEUWE SLEE.

"Wat zit jij zoo ijverig te schrijven, Wim?"

"Och, niks!"--en Wim legde gauw zijn arm over 't papier, terwijl hij Nette met een donkeren blik aankeek.

"Hij maakt een verlanglijst voor zijn jaardag," vertelde Otto, die aan den anderen kant van de tafel zijn Fransche woordjes in de dictionnaire opzocht.

"Daar hoef je toch niet zoo geheimzinnig mee te doen! Laat 's kijken, Wim! Toe, wees niet zoo flauw! Hoe kan ik je nou wat geven, als ik niet eens mag zien wat er op staat?"

Wim schoof voorzichtig een vloeitje over 't begin van zijn lijst en terwijl hij dit stevig vasthield, leunde hij wat achterover om Nette een kijkje op de rest te geven.

"Een zakmes, een doosje potlooden, een geschiedenisboek, een stempel," las Nette halfluid.

"En een slee, een mooie ijzeren, zooals Vic Rijen er een heeft," viel Otto in, terwijl hij gauw onder de tafel dook om de prop papier, die Wim hem naar 't hoofd gooide, te ontwijken.

"Dat is gemeen! Hoe kom je daaraan? Hoe weet je dat?" voer Wim vuurrood van drift uit, terwijl Nette van de gelegenheid gebruik maakte om het vloeitje weg te trekken. Ja hoor, daar stond het met groote letters boven aan de verlanglijst: "een ijzeren slee zooals Vic heeft."

"Dat 's gemeen," bromde Wim nog eens. Otto kwam weer boven water en gooide een handvol snippers uit de prullenmand op de tafel.

"Och, mannetje, heb toch niet zoo'n praats! Je hebt zeker wel een half dozijn verlanglijsten op klad gemaakt en op iedere lijst stond 't met letters als koeien; als 't zoo'n geheim was, hadt je maar wat beter op de snippers moeten passen. Hier heb je ze! Kan ik 't helpen, dat ik 't zoo heb gelezen?"

"Nou ja," mompelde Wim nog, maar verder hield hij zich stil. Hij wou maar liever niet verder over de slee praten; hij schaamde zich eigenlijk voor de anderen, dat hij met zoo'n grooten wensch voor den dag kwam. Gewoonlijk kregen ze op hun jaardagen van Ma een boek en verder een paar kleinigheden.--Maar een slee--dat was zoo iets groots,--Wim had 't bijna niet durven opschrijven--en toch, en tòch--hij wilde er zoo dolgraag een hebben. De tijd voor sleden op den Bergweg kwam nu weer aan. Heerlijk, zoo met een lange rist achter elkaar van boven af te komen, en als de baan goed was en er niets in den weg kwam, hadt je zoo'n vaart, dat je heelemaal tot aan het Corversbosch, daar waar de weg ombuigt naar de Schuttershei, doorgleedt.--Heerlijk! Wim vond 't nog prettiger dan schaatsenrijden!--Maar dit jaar zou hij niet kunnen meedoen, behalve misschien den enkelen keer, dat Otto hem zijn prikker wilde leenen, want de zijne had 't verleden winter afgelegd, er was geen herstellen meer aan. Wim was er ál te woest mee omgegaan; daarvan had hij nu spijt genoeg, maar dat was een schrale troost en 't hielp hem niet aan een nieuwe slee!--Zijn eenige hoop was nu op zijn jaardag gevestigd. Zou Ma misschien?? In elk geval kon hij 't probeeren, en zoo kwam het, dat op Wims verlanglijst met groote letters bovenaan stond: een ijzeren slee.