Verspreide Opstellen, II

Part 6

Chapter 63,788 wordsPublic domain

Gemakkeliker is het echter, te redeneren. Dat geeft ons het plezier van 't verstandelik opbouwen, het genot van een zuivere hervormingsbraafheid, en 't eist geen opoffering van neigingen en lusten in het gewone leven van huiskamer en werkplaats. Doch wil men inderdaad in en door zijn kinderen het heil der toekomstige mensheid bevorderen, dan schijnt mij de aangewezen weg: Praat ze niet vroegrijp met allerlei ongepeilde beginselen en ongewogen algemeenheden en onbegrepen theorieën, maar doe ze dag aan dag ervaren—ervaren!—wat het betekent, een verkeerde lust te beheersen, een slechte neiging te bedwingen, een lelike stemming onder de knie te krijgen, een onedel gevoel op te lossen. Kinderen, die zich strijdend geoefend hebben in zelfverbetering, verrijken de mensheid—maar denken later niet zo eenvoudig over „maatschappelike hervormingen”. We leren—door dóén.

* * * * *

Soms antwoorden we dus niet, omdat de kennis alleen door levenservaring kan worden aangebracht, een ander maal bovendien, omdat het juiste antwoord het kind al te hevig kan aangrijpen, zijn gemoedsrust verstoren, zijn verbeelding bezoedelen.

Er zijn allerlei lichamelike en zedelike ziekten onder de volwassenen, waarover we met het kind niet spreken.

Dat is nog al natuurlik, zal men zeggen. Maar zó natuurlik is dit niet.

De kinderen horen op school, lezen wellicht op een aanplakbiljet, dat er een jongetje vermoord is. Het signalement van de vermoedelike dader wordt beschreven, het waarschijnlike motief voor zijn misdaad aangeduid. Nu komen de kinderen tuis en vragen, gelijk dat bij een goede verhouding vanzelf spreekt: „Maar Moeder, waaróm heeft die man dat jongetje vermoord? Wat had hij eraan?” Ze begrijpen, dat er een duistere bedoeling achter ligt, hebben misschien reeds enige bizonderheden gehoord, weten dat de man het kind met lekkernijen, met beloften, met een beroep op lieve kinderlike hulpvaardigheid heeft meegelokt, het water over, langs stille zandwegen, door de weiden, in de duinen. En voelende, dat zulk een gevaar ook hen zou kunnen bedreigen, vragen ze met onrustige aandrang: „Waarom dééd die man dat dan?”

Moeten we nu spreken van abnormale sexuele neigingen?

„Natúúrlik niet!” roept men weer, en nu nog beslister dan zo even.

Doch hierop luidt mijn antwoord weer: „Zo natuurlik is dit niet.”

't Ging goed, wanneer onze kinderen alleen maar door zulk een geval, daar heel in de verte, nu en dan iets van die afdwalingen vernamen. Doch vergeten we niet, dat de gevaren henzelf bedreigen, en dat vaak de teerste en liefste en welwillendste kinderen er het slachtoffer van kunnen worden. Vergeten we niet, dat ons zwijgen oorzaak kan zijn, dat onze eigen kinderen... Ouders krimpen ineen bij de gedachte, dat hun jongetje aan zulke zielsangsten en lichaamsmarteling ten prooi zou kunnen zijn. Maar wat dóén ze, om het, naar hun vermogen, te behoeden? Het aangrijpende geval, in de kranten vermeld, geschiedde „daar heel in de verte”. Maar deze „verte” was in die kring zelf vreselike dichtbijheid.

Driemaal in mijn leven ben ik in aanraking geweest met dit gevaar.

De eerste maal betrof het mijzelf. Als kind van dertien jaar stond ik, bij schemeravond, op de Nieuwmarkt te Amsterdam, te kijken naar een „boekenstalletje”. Een jongeman van ruim 20 jaar kwam bij staan en begon een praatje. Ik vond dit vreemd, maar gaf antwoord. Zwijgen zou toch onbeleefd zijn geweest. Toen deed hij erg familiaar met zijn handen, kneep me heel vriendschappelik, en zei allerlei dingen die me niets aanstonden, alle van sexuele aard. Ik verstond en begreep, verstandelik, heel goed, wat hij zei, maar doorzag het niet. Het beviel me echter niets, maakte me onrustig, en ik ging weg. Maar hij liep mee, vroeg of ik naar huis ging, waar ik woonde, zei dat hij ook die kant uit moest. Ik kon hem natuurlik niet wegsturen en evenmin ontlopen, ofschoon mijn bevreemding en afkeer steeds groter werden door zijn vuile praatjes en onbeschaamde vieze voorstellen. Natuurlik kan ik die hier niet herhalen, _ofschoon het heel nuttig kon zijn ouders eens te zeggen, wat hun kinderen soms moeten horen van vreemden, als de opvoeders zwijgen_. Maar daarvoor is het hier de plaats niet. Alleen wil ik nog mededelen, dat hij ongeveer vijf minuten me bleef vergezellen en toen eindelik afdroop op mijn hardnekkig en beslist weigeren. In mijn eentje ging ik naar huis. 't Was inmiddels donker geworden en ik had nog wel een kwartier te lopen langs een gedeeltelik heel stille weg. Bang was ik absoluut niet, 'k had ook geen aasje idee van 't gevaar dat me van zo nabij bedreigd had. Daarvan begon ik pas iets te beseffen, toen ik tuis alles vertelde. Mijn moeder werd wit van schrik. Allen luisterden met ontzetting en waren innig dankbaar, dat ik niet meegegaan was. Maar nog zei niemand me, wat die man gewild en beoogd had. Men gaf me alleen de algemene inlichting, dat zulke mensen heel lelike dingen doen, en daarbij de waarschuwing, nooit met ze mee te gaan. 't Gevaar was nu voorbij.

Ik wil niet beweren, dat mijn ouders me hadden behoren in te lichten. Dit wil ik nog geheel in 't midden laten. Alleen moet ik opmerken, dat het mislukken van de schandelike pogingen voor een groot deel gedankt kon worden aan de grove, onhandige manier van de man. Had hij het slimmer, voorzichtiger aangelegd, niets onbehoorliks gezegd, alleen een beroep gedaan op mijn hulpvaardigheid, dan—schijnt het me nu toe—had ik hem gaarne geholpen en had ik hem zeker, vol vertrouwen, langs stille wegen begeleid. Zijn onbeschaamde, familiare manier van spreken en doen was mijn behoud. Maar hij had fijner kunnen optreden.

We brachten—mijn vrouw, ik, en de kinderen—eens een zomervacantie buiten door, toen in het stil en afgelegen hotel een heer zich aanmeldde. Hij praatte met de kinderen der gasten en vroeg de weg. Een der kinderen, een vriendelik, bereidvaardig jongetje van zes jaar vertelde hem alles van de planten die hij geplukt had, lief-vertrouwelik, gelijk sommige kinderen dat kunnen doen, en was aanstonds klaar om met meneer een eindje op te lopen en hem zo de weg te wijzen. Gelukkig kwamen juist de volwassenen, die met de kinderen een wandeling zouden maken, en moest ook het kleine ventje mee, die er echter hartzeer van had, dat hij die meneer niet had kunnen helpen. Later, na de terugkeer van de wandeling, vernamen de ouders van de hotelknecht, dat de veldwachters „die meneer” hadden meegenomen wegens pogingen tot onzedelikheid met een boerejongen.

Hier zien we, hoe gevallen, heel in de verte, ons soms heel dichtbij kunnen naderen, en behoedzaamheid plicht is. Achten we het al niet nodig en zelfs verkeerd, kinderen bizonderheden mee te delen, uit vrees daarmee blijvend hun verbeelding te verontreinigen en hun gemoed te verontrusten, een algemeen en zeer beslist verbod om _nooit_ met vreemde mensen mee te gaan, is toch haast onvermijdelik.

En eenmaal is het mij in mijn onderwijzersloopbaan gebeurd, dat ik mee heb kunnen helpen, een oud-leerling, een fijn en braaf kind, te beschermen tegen de zeer verleidelike en voor de ouders bedriegelik-mooie aanbiedingen van een rijk heer. Dit leek nu inderdaad heel onschuldig. Mag een rijke zich niet het lot van een arme jongen aantrekken, hem uit zijn sfeer ophalen, en voor zijn toekomst zorgen? De ouders werden bang bij 't mooie aanbod, ontvingen van betrouwbare zijde nog tijdig een waarschuwing, en waren het met mij eens, dat arme jongens hun toekomst met hard werken moeten veroveren en die niet moeten ontvangen uit de handen van rijke meneren.

De moeder vertelde, toen 't gevaar voorbij was, dat de kameraden van de jongen hem precies verteld hadden, wat „die smerige vent” op het oog had. „Meester, ze hebben 't hem zo maar ronduit gezegd.”—En weet hij 't nu? „Ja hoor.” En waarom hebben zijn vader en moeder niet met hem gesproken? Die zijn er toch het naast toe? „Ja, waarom! Dat moest een mens eigenlik doen. Maar Meester, dat durf je dan niet.”—Waarom niet?

* * * * *

Is het mogelik en daarbij goed, kinderen de volle waarheid te zeggen in sexuele vragen. De volle waarheid kan men hun natuurlik nooit geven, en dat niet zo zeer uit een oogpunt van kiesheid, maar omdat de _volle_ waarheid insluit en allereerst eist: de sexuele neigingen en driften. Deze zijn _de_ hoofdzaak van het probleem, en hierover kan niemand inlichting geven dan het leven zelf. Hier geldt wat ik reeds van verliefdheid en moederliefde zei: de realiteit is hier niet _het physies gebeuren_ en nog minder _de kennis daarvan_, maar _het psychies ervaren_. En zo zou men iemand van deze geheimenissen _alles_ kunnen zeggen, met het gevolg, dat hij er nog niet het _echte_ van wist. De mysteries van ons gemoeds- en neigingenleven worden niet door verstandelike voorlichting, maar alleen door levenservaring geopenbaard.

Wat er overblijft en eigenlik alleen mee te delen valt, is een stuk natuurwetenschap. En nu wil ik wel eerlik verklaren, dat ik niet begrijpen kan, hoe iemand daar enig bezwaar in kan zien. Het gehele bevruchtingsproces bij planten, dieren en mensen is—natuurkundig bekeken—niets anders dan de samenbrenging van twee verschillende cellen. En ik begrijp bij al de haren op mijn hoofd niet, wat daar vies of onkies in kan wezen. De weg, waarlangs die samenbrenging geschiedt, is in 't ene geval wat anders dan in 't andere, maar dit is alleen een kwestie van physiologiese bouw.

Wanneer men met kinderen van opeenvolgende leeftijden—en dat kan al op het vierde jaar beginnen—platen van het inwendig menselik lichaam bekijkt, behoeft men maar simpel de luchtpijp, de longen, de slokdarm, de maag, de darmen, het hart, de aderen, de urinewegen, de baarmoeder, de eierstokken aan te wijzen, en daarbij, in overeenstemming met de leeftijd der kinderen, te vertellen, waartoe die organen dienen, om al spoedig te ervaren, dat de kinderen het ene orgaan even belangrijk vinden als het andere, en in _geen enkel opzicht_ aan de geslachtsorganen en hun funkties meer belangstelling wijden dan b.v. aan die der spijsvertering. Alles is hun even (of even weinig) interessant.

Men kan heus op alle vragen, die de kinderen in deze materie tot ons richten—op alle!—heel eerlik antwoorden, mits men vroegtijdig beginne en niet gewichtig-geheimzinnig, maar eenvoudig-wetenschappelik antwoorde.

Vroegtijdig beginnen. Hebt ge ooit gemerkt, dat kinderen 't vreemd vonden, dat Vader een baard had en Moeder niet? dat de zon overdag scheen en 's nachts niet? dat vissen zwommen en duiven vlogen? dat stenen vielen en pluisjes zweefden? Kinderen wennen bijna al te gemakkelik aan de wonderen om hen en in hen. Maar als ze op hun tiende jaar voor 't eerst een neger zien, dan kijken ze vreemd op. Wacht niet. Wie wacht, vermeerdert ieder jaar de moeilikheid. Doch wie vroeg begint, ontmóét zelfs geen moeilikheden, dan wellicht in zijn eigen verdorven natuur.

En maak geen nodeloze ontroeringen. Ik houd er niet van, als Moeders zo buitengewoon teer en uiterst behoedzaam, in een schemerhoekje, over deze dingen met de kinderen spreken en daarbij zelfs hun eigen pijnen en weeën te berde brengen, om het kind tot liefde en dankbaar medelijden te stemmen. Zo maken ze stemming en zogenaamd eerbiedige schroom. Zeg de dingen zakelik, niet bruut, niet ruw, maar wel nuchter, fris. Kweek zakelike belangstelling, zo blijven de kinderen het best geestelik gezond. Broeikasstemming kweekt exotiese gewassen.

* * * * *

Het heeft me altijd verbaasd en geërgerd, wanneer fatsoenlike en zelfs godsdienstige mensen het geslachtelik leven onbetamelik en vies vonden. Hoe nu? Heeft God het dan niet aldus ingericht, en hebben wij ons voor Gods werk te schamen? Zouden wij het misschien nog op 't ogenblik God willen verbeteren? Al is het waar, dat de zonde dit terrein tot haar bedervende en vernielende werking kiest, die zonde openbaart zich hier wellicht het snelst en het zichtbaarst, maar waarlik niet in haar ernstigste karakter. Zij sluipt ook het gebedsleven binnen, het geestelike verkeer met God, en vergiftigt de ziel met opborrelende bewondering voor eigen welsprekendheid bij het openlik belijden van eigen onmacht. Zullen we ons nu schamen voor het gebed? Onze arbeidzaamheid, ons winnen van het dageliks brood, weet zij tot gierig opzamelen te doen ontaarden, waarbij we een medemens laten verkwijnen. Zullen we nu afkerig worden van werken en winnen? De zonde vergiftigt iedere openbaring van zinnelik en geestelik leven en dan dunken mij de hoogmoed, de nijd, de gierigheid ja wat heillozer dan de zinnelike afdwaling.

Zoals God onze lichamelike funktiën heeft ingericht, hebben wij ze te aanvaarden en te eren en te bewonderen. Wat zouden wij er dan bezwaar tegen inbrengen, ze—physiologies—met onze kinderen te bespreken? Wie het doet met eenvoud, oprechtheid, zonder gewichtigdoenerij, zal ervaren, dat noch de reinheid, noch de fijnheid van het kinderlik gemoed er ook maar iets bij heeft in te boeten, en beide juist veel echter en mooier worden.

Vergissen we ons evenwel niet. Het gaat hier alleen om _waarheid in de opvoeding_. Want wie menen mocht, dat in de eerlike voorlichting de _zedelike opvoeding_ bestaat, komt bedrogen uit. Als dát waar was, zouden alle mediese studenten wel engelen van reinheid moeten zijn. En hoe wensenswaard we dit mochten achten in hun eigen belang en dat hunner toekomstige vrouwen en kinderen, we mogen het op grond van hun wetenschappelike opleiding toch maar zo grif niet aannemen. Kennis heet macht. We mochten willen, dat het, op dit gebied, waar bleek. Dan viel de zedelike opvoeding, ook de zedelike zelfopvoeding, ja wat gemakkeliker. Kennis waarborgt in geen enkel opzicht morele gezindheid, morele kracht, niet eens wijs beleid. Alleen heiliging der neiging kan ons helpen. En die wordt niet door kennis verkregen.

Waarom we dan toch op kennis aandringen?

Omdat ze later onmisbaar is en ze het best geleidelik met vroegtijdig wennen wordt aangebracht, en dan door de ouders zelf. Het kind vraagt en zal blijven vragen, en ontvangt het geen antwoord van zijn ouders, dan zullen vriendjes en vriendinnetjes het zelfs ongevraagd inlichten. Hoe? Dat is toch wel algemeen bekend: onjuist, onrein, met zeer gevaarlike bijmengselen voor gemoed en verbeelding, die—en men vergete dit toch niet—het kind in een apart wereldje doen leven, verwijderd van zijn ouders. Niet ouderlike voorlichting, maar de troebele bron der geheime mededeling bederft enorm veel kinderreinheid en kinderbegrip, die beide ontzien en zelfs gebaat zouden zijn door tijdige opheldering van de alleen bevoegden. In donker vermenigvuldigen zich vele schadelike bakteriën, die door 't zonnelicht gedood worden.

IV.

Wees waar in uw gedragingen tegenover uw ook nog heel kleine kinderen.

Gun dezen waar te zijn in hun oordelen over anderen.

Geef naar waarheid antwoord op hun vragen.

Deze drie voorschriften werden in de eerste drie artikelen aanbevolen.

Er zijn volwassenen, ouders, die er niet van willen weten.

Waarom niet?

Uit gemakzucht en lafheid, zijn we geneigd te zeggen. Ze zijn te traag en missen de moed, om met de sleur te breken.

Zeker, dit komt veelvuldig voor, doch eer we hierover ons veroordelend vonnis vellen, willen we aan het goede in deze „gemakzucht en lafheid” recht doen wedervaren.

Niet iedereen heeft aanleg, gelegenheid en tijd, om zich ernstige opvoedingsproblemen in te denken. Is het dan niet voorzichtiger, zich bij 't oude te houden, waarbij men zelf niet verongelukt is, dan met onvoldoend inzicht en ontoereikende kracht een nieuwe weg in te slaan, waarvan het minstens nog twijfelachtig moet heten, of hij naar het doel leidt?

Onze ouders hebben ons ook allerlei praatjes wijs gemaakt, met velerlei kluitjes in 't riet gestuurd, en honderd malen het zwijgen opgelegd, maar ze meenden het toch goed met hun kinderen, hebben ze met liefde gekoesterd, hard voor ze gewerkt, ten slotte ze met ere grootgebracht. Zullen wij nu hun opvoedingspraktijk willen critiseren en verbeteren?

Hun manier moge dan haar gebreken hebben, duizenden en millioenen hebben er zich wel bij bevonden. Dit is geen principe, maar een ervaring. En deze ervaring heeft bewijskracht. Wanneer de massa, in wie toch het zelfbehoudsinstinkt werkt, met een gerust hart zekere paden volgt, gedachte- en critiekloos, zijn daar zeker wel goede redenen voor te vinden, ook al is men zich die niet bewust. Sleur is vaak: instinktief vertrouwen in de wijsheid van 't voorgeslacht.

Met laatdunkende geringschatting wordt vaak van de „oude paden” gesmaald. Dan heet het, dat we niet laks en lauw het „platgetreden pad” moeten bewandelen en „nieuwe wegen” moeten zoeken. Maar het zou er treurig met ons en met de vooruitgang uitzien, als we telkens door zand en hei en woud en moeras nieuwe wegen moesten banen. We volgen heel verstandig de wegen, door onze voorgangers platgetrapt, uitgehakt, aangelegd, al verzuimen we niet ze te verbeteren en daarnaast de nodige nieuwe wegen aan te leggen. Verguizing van het voorgeslacht is ondankbaar en dom, loopt uit op schade en schande, en het is niet alleen wijs en voorzichtig, wanneer jonge ouders gedachteloos het voorbeeld hunner eigen ouders volgen, indien ze niet van een betre gedragslijn overtuigd zijn, maar er spreekt ook een eerbiedvol vertrouwen uit, dat—hoewel niet bestand tegen een onbarmhartige maar in zijn verstandelikheid toch bekrompen critiek—én de ouderen én de jongeren eert. Er is toch, ondanks het gemis aan wat men noemt „waarheid in de opvoeding”, een geest van gehechtheid aangekweekt, die op slot van rekening ja wat meer levensgeluk meebrengt dan een helderheid van inzicht, die de harten koud heeft gelaten.

* * * * *

Wat als gemakzucht veroordeeld wordt, is dus meermalen vertrouwenvolle voorzichtigheid, die zich aan 't beproefde oude houdt en dit met zijn deugden en gebreken overneemt, waar de critiek heeft gezwegen en de drang tot reiner practijk ontbroken.

Zo is het verwijt van lafheid ook vaak ongegrond. Zeker, menigeen durft niet de eenvoudige waarheid te zeggen, hij is er niet bij grootgebracht en huivert er nu voor terug. 't Is hem, alsof hij zich in een vreemd land begaf, waar in het duister der onbekendheid allerlei gevaren dreigen, in ieder geval zich telkens nieuwe moeilikheden voordoen, waarop hij niet gerekend had en waarvoor hij niet berekend is. Maar mogen we deze vrees lafheid noemen? Er spreekt veeleer zelfkennis en wijze behoedzaamheid uit.

Er is bij velen een angstig terugdeinzen voor de naakte, de geheel naakte waarheid. Is dit lafheid? Het kan evenzeer schaamte zijn en eerbiedige schroom.

Het Paradijsverhaal laat de eerste mensen bedekking hunner naaktheid zoeken, niet tegen de koude, niet ter bescherming tegen letsel, maar uit ontwaakte schaamte na bedreven kwaad. Zondebesef maakt het hun onmogelik, zich onbevangen te geven, gelijk ze zijn. En is dit tans, met ons, nog niet volkomen hetzelfde? Wie durft zich gehéél te geven, gelijk hij is? Alleen de schaamteloosheid, die geen oog heeft voor eigen grote tekortkomingen, of de zuivere onschuld. Maar wij overigen, we hullen ons in allerlei klederen van schijn, dekken ons met de vijgebladeren van vormelike braafheid, omdat we ons innerlik, met al zijn zondige bewegingen, niet eens tegenover ons zelf in zijn naakte waarheid durven vertonen. We huiveren terug voor zulk een waarheid. En terecht.

Want wij kunnen de Waarheid niet dragen. Wanneer wij, door één woord uit te spreken, eens plotseling _alles_ zouden zien, _alles_ horen, _alles_ weten, alle gedachten in alle mensenhoofden kennen, alle neigingen in alle mensenharten, het gehele verleden, de volle toekomst, wie zou dat woord durven uitspreken? Dan zouden we de gehele werkelikheid, en daarin de waarheid hebben. Doch eer we er een millioen malen millioenste deel van zouden ontvangen hebben, zouden we al bezweken zijn. Alleen de oppervlakkige domheid durft de „naakte waarheid” aanvaarden, omdat ze haar toch niet ziet.

Vertrouwen, schaamte, schroom weerhouden menigeen—ook al is hij zich zelf de aard dezer remming niet bewust—de aanbevolen drie voorschriften te volgen. Wel verre van dit te misprijzen, moet men gelukkig zijn met de aanwezigheid en de uitwerking dier gemoeds-realiteiten. Zij zijn de schatbewaarders onzer beste geestelike goederen. Zonder haar behoudszucht zou de vooruitgang ons al te licht in 't moeras brengen. En veel meer te vrezen is de voorthollende nieuwlichter, die bezwaren noch gevaren ziet, dan de aarzelende „duisterling”, zelfs al wordt hij als „conservatief” gebrandmerkt, die niet waagt, omdat hij er anderen niet gaarne aan waagt.

* * * * *

Kunnen we het goed recht bepleiten en waardering gevoelen voor de opvatting van behoudszucht, waar deze kort en goed verklaart: „onze ouders waren ook niet dom” en daarmee van een verandering in velerlei levenspraktijk niet weten wil, niet zo welwillend zijn we gestemd tegenover de mening, die de waarheid uit de opvoeding weren wil, omdat ze de dood zou zijn voor alle poëzie. Want hier wordt eenvoudig wat geleuterd.

„Alles wordt zo nuchter, zo prozaïsch,” klaagt de in 't proza der vormelikheid verdorde ziel, „wanneer het kind niet meer in Sint Niklaas geloven mag en precies moet weten, dat Oom Willem maar voor Sint Niklaas _speelt_; wanneer het niet meer mag uitzien naar de ooievaar, die broertjes brengt, of zich voorstellen, hoe zusje uit de kool kruipt; wanneer het horen moet, dat zusje in moeder groeit—o, shocking!—en hoe dat lieve kindje ontstaan is uit de vereniging van twee cellen; wanneer de sprookjes uit de kinderwereld verjaagd worden, de elfen en de kabouters, de betoverde prinsessen en de wonderdoende tovenaars en alle verdere bekoorlik- en griezeligheden. Dan blijft er tenlaatste niets meer over dan sommen en zinsontledingen en geraamten van bladeren, dieren en menselike wetenschap. En dan wordt het zo kil en zo donker in het jonge gemoed.”

Is de klacht gegrond?

Al aanstonds niet, waar ze vreest voor 't verbannen der sprookjes. Het vertellen dier kleurige verbeeldingen kan heel best gepaard gaan met „waarheid in de opvoeding.” Of dieren kunnen spreken, is geen vraag. Ze kúnnen spreken, zowel onder elkander als tegen de mensen. Dat weet ieder die met dieren omgaat, al dringt hij niet door tot de finesses van hun taal. Een verhaaltje met pratende dieren is natuurlik verdicht, maar kan niettemin evenzeer waar zijn als een, ook verdicht, verhaal met pratende mensen. En zijn er geen elfen, geen kabouters, geen betoverde prinsessen? De wereld is er vol van, al zien ze er niet steeds precies zo uit als de phantasie van ons dichterlik gemoed ze uitbeeldt. Lieftallige zegenende natuurtjes, kleine kwelgeesten, lelike eendjes die ten slotte mooie zwanen blijken, ze omringen ons, dag aan dag, en onze fout is alleen, dat we ze alleen maar zien in de vertellingen, dat we niet dichterlik genoeg zijn om ze in de levende werkelikheid te aanschouwen. Die klagers en klaagsters over het prozaische der nuchtere waarheid zijn eigenlik echte prozamensen, zo door en door prozamensen, dat ze de verbeeldingen van anderen behoeven, om daarmee hun lege gemoedshuis te meubileren.

De sprookjes blijven dus en alleen uit erbarmen met het kind besparen we dit de ijselikheden van grootmoeders-verslindende-wolven, zoals we het tere gemoed ook niet willen verscheuren met de angsten van kleine knaapjes, in de greep van sexueel krankzinnige moordenaars. Niet het verbeeldingrijke is de grief tegen vele sprookjes van Grimm, maar het grove, gevoelloze, schokkende, en we verhalen evenmin met aangrijpende aanschouwelikheid de ontzettendheden van het slagveld, de epidemieën, of de gevangenissen, als die uit de sprookjeswereld. Hier gaat het niet om waarheid of onwaarheid, maar om de hygiëne van het kinderlik gemoedsleven.