Part 8
Jongeren, als ze _echt_ zijn, móéten rood zijn, rood in godsdienst, rood in politiek, rood in ieder opzicht. Rood is de kleur van de dageraad. We weten immers dat dage_raad_ letterlik wil zeggen dage_rood_? Wat jong is, kent het leven niet, kent zichzelf niet, ziet alleen zijn ideaal van volmaaktheid en wil dit verwerkeliken. Heerlike jonglingschap! Wat jong is, gelóóft! Gelooft, ook al zegt het van geloof niets te willen weten. Gelooft in gelijkheid, in broederschap, in sociale rechtvaardigheid, in den adel der menselike natuur, in verwerkeliking van humanitaire denkbeelden, in een hemel op aarde! En _dit_ geloof is _echt_ gelóóf. Het is niet een verstandelik voor waar houden, niet het gevoelloos onderschrijven van een belijdenis, van een programma, maar het is een in 't diepst der ziel overtuigd zijn, het is een volkomen _gemoedsverzekerdheid_. Ach ja, ze menen wel, recht verstandelik te zijn en hun opvattingen zuiver te kunnen beredeneren, maar dat nemen we op den koop toe. Hoofdzaak is, dat ze het geloof in zich hebben als een gemoedskracht, die hen drijft en sterkt. En dit geloof, al kleedt het zich vaak, naar de eisen van deze tijd, in sociaal-democratiese denkbeelden, is het behoud der mensheid. Daardoor ontspruit in elke nieuwe lente der mensheid nieuw groen. Zonder dat zou de boom tenslotte niets hebben dan dorre, verkleurde bladeren, en sterven.
Daarom, maak u niet bekommerd, als uw kinderen „rood” worden. Verheug u veeleer. Mits ze het _echt_ zijn. Mits ze vol zijn van barmhartig meegevoel, niet alleen machtig in de critiek, maar bovenal bewogen door reddingsliefde tot al wat zwak en misdeeld is. Werkt deze _liefde_ in hen, geloof gij dan maar dat ze met christendom zijn ingeënt, ook al menen ze, door verkeerd begrip, voor 't ogenblik op het christendom te moeten afgeven. Verkeerd begrip is wel een droevig ding, maar véél droeviger is een verkeerde harteneiging. Dat begrip komt wel weer terecht, maar er moeten geweldige krachten komen, om een zelfzuchtige te bekeren, dat is: om te keren, tot een toewijdende. Waar toewijding is, is het beste wat een mens hebben kan. Terecht zingt een onzer psalmen: „Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen,” en durft zelfs getuigen: „Daar woont Hij zelf.”
Daar woont Hij zelf. Stouter kan het niet gezegd worden. Maar dan moeten we er ook wel diep van doordrongen zijn, dat er zuivere liefde werkt en niet anders dan deze. Wie zich „rood” noemt en dit meent te moeten tonen door schampere critiek, lasterend ondermijnen, boosaardig verdacht maken, felle haat, die is een niet minder groot huichelaar dan de schijnvromen die hij bestrijdt. Want ook hij, onder de vlag van het mensenminnend idealisme, dient slechts zijn eigen zelfzucht van een zeer laag gehalte.
Wanneer nu onze opgroeiende kinderen, gedreven door liefdevol medelijden en edele rechtvaardigheidszin, zich—zij het in kortzichtigheid—stellen tegenover onze godsdienstige of sociale of staatkundige beschouwing en zich zelfs willen aansluiten bij onze tegenpartijders, behoeven we daarover niet te treuren en past ons in geen geval dwang, die hen tot een onoprechte positie verplicht. Onze beste houding is: de kinderen volle vrijheid te geven, en ze daarbij de eis te stellen: Wees wat ge zijt, maar wees het echt.
* * * * *
In de gelijkenis van „De verloren zoon” wordt ieder getroffen door de blijdschap, waarmee de vader zijn berouwhebbend kind weer ontvangt. Het kind is van de vader afgedwaald, heeft al zijn geld verkwist in „liederlik leven”, en keert daarna pas terug. De twijfel is volkomen begrijpelik, of dit berouw wel het echte is. De zoon komt tot inzicht, als hij niet meer heeft, honger moet lijden, en zich niet eens mag voeden met zwijnendraf. Letterlik uit armoede zoekt hij zijn vader weer op, en zijn berouw komt pas in de bitterste nood. De vader vraagt echter niet, of de omstandigheden dit berouw niet een beetje verdacht maken. Hij laat zijn kind niet eens de tijd, woorden van berouw te uiten. Toen hij zijn zoon van verre zag, werd zijn hart door medelijden bewogen, liep hij zijn kind te gemoet, viel hem om de hals, en kuste hem. En wanneer de verarmde verkwister uitroept: „ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u en ben niet meer waard, uw zoon te heten”, is het antwoord niet een verwijt, een strafpredikatie, een instemming, zelfs niet een dankuiting voor dit blijk van berouw, maar zegt de vader tot zijn knechten: „Haalt aanstonds het beste feestkleed en trekt het hem aan,” en laat hij—een feestmaaltijd aanrichten!
Die vader is prachtig en we mogen ons maar innig gelukkig prijzen, dat ook ons berouw niet krities onderzocht wordt, wanneer we ten slotte uit de zelfbewerkte ellende, uit de smartvolle gevolgen onzer zonden vluchten naar zulk een Vader, die ons ook nog aannemen wil als we „uit armoede” tot hem komen.
Toch is deze trek van vaderliefde niet het enige, wat ons deze gelijkenis zo geliefd maakt. Heel in 't begin komt in de houding van de vader iets naar voren, dat niet minder opmerkenswaard is en door velen voorbij wordt gezien. Wanneer de zoon zegt: „Vader, geef mij mijn kinderlik erfdeel” horen we alleen, dat de vader het goed onder de twee verdeelde. En wanneer de jongste zoon daarna ver weg reist naar een vreemd land, horen we niet, dat zijn vader hem dit verbood.
Deze houding van de vader is zeer zeker ongewoon. Zullen er veel vaders zijn, die zonder bezwaar hun kinderen het hen toekomende geld uitbetalen? Zullen de meesten zich niet gegriefd tonen, als een ongehuwde zoon—zonder dat zijn „zaken” het eisen—zijn erfdeel opvraagt? Zal dit niet verwijdering geven tussen vader en kind? En wat zal daarna de vader doen, als zijn zoon met dit geld de wereld intrekt, om ervan te genieten? Zal de bezorgdheid over de toekomst van zijn kind niet verergerd worden door de vrees voor het verlies van zijn geld? Met het uitbetalen van het kinderlik erfdeel bracht de vader en zijn zoon én zijn geld in gevaar. En toch deed hij het.
En we horen niet, dat hij erbij murmureerde. We horen alleen, dat hij het deed op het vragen van zijn zoon. De zoon vroeg en de vader gaf. En meent ge, dat de vader de zinnelike neigingen, de lichtzinnige aard van zijn kind niet kende? De vader gaf, hoewel hij—ja misschien wel, omdat hij zijn kind kende; hoewel—misschien omdat hij de toekomst voorzag. De vader gaf en liet zijn kind gaan.
Nog eens, deze houding is ongewoon. Ze is niet menselik. Dat durven we niet. We zijn te bang, voor ons geld en voor ons kind. Wie van ons durft een heel erfdeel te wagen aan de levensvorming van zijn kind? We zetten liever het kapitaal voor hem vast. En wie durft—de vraag is diep-ernstig, al schijnt ze ongerijmd—wie durft de maatschappelike welvaart, de goede naam, de gezondheid van 't kind te wagen aan zijn zedelik heil? We zetten ook liever het kind vast in verboden en angstvallig bewaarde schijnbraafheid.
Wie heeft zijn zoon zo lief, dat hij hem kan zien verongelukken, wetende dat alleen ervaring hem wijs, smart hem beter kan maken?
Neen, ik vraag niet: Wie wil zijn kind ongelukkig maken? Ik vraag ook niet: Wie ziet met blijdschap, dat een kind zichzelf ongelukkig maakt? Ik weet veel te goed, dat het ouderhart wegkrimpt van smart, als het kind verongelukt.
Maar ik vraag: Wie durft het voorbeeld van de vader uit de gelijkenis te volgen? Wie durft zijn geld, zijn goed, zijn naam, zijn gemoedsrust, zijn liefde eraan te wagen, als hij weet, dat zijn eigenzinnig, lichtzinnig, genotlievend kind slechts gered wordt door ondergang?
Dat durft alleen, wie het zedelik louteringsproces hoger stelt dan de glimmendste schijnbraafheid; wie het om de waarheid en niets dan de waarheid te doen is; wie zijn kind de leerschool van 't leven kan insturen en niet vraagt naar het schoolgeld, maar naar de grote les die daar geleerd wordt en die de verloren zoon bij zijn tuiskomst _uit eigen hart_ opzei zonder dat iemand ze hem had voorgezegd: „Vader, ik ben niet waard uw zoon genaamd te worden, maak mij tot een van uw huurlingen.”
* * * * *
Het komt niet in me op, iemand de ouderzorg van een „verloren zoon” toe te wensen, maar die zorg kan men niemand besparen aan wie ze opgelegd is. In dat geval is er voor hem een troost: De „verloren zoon” is dikwels de verloren zoon niet. Hij komt weer terecht na en zelfs door zijn afdwalen. Maar de eigengerechtige, naijverige, wangunstige oudste broeder, die zo braaf, voor zichzelf zorgend, bij zijn vader bleef, hij is de eigenlike verloren zoon, verdwaald in geestelike hoogmoed en zelfzucht. Het is de vraag, of hij—ofschoon hij dageliks met hem omgaat—ooit zijn vader vindt. Jezus had het meest te kampen met de Farizeeërs.
Maar dan is er toch ook iets te doen, om, als de gevaarlike jaren komen, het gevaar voor afdwalen te verminderen.
Herhaaldelik hebben we er op gewezen, hoe waarheid in 't verkeer met de kinderen vertrouwen kweekt. Wie dit vertrouwen van jongsaf doet aanwassen in kracht en zuiverheid, zal ervaren hoe het én de opvoeders én de jongemensen tot steun kan zijn. Het is heerlik te zien, hoe opgroeiende jongelingen en jongemeisjes dan met al hun noden bij de ouders komen. Met _al_ hun noden.
Ik wéét het, hoe in zulke gevallen jongelingen met hun godsdienstige worstelingen en, wat misschien nog meer zegt, met hun strijd tegen zinnelike driften bij bij hun vader kwamen, deze om raad, om bijstand vroegen, ook in het bestrijden van geslachtelike zwakheden, hoe ze hun vader alles beleden, uit eigen beweging, en de maatregelen toepasten, door vader aanbevolen, hoe ze met vaders hulp streden en overwonnen.
Ook wéét ik, hoe verliefde en verloofde meisjes alles met moeder bespraken, zo eenvoudig, zo oprecht, zo rein, en met een gemakkelikheid, die voor de meerderheid der mensen een ondenkbaarheid is.
De meerderheid der mensen? Het ontbreekt hun aan ernst, aan moed, aan waarheidsliefde. De fout is niet bij de jongeren. Als zij bij waarheid worden grootgebracht, zijn ze in niets verlegen, om ermee bij de ouders te komen. Maar de ouders zijn verlegen. Die vervreemden hun eigen kinderen van hen. En daarvan openbaren zich later vaak de treurige gevolgen.
Slechts een heel kleine minderheid, slechts betrekkelik zeer weinige ouders durven onafgebroken volkomen waar met hun kinderen om te gaan. Doch zij zullen weten, hoe het vertrouwen, reeds vroeg ontwikkeld, later, als van alle kanten de gevaren dreigend kwamen opzetten, de zegenrijkste vruchten droeg.
Wie vertrouwen wil maaien, dient het tijdig te zaaien.
Niet overal, waar het aan waarheid ontbrak, vertoonden zich noodlottige gevolgen. Gelukkig. Maar dit mogen we veilig zeggen: zeer vele misstappen met de daaraan verbonden smarten hadden voorkomen kunnen worden, indien de ouders de liefde, de wijsheid, de moed hadden bezeten, de zelfverlochening en soms ook de zelfopoffering, om _gedurende de ganse opvoeding hunner kinderen_, van de wieg tot de bruiloftskoets, de waarheid te doen heersen.
Ik zou het verloofden en jonggehuwden, op grond van rijpe ervaring, wel op 't hart willen binden: Waag het maar. Ge zult eens zien, hoe innig en rijk de omgang tussen u en uw kinderen wordt. Bezwaren? Ze bestaan niet, ze vernevelen, verijlen, vervluchtigen. Vrees maakt ze massief, vertrouwen doet ze verdampen. En dan zult ge ook ervaren hoe ge, derwijze uw kinderen opvoedend, tevens uzelf opvoedt. Want waarheden, die we onze kinderen moeten zeggen, houden onszelf onder tucht.
* * * * *
„De eerste deugd is waarheid.”
We hebben dit oordeel van Beets aanvankelik in 't midden gelaten. Nu we echter onze beschouwingen hebben geëindigd, willen we die uitspraak nog even onder de ogen zien. Is waarheid de eerste deugd?
Het komt mij voor van niet.
Wie zich alleen door waarheid laat leiden en in de eerste plaats met haar te rade gaat, doet vaak nodeloos pijn.
Het is waar, dat uw gelaat lelik is, dat uw neus uw gehele uiterlik ontsiert. Is het nodig, dat ik u deze mijn mening vooral niet onthoud?
Grofheid, hardheid, onbeschaamdheid besparen ons menige krenkende en kwetsende ervaring niet, zogenoemd in dienst der waarheid. Dan menen ze aan de waarheid verplicht te zijn, ons vooral het onaangename te zeggen. Het aangename? Dat zou op vleierij kunnen lijken. Maar het onaangename. Dat is eerlik.
Ik geloof niet, dat dergelike eerlikheid goed doet. Ze maakt de spreker gevoelloos en onbarmhartig, berokkent de hoorder nodeloos verdriet.
Waarheid is een gevaarlike eigenschap, wanneer ze niet terzij wordt gestaan door kiesheid en liefde. Dan is ze een scherp mes, dat niet alleen zieke plekken opereert, maar ook in 't gezonde vlees snijdt en het lichaam verminkt. Ze ontstemt, verbittert, verhardt, wekt wrevel en weerwraak.
Waarheid moet ons heil beogen en alleen met dit doel aangewend worden. Zij moet voortvloeien uit liefde en geleid worden door liefde. Zij moet _dienares_ wezen der Liefde. Eerst dan kunnen we haar zonder bezwaar gebruiken.
Dienares. Het lijkt een vernederende positie. De Waarheid—dienares! De Waarheid—waar de mensen zo groot van opgeven!
En toch, het is niet anders. Zij is middel. In dienst der boosaardigheid, der haat, een vreselik middel. In dienst der Liefde een heilmiddel.
„Al ware het”, zegt Paulus, „dat ik de talen der menschen en der Engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden.
„De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen.
„Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.”
Kennis—zij zal te niet gedaan worden. En gelukkig, want wij, hardvochtige waarheidszeggers, „wij kennen ten deele.”
Maar „de liefde vergaat nimmermeer”.
„En nu blijft”, zegt de apostel ten slotte, niet waarheid, maar „geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.”
VII. AFKEURING EN WAARDEERING.
Hoe weldadig werkt na afkeuring de waardeering. Doch hoe eigenaardig en hoe droevig, dat in 't menschenleven bijna altijd de eerste voorop gaat. 't Lijkt wel, of de menschen die u iets onaangenaams te zeggen hebben zich hiermee moeten haasten. Verzwijgen kunnen ze 't niet: dat zou hun „eerlijkheid” niet gedoogen; en ze gebruiken de eerste de beste gelegenheid—of ongelegenheid—om u te believen, gelijk ze meenen, doch eigenlijk om u te grieven. En als ze u dan getroffen hebben, diep getroffen, dan zwijgen ze en gaan heen.
Maar dan komt de milder gestemde, die ook oog voor uw goede eigenschappen heeft, en aarzelend, schuchter waagt hij het, u van zijn ingenomenheid te spreken. Den brief, dien hij reeds voor u geschreven had, heeft hij weer vernietigd, omdat hij vreesde van vleierij te worden beschuldigd of misschien van huichelarij. Niet waar, de eerlijkheid gebiedt ons alleen, onze naasten te kwetsen. Streelen is veinzen. Doch gelukkig, zulke „veinzers” zijn er nog, en de verscheurde brief moge al niet in uw handen komen, na maanden wordt er een tweede geschreven en die bereikt u wel.
VIII. ZAAKONDERWIJS.
Zaakonderwijs—o, daar meent die man mee, dat je de kinderen alles echt moet laten zien, en dat je geen woorden moogt gebruiken.
Wie zo spreekt, nu, die heeft het glad mis.
Geen woorden gebruiken?
Maar dat doe ik op dit ogenblik toch zelf, nu ik zaakonderwijs ga geven over zaakonderwijs.
Hoe zou een leraar in geschiedenis de zaken uit het verleden kunnen meedelen zonder woorden?
Als die man aan zijn jongens verhaalt van Napoleons tocht naar Rusland, zo levendig, dat de jongens er met hun hele hart bij zijn, dan _geeft_ hij zaakonderwijs, zo mooi als je 't maar denken kunt.
En als hij zijn jongens bracht bij oude gevels, dus bij de dingen, en hij opende hun ogen niet door zijn woorden, of hij liet ze documenten zien, b.v. handschriften, die ze niet begrepen, dan gaf hij _geen_ zaakonderwijs.
Zaakonderwijs—dat is, je leerlingen bij de werkelikheid brengen, zó, dat ze haar zien, de werkelikheid van het nabije of het verre, in plaats of tijd, op zinnelik of geestelik gebied. En daartoe gebruiken we de dingen, de modellen, de afbeeldingen, maar naast en zelfs bij dat alles toch ook de woorden. En daartegenover staat: formalisties onderwijs, waar geen leven in zit en dat geen leven wekt.
We gaan samen naar het Rijksmuseum, ik wijs u Rembrandt's Staalmeesters en zeg: Dit is een wonder van schoonheid. Gij zegt: die mannen met die hoeden? Van dat mooie zie ik niets. En toch is het zo, houd ik vol, want heel de wereld zegt het.
Heb ik u nu bij Rembrandt's schoonheid gebracht? Rembrandt was er in al zijn schoonheid, en gij waart er ook. Gij stondt tegenover elkaar. Maar er was geen aanraking. Die schoonheid bleef voor u verborgen. Ondanks uw geopende ogen zaagt ge niet. En nu bedoelt zaakonderwijs: uw ogen te openen, dat ze _wel_ zien. Zolang Rembrandt's schoonheid u niet ontroerd heeft, is al uw opgeven daarvan maar napraterij, formalisme, dode kennis. Daarom vordert zaakonderwijs twee dingen: de vatbaarheid van de leerling om te begrijpen, te gevoelen, en de kunst van de meester, om die vatbaarheid in werking te brengen. De gevoelige plaat moet er zijn èn 't zonnelicht, en anders krijg je nooit een photografie. De hele kunst van onderwijzen bestaat in het wekken der geesten, zodat de leerlingen—kleine en grote—zelf de stoffelike en geestelike realiteiten gaan zien en ervaren. En wie zulk onderwijs geeft—Fröbelonderwijzeres, leraar, predikant, professor—die geeft goed zaakonderwijs.
Onze gehele school, lagere en hogere, zit vol van pakhuiskennis. Kisten en balen vol worden geladen en overgeladen. Dat goedje leeft niet, 't is alles netjes ingepakt ter verzending. Hoeveel studenten in de letteren komen in aanraking met de ziel der dichters, verklankt in hun taal? Ze „leren” literatuur, zoals onze kleine studentjes in de lagere school leren: „Op de kleigrond worden verbouwd tarwe, haver, bonen, suikerbieten, vlas, cichorei, enz.” Hebben ze die, al is 't in de schooltuin bij de botanieles, ooit leren kennen? Neen, nimmer, tarwe niet, haver niet, bonen niet, suikerbieten niet, vlas niet, cichorei niet, en enz. ook niet. 't Hoeft ook niet, als ze 't maar kunnen opzeggen.
Daartegen nu gaat het pleiten voor zaakonderwijs. Niet tegen het opzeggen, maar tegen het _enkel_ opzeggen. Tegen de vernisbeschaving. Tegen de schijncultuur.
IX. DE W.
Alles stroomde de stad in. Uit de buitenwijken zag je overal donkere rivieren van saamgedrongen menschen zachtjes door de straten vloeien, over de pleinen en bruggen, naar het centrum: zwarte stralen van een vreemde komeet, die, door de kern uitgezonden, nu weer werden ingetrokken.
Hoe dichter je het midden der stad naderde, hoe dichter de massa werd, totdat eindelijk, in 't hart der stad, op het ongeveer ronde plein, een groote schijf van rusteloos krioelend leven alles ontving en na warrelende wiegeling weer uitstuurde.
't Was een feestavond, de stad was schitterend geïllumineerd, en natuurlijk het schoonst op het oude, uitgestrekte hoofdplein en in de voorname winkelstraten.
De menschen zochten het licht, evenals de avondvlinders.
Misschien was ik de eenige, die tegen den stroom introk. Al dat geflikker en geschitter, al die vurige lijnen en lichtkleurige slingers, al die stralende schoonheid kon me ditmaal niet bekoren, en ik ging, alleen, uit de heete volte naar de koelte, de leegte en de donkerheid van een nieuwe arbeiderswijk in een afgelegen grensgedeelte der stad.
't Was daar donkerder dan gewoonlijk. Alleen de straatlantaarns brandden. Het licht in de winkelkasten had men maar niet aangestoken: er zouden vanavond toch geen koopers komen en de winkeliers waren zelf ook de stad in.
De huizen hadden een ongezellig voorkomen. De meeste vensters waren donkere vlekken. Slechts spaarzaam zag je door een neerhangend gordijn wat gelig schijnsel. Dat was bij oudjes of zieken.
Een vredige rust omving me. Hoe stil was het hier. Ik hoorde mijn eigen voetstappen. Tusschen twee lantaarns was het donker genoeg, om hoog, heel hoog, de sterren te zien—fijnstralende goudpunten in blauwzwarten hemel—koele lichten der eeuwigheid.
Toen sloeg ik een zijstraat in, en daar zag ik, in de verte, lichtjes. Lichtjes aan den voorgevel van een huis. Een illuminatie!
Een eenzame illuminatie midden in de verlatenheid.
Ik ging er heen. 't Was een W van rood-geverfde latjes. Vier vetglaasjes in de bovenste rij, drie in de middelste, twee in de onderste. Met elkaar negen. 't Waren er niet veel, maar ze brandden alle zuiver. En ze werden niet overschitterd door helgele flikkering van vlammend gas of koudwitten glans van booglampen. Ze hadden hier het rijk alleen.
Boven de W waren twee bochten van geplooid vlaggedoek, met wat sparregroen, en aan beide uiteinden oranjestrikken, als ter weerszijden van een paardekop.
En onder de W zat op een stoel, naast de huisdeur, een jongetje van een jaar of tien: eenzaam figuurtje bij de eenzame illuminatie.
Ik bleef staan, om de verlichting rustig te bekijken.
Toen stond het jongetje op, maar nam eerst een paar krukken terzij van zijn stoel. Daarna wentelde hij zich met een eigenaardige slappe slingering naar mij toe, en stond met een paar zwaaitjes naast me.
* * * * *
Hij wachtte blijkbaar dat ik wat zeggen zou, verwachtte wellicht een woordje van lof, en daarom zei ik: „Wat een mooie W! En wat branden ze mooi!”
Toen kwam het mondje los, helder jongensstemmetje in de straatstilte, en ik hoorde de heele geschiedenis.
Die W had hijzelf gemaakt, met zijn vader. Eerst hadden zij een paar latten gekocht, en die hadden ze in stukken gezaagd, precies op maat, en die hadden ze aan elkaar getimmerd, een echte W. En 't was een groote, want toen hij op de tafel lag, staken de punten aan alle kanten buiten den rand uit. Maar dat kon Meneer wel zien. „Hij is bijna zoo groot als ik.”
Met liefdevollen trots keek de jongen naar zijn W op.
En toen had hij hem mogen verven, heelemaal alleen, rood, ziet u wel. En vader had er de ijzertjes in gestoken—eerst gaatjes geboord—en hem opgehangen. Dat vlaggedoek had moeder genaaid, op de machine, drie banen. En die strikken, daar, op zij, ziet u, had moeder ook gemaakt.
Kind—dacht ik—wat ben jij gelukkig!
En toen had vader er vanavond de vetglaasjes ingezet en die tegen donker aangestoken. En ze brandden dadelijk mooi.
Waar vader was? O, die was met moeder naar de illuminatie kijken. Zijn zusje was ook mee. Maar hij kon natuurlijk niet. 't Was te vol. Maar dáárom had vader met hem samen ook een illuminatie gemaakt.
Was hij dan alleen thuis? Neen, grootmoeder zat binnen. Maar die zat zeker een beetje te slapen. Ze was ook al oud. Maar daar straks was ze toch buiten geweest en ze had de W natuurlijk ook zien branden en ze vond het ook prachtig.
Zoo vertelde hij me alles. Hij zag wel, dat ik veel belangstelling had en dat ik genoot. Maar hij dacht, dat het alles zijn mooie W gold. Hij kon ook niet vermoeden, dat ik belang stelde in _hem_ en genoot van _hem_. Wat was hij? Maar die W!
Toen ik afscheid genomen had, ging het eenzame figuurtje weer zitten, dicht bij zijn W, zijn eigen W, door vader en hem zelf gemaakt. Voor ik aan 't eind der straat den hoek omsloeg, keek ik nog eens om. Het jongetje was niet meer te onderscheiden; maar zijn eenzame verlichting straalde nog op een afstand, midden in de omringende schaduwen.
* * * * *
Weer ging ik in mijn eentje verder door de stille straten, maar nu stadwaarts. En ik dacht: Zouden er vanavond velen zoo innig en zoo rustig en zoo dankbaar van de illuminatie genieten als dat lamme kind? Vaders liefde straalt hem uit de negen lichtjes tegen. En symboliseert de eerste letter van den naam onzer Koningin hier niet ook de Weelde van zijn eigen Werk? Het zelfgemaakte, het eigene, het niet overschitterde—is dat niet de reine bron van zijn onvermengd genot?
Wat maken we het ons toch moeilijk! En hoe vaak wordt onze levensblijheid vergiftigd door jaloezie en nijd!