Verspreide Opstellen, II

Part 5

Chapter 53,882 wordsPublic domain

Natuurlik ontveins ik mij niet het gevaar, aan het bespreken van de fouten der volwassenen verbonden. Zelfs is het niet zonder bedenking, het gedrag van kameraadjes aan ontleding en beoordeling te onderwerpen. Het oog wordt zo veel te veel gescherpt op het zien van anderer tekortkomingen en zou er ongemerkt op uit gaan, die op te sporen en te ontdekken. Daarom begon ik het vorige artikel met de waarschuwing, toch vooral niet van ieder kibbelpartijtje een gewichtig geval te maken, dat „ernstig” behandeld moet worden, en wil ik ook nu nog eens nadrukkelik verzekeren, dat naar mijn mening het dringen in eens anders daden en omstandigheden alleen dan gerechtvaardigd is, wanneer het kind toch reeds geoordeeld heeft en wij het tot zuiverder, billiker, rechtvaardiger, liefdevoller oordeel willen brengen. De waarheid zeggen en zoeken betekent niet: zich telkens weer met de zaken van een ander bemoeien. Wanneer er lelike motieven moeten worden blootgelegd, laat het dan de verkeerde motieven zijn, die bij 't kind zelf gewerkt hebben. Daardoor kan het zelfkennis verwerven, zelfkritiek oefenen en heeft het ten slotte geen tijd zich te spitsen op de fouten van anderen, gelijk onze christelike maatschappij dat pleegt te doen—uit naastenliefde.

Tans gaan we over tot de bespreking van een derde punt van ons onderwerp. Eerst beschouwden we onze _gedragingen_ tegenover de kinderen; daarna het _oordelen_ van de kinderen over personen; nu komen we tot de kinder_vragen_ en, in verband daarmee, onze antwoorden.

Die vragen betreffen de problemen, welke natuur en mensenleven het kind voorleggen.

Er is, in 't algemeen, tweeërlei reden, waarom we ze eerlik beantwoorden. Een kind verlangt te weten, anders vroeg het niet. Vragen is een uiting van weetbegeerte. Kennis, voor zover ze uit zuivere weetbegeerte voortvloeit, is in de regel heilzaam. We moeten evenwel een beperking maken, omdat er ook kennis gezocht wordt ter wille van slechte neigingen. Iemand kan b.v. willen weten, waar clandestiene drankverkoop is, om zich te kunnen bedrinken. We denken nu echter alleen, aan weten uit neutrale weetbegeerte, en dan is het in de regel nuttig, als dit weten bij kinderen bevorderd wordt.

Nog belangrijker echter is de tweede reden, waarom eerlike antwoorden worden aanbevolen. Zij gronden en versterken het vertrouwen van 't kind in zijn opvoeders. We kunnen niet genoeg doen—en laten!—om ons dit te verzekeren. Van het vertrouwen moeten we het hoofdzakelik hebben. De opvoeder is lange tijd _de voedingsbodem van 't kind_. Met al de fijne vezeltjes van zijn geestelik leven voelt het zich in de ouderen geworteld. Al zijn vastheid, zijn zekerheid, zijn veiligheid, zijn gerustheid hangt hiervan af. Daarom is het zo schandelik roekeloos, dit vertrouwen te verzwakken.

Zuivere kennis is zeker niet te versmaden, maar meer en oneindig meer dan deze is het vertrouwen, dat zelfs voor een goed deel de waarde der kennis bepaalt. Veel van onze kennis toch is napraatkennis. We _weten_, wat ons _gezegd_ is. _De betrouwbaarheid van de zegger is dus de macht van onze kennis._ Heet kennis macht, die macht wordt dan voor een overgroot deel ontleend aan het vertrouwen in de persoon, wiens zedelike autoriteit voor ons de kennis tot ontwijfelbaarheid heeft gemaakt.

* * * * *

Het komt natuurlik vaak voor, dat we op kindervragen het antwoord niet kunnen geven, omdat we 't zelf niet weten. Dan erkennen we dit gulweg. Alle groothouderij is klein. Het geeft onze houding iets innerlik onzekers en ontneemt haar met de vastheid de kracht, wanneer we een schijn pogen te bewaren. Ook al zou het kind uitroepen: „Weet u dát niet eens? O, wat bent ú dom!”—dan aanvaarden we dit oordeel met blijmoedige berusting: „Ja kind, het is treurig.” Ten hoogste kunnen we beloven, het antwoord te zoeken, als we daar kans toe zien, maar niemand is gehouden alles te weten en bij ernstige problemen is het óók een weten, als men weet, dat men iets niet weet. Zo ver brengt de pedante domheid het maar zelden.

In vroeger jaren heb ik meermalen horen beweren, dat de volwassenen voor de kinderen de volmaaktheid dienden te vertegenwoordigen, en zij hierom, waar het wezen natuurlik ontbrak, toch de schijn moesten ophouden. Vader moest alles kunnen, alles weten. Dat boezemde de kinderen eerbied in. Dat hield zijn gezag hoog. Dat zou hen aansporen tot navolging van dit hoge voorbeeld. Wellicht is deze mening nog hier en daar de moeder of de dochter ener onware verhouding, ook tussen volwassenen en volwassenen. Ik acht haar uit een opvoedkundig oogpunt verkeerd. Schijn bedriegt, óók hem die de schijn aanneemt en die er een vals gevoel van meerderheid aan ontleent. Schijn geeft iemand een gevoel van zekerheid, dat hem aanstonds onrustig maakt, als de waarheid dreigt door te breken. _In de waarheid staat men onwankelbaar._ Ons kennisgebied, ons machts-terrein, ze behoeven niet uitgestrekt te wezen. Erkennen wij, weinig te weten, weinig te kunnen, als we van dit weinige maar _zeker_ zijn. Dan worden we in dit weinige ook geëerd. Alle wáárlik nuttig weten en kunnen is bruikbaar, is brood en achting waard, en verwerft die ook. Als ze maar _echt_ zijn!

In dit vertrouwen moeten de kinderen opgroeien, en daarom moeten de ouderen het _door hun leven_ de jongeren inboezemen. Wat een geflodder zien we nog vaak met kleurige lappen van vertoon. Wat een voornaamdoenerij, wat een voorwenderij. Het is of een schoolmeester zich vooral schamen moet een schoolmeester te zijn. Hij moet een „meneer” zijn, hij moet „over alles” mee kunnen praten. En wie een gewoon burger is, moet de allures aannemen, alsof hij tot de aristokratie behoorde. My house is my castle, zegt de Engelsman. Ik zeg: mijn ambt is mijn eer en mijn stand is mijn trots. Wees wat ge zijt, maar wees dat goed. En als ons gehele leven, en _dus_ ook onze opvoeding, in die toon staat, dan kunnen we tegenover kinderen ook zonder enig bezwaar onze onwetendheid belijden. Ze zúllen ons geen domheid verwijten, zelfs niet in de diepte van hun hart.

Wie nu uit deze regelen afleidt, dat we geen verplichting hebben ons zo knap mogelik te maken, ook ter wille van de kinderen; of dat we met onze onwetendheid te koop moeten lopen; of dat we altijd maar de schoolmeester moeten uithangen; of een andere gans niet bedoelde dwaasheid, dat we b.v. trots moeten zijn op onze fouten en achterlikheden, die heeft, om de waarheid te zeggen, het gezegde niet precies begrepen. Ik heb gezegd, altans gemeend: poets uw ijzer, uw tin, uw koper blinkend, en hebt ge goud, laat dan ook dit glanzen, alleen—werk niet met klatergoud. En waar uw kinderen iets vragen, dat gij niet weet, wapper dan niet met een flikkerend schijnsel, indien ge geen rustig helder licht kunt doen stralen. Handhaaf uw gezag en vermeerder hun eerbied door te erkennen: ik weet het niet.

* * * * *

Doch als we het wél weten, dan zijn we er daarmee nog lang niet. Dan rijzen voor óns de vragen: kúnnen we en mógen we het kind wel de waarheid zeggen. Het gaat niet aan, zo maar boudweg te verklaren, zogenaamd „principiëel”: de waarheid is altijd heilzaam. Met zulke algemeenheden—ze heten dan echter heel gewichtig principes—schermt de domheid, en daar kan ze dan een reuzensucces mee hebben in een vergadering van mensen, die dolgraag de waarheid horen, als deze anderen ontmaskert, maar zich woest verweren en het als groffe onbeschaamdheid uitkrijten, wanneer hunzelf de waarheid wordt gezegd. Neen, de waarheid is niet altijd heilzaam en we dienen wel degelik eens rustig te overwegen, wanneer we haar de vragende kinderen kunnen geven of moeten onthouden.

Er zijn gevallen, waarin de kinderen door ontoereikend verstand ons antwoord niet zouden begrijpen. Dan behoeven we echter niet te liegen, maar antwoorden eenvoudig: „Dit is te moeilik voor je, dit begrijp je nog niet,” en dan zeggen we hierin toch de waarheid. Het is evenwel opmerkelik, hoe sommige kinderen met dit antwoord niet tevreden zijn en aandringen: „Zeg u het toch maar eens, misschien begrijp ik het wel.” Zulk een aandrang wijze men toch vooral niet met zekere korzeligheid of gekrenktheid terug. Hij getuigt heel gunstig voor de leergierigheid der kinderen. En wellicht hebben ze gelijk. Kinderen kunnen vaak meer begrijpen, dan wij vermoeden. Beproef maar de verklaring te geven. Gaat deze boven hun bevatting, dan zijn ze eerlik genoeg, om aanstonds te zeggen: „Neen, scheid u maar uit, ik begrijp het toch niet.” Doch lukt het u, door de zaak _heel eenvoudig_ voor te stellen, hun opmerkzaamheid te boeien, hun weetgierigheid te bevredigen, dan zult ge eens ervaren, welk een dankbare leerlingen ge hebt, en uit hun verdere vragen zien, dat ze inderdaad begrepen hebben. Wanneer wij zo zeggen: „Dit is te moeilik voor je”, moesten we meermalen eigenlik zeggen: „Dit kan _ik_ je niet eenvoudig genoeg maken.” Oefenen we onszelf in deze kunst, dan blijkt al gauw menige schijnbaar ingewikkelde zaak geheel binnen het bereik van een normaal kinderverstand te liggen.

Met een paar voorbeelden willen we dit toelichten.

Een kind loopt met Vader of Moeder op straat en ziet, hoe een zwaar ijzeren blok tussen twee palen telkens omhoog wordt getrokken, om dan op een paal neer te vallen. Ze zijn aan 't heien. Al wat _beweegt_, trekt de aandacht der kinderen, dus ook dat rijzende en vallende blok. „Wie trekt dat toch omhoog?” vraagt het kind. „Dat doet die machine,” is 't antwoord. Menig vragend kind, en zelfs menig vragend volwassene, is hiermee voldaan. Hun geest is te traag, om dieper door te dringen. „Die machine” is de volle bevrediging van hun verlangen naar oplossing van 't raadsel. Geef hun ter verklaring van honderderlei omringende geheimzinnigheid maar altijd een „machine”, en ze zijn content. Maar er zijn ook kinderen, die dan verder gaan en vragen: „Hoe kán dat?”

Nu ligt voor de meeste ouders het antwoord voor de hand: „Dát kan ik je niet uitleggen,” en dit zeggen ze te beslister, omdat ze zelf die machine niet begrijpen. Machines schijnen voor vele mensen, vooral voor vrouwen, iets ontoegankeliks te hebben. Dames, die bij haar theosofiese gesprekken niet terug deinzen voor verklaringen van absoluut ontoegankelike mysteries, schrikken voor een machine als voor een onoplosbaar probleem terug. Dat werktuig in zijn arbeid stap voor stap te volgen, te zien, te begrijpen, is hun raadselachtiger, dan de opvolgende incarnaties door de loop der volmaakt in het duister liggende eeuwen.

Maar onze jonge moeders kunnen ook die geheimzinnige „machine” benaderen, als ze maar eens naar hun eigen waterketel kijken. Dat deksel gaat, als het heiblok, ook telkens op en neer. Wie duwt het op? De stoom in de ketel. Wie doet het vallen? Zijn eigen zwaarte, als de stoom ontsnapt is. En wie maakt die stoom? Dat doet het vuur onder de ketel. Dus wie duwt _eigenlik_ het deksel op? Het vuur.

Onderstel nu eens, dat ik aan een gezelschap van jonge moeders vroeg: Jullie hebt nu alle tot je 18e jaar onderwijs genoten, op de lagere school, op de middelbare school, op het gymnasium, _wie kan met vuur een zwaar stuk ijzer optillen_, dan zou ik misschien meer verbaasde gezichten zien, dan heldere antwoorden vernemen. En toch had ik ze maar even mee te nemen naar de keuken, misschien naar de teeketel op het gaskomfoor in de kamer, om ze het ei van Columbus te doen zien. Zó dichtbij ligt vaak de oplossing van duister schijnende problemen. James Watt zag als jongen de toekomstige stoommachine in de waterketel van zijn tante.

Bind nu eens aan de knop van het deksel een dun draadje. Leid dat b.v. over de leuning van een stoel. Hang aan de andere zijde der draad een lucifer. Dan gaat deze met het deksel op en neer. Iets als ons heiblok.

Welke jonge moeder maakt zich niet sterk, dit haar vragend vijfjarig ventje duidelik te maken? Moeders zijn knapper, dan ze zelf weten. Als ze maar niet op school hadden gegaan! Daar is die knapheid vaak in geleerdheid verduisterd!

Bij elke machine hebben we maar twee vragen: Welke kracht brengt haar in beweging? En: Hoe wordt die beweging overgebracht?

De eerste vraag brengt ons naar de kracht van stromend water, stromende lucht, spieren van mens en dier, spanning van stoom, electriciteit. Natuurlik kunnen we dan weer verder vragen: Wat dóét het water stromen, de lucht waaien, en zo verder. Dan reizen we van het stromende water naar de zon, die eerst dit water als damp omhoog heeft gevoerd en zo veroorzaakte, dat het daarna als regen of sneeuw de bergtoppen bezocht; dan waaien we met de winden naar de zon, die luchtlagen verwarmde en daarmee het evenwicht in de atmosfeer verstoorde, zodat nu de dampkring, waaiende, herstel van dat evenwicht zoekend, en passant onze molens doet draaien; dan doet de stoom ons in het vuur de wondere eigenschap ontdekken, dat door verbinding van koolstof met zuurstof warmte ontstaat, en leidt die koolstof ons weer naar de zon, door wier energie zij uit de lucht in het plantenlichaam is gekomen; dan stijgen we met de spieren van mens en dier ook al naar de zon, de krachtcentrale onzer aarde; dan vinden we telkens weer in dit middelpunt van ons planetensysteem het eindpunt onzer vragen, en—het beginpunt van nieuwe vragen. Vragen naar de oorsprong der kracht brengt ons telkens aan een ander adres, maar lost natuurlik het mysterie der kracht niet op.

Hoe de beweging wordt overgebracht is al heel gemakkelik na te gaan, zo gemakkelik, dat ik me meermalen met verbazing heb afgevraagd, hoe een deel der onderwijzerswereld toch zo verbijsterd is geworden door het inwendige van mijn houtzaagmolen en daarna zelfs nijdig op mij, dat ik ze in dat gewirwar had gebracht, alsof ik het boze opzet had gekoesterd, kollega's daar tot planken te doen zagen. Bekijken we eens rustig bijgaande tekening, dan zien we, hoe dood-eenvoudig onze goede windmolen van binnen is, veel eenvoudiger dan ons eigen lichaam, dat door diezelfde boze mensen met de kinderen wordt ontleed, alsof ze er alles van wisten.

[Illustratie: De lezer volge bij deze doorsnede eens rustig de weg van de wieken naar de zaagramen, zonder nog de verklaring te lezen.]

De windmolen is evenals het zeilschip de oplossing van het probleem, hoe we de wind werk voor ons kunnen laten verrichten. De wind vaart maar als een woestaard door onze boomgaarden, over onze huizen, smijt vruchten af, bomen om, schoorstenen naar beneden, kunnen we die sinjeur niet van vijand tot vriend maken en zijn kracht tot ons voordeel aanwenden?

De eerste eis is natuurlik, die kracht op te vangen. Dat geschiedt het best in grote lappen, in zeilen.

Zie nu de molen. Zijn vier wieken zijn met zeilen bedekt en staan wat schuin tegen de wind, zodat die er op los blaast en ze wegduwt. Ze kunnen echter niet weg, ze zitten vast in een zware as. Nu moeten ze wel in de rondte draaien, net als een steen aan een touw. En de as draait mee.

Daar hebben we de kracht al opgevangen en omgezet in een draaiende beweging. Met die beweging kunnen we nu verder werken. Willen we ermee hijsen, dan binden we een touw aan de as en de wind trekt onze lasten op, terwijl het touw om de draaiende as wordt opgerold. Doch nu willen we er planken mee zagen. Hoe spelen we dat klaar?

Om de as brengen we een rad met tanden. Deze draaien met de as mee en grijpen onderdehand tussen de staafjes van een liggend rad, dat op die manier op zijn beurt in de rondte wordt geduwd. Draait het, dan draait de spil mee, waar het aan verbonden is, en beneden aan de spil ook een tweede rad. De tanden van dit laatste grijpen weer tussen de staafjes van een staand rad, dat ook begint te draaien en in zijn wentelende beweging een lange horizontale ijzeren kruk doet delen, die dwars door de hele molen ligt. Sommige stukjes van deze kruk zijn wat uitgebogen. Juist daar zijn er stokken los aan verbonden. Die stokken draaien met de boogjes mee, omhoog, omlaag, en daardoor gaan de zaagramen, onder aan die stokken, ook omhoog, omlaag. Leg er een boom voor, en ze zagen hem aan planken. „Ze”—maar dat is dan eigenlik de wind, die langs de weg van wieken, as, asrad, spilrad, spil, onderste spilrad, krukrad, kruk en kolderstokken[2] de zaagramen op en neer beweegt.

[2] De naam kolderstokken is wel heel aardig: die stokken kolderen of draaien. Heeft een paard ook niet soms de kolder in de kop?

Is nu dat overbrengen der kracht niet gemakkelik te volgen? En dit wordt er niets moeiliker op, als we in plaats van tandraderen, wielen met drijfriemen hebben en de wrijving van de lederen riem de duwende dienst der tanden verricht.

Zal de molen goed wind vangen, dan mogen de wieken niet te klein zijn en moet hij dus vrij hoog gebouwd worden. Hiervan is het gevolg, dat hij verschillende zolders heeft—hoe kan de molenaar anders in de kap komen. Eigenaardig zijn die zolders benoemd naar de voornaamste delen van 't werktuig, die zich op die zolders bevinden, gelijk men op de tekening zien kan. Nu is het natuurlik niet nodig, dat een leek die namen kent, maar is er iets bizonders in de namen as, spil, kruk, raam? Alleen de kolderstokken zijn vreemdelingen, maar deze worden heel aardig geïntroduceerd door kolderende paarden.

Nog eens—'t is de bedoeling niet, iemands geheugen te belasten met vele namen, doch alleen werd hier de vraag gesteld: Is het zo moeilik in een dergelik werktuig het overbrengen der kracht te volgen? Ik hoop, dat zelfs moeders antwoorden: „Wel neen! Als je 't maar weet!” Welnu, laat de school zorgen, dat zulke eenvoudige kennis iemand niet terugschrikt.

* * * * *

Er zijn vragen, die gemakkeliker schijnen, doch veel moeiliker zijn. Dat zijn de vragen, die alleen door _levenservaring_ beantwoord kunnen worden, en deze is voor een kind ja wat ontoegankeliker dan een werktuig. Hier komt men er niet met een waterketel, een draad, een lucifer, of een tekening, en het is een der grote domheden van de redeneerpedagogiek, dat ze kinderen door mededeling en redenering wijsheid heeft willen inprenten, die alleen door levenservaring kan worden verworven.

Die redeneerpedagogiek heeft met veel goede bedoeling veel onvruchtbaar werk gedaan en gaat hiermee nog trouw voort bij ouders, die menen dat verstandelike voorlichting steeds mogelik, voldoende en plichtmatig is. Een paar eenvoudige voorbeelden kunnen het tegendeel bewijzen.

Wie acht zich in staat aan een kind een zuiver denkbeeld te geven van verliefdheid? Dit kunnen we zelfs niet aan een volwassene. Verliefdheid leren we alleen maar kennen door verliefdheid, en wie nooit echt verliefd is geweest zal dit gevoel nooit begrijpen, ook al heeft hij zijn zilveren bruiloft gevierd met de beste en mooiste vrouw van de wereld, al is hij mijnentwege tweemaal getrouwd geweest. Verliefdheid is de verrukkelikste en de gevaarlikste, de zaligste en de noodlottigste bedwelming ter wereld. Wie nooit verliefd is geweest, heeft een hemel op aarde gederfd—mijn vader zei van verliefden te recht: ze zijn in de zevende hemel—maar zulk een misdeelde kan daardoor dan ook niet over verliefdheid meespreken en mag over verliefden niet oordelen. Doet de onverlaat dit toch, en spot hij b.v. met de heerlike dwaasheden van jonge verliefden of bederft hij hun kleurig minnespel door het grauw van zijn nuchterheid en de rauwheid van zijn tirannieke bemoeizucht, hij verdient op zijn oude dag tot over zijn oren hopeloos verliefd te worden, opdat hij ervare en met schade en schande—ik zeg niet: wijs worde, maar de gelegenheid hebbe, de dwaasheid zijner nuchterheid in de wijsheid der verliefdheid onschadelik te maken.

Zullen we een kind op zijn vragen aan 't verstand pogen te brengen, waarom die jongelui „zo gek” doen? Al zit in de rups een vlinder verborgen, laat de rups rups, rondscharrelen door het malse groen. Wanneer de tijd daar is, zal hij vanzelf wel zijn vleugeltjes ontplooien en zijn vlinderweelde leren kennen. Een kruipend diertje zal nooit het vliegen begrijpen.

Jonge moeders en vaders moesten uit hun eigen verliefdheidsperiode—ik hoop, dat ze er nog telkenkeer in leven?—genoeg geleerd hebben, om met hun opgroeiende kinderen niet over onderwerpen te spreken aan hun jaren en ervaren vreemd. En anders kunnen ze die les nog trekken uit hun ouderlike gevoelens. Wat een moeder is, weet je pas als je moeder bent, en daar een man nooit dit voorrecht zal hebben, dient hij met gepaste bescheidenheid zijn vrouw dwaasheden te laten begaan in de omgang met haar kinderen. Ook hem is niet volkomen aan 't verstand te brengen, wat er in een moederhart leeft en werkt, al kan hij 't in begrijpen een heel eind brengen, wanneer hij zich herinnert, wat hem als kind zo weldadig in moeders handelen aandeed. Dan zal hij daar liefheidjes en onredelikheidjes ontdekken, die tans zijn wijze vaderpedagogiek zou willen veroordelen, maar die hem als knaap verkwikt, gekoesterd en gesteund hebben. Maar ten volle zijn vrouw als moeder begrijpen, het lukt hem nooit. Hij zie er daarom maar wijzelik van af en tevens van elke poging, om zijn kroost, redenerende, in de wereld der volwassenen binnen te leiden.

* * * * *

Doen de mensen dat dan?

Het komt mij voor van wel. En het schijnt me zelfs toe, dat ze de laatste decenniën als gevolgen van het intellectualisties streven daarin al aardig ver zijn gegaan.

Kinderen leren oordelen over de geheel-onthouding, het militarisme, het socialisme. De volwassen drijvers zijn uiterst bang, dat de jeugd hun ontsnapt, en stichten kinderverenigingen met komplete programma's. De kleinen memoriseren een nieuw soort catechismussen en redeneren—als in de slechte godsdienstige opvoeding—ganse beschouwingen na.

Het is ons aller plicht, kinderen te oefenen in matigheid, in afkeer van gevaarlike prikkels, in vredelievende gezindheid, in gemeenschapszin. Die eigenschappen hebben ze reeds als kind nodig, in de huiskamer, in de buurt, op school, bij spel en werk. Maar daarom zijn ze nog niet in staat over het alcoholvraagstuk, het soldatenwezen, het kapitalisme te oordelen. Hoeveel kennis van de menselike natuur, van volkeren in hun onderlinge verhoudingen, van oeconomiese faktoren wordt er vereist, om die problemen te doorzien, te overzien, in hun oplossing te beinvloeden. Maar tegenwoordig schijnt die kennis gemeengoed te zijn van de massa. Beheerst door een ongetwijfeld prijzenswaardig hunkeren naar het heil der mensheid, weet nu iedere arbeider, iedere kantoorklerk, iedere schoolmeester de bedwelmingsprikkel te bezweren, de oorlog op te ruimen, de geldmacht te vernietigen. Je stemt maar vóór dit en tégen dat, en we zijn er. De ingewikkeldste vraagstukken, waar de gecompliceerdheid en boosheid der menselike natuur ons voor plaatst, worden in cursusvergaderingen gemakkelik opgelost. En om die oplossing te verhaasten worden ook al kinderen tot overtuigde en bewuste medestrijders gemaakt.

Ik eer natuurlik de nobele bedoelingen, ik sympathiseer gehéél met de zedelike drijfveren, maar krijg toch de indruk, dat men torens bouwt van dominostenen. Dit nu is geen kwaad in de kinderkamer, daar is het één en al spel. Maar als men waant, in die torens te kunnen wonen, komt men bedrogen uit. We behoeven niet eens zo heel hoog te klimmen, reeds gelijkvloers zijn ze onbruikbaar.

Al die Babeltorens, uit beginselen en stelsels opgetrokken, zijn zo bedriegelik. Redenerende in vergadering of op papier, doen we ze netjes en snel verrijzen. Doch straks storten ze ineen bij de spraakverwarring der praktijk. Veiliger en vruchtbaarder dunkt het me daarom, steeds in het klein te beginnen met de _toepassing_. _Leef het beginsel uit._ Dan blijkt zijn levenskracht, zijn echtheid, zijn vruchtbaarheid. Dan ervaren we onmiddellik de onverbiddelike contrôle en kritiek van het leven en worden daardoor wijs.