Part 7
Dat de jeugd van wonderdoende tovenaars vervreemd wordt, wanneer de waarheid haar strenge eisen stelt, kan alleen opkomen in het brein der breinloze onnozelheid. Is niet het ontspruiten van iedere zaadkiem een wonder en het openen van iedere bloemknop? Wie tovert daar uit de zwarte grond die groene stengels met die kleurige kelken? Daar droppelen wat nevels op de aarde, daar spelen wat gouden stralen over die donkerheid, en er verrijzen groene zuiltjes, zwevend van lenigheid, en waarop zich rode en gele en blauwe offerschalen ontplooien, die bedwelmend zoete geuren omhoog zenden. En het grootste wonder bij dit wonder is, dat we de toverwereld zien, zonder dat de tovenaar zelf aanwezig schijnt. Een man, die uit een lege hoed levende vogels schijnt te halen, gapen we met eerbied aan. Doch zie nu, daar ontstaat vanzelf—kan het toverachtiger?—vanzélf een weelde van vormen en kleuren en geuren, en we zien het niet, en zo al, dan aanvaarden we het als een „vanzelfsheid”, waaraan alle wonder vreemd is. Alleen onze blindheid voor de toverwereld der werkelikheid klaagt over armoede te midden van de rijkdom, en het zijn weer, vrees ik, de misdeelde zielen, die voor de gekunsteldheid der menselike tovenaars pleiten, omdat ze instinktmatig voelen alles te verliezen, waar dit maakwerk hun ontvalt. 't Is echter wat veel gevergd, hun hol gelawaai, hun conventioneel gekerm, hun grootwoordige gevoelloosheid te respekteren als bewijzen hunner warme liefde voor het wondervolle. Zolang er leven is, is er wonder, en ieder vliegje, zwevend door de kamer, is met zijn gazen vleugeltjes of waar het straks langs de vensterruit wandelt, een zwevend sprookje, een wandelend mysterie.
* * * * *
Het is verre van mij, sprookjes en wonderverhalen te willen verbannen, doch men vergete toch niet, dat deze niet verteld worden als antwoorden op kindervragen. Geheel iets anders is het met de ooievaarshistorie en de Sint Niklaasmanifestatie. Hier wordt niet als vertelseltje, niet als toneelspel, maar als werkelikheid aangeboden en onbevangen aangenomen, wat geen werkelikheid is. Bij 't verhaal van de wolf en de zeven geitjes weten de kinderen heel goed, dat het „een verhaaltje” is, en geen moeder heeft er plezier in, haar kind met alle geweld te doen geloven, dat de geitjes weer levend te voorschijn kwamen, toen de buik van de wolf werd opengesneden. Het kind luistert en leeft mee, alsof het waarheid was, maar wéét het tegendeel, en de moeder laat het daarbij. Maar zelfs als het kind uit zichzelf begint te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die bisschop en niet meer kán geloven, dat een ooievaar een kindje door de lucht kan dragen, doen de volwassenen nog hun best, deze twijfel te onderdrukken, vrezende het feest dan al zijn heerlikheid en de geboorte al haar reinheid te doen verliezen, beide van hun „heerlike poëzie” te beroven. Dit nu wijst op een averechtse opvatting van poëzie, volgens welke deze onmogelik zou wezen zonder zulke geloverijen in overgeleverde voorstellingen.
Poëzie is een _kracht_ in de mens. Zij openbaart zich in verbeeldingen en materialisaties. Zo kunnen de scheppingen van het voorgeslacht de poëzie vertolken van vergane eeuwen. Maar in zichzelf zijn ze geen poëzie.
Men kan wel zeggen, dat in ieder kind deze kracht werkt. Een jonge moeder schrijft me van haar vierjarig dochtertje: „Op 't ogenblik amuseert ze zich nog al eens met vijf kleine dochters en twee kleine broertjes, die enkel in haar verbeelding bestaan, maar waarvoor ze toch in Gouda blauwe en witte jurken gaat kopen, waarvoor ze kleren strijkt, die ze te eten geeft en in het bad stopt.” Waar komen al deze dochtertjes en broertjes vandaan? Wie maakt ze zo werkelik, dat Anneke jurken voor ze koopt en deze zelfs strijkt? Behoeft de moeder daarvoor 't kind iets wijs te maken? Wel neen, 't kind maakt zichzelf iets wijs, en dit is de ware aard der poëzie: deze kracht heeft scheppingsvermogen. Poëzie komt van een werkwoord, dat _maken_ beteekent, zij maakt iets, zij schept, zij beeldt uit, zij geeft stemming gestalte, zij maakt neiging tot droom en droom tot levensrealiteit. En _deze_ poëzie maakt het mensenkind rijk te midden der armoede.
Heeft niet elke moeder die kracht in haar kinderen zien werken? Ze is niet verbeelding. Ze _gebruikt_ verbeelding. Deze is haar dienaresse. Ze is niet schoonheid. Ze tovert schoonheid. Ze is, wat de levenskracht in de natuur is. Ze is scheppingsvermogen, opborrelend uit de geheimzinnige bron van het leven zelf. En gelijk die levenskracht in de natuur de sprookjes der bloemen- en dierenwereld voor onze ogen als reëele schoonheid doet verschijnen, zo roept zij uit de donkere aardbodem der kinderziel de sprookjes van kindertjes in blauwe jurkjes, die grote reizen maken in de spoortreinen der stoelen.
Nooit heb ik kinderen—én mensen!—gelukkiger gezien, dan wanneer ze hun eigen scheppingsdrang konden volgen. Verloren in arbeid, maakten ze, rustig gelukkig, hun mooie, ook wel hun constructieve verbeeldingen—kleine ingenieurs—tot zichtbare en tastbare werkelikheid. Dan waren ze aan het dichten. Dan werkte de Poëzie in hen. En deze Poëzie kon door de verhaaltjes van wolven en elfen en Sint-Niklazen wel van haar oorspronkelikheid verliezen, door de ooievaarshistorie wel in voorvaderlike banen geleid of misleid worden, maar behoefde dit verbeeldingsmateriaal niet, om te worden gewekt of gevoed.
Men versta mij nogmaals wel: ik bestrijd hier niet het vertellen van deze dingen, ik betwist alleen, dat zij nodig zouden zijn, om wat poëzie te brengen in de kinderwereld.
En zo vreze men dus niet, door zuiver-zakelike inlichtingen, door eerlik-nauwkeurige antwoorden de poëzie in de kinderziel te doden. Het kind gebruikt de verworven kennis als bouwstoffen voor zijn scheppingen. Doch laten we nu de zaak niet omkeren. Wanneer het kind toverpaleizen maakt van stoven en prinsessen van poken, wanneer kiezelsteentjes tot uitgezochte versnaperingen worden en nietsigheden tot prachtdingen, wanneer het uit de lucht vriendjes en vriendinnetjes oproept en met deze phantomen ernstige gesprekken voert en zelfs vrolike spelletjes speelt, dan moeten wij niet zeggen: dat alles bestaat niet, dat is maar verbeelding, want dan vergrijpen we ons evenzeer aan de ziel van het kind, als wanneer we deze met leugens menen te vormen. We moeten het goed beseffen: rijmende regels maken geen gedicht en conventionele voorstellingen geen poëzie. Het gedicht zingt zelf zijn rythmiese regels, de poëzie roept zelf haar verbeeldingen op, en beide komen, als vogelgejubel uit verliefde keeltjes, als schone uitlevingen van het bewogen gemoed.
V.
Waarheid in de opvoeding, zo zeiden we in het begin, is slechts een middel.
_Slechts_ een middel.
Maar welk een heerlike vrucht kan het ons bezorgen.
Als we jegens elkander steeds _waar_ zijn, groeit er een steeds dichter _onderling vertrouwen_ op.
En dit vertrouwen geeft aan 't onmisbaar verkeer met mensen—in 't gezin, in school en kerk, in de fabriek, in de... Staten-Generaal!—zo'n veilig rustgevoel.
Onderling vertrouwen is een geestelike atmosfeer, weldadig en vruchtbarend.
Evenwel—hoe verkwikkend en sterkend, dit vertrouwen is toch ook weer slechts een middel.
Wanneer de leden onzer roverbende volkomen op malkaar kunnen rekenen, volkómen, is hun dit wel zeer geriefelik in 't bedrijf, maar waarborgt het in geen enkel opzicht hun zedelike vooruitgang.
Het is verwonderlik, hoe vele zogenoemde deugden eigenlik alleen bruikbaarheden zijn, middelen die voor een zeker doel „deugen”, maar met waarachtige zedelikheid niets te maken hebben. Waarheid en vertrouwen—'t zijn woorden met een edele klank, vertegenwoordigen ook wel mooie eigenschappen, de vraag is echter: welk doel beogen we ermee?
Heiliging van ons zelf en anderen?
Dan is 't goed.
Doch zedelik verderf van onszelf en anderen?
Ook dit kan door waarheid en vertrouwen worden beoogd en bereikt.
Een goudstuk kan God of de Duivel dienen. Bouwen we er kroegen en bordelen van of weeshuizen? In zichzelf heeft het geen waarde. En zo is 't ook met de goudstukken van vele zogenaamde deugden. Wat bouwen we er mee op?
Wat bouwen we met waarheid en vertrouwen in onze kinderen op?
Het is niet de zon der waarheid, het is niet de dampkring van 't vertrouwen, die beslissen over de toekomst. Dezelfde zon, dezelfde dampkring doen giftplanten en voedingsgewassen uitgroeien.
Zon en dampkring zijn slechts middelen.
De aanleg, in de zaadkorrel verborgen, is het zijnde, het bepalende. Daarvan hangt de aard van het gewas af. En de hoofdvraag is dus in de opvoeding: Wat doen we met de aanleg van 't kind?
Kunnen we die beinvloeden?
Kunnen we die _veranderen_?
Dit laatste lijkt onmogelik.
Er kan alleen sprake zijn van een bevorderen en belemmeren. Een kweken of verstikken van aanwezige eigenschappen.
Zoals een kind geboren is, _is_ het geboren. Het heeft in zijn aanleg zijn bestemming.
Is er dan geen „wedergeboorte” mogelik?
De grenzen van dit opstel gedogen niet de behandeling van deze vraag. Ze wordt hier alleen gesteld, om ons eraan te herinneren, dat het gewichtigste probleem der opvoeding, de zedelike vorming, op een ander gebied ligt dan we nu hebben betreden.
Wie omtrent de mogelikheid van aardverandering, van wedergeboorte, een belangrijk boek raadplegen wil, leze: „Gebroken aardewerk” van Harold Begbie.[3] Eén citaat kan volstaan, om de betekenis van dit werk te doen uitkomen: „Wat wij ook van het verschijnsel zelf mogen denken, het feit staat vast, dat door hetgeen wij bekeering noemen, menschen die met bewustheid het verkeerde doen, die slecht en ongelukkig zijn, op eens met hun vrijen wil het goede doen en zich gelukkig gevoelen. Het brengt geen _verandering_ te weeg maar een _omkeering_ in aard. _Het schept een nieuwe persoonlijkheid._ De uitdrukking „wedergeboorte” is geen rhetorische overdrijving, maar _een feit uit het gebied der zielkunde_.”
[3] Naar het 250ste duizendtal van de Engelsche uitgave door G. Akersloot. Utrecht, H. Honig. 1912. Prijs ƒ 1,25.
Men zal erkennen, dat deze uitspraak aan beslistheid niets te wensen overlaat. En daarbij vergete men niet, dat de schr. leerling is van Prof. William James, de psycholoog, aan wie hij zijn boek „met bewondering en eerbied” opdraagt.
Deze kwestie brengt ons in het hart der zedelike opvoeding en we hopen er, naar aanleiding van het genoemde boek, onze aandacht aan te schenken. Wellicht moeten we dan tot de conclusie komen, dat de „wedergeboorte” toch niet een „nieuwe persoonlikheid” schept, maar verborgen elementen der oude persoonlikheid heeft doen uitschieten. We kunnen ons onmogelik een te-voorschijn-komen van een nieuwe aard voorstellen en het feit zelf verliest toch niets van zijn aangrijpende betekenis, wanneer we aannemen, dat in de bekeerde latente eigenschappen zo krachtig zijn opgetreden, dat ze de verschijning der persoonlikheid als 't ware een geheel nieuw karakter hebben gegeven.
Hoe het zij, we kunnen noch wensen er op 't ogenblik dieper op in te gaan. We moesten echter nóg eens duidelik uitspreken, dat de vorming der morele persoonlikheid beheerst wordt door andere faktoren dan door „waarheid in de opvoeding”, al is dit „middel” belangrijk genoeg, om, eer we eindigen, zijn betekenis ook nog toe te lichten in de omgang met de oudere kinderen van 14–20 jaar.
* * * * *
Met jongelieden van deze leeftijd volkomen waar om te gaan, valt vele volwassenen moeilik, moeiliker dan met kinderen beneden die leeftijd.
Dit is geen wonder.
Jonge kinderen, als ze naar belangrijke dingen vragen, vragen haast altijd uit voorbijgaande nieuwsgierigheid. Hun weetgierigheid is meer een geestelik spelletje dan uitvloeisel van diepgevoelde hartedrang. Ze willen iets weten, omdat plotseling een vraag _vóór_ hen oprijst. Maar de vragen rijzen niet zo _in_ hen op. Wanneer ze antwoord krijgen, zijn ze dan ook onmiddellik tevreden en laten de pas verworven wijsheid straks weer gemoedelik schieten. Ze hebben geen flauw besef van de belangrijkheid hunner vragen en van het gewicht der antwoorden.
Niet alzo is het bij de jongelieden. Bij hen wordt het ernst. En daarom kunnen vele ouders gemakkeliker waar zijn met de kleintjes, dan met de groten. Bij die kleintjes blijft het toch maar aan de oppervlakte. Die denken niet door. Die staan geheel in hun eigen kinderwereldje, brengen daar de wijsheid der volwassenen heen en herleiden ze tot kinderproporties. Ze maken van alles iets kinderliks, omdat ze de gevoelens en denkbeelden der ouderen niet kúnnen verstaan.
De jongelieden echter gaan met hun _ervaringen_ gaandeweg in de wereld der volwassenen over. Zij komen ons physies en psychies hoe langer hoe dichter bij. Zij vragen niet uit speelse nieuwsgierigheid, zoals zonnestraaltjes even door 't lover trillen, maar uit levensbehoefte, gelijk wortels in de grond dringen om voedsel te halen en een stevige stand te verzekeren. Hun opmerkingen zijn gekleurd door hun persoonlikheid, die zich in steeds helderder en scherper trekken openbaart. En de ouders voelen, dat langzamerhand gelijken hen naderen, zij het ook dat deze nog vele kenmerken van onrijpheid vertonen. Dit maakt vele ouders onrustig en ze ontwijken hun opgroeiende kinderen.
Daardoor doen ze die opgroeiende kinderen te kort.
Over 't algemeen worden onze „jongelingen” en „jonge meisjes” opvoedkundig niet zo goed verzorgd als de „kinderen”. Hun halfslachtige positie typeert hun hele leeftijd en komt reeds uit in het gemis van een eigen naam. Er zijn kinderen en volwassenen. En daar tussen in?
Heeft men er wel eens aan gedacht, hoe impopulair de namen „jongelingen” en „jongedochters” zijn? We durven ze haast niet te gebruiken. Met heel veel gemak spreekt iedereen over kinderen, maar we voelen aanstonds enige en soms grote stroefheid in onze spraakwerktuigen, als we 't over jongelingen en jongedochters moeten hebben. Die woorden willen ons niet familiaar worden en schijnen zich alleen tuis te gevoelen in deftige verbindingen als „Christelijke Jongelingsvereeniging” en stijve toespraken. Voor dit opgroeiend geslacht hebben we geen eigen, vertrouwlike, inheemse namen, waarmee het volk in al zijn lagen voor den dag durft komen, en de wetenschappelike opvoedkundige schrijvers der laatste jaren vergasten ons op het woord _pubers_. Al herinnert dit woord eraan, dat deze knapen en meisjes in de puberteitsperiode zijn, is het daarom een woord, waarmee een gewone liefhebbende moeder haar kinderen kan aanduiden? „Uw jongens en meisjes zijn gelukkig de kinderleeftijd te boven, mevrouw!”—„Ja, meneer, dat zijn gelukkig al pubers.” Neen, dat gaat niet.
Dan maar liever gesproken van „jongemannen”, „jongeheren”, „jongedames”, al bewijzen deze woorden duidelik, dat de betrokkenen geen eigen namen bezitten, maar tevreden moeten zijn met die der volwassenen voorafgegaan door het beperkende „jonge”. Te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken, moeten ze het stellen zonder eigen disdoek en zich in vredesnaam met het tafellaken der ouderen maar leren zindelik houden. Ze hebben een eigen positie, een eigen karakter, eigen noden, maar deze worden niet derwijze erkend, dat er ook eigen namen, eigen rechten, eigen voorzieningen komen.
Laat de eigen namen dan weg blijven, indien de eigen rechten maar toegekend en de eigen voorzieningen verschaft worden. Nog oneindig meer dan bij de opvoeding der kleinen is waarheid nodig in de omgang met de groten. Voor hen kan het een levensredding zijn.
* * * * *
Doch nu wordt er van de ouders grote zelfverlochening geeist. Hoe gaarne ze ook zagen, dat de jongelui de ideeën, idealen, beschouwingen der ouders deelden, ze moeten het kunnen verdragen, dat het precies omgekeerd is en de jongeren met hun denkbeelden en toekomstplannen lijnrecht tegenover hen staan.
Vader en Moeder zijn steeds rechtzinnig godsdienstig geweest en hebben hun kinderen trouw in die geest opgevoed. Nu komt er echter twijfel in de harten dier kinderen. Een maar al te verklaarbare twijfel. Hun gemoed komt in opstand tegen de voorstelling van een God, die zoveel zonde en ellende toelaat ondanks zijn liefde en almacht, hun verstand heeft geen vrede met het aannemen van waarheden, die strijden met rede en natuur. Ze kunnen onmogelik geloven, dat water in wijn veranderd wordt en een dode opgewekt, en alles in hen verzet zich tegen een Vaderliefde, die een enige Zoon aan het Kruis doet nagelen, om door dat offer te voldoen aan de eis der gekrenkte rechtvaardigheid. Zij zouden zelf zo geheel anders doen, zij zouden geen „wonderen” nodig hebben om hun goddelikheid te bewijzen en deze goddelikheid liever getoond hebben in het _voorkomen_ van de zonde bij de mensenkinderen, dan in het offeren van een enig kind nadat die mensenkinderen eerst in de zondeval waren gelopen.
Ze voelen er iets zo bitter, bitter oneerliks in: eerst de mensen scheppen met eigenschappen, die hen zéér zeker zullen doen vallen en hun daarna die val verwijten en ze ervoor straffen. En dan nog aan te nemen, dat de niet alleen almachtige dit gans anders had kunnen inrichten, maar de alwetende dit alles reeds van te voren wist, dat Hij, aleer de mensen in 't aanzijn te roepen, reeds wist dat zij vallen zouden! Hoe, in vredesnaam, blijft er voor die arme verdoolden, wier lot reeds lang te voren bepaald was, enige verantwoordelikheid over voor bedreven schuld! Indien hier schuld is, dan voorwaar niet bij deze slachtoffers, wier lot was voorzien en voorzegd, en die, door goddelike almacht gedwongen, door een goddelik raadsbesluit genoodzaakt, wel móésten vallen! Waren de mensen zondenvrij gebleven, dan ware het goddelike raadsbesluit niet uitgevoerd! De ongehoorzaamheid in het Paradijs was dus, in eeuwigheidslicht beschouwd, eigenlik gehoorzaamheid. De eerste mensen gehoorzaamden, en juist door hun overtreding, aan hetgeen de almachtige reeds van eeuwigheid her besloten had. Maar moest hun die „gehoorzaamheid” dan als vergrijp worden toegerekend?
Het is voor rechtzinnig gelovende ouders smartelik, als hun kinderen met deze critiek tot hen komen, te smarteliker, waar zij er ongoddelike machten in zien werken, eigengerechtigheid en geestelike hoogmoed, eigenwillige dienst des verstands, en vrezen dat de zielen, in de greep van Satan, verloren zullen gaan. Voor waarlik gelovenden openbaart zich hier niet een „verschil van zienswijze”, waarover te redeneren valt, maar een _zwenking in zielerichting_, die—als God het niet verhoedt—op verderf, op eeuwige rampzaligheid moet uitlopen. Oppervlakkig ongeloof denkt hier zo licht over en ziet slechts een onderscheid van beschouwing. Maar hoe voelen ongelovige ouders het, als hun meisjes, hun huwbare dochters, aldus redeneren: „Die sexuele zelfbeheersing is eigenlik onzin. Wij zijn geschapen met drang naar het moederschap. Aan die drang moeten we voldoen. Dat is niet alleen gans rein en natuurlik, het is zedelike plicht, het is gehoorzamen aan levensroeping. Huweliken zijn maar menselike instellingen, verre daarboven gaat de zuivere bevrediging van de spontane, ongereglementeerde behoefte onzer scheppingsrijpe natuur. En in plaats van zonde is het deugd, wanneer een meisje een onecht kind krijgt. De onechte kinderen zijn juist de echte.” Houdt een moeder, al is ze nog zo vrijzinnig, haar hart niet vast, wanneer die gedachten in haar dochter opkomen? En hoe denkt die uiterst verlichte vader erover, wanneer zijn achttienjarig kind, in eerlikheid van overtuiging, die „weg der natuur” op wil? Gedachten zijn maar niet ijdele hersenspinsels, het zijn de verstandelike lijnen en figuren, waarin zich de gemoedsbewegingen, de neigingen, aan het bewustzijn openbaren. En het is alleszins begrijpelik, wanneer de verlichtste vrijzinnigheid onrustig wordt, wanneer dergelike gedachten door jonkvrouwlik verlangen worden gevormd en geuit: Er dreigt voor ouders en kind—zij het nog slechts in de verbeelding—nameloze ellende, een volkomen verbrijzeld leven. Doch hoe, lieve vrijzinnige, moet het dan ouders te moede zijn, die, in door u aangemoedigde en geprezen critiek op geloofswaarheden, de donkere wolken zien aandrijven van een noodweer, dat, losbarstend, _eeuwige_ ellende veroorzaakt in een volkomen verbrijzeld zieleleven? Gevallen meisjes zijn nog op te richten, de gevallen engelen zijn onredbaar in de afgrond gestort.
* * * * *
In critiek op geloofswaarheden openbaart zich een zielerichting, en deze is het, die gelovige ouders met angst vervult. Te meer reden voor die ouders, om aan zulke critiek niet het zwijgen op te leggen. Laat de jongeren maar uitzeggen, volkomen eerlik uitzeggen, wat er in hen omgaat. Dan hebben de ouders de beste gelegenheid, invloed te oefenen.
Doch ik zou nog verder willen gaan. Laat de jongeren niet alleen zeggen wat ze denken, maar, kunnen ze niet meer bidden, verplicht ze dan niet tot een huichelend vertoon; voelen ze zich in de kerk niet meer tuis, dwing ze dan niet tot kerkbezoek. Er is geen groter zonde dan de leugen en terecht wordt Satan de vorst der leugenen genoemd. Leugen is duisternis. En wie zich in de duisternis rustig voelt, zoekt nooit naar het licht. Liever openlik bekend en getoond, wat er in ons omgaat, dan een schijnleven geleid, dat anderen en ons zelf bedriegt.
Dit geldt ook in gevallen, wanneer, juist omgekeerd, de kinderen tegen de zin der ouders, zeer rechtzinnig worden. Het „Leger des Heils” vindt men heel mooi, vooral sinds de Generaal aan vorstelike hoven is ontvangen, maar men acht het toch minder wenselik, dat zijn eigen kinderen er in dienst nemen: dan is er iets dweepzieks en zelfs iets ordinairs in. Zie nu toch: in plaats dat de ouders zich verheugen over de ernst hunner kinderen, welke geen vrede heeft met vrome praatjes maar pas rust vindt in _doen_—de daad is toch pas de waarachtige uitzegging van ons zijn—tonen die ouders zich bang voor eerlikheid en zien ze hun kinderen maar 't liefst streberig afstevenen op een mooie, voordelige en vooral fatsoenlike positie. Ze willen hun kinderen wel doen aannemen tot lid van een kerkgenootschap en behoorlik naar de kerk zien gaan, dat staat netjes, is ook meermalen niet onvoordelig, maar hun meisjes te zien meetrekken met „het Leger” of hun jongens te horen praten van „zendeling-worden”—dat geeft zo'n akelig gevoel van onrust.
Niet anders is het, wanneer de jongeren in het sociale en politieke leven een andere richting willen inslaan dan de ouders, wanneer de dochter voor vrouwenkiesrecht gaat ijveren en de zoon zich bij de sociaal-democratie aansluit. Dan loopt menig ouder langs het water van 't leven, als moeder kip, toen een van haar kuikentjes niet in 't droge zand bleef scharrelen, maar brutaal te water ging. Angst, angst, angst, dat het kind verdrinken zal. Maar als dit kind nu in 't water zijn element vindt?