Verspreide Opstellen, II

Part 9

Chapter 93,873 wordsPublic domain

De straatlantaarns verspreiden hun waaiers van geel licht nog over mijn verlaten weg. Maar als ik, in de schaduw tusschen twee lichtwaaiers, omhoog zie, tintelen daar weer de stille sterren. Die behoeven wat duisterheid om gezien te worden, als de vreugde van het eenzame jongetje.

X. HET GELUK.

I.

Het geluk is een stemming.

Dat is dus iets heel ijls.

Je kunt het niet pakken, niet vasthouden, niet vóór je zetten, niet bij je steken, niet opsluiten.

Het is als het aroma van een bloem.

Maar dan eigenlijk nog precies het tegenovergestelde.

Want de bloemengeur is iets zwevends, we kunnen hem opvangen, verdichten, vloeibaar maken, meedragen, er ons mee verkwikken wanneer we willen.

Doch het geluk is niets, absoluut niets. Men kan niet zeggen: het is minder dan het denkbaar kleinste stofdeeltje, want dan zou het, bij toeneming, bij vermenigvuldiging, misschien nog éénmaal op te vangen zijn, op de fijnste punt van de fijnste naald. Maar het is met geen stofdeeltje te vergelijken, het is met niets in de wereld te vergelijken, het bestaat niet in de wereld. Zelfs niet in het heelal. 't Is dan ook onzin te spreken van het ijle geluk. IJlheid en dichtheid komen alleen te pas in de wereld der stof. Wat ijl is moet onder omstandigheden ook dicht kunnen worden. En zoo moeten we dus onze uitspraak, dat het geluk iets heel ijls is, weer intrekken. Het is iets volmaakt anders. Het is—dat is het meest juiste wat we er van kunnen zeggen—het is niets.

En toch is het zoo werkelijk als dit blad papier, zoo reëel als een tafel. We nemen het zoo zeker waar, als dien stoel, als dien schreeuw, als dien geur. We zien het niet, hooren het niet, ruiken het niet. Maar het is er, en zóó stellig, dat we soms den stoel niet zien, den schreeuw niet hooren, den geur niet ruiken, omdat we alléén oogen en ooren hebben voor het geluk. Ja, àl het bestaande, àl het omringende verdwijnt dan voor het geluk, dat eigenlijk „niets” is, maar dan alléén bestaat, en het zoogenaamd werkelijk bestaande wordt niets.

Het is dus dwaasheid te spreken van kleiner dan een stofdeeltje. Het geluk is reusachtig groot. Het neemt den omvang aan van kamers, van huizen, van straten, van pleinen, van wouden, van wolken, van het luchtruim. Het vult een hoekje van een eenzaam hutje en het gansche heelal. Wáár we dan liggen of wandelen of zweven, overal ontmoeten we het.

Als het zoo werkelijk en zoo groot is, kunnen we het ons toch wel toeëigenen? Dat beproeven de menschen dan ook, honderden en duizenden en millioenen. Misschien wel allen. Dan gieten ze het in een glas en noemen het drank. Dan tellen ze het uit in een kist en noemen het geld. Dan vlechten ze het tot een krans en noemen het roem. Maar als ze dan het glas ledigen, was 't geluk er juist uit verdwenen. En als ze 't geld in de hand houden, voelen ze 't geluk niet meer. En als de krans hun hoofd siert, drukt hij met zorg, angst, wangunst, omdat het geluk, nog net tijdig, aan de lauwerbladeren ontsnapt was.

Het is een wonderlijke verschijning, dat onwerkelijke en toch zoo waarachtig werkelijke, dat ongrijpbare en toch alom aanwezige, dat eeuwig gezochte en eeuwig ontvluchtende.

* * * * *

Wat is het een zegen, dat het geluk maar een stemming is.

Ware het een goudklomp, dan zouden we er om moeten strijden en ten slotte zouden alleen de sterken het in hun bezit hebben.

Ware het een hooge rang, dan was het nooit voor een laaggeborene en eenvoudig aangelegde beschikbaar.

Ware het een kunstwerk, dan konden alleen de artisten er naar streven.

Maar het is zoo iets vaags en algemeens als de dampkringslucht. Je hapt maar en je hebt het. Of je zwak bent of sterk, arm of rijk, simpel of wijs, alledaagsch of begaafd, je hapt maar. Keizer of landlooper, het geluk is bij ieder en voor ieder, zooals het water om de visschen.

Doch zóó is het toch niet precies.

't Is niet _om_ ons, maar _in_ ons. En het trekt er niet van buiten in, maar moet van binnen uit ontwikkeld worden. Bloemen ademen geuren uit. Zoo ontvloeit als een opwekkend aroma aan ons innerlijk leven de geluksstemming.

Nu is het de moeite van 't opmerken waard, hoe dat innerlijk proces onafhankelijk kan werken van allerlei buitenafsche invloeden, hoe deze zelfs vaak ontbindend en bedervend invreten in dien teeren, nauw-luisterenden groei daar binnen. Rijkdom, rang, roem, ze vernielen het geluk, dat zoo rustig wasemde in bescheiden, nederigen, vergeten staat. Zinnestreeling, zielsbekoring, ze vergiftigen de vredige stemming, die, tot stralende verrukking gestegen, inzinkt tot donkere dofheid. Kracht doet in overmoed, wijsheid in zelfvergoding het geluk vervluchtigen. Zoo werkelijk als het is, zoo schuw. Het vliedt voor een schim. Maar ook, ondanks zijn teerheid, kan het sterk zijn als diamant. Het weerstaat ziekte, armoede, vernedering, zelfs gezondheid, rijkdom, verheffing. Het blijft trouw in tegenspoed, zelfs in voorspoed. Het ontplooit zijn stemmingsschoon onder alle, de meest tegenstrijdige omstandigheden, het is de schijnbaar grillige, onafhankelijke heerscher, die zijn troon stelt waar hij wil.

De naar 't uiterlijk misdeelden soms begenadigend, de naar 't uiterlijk bevoorrechten zijn zegen onthoudend.

Voor ieder toegankelijk, door niemand te dwingen.

En toch door zoo weinigen anders dan kortstondig genoten.

Waarom?

We willen toch wel het geluk?

Ik vrees, dat velen meenen, dat het een goudklomp, een hooge rang, een kunstwerk is, en dat ze nu altijd maar den verkeerden kant uitkijken.

Slechts een stemming. God heeft het zijn kinderen wel gemakkelijk gemaakt. Waarom maken _zij_ het zich zoo moeilijk?

II.

Het geluk is slechts een stemming.

Doch is dit een voordeel?

Een stemming....

Ware het liever goud of rang of kunst of kracht, dan konden we, met een vast doel voor oogen, het wellicht door volhardende inspanning veroveren. En als we het dan eenmaal hadden, dan hádden we het ook.

Of, nog beter, ware het kennis!

Dat zou inderdaad het beste zijn. Want kennis kan immers iedereen verwerven?....

Hoe zullen we in vredesnaam ons een stemming verzekeren!

Zij mag dan zoo eenvoudig, zoo overal en altijd beschikbaar en bereikbaar wezen, hoe krijgen we ze, hoe onderwerpen we haar ons, hoe verzamelen we haar in een accumulator?

Zij is niet aan gezondheid, rijkdom, eer gebonden. Maar waaraan dan wel?

Ze is ook niet aan ziekte, armoede, schande verknocht, anders konden we, als de vroegere monniken en bonzen en derwischen, ons lichaam verwaarloozen, zelfs kerven, de woestijn in trekken en de bespotting der wereld winnen.

Ze stoort zich niet aan kennis. Zelfs niet aan deugd.

Dat laatste is wel het droevigste, het bitterste, wat er is: Het geluk stoort zich niet aan deugd. We zijn hulpvaardig, inschikkelijk, waarheidlievend, eerlijk tot op een penning—en toch niet gelukkig? En daar zijn anderen: zelfzuchtig, hardvochtig, leugenachtig, oneerlijk—en toch wel gelukkig?

Doet het er dan niets, niets aan toe, wat we zijn of hoe we zijn, wat we doen of hoe we dat doen?

Loopt er dan nergens een grenslijn door de physieke, de oeconomische, de sociale, de geestelijke, de zedelijke wereld, zoodat we met zekerheid kunnen zeggen: Aan deze zijde waait onafgebroken de zoele wind van het geluk? Hier, waar de palmen en olijven wassen, daar stijgen ook de wierookgeuren der geluksstemming?

Wanneer er nu eens een mensch was, gezond, sterk, welvarend, hooggeplaatst, veelwetend, verstandig, wijs, braaf—zou hij gelukkig zijn? Zou het geluk 't product zijn van al die factoren? Of zou er één, één heel geringe invloed kunnen werken, die dit productsgeluk tot in 't hart vergiftigde?

* * * * *

Er schijnt een grenslijn te zijn, maar die volgt niet de punten, door ons aangegeven. Ze loopt door den leeftijd, en scheidt kinderen van ouderen.

Kinderen ziende, in hun vrijen, niet door volwassenen beroerden staat, moeten we wel onder den indruk komen: Wat zijn zij gelukkig!

Een arm schooiertje, nauwelijks vijf jaar, drentelt in zijn havelooze plunje door de straat. Het motregent. Een dame, achter de ruiten, beklaagt het arme kind. Hij hoort dit gelukkig niet en zingt: Weg met de Sociale, leve Willemien, de handen in den zak, den mond wijd open. Van Sociale weet hij niet, van Willemien evenmin. Maar er zingt iets in hem en dat pakt de klanken die toevallig in de lucht zweven.

Twee kleine meisjes, vierjarigen, loopen op het trottoir. Ze steken de straat over, kleine scheepjes, drijvend in de menschenzee. Eensklaps rolt, onvoorzien, een zwaarbeladen kar vlak bij hen. Nu komen ze op een meneer af, een wildvreemde, en geven hem een handje. Vol vertrouwen. Doch pas is 't gevaar geweken, of ze laten den meneer weer los en vervolgen hun tocht. Zonder bedanken. Ze zeggen niet eens: Dag Meneer! Ze reizen onbekommerd door 's levens moeilijkheden en grijpen de hulp aan van 't oogenblik.

Een familie is met één slag van schatrijk straatarm geworden. De ouders zijn der wanhoop nabij, de dochters zitten gebroken, met roodbeschreide oogen. Het groote landgoed met villa, koetshuis, personeel—alles weg. Er komen gedachten aan zelfmoord. Alleen de zevenjarige Henri voelt er niets van, en speelt op zijn fluit. „Maar Henri, hoe kun je fluiten, je weet toch dat we nu arm zijn,” zegt een zuster, zacht-verwijtend. „Mag een arm jongetje dan niet fluiten?” vraagt Henri.

Een meisje van vijf jaar zoekt kiezelsteentjes in den tuin, platte. Dat zijn guldens, en daar koopt ze allerlei dingen voor, ginds in den winkel van den kastanjeboom. Ze koopt zich rijk met niets. Dan toovert ze, van haar guldens, kinderen die naar school gaan, en de school is daar in dien hoek, op het plaatsje achter 't huis.

Zou er op de geheele wereld iemand met zijn edelsteenen goedkooper, volkomener, veiliger gelukkig zijn dan dit kind met haar kiezelsteentjes? Is er één opera-zanger ter wereld, die onbezorgder geniet dan dit zingende schooiertje? Gaan er ooit meisjes in dreigend gevaar—vertrouwenvoller naar vreemde meneeren? En waar is een wonderer tooverfluit, dan die in de vingers van den rijken armen Henri?

Nergens bloeit het geluk, de zuivere stemming, zoo rijk, zoo natuurlijk, zoo onafgebroken als in de kinderwereld. Hildebrand heeft verhaald van kinderrampen, maar waren die niet hoofdzakelijk uit de wereld der volwassenen geimporteerd?

Wie gelukkig wil zijn, blijve een kind. Dan zingt hij zijn vreugde uit in den motregen, vertrouwt op de hulp van het moment, werkt zich niet ziek voor diamanten en hecht meer aan de fluit, die hem trouw blijft, dan aan 't landgoed, dat zich verspeculeeren laat.

Indien gij niet wordt gelijk deze kleinen, gij zult het koninkrijk der hemelen geenszins binnengaan.

* * * * *

Een kind blijven, opnieuw een kind worden, is dat mogelijk?

Blijven—dat wordt den kinderen moeilijk genoeg gemaakt, door Ooms, Tantes, Grootouders, door hun eigen Ouders, door het heirleger van volwassenen. Dezen—men rekent ze soms tot de opvoeders—roepen door geschenken de hebzucht, door sieraden de ijdelheid, door lof de eerzucht, door vleierij de jaloezie wakker. Het kind is niet gelukkig, als het niet een schat van speelgoed, mooie kleeren en de bioscoop heeft. Men wekt begeerten, maakt ontevredenen.

Opnieuw een kind worden—dan moeten we ons onttrekken aan de zuiging der wereld, die ons hardnekkig voeren wil in haar sfeer van kostbare en rustroovende zotheden. Wij moeten durven zingen, zonder te letten op haar critiek; durven genieten van de weiden, de boomen, de wolken, de sterren, de vogels, gelijk het kind van zijn steentjes; de vredestemming van een eenvoudig genot hooger schatten dan de zorg van een omvangrijk bezit; en ons durven loslaten in 's levens zee, onder alle omstandigheden vertrouwende op een Macht, die wij bij de hand kunnen vatten.

Zullen we dan verzekerd zijn van altijd-durend geluk?

Licht komt alleen uit tegen duister. Geen geluksstemming zonder ervaring der smart. Deze laatste zal ons niet bespaard blijven. Maar het is droevig te zien, hoeveel menschen de zuivere stemming verjagen, die ze wilden verwerven, gelukzoekers in het land van zorg, schijn en slavernij, waar 't geluk niet te vinden is.

XI. DOE HET GOEDE. EN DAT GOED.

Een strenge eisch?

Niet zoo erg.

Er staat immers niet: Doe al het goede. Er staat ook niet: Doe het moeilijkst goede.

Er staat alleen: Doe het goede. Welnu, doe dat dan.

* * * * *

Er staat een bak aardappelen om te schillen. Schil die.

Of dat dan iets goeds is?

Wel, natuurlijk. Er moet toch gegeten worden? En daartoe zijn toch aardappelen noodig. En die moeten toch eerst worden geschild?

Aardappelen-schillen, dat is: medewerken aan het onderhoud van het menschelijk geslacht. En zou dat niet iets goeds zijn?

Sommigen denken bij het woord goed aanstonds aan de zelfverloochening van een heilige.

Ten onrechte. Dan kwam de meerderheid onzer nooit aan het goede toe.

Maar goed is: Schoenen poetsen, vaten wasschen, bedden opmaken, administratie bijhouden, kinderen verzorgen, een scheepsdek schrobben, den vloer vegen, tuinboonen doppen, onkruid wieden, zieken oppassen, orde handhaven, vleesch braden, huizen bouwen, schoenen lappen. En duizend dingen meer.

We hebben de hand maar uit te strekken en het goede ligt onder haar bereik. Overal omringt het ons. Gelukkig. Zonder een heilige te zijn, kan ieder onzer dag aan dag het goede doen.

Doe dat dan. En doe het goed.

Poets de schoenen—zoo, dat ook de randen en de hakken glimmen. Wasch de vaten—zoo, dat alle vet verdwenen is, ook uit de hoekjes. Maak de bedden op—zoo, dat een mensch lekker ligt. Voer de administratie—zoo, dat alles er behagelijk uitziet en uitmunt door nauwkeurigheid. Braad het vleesch—zoo, dat het niet verbrandt. En lap de schoenen—zoo, dat er geen pennen of spijkers door steken.

Doe uw werk onberispelijk, hoe eenvoudig het zij. De eisch is uiterst bescheiden. Alle noodig en nuttig werk is goed.

Maar och———

In een groot gebouw had men een werkvrouw, die de vloeren inderdaad onberispelijk schrobde. Als zij een vloer gedaan had, was deze blank.

De vrouw werd eindelijk te oud en te zwak voor haar werk. Toen zocht men jonge krachten, die haar taak konden overnemen. Men beproefde het met frissche, jonge meiden, met jeugdige weduwen, zelfs met jonge mannen, glazenwasschers van beroep. Maar niet één schrobde de vloeren blank. Ze flodderden en dweilden, maar als den volgenden morgen de vloer droog was, zat hij nog vol vuile strepen en vegen en plekken. En langs de randen der muren was het één donkere lijn van vuil.

Al die jonge, krachtige menschen, die zich voor werkvrouw uitgaven, waren niet in staat een vloer te schrobben. Ook niet de deskundige glazenwasschers. En de oude werkvrouw bleek een unicum geweest te zijn.

Het goede doen? Er zijn zeker genoeg bereidwilligen.

Het goede _goed_ te doen? Dit geschiedt alleen door de zeldzame uitzonderingen. De overgroote meerderheid is niet in staat, meer dan zestig procent der eischen te voldoen.

* * * * *

Er was een arme jongen, die door het sterven van zijn vader al vroeg uit geldverdienen moest. Hij werd loopjongen in een winkel. Pakjes bezorgen, dat was inderdaad een uiterst bescheiden werk. Volgens sommigen heb je daar geen verstand voor noodig, zooals b.v. voor het inschrijven van bestellingen, optellen van posten, klaarmaken van rekeningen. Verstand is pas noodig, zoodra er geschreven en gerekend moet worden. Maar onze jongen bleek toch dat overbodige verstand te gebruiken. Eer hij uit den winkel ging, keek hij opmerkzaam de adressen na, trok nog eens aan de touwtjes, of ze behoorlijk toegeknoopt waren, sorteerde de pakjes, zoodat hij er een paar meer kon dragen dan een ander, bepaalde een vlugge route. Door dit alles was hij reeds vlug met zijn werk gereed. Zelfs kon hij nu en dan vergissingen voorkomen, door tijdig de onderstelling te opperen, of een zeker voorwerp wel aan dàt adres moest worden bezorgd. Hij wist, door ervaring, hoe en waarmee bepaalde klanten bediend moesten worden. Zijn aandacht zat in zijn werk en dwaalde niet, onder 't loopen, naar alle gevalletjes, die buiten zijn taak lagen. En zoo werd hij een nadenkende, eigenlijk een voordenkende loopjongen.

Natuurlijk sprongen zijn verdiensten gauw in 't oog. Een loopjongen, die geen standjes behoefde te krijgen voor stommiteiten, dat was al een wonder, maar een, die pluimpjes verdiende met verstandige zorg en gewetensvolle trouw, dat was een mirakel. Onze vriend had zelf geen aasje idee van eenige bijzondere verdienste; het sprak voor hem vanzelf, dat hij zijn werk goed deed; het controleeren van adressen en inpakkerijen kon hij eenvoudig niet nalaten; hij had er bovendien een zeker plezier in, de kortste route te vinden en onderweg rekening te houden met tal van bijzonderheidjes, zoo bijv. met het feit, dat meneer A. op bepaalde uren niet thuis was of mevrouw B. het snelst hielp tusschen tweeën en halfdrie. Zijn werk zat vol problemen, en zonder dit als iets gewichtigs te beschouwen, was hij aanhoudend bezig, die problemen te stellen en op te lossen.

Die jongen klom op tot winkelbediende, tot eersten bediende, tot chef van een groot magazijn, tot directeur eener reusachtige zaak. Hij had ook leger-commandant kunnen worden of eerste minister. Dat hing maar van omstandigheden af. In welke richting hij zijn levensarbeid had gevonden, hij zou er geslaagd zijn en een der hoogste trappen bereikt hebben, terwijl zijn vroegere kameraden het niet verder hadden gebracht dan van loopjongen tot loopknecht. Vele menschen maken alleen promotie in leeftijd en als het van hen afhing, zouden ze niet eens ouder worden.

* * * * *

Er zijn mededingers naar allerlei betrekkingen, die het in een aantal prachtige aanbevelingen zoeken. Ze leggen letterlijk een verzameling van getuigschriften aan, alsof de leegte van een vacante plaats met zoo'n pakket gevuld moest worden. Iedere sollicitatie wordt gerugsteund, om niet te zeggen voortgeperst, door de dringende en haast dwingende opsomming van hun deugden. Die getuigschriften lezende—als men er den tijd voor af kan nemen—vraagt men zich met verbazing af, waarom al die vroegere patroons toch zulk een rijkbegaafde hebben laten schieten. Men zou zoo denken, dat iedere chef overgelukkig behoorde te zijn met zulk een medehelper. Doch al de overige bezitters zijn blijkbaar niet naijverig geweest op dit kleinood en hebben het in schitterende verpakking doorgezonden.

Maar één getuigschrift is er, dat absolute waarde heeft: het getuigschrift, dat een patroon iemand niet missen wil, omdat hij hem bijna niet missen kàn. Ten slotte komt de ondergeschikte dan niet met zijn verzoek bij de superieuren, maar komen dezen met hun aanbod bij den ondergeschikte, in wien ze superieure gaven waardeeren.

Het heet, dat men in onzen tijd er komen moet met kruiwagen en reclame. 't Is mogelijk, dat in bureaucratische kringen, waar zelfstandigheid niet gewenscht, zelfs niet geduld wordt, de aanbeveling het vaak wint van de verdienste: machineraderen kunnen gemakkelijk een andere, schijnbaar voorname plaats in het raderwerk innemen, ze passen overal. Maar waar het maatschappelijk leven nog niet verbureaucratiseerd is, waar nog gewerkt en geworsteld moet worden, waar persoonlikheden noodig zijn en geen raderen, waar men niet slechts behoeft te „loopen”, maar genoodzaakt is te presteeren, daar helpt kruiwagen noch reclame, daar zouden onbenullige middelmatigheden de zaak ten gronde richten, daar baat slechts één aanbeveling, de aanbeveling van éígen werk, dat van verstandelijke gaven getuigt; maar bovenal van den zedelijken dwang: het goede _goed_ te willen doen.

XII. OVER-RECKT.

'k Hebb over-reckt geweest; maer ben' der deur gebeten: Op 't slijten komt het aen.

CONSTANTIJN HUYGENS.

„Rusten maar”, zei de dokter. „Rusten maar. Is veertien dagen niet genoeg, dan een maand. Is een maand niet genoeg, dan drie maanden. Is drie maanden niet genoeg, dan een halfjaar. Ja eigenlijk—zoo besloot hij—eigenlijk moesten de menschen in dezen tijd, die 't wat erg druk hebben, of—klonk het er ietwat verwijtend bij—die zich wat erg druk maken, zoo om de zes jaar er eens een halfjaar uit, heelemaal eruit! Dat zou ze opknappen!”

De patiënt, tot wien hij die kleine speech hield, lag maar geduldig te luisteren en maakte onderdehand het plan, dat hij, als hij 't eens voor 't zeggen kreeg, zoo'n halfjaar vacantie om de zes jaar zou proclameeren. Maar om 't zoo ver te brengen, dat zijn invloed dit kon bewerken, moest hij niet rusten, maar werken. En zijn onrustige geest was al weer bezig.

„Neen”, zei de dokter, „rusten is niet volslagen luieren, maar onverplichten arbeid verrichten, arbeid, die niet van je geëischt wordt, die je niet jaagt en drijft, en dien je kunt laten liggen als de ambitie verflauwt. Rusten is: met kalmte en opgewektheid bezig zijn.”

„Mag ik lezen?”

„Welzeker, maar nog liever boomen omhakken. Doch je mag ook wel lezen, maar neem dan iets anders dan waarin je den laatsten tijd verdiept bent geweest.”

En de man van 't werkend rusten greep een deel van Huygens. Hij had al meermalen ondervonden, wat kalme opgewektheid er in de verzen van dezen zeventiend'eeuwer leeft en hoe die uit de verzen op den lezer overgaat.

De zakelijke Huygens, de man van het werkelijke leven, de blijmoedig belangstellende dichter, die de mysteriën van 't aardsche leven vol vertrouwen aan God overlaat en zich aan zijn dagelijksche plichten wijdt, deze moest zijn invloed weer eens doen gelden op een der zonen van den onrustigen nieuweren tijd. Kom, kloeke, kalme, krachtige voorzaat, spreek nog eens tot een uwer „overspannen” nakomelingen en giet hem iets in van uw vrede en sterkte.

Zullen we samen Hofwijck bezoeken? Daar is misschien het stille plekje, waar we buiten de beslommeringen der Hofstad weer langzaam op adem kunnen komen. Aanlokkender naam dan Hofwijck is er niet voor wie de rust behoeft, geen prettiger gezelschap dan dat van Huygens voor wie het leven, de natuur, 't menschelijk vernuft in gelijken mate bemint. Naar Hofwijck dan. Terecht zingt de dichter zelf: „Eens moet het Hof_wijck_ zijn.”

* * * * *

Zie, daar dwalen we al door de lanen van het rustige Buiten en zijn met den gastvrijen eigenaar in gesprek. We klagen hem onzen nood, en klagen daarbij de eeuw aan, die met zijn spoor en telegraaf, zijn boot en telephoon, met zijn fluitende of bengelende stoomtram tot zelfs in de afgelegenste hoekjes van 't land, den mensch nergens met rust laat.

Al dat krantengeschrijf, met ochtend en avond nieuwe emoties; al die wereldberoeringen, dagelijks overgebracht in iedere huiskamer; al die lectuur, die den dokter in zijn coupé en den reiziger in de trein zelfs niet loslaat, en die straks de voetgangers op den openbaren weg vergezelt en hen maakt tot lezende wandelaars en renners, die geen seconde tijd ongebruikt willen laten voor hun geestelijke inwikkeling; al dat gevecht in 's lands vergaderzaal en 's volks meeting—'t vermoordt ons.

Lezend en tobbend over de Dreyfuszaak, zijn we bezig ons zelf tot bannelingen te maken uit den kring van het rustige, vreedzame, kalme leven; levend en strijdend in den boerenkrijg, laten we ons kwetsen en dooden zonder een slagveld te hebben betreden.

Belangstellend in alle gewichtige feiten van den dag, verliezen we 't belang van ons eigen leven uit het oog.

En zoo raken we ten slotte—overspannen.

Ja overspannen, dat is een woord en een kwaal van den nieuweren tijd.

Vroeger kende men dat niet.

Toen was 't leven gezonder.

Toen waren de menschen krachtiger van zenuw en spier, beter van bloed.

Toen groeide en bloeide een forsch geslacht van fiksche mannen en blozende vrouwen en dartele, joelende kinderen.

Toen was 't de tijd voor bakkers en brouwers en kende men geen specialisten voor allerlei kwalen, zenuwartsen, zenuwinrichtingen, zenuwbaden, en de hemel weet wat gezenuw of gezemel nog meer!

Toen...