Verspreide Opstellen, II

Part 4

Chapter 43,697 wordsPublic domain

Het werd gezegd met dat hoge, strakke stemmetje, dat Moeders wel kennen, die bij 't ziekbed van een kind hebben gezeten, met dat schijn-opgewekte koorts-stemmetje. En Moeder deed een rijtuig voorkomen, wikkelde haar jongen in een wollen deken.

„Mag ik mijn fluit meenemen, Moeder?”

„Zeker.”

En hij nam zijn fluit mee, die hem ook in bed steeds verzelde.

De pleegzuster legde hem in zijn bedje.

Toen móést Moeder weg.

„Zuster,” zei het kind, „u hoeft niet in de kamer te blijven. Als ik u nodig heb, zal ik wel fluiten. Want ik heb mijn fluit bij me. Kijk u maar.”

Moeder móést weg. Maar ze ging naar de wachtkamer, en bleef daar wachten één, twee uur, al maar wachten—totdat ze eindelik geroepen werd, en horen moest, dat het hopeloos was.

Toen barstte ze niet in wanhoopsklachten uit. Ze dacht alleen aan haar kind.

Ze zette zich aan 't bedje, hield het hete handje vast, koelde het gloeiende hoofdje, en kalmeerde haar ijlende lieveling met vriendelike woordjes, leidde het dwalende geestje.

Zo bleef ze de hele nacht waken, zichzelf geheel vergetende, geheel gevende, niet als een offer, maar als een zaligheid, dat ze bij haar kind mocht blijven, zijn gezichtje zien, zijn stemmetje horen.

* * * * *

Toen het kind in de morgen stierf, legde ze het handje neer.

En toen pas ging ze heen.

* * * * *

Deze moeder had haar kinderen met Waarheid opgevoed. Ze had hen niet alleen met het leven, maar ook met het sterven vertrouwd gemaakt. Behoort de dood niet bij het leven? En ze heeft er rijkelik haar loon voor gekregen: van hen die nog leven dag aan dag een volkómen vertrouwen, en van de teer-sterke knaap die heengegaan is: een wondervolle zelfstandigheid in uren, dat de krachtige man bezwijkt.

II.

In hun _gedragingen_ tegenover de kinderen dienen de ouders waarheid te betrachten, en dit beginne al bij de wieg. Wie een zuigeling bedriegt, ent hem in met wantrouwen.

Aleer we nu willen nagaan, hoe het opgroeiend kind, dat met andere kinderen en volwassenen in aanraking, in wrijving, in strijd komt, over die anderen en zichzelf met waarheid moet leren _oordelen_, is het nodig, tegen een algemeen voorkomende fout te waarschuwen, juist omdat die fout in het oog der waarheidsliefde een deugd lijkt.

Het verkeer van kinderen onderling brengt botsingen mee—dit kan niet anders. Vele opvoeders menen nu goed te doen, wanneer ze deze botsingen altijd heel ernstig behandelen om daarbij—alsof ieder nesterijtje een Dreyfuszaak was—de waarheid te doen zegevieren. Onze grootouders maakten van die kinderkibbelarijen niet zo'n drukte. Ze zeiden, heel kalmpjes: „Laat maar stil doodbloeden.” En ze hadden gelijk.

Hoe zorgvuldiger men een geschil behandelt—gelijk een wond, die men reinigt en verbindt—hoe „gevoeliger” het wordt. Laat het maar onverzorgd, zodat het bloed er gans en al uit wegvloeit. Dan bloedt het vanzelf dood.

Wat konden onze voorouders dat toch wijs en tekenachtig zeggen. Ze verzorgden die konflikten, door ze onverzorgd te laten. Wij doen ze uitgroeien, door overmaat aan gewichtigheid. En dit geldt zelfs bij geschillen tussen volwassenen, die—schrijver dezes ingesloten—toch niet meer dan grote kinderen zijn.

Er zijn mensen te over, ernstige, brave, waarheidlievende, diepzinnige mensen, die ieder geschil door redenering willen oplossen, anders—zo zeggen ze—blijft er toch wat zitten. Daarom pluizen ze hun geschilpunten uit, geven er hun beschouwingen bij, ontdekken telkens nieuwe elementen, wroeten in de aard van hun tegenpartij, en hebben ten slotte gelijk. Met deze metode bereiken ze echter precies het tegengestelde gevolg, van wat ze heetten te beogen. In plaats van het geschil op te lossen, wordt het door de ontleding in zijn bestanddelen, door de blootlegging van zijn finesses, steeds scherper, helderder, bewuster. Het bloedt niet dood, maar leeft op. En dank zij de zorgvuldige behandeling, groeit het uit tot een diepgaande vete.

Er zijn ook mensen—oppervlakkige naturen!—die hun geschillen niet uitredeneren, maar afzoenen. „Kom, geef me maar een hand, en laten we 't vergeten en vergeven.” Deze oppervlakkigen konden echter wel eens véél dieper zien, dan de anderen. Zij konden wel eens begrijpen, dat er bij die geschillen ook psychiese faktoren in 't spel zijn, die zich niet in een redenering laten omzetten, gevoelens, die misschien redeloos, maar in elk geval onberedeneerbaar zijn. Ze konden wel eens instinktief weten, dat juist bij de redenering de fijnste, de verborgenste grootheden buiten bereik blijven en haar afwezigheid de hele konklusie vals maakt; dat juist in die onmeet- en zelfs voor velen onmerkbare grootheden de werkzaamste faktoren aan het analyserend verstand ontgaan.

Geschillen tussen echtgenoten over wederzijdse familie—geen zeldzaamheden—worden nooit door redenering opgelost. Het bloed kruipt, waar het niet kan gaan, en de scherpe kritiek der ene partij, al is ze juist, roept in de andere partij gevoelens wakker, die zich verzetten tegen een toch altijd eenzijdige beoordeling: het scherpziend is meestal ook een voorbijziend verstand.

Twisten tussen onderwijzers en ouders over de kinderen lopen nooit bevredigend af. Die moeder voelt heel iets anders dan de onderwijzer, en beiden redeneren voortdurend langs malkaar heen, ieder zijn eigen rails volgend.

In al zulke gevallen doet men beter, een geschilpunt los te laten en over te geven—hetgeen niet zeggen wil: de tegenpartij naar de mond te praten. Dan zal, wanneer de gemoedsrust teruggekeerd is, ervaring bewerken, wat ons opdringend betogen juist tegenhield. Polemiseren concentreert eenzijdig alle licht op één punt, en maakt daardoor de juiste kijk op het geheel onmogelik.

Wanneer dit waar blijkt bij volwassenen, is het ons toch een waarschuwing, om de geschilletjes tussen kinderen niet te vertroebelen door onze helderheid. Ga niet als een Hof van Arbitrage hun kleine kibbelarijen behandelen. We zijn toch ook niet zo dom, de zwevende wolkjes te fixeren, die een ogenblik de zon verduisteren. Een beetje wind, wat regen, en de wolkjes zijn weg, de zon schijnt weer. Laat er desnoods een moment tumult zijn in de kinderkring, laat er wat tranen vloeien, dat geeft opluchting. Wat zegt ons volk dat weer prachtig: het lucht op! Maar het redeneerzieke principe wil niet van zo'n opluchting weten. Nu, laat het zich, in zijn _grondigheid_, dan aan de grond vast redeneren!

Een kind holt, op de speelplaats, midden uit zijn spel naar de onderwijzeres, en roept, de vinger omhoog: „Juffrouw, Willem trekt aldoor aan ons touw!”

„O!” zegt de juffrouw. „Zeg maar, dat hij het _niet_ doen mag, hoor!” En in dat _niet_ legt ze al het gewicht van haar persoontje.

Bevredigd holt de aanklager weg, en twee minuten later speelt hij met Willem, is de touwtrekkerij glad vergeten.

Dat had een Hof van Arbitrage nooit bewerkt.

Dit houdt geen rekening met de vluchtigheid der stemming. En stemming is, in haar snelle vergankelikheid, machtiger dan zichtbaar feit.

Het Hof rekent met feiten. Het leven met stemmingen.

En daarom—echtgenoten—zoent uw geschillen af.

* * * * *

Dus moeten we onrecht onrecht laten en de bedeesde kinderen onbeschermd doen overheersen door de brutale?

Dit is ook weer de bedoeling niet.

Wanneer in een gezin of een klas enkele kinderen met harde, brutale zelfzucht de baas spelen over anderen, gaat het niet aan de gerechtvaardigde klachten terug te wijzen. Een volwassen vrouw vertelde me eens, hoe haar gehele jeugd bedorven was door de meedogenloze, onbeschaamde baasspelerij van een nog wel jonger zusje. Wanneer er dan dientengevolge twist ontstond tussen de kinderen, twist die alleen ontstaan was door de aanmatigende dwingelandij van die ene, werd deze niet door de ouderlike macht binnen de perken gehouden, maar heette het altijd: Waar twee kijven, hebben beiden schuld, en werden, zonder onderzoek, de kinderen, soms nog wel met klappen, in hun verward wereldje terug geworpen. Dat was dan een triomf voor de brutaliteit, die natuurlik voortging met de vrijheid en de vreugde der anderen te verstoren.

In zulke gevallen hebben de volwassenen tot dure en onafgebroken plicht, de brutaliteit der baasspelerij aan banden te leggen, de broertjes en zusjes te beschermen. Dit moet nadrukkelik gezegd worden, omdat gemakzucht en ook vrees menigmaal de ouders weerhouden tegen die baasspelerij op te treden. Vader en Moeder—het klinkt vreemd, maar ze durven dat kind niet aan. En wanneer ze, in een driftvlaag, al eens hun macht ontwikkelen, er wordt hier een aanhoudende waakzaamheid, een onverzwakte spanning vereist, en daartoe zijn ze in staat noch bereid. Zo worden de alledaagse kinderen de dupe der taaie tirannieke natuur. Zo wordt het heerlikste levenstijdperk onherstelbaar bedorven. Ieder kind heeft maar één jeugd. Laten we die gebruiken, maar toch ook ontzien.

Evenwel, jeugd verdedigen en beschermen tegen harde aanmatiging is nog iets anders dan van ieder kibbelarijtje een gewichtigheid maken. Het een en het ander te onderscheiden zij ieders wijsheid overgelaten. We willen nu met ons onderwerp voortgaan en overwegen, in hoever de _waarheid_ ontzien moet worden bij het _oordelen_ onzer kinderen over andere kinderen en volwassenen.

Er zijn mensen, die van zulk oordelen in 't geheel niet willen weten. Het past kinderen niet te oordelen over hun ouders en onderwijzers zo heet het dan. Zij hebben te zwijgen en te luisteren.

Dit heeft mij altijd heel zonderling in de oren geklonken. Ik meende altijd, dat ontwakend verstand zich juist door waarnemen en oordelen kenmerkte en dat we dit ongepaste dus als gunstige verschijnselen moesten begroeten.

Zo kan men wel zeggen: Het past kinderen niet, op te merken. Maar ze hebben nu eenmaal ogen, en die gebruiken ze. Die ogen schijnen daarbij met hersenen in verband te staan en die gebruiken ze ook. Wie dat opmerken niet wenst, moet dan maar bidden, dat Onze lieve Heer zijn kind blind maakt, en wie het denken en oordelen niet begeert, moet eigenlik verdrietig zijn, dat zijn kind niet idioot is.

Opmerken en oordelen behoort bij het uitbottend geestesleven, en dat kinderen, die met andere kinderen en ook met volwassenen omgaan, d. w. z. met hen vaak in wrijving komen, daarbij de wezenlike of vermeende fouten dier volwassenen zien en zich hieraan stoten, spreekt zo vanzelf, dat we—wel verre van dit te willen smoren, het met blijdschap moeten constateren, en er rekening mee houden.

Met smoren komt men er niet. Men verstikt het oordeel niet en ook niet de uiting. Het normale verstand blijft werken, al menen wij met ons gebod de geestelike machine te hebben stop gezet. En waar we in onze tegenwoordigheid de uiting niet dulden, daar zal deze haar weg zoeken buiten onze tegenwoordigheid. Wat, in heerlike openhartigheid, ons werd meegedeeld, wordt nu aan vriendjes verteld: „Het hart wil een klager hebben.”

Onbegrijpelik is de struisvogeldomheid van zulke het-zwijgen-opleggende ouders en onderwijzers. Ze moesten toch uit hun jeugd weten, dat kinderen spreken _moeten_, en dat de woorden, die het oor der opvoeders gesloten vinden, daarom niet ongesproken blijven. Die woorden worden nu alleen tot anderen gericht en dragen daarbij meteen het vertrouwen aan die anderen over. Weten de ouders aan wie? Zijn ze ervan overtuigd, dat die vertrouwden het beter met hun kind bedoelen, dan zijzelf?

Laat uw kinderen hun hele hart uitzeggen, _tegenover u_. Ook hun onbarmhartige kritiek op kameraadjes, onderwijzers, dominees, op—uzelf.

* * * * *

Het eerste voordeel dier openhartigheid is, dat de kinderen bij u blijven. Het tweede, dat ge ze leert kennen, gelijk ze zijn, en niet zoals ze zich uit eerbied voor uw gezag behoren te huichelen. Het derde, dat ge nu, door uw rijper en milder oordeel, invloed op het hunne kunt oefenen.

Wanneer een kind in een geschil met een ander kind of met een volwassene—dienstbode, onderwijzer, familielid—ongelijk heeft, moet dit zonder beperking door de ouders worden gezegd. Dit is niet steeds gemakkelik. Vooreerst al niet, omdat het kind een partijdige voorstelling van de zaak geeft: zijn eigenbelang, zijn bewogen gemoed benevelden de zuivere kijk op het geval, en niet uit leugenachtigheid, niet in welbewuste bedriegerij, maar door onvoldoende kennis en verkeerd voelen zag het de feiten onjuist en gaf ze onjuist terug. Wie in zulke gevallen, beter wetende, het kind toevoegt: _Je liegt_, doet het onrecht. Het kind liegt niet, het zegt _zijn_ waarheid, en 't kan niet helpen, dat deze een valse weerspiegeling van de werkelikheid geeft. Ouders, het kind kennende, altans behorende te kennen, dienen dan beter te weten en de ogen van 't kind te openen voor zijn ongelijk.

Maar, en dit is het tweede en veel grootere bezwaar, vele ouders zijn al even verblind als het kind zelf. Waar het hun eigen kroost betreft, zijn ze onmiddellik geneigd, dit gelijk te geven. 't Gaat ook al weer onopzettelik, doch dit maakt het bijna te erger—niet in zedelike, maar in verstandelike zin. Ze kunnen van hun kind geen kwaad horen, omdat ze er geen kwaad van kunnen geloven. Vooral moeders zijn in dit opzicht merkwaardig—ik zeg niet onwillig, maar onmachtig. Ons aller zelfverblinding, waar het eigen gebreken betreft, wordt schitterend overtroffen door de verblinding der moeders, waar het haar kinderen geldt.

Men moet de waarde dezer verblinding niet onderschatten. Inderdaad—hoe vreemd het menigeen toeschijne—deze in de natuur der mensen liggende onmacht, om zichzelf en de geliefde personen te zien gelijk ze zijn, heeft grote waarde. Ze houdt het geloof, het vertrouwen staande in het goede der menselike natuur. Zolang iemand nog in ons gelooft, zijn we niet verloren. Dit geloof, ook waar het ongegrond schijnt, roept verantwoordelikheden wakker, en deze weer alle nog beschikbare krachten ter opheffing uit een gezonken staat. Alléén door in misdadigers te geloven, redde Jezus hen. Bij Hem ging dit niet gepaard met blindheid voor hun zonden. Hij zag het kwade—én het goede. Doch ook waar moeders het kwade niet zien—ongetwijfeld een fout!—is toch het geloof in het goede een deugd, een onmisbare faktor in hun opvoedingstaak. Hoe zouden ze kunnen verbeteren, waar ze het goede niet onderstelden?

Die verblinding der ouders mag ons dus niet ergeren, al moeten we beproeven, deze sluier weg te nemen, zonder het geloof in de aanleg tot verbetering te verzwakken. Slagen we hierin, en zien de ouders hun kinderen zoals ze zijn, dan reikt de ouderlike invloed nog veel verder. Dan kunnen ze hun kinderen tot _zelfontdekking_ brengen, een der moeilikste, maar nodigste vermogens. En dan beschikt de opvoeding, ook de zelfopvoeding, over een der werkzaamste krachten. Naast geloof in eigen louteringsvatbaarheid, is er nodig: zelfkennis, echte, onvertroebelde, exacte zelfkennis. Het klassieke voorbeeld van de profeet Nathan hebben we daarom na te volgen: eerst het oog openen voor de realiteit en de lelikheid van het gepleegde kwaad, en daarna het onweerspreekbaar, verpletterende, maar in zijn verplettering reddende: _Gij_ zijt die man!

* * * * *

Moeiliker wordt het, wanneer de kinderen in hun geschillen gelijk hebben en wanneer dit dan is tegenover volwassenen, die in hun positie gezag en moraliteit vertegenwoordigen: onderwijzers, predikanten. Dienen we dan de ouderen zogenoemd te handhaven en de jongeren de mond te snoeren? Nooit! Er is maar één ding te handhaven en hoog te houden: de Waarheid. Wie haar verkracht, verkracht ook de zedelike natuur der kinderen. Wie haar eert, voedt zijn kinderen op.

De schromelike dwaling is echter weer, dat men meent door het eren der waarheid de eerbied voor personen te kort te doen en hun zogenoemd gezag te ondermijnen. Kinderen moeten in hun opvoeders een soort heiligen zien, zo meent men. Vader kan geen fouten hebben. Wat Vader doet, is goed, _omdat_ Vader het doet. In Vader is de deugd belichaamd, zijn leven is de zichtbare norm voor der kinderen zedelik streven.

Ik acht dit gewoonweg onzin. Indien Vader wezenlik zo'n heilige is—we willen het echter voor de kinderen niet hopen—welnu, laat de kinderen hem dan aanbidden. Gelukkig evenwel is er in de meeste gezinnen niet veel kans op. En zo kunnen de kinderen daar niet alleen zijn gewoon menselike fouten zien, maar ook gadeslaan—wat een prachtige gelegenheid voor zijn opvoedkundige theorieën!—hoe hij deze bestrijdt. Dan leren de kleinen zeker nog meer van zijn worstelend overwinnen, wat ook hún roeping is, dan van zijn ongerepte heiligheid, die ze toch niet kunnen bereiken en die eenmaal, ook voor hun oog, ontmaskerd zal worden.

Laat de kinderen veilig weten, dat de volwassenen gebreken hebben, waar ze die gebreken met eigen ogen zien en aan eigen stemming ervaren. En haasten we ons, die gebreken te erkennen, wanneer de kinderen er de dupe van zijn geworden, en zelfs, waar ze die alleen maar hebben opgemerkt. Doch—laten we het bij die erkenning niet doen blijven! Er is dan, juist dan, nog iets meer te doen.

Kinderen zijn in de hoogste mate onbillik in hun oordeel. Dit is echter niet te wijten aan een zekere hardheid of aan een tekort aan rechtvaardigheidsgevoel, maar aan onwetendheid. Zij hebben, door hun gebrek aan levenservaring, niet genoeg kennis van het innerlik leven der volwassenen, leggen daardoor veel te weinig gegevens in de schaal, en hierdoor worden we bij hun wegerijen te licht bevonden. Een dergelijke onzuivere gewichtsbepaling merken we op, wanneer volwassenen malkander wegen. Mevrouwen en dienstboden beoordelen malkander gewoonlik onjuist, officieren en soldaten, gehuwden en ongehuwden, ouders en kinderlozen, zelfs mannen en vrouwen. De een kent het werk, het leven, de moeiten van de ander niet, en nu ligt het in de menselike natuur die altijd te onderschatten. Eigen taak voelen we zwaar en gewichtig—geen wonder, die hebben we ook te vervullen. De taak van de ander tellen we licht. Waarlik, in dit opzicht zijn we vaak niets beter dan de kinderen. Ook wij voelen andermans druk niet op onze eigen schouders en zijn in ons oordeel onrechtvaardig uit domheid.

We moeten leren, ons in anderen te verplaatsen. En dit moeten we ook onze kinderen leren. Bedrieg ze niet met schijn, ontzeg ze ook niet het recht tot oordelen. Maar leer ze, wanneer ze een deel der werkelikheid zien, de _volle_ werkelikheid zien. Dan zal hun ergernis vaak veranderen in medelijden, hun kritiek in waardering, en veroordeling plaats maken voor zelfbeschaming.

* * * * *

Een onderwijzer heeft een kind in drift een ruw woord toegevoegd of zelfs een klap gegeven. Het kind klaagt er tuis over, 't voelt zich onbillik behandeld.

Leg het nu niet het zwijgen op; zeg niet, dat het met die „kletspraatjes” niet moet aankomen; beslis ook niet zonder onderzoek: „dan zul je 't wel verdiend hebben.” Laat het kind uitpraten en, als het in 't algemeen geloofwaardig is, geef het dan gelijk in zijn klacht en keur met hem die handelwijze af. Zeg gerust: „dat had meneer niet moeten doen, dat is verkeerd van hem.” Ge zult eens zien, wat dat het kind een kalmte geeft, en hoe het daarna gaarne bereid is, met u te zoeken naar een verklaring, een verontschuldiging van die uitval. Meneer heeft de avond te voren nog laat zitten studeren, hij moet gauw een examen doen, hij is wat moe; hij had hoofdpijn; zijn vrouw, zijn kind was ziek, hij heeft een deel van de nacht gewaakt; hij is teleurgesteld in een verwachting—oorzaken te over, die een kind begrijpen kan, omdat ze hun aequivalenten hebben in het kinderleven, en die het kind, als men ze hem maar eerst bewust maakt, gaarne ter vrijpleiting van zijn onderwijzer wil aanwenden.

Acht iemand zich te hoog, om op die manier voor zijn gedrag te worden vrijgepleit—door een kind?

Of vreest men, dat het kind daardoor in eigenwijsheid en eigengerechtigheid het kinderlike zal verliezen, als rechter vonnissend over volwassenen en de zonden zijner meerderen grootmoedig vergevend?

Wat heeft men dan toch weinig vertrouwen in de kracht der waarheid, in de natuurlike goedhartigheid van 't kind, en in de doorwerking van zijn eigen invloed.

Ik heb het eens bijgewoond, hoe een predikant het ontgelden moest, omdat hij zich boos had gemaakt op een catechisant: „En dominé zegt zelf, dat we altijd geduld en liefde moeten betonen. Hij geeft ons een mooi voorbeeld, hoor!”

De vader zei: „Ja, dat is zeker al een heel slecht voorbeeld. Die man deugt eigenlik niet voor zijn taak. En is hij altijd zo?”

„Neen, gelukkig niet. Maar een dominé behoorde toch eigenlik _nooit_ zo te wezen.”

„Daar heb je gelijk aan. Toevallig weet ik, dat Dominé Zondag tweemaal gepreekt heeft en in 't middaguur nog bezoeken heeft gehad; dat hij Maandag zeven uur gecatechiseerd heeft, Dinsdag de hele voormiddag in zijn wijk armen en zieken heeft bezocht, Dinsdagnamiddag drie uur catechisatie heeft gehad, Dinsdagavond Bijbellezing heeft gehouden, Dinsdagnacht bij een stervende is geroepen, Woensdagmorgen weer zieken heeft bezocht, en nu vind ik met jou, dat hij, al was hij dan ook wat moe, Woensdagmiddag niet boos had mogen worden, ook al gaf een catechisant daar aanleiding toe. Een dominé moet nu eenmaal volmaakt zijn, en catechisanten hebben geen plichten.”

„O neen, zo bedoel ik het niet.”

„Hoe dan? Ik geef je immers toe, dat Dominé niet het recht had, boos te worden?”

„Ja maar, als hij dan zo moe was, is dat toch wel een beetje te begrijpen, en die jongen leert ook nooit zijn les.”

Ziedaar de macht der waarheid. Het eerlik uitgesproken oordeel werd aangehoord, aanvaard, toegelicht, teruggenomen. De aanklager werd pleitbezorger, doch zou dat nooit geworden zijn, als men hem het recht der aanklacht ontzegd had.

Gunt ge uw kinderen het recht, ook over úw daden te oordelen?

Overbodige vraag: ze oordelen, of ge ze het recht toekent of niet.

Maar gunt ge ze de vrijheid, dit oordeel uit te spreken?

Dringend zou ik u raden: doe het toch, want—nog eens—anders doen ze het bij vreemden.

Vader wil niet, dat de kinderen aan de ontbijttafel lezen. Terecht. Ook niet, dat ze dan nog even hun les nakijken. Alweer terecht. Het boek zit de boterham in de weg.

Maar nu leest hij zelf onder 't ontbijt de krant....

Of hij hieraan goed of verkeerd doet, laten we in 't midden. Maar hij doet het, en de kinderen zien het.

„Nu leest u zelf de krant,” zegt er een, „en wij mogen niet lezen, omdat het ongezond is.”

Wat zal Vader zeggen? „Wil jij je brutale mond wel eens houden”?

Neen, dat zegt hij niet.

Hij zegt alleen: „Je hebt gelijk. Dat moest Vader ook niet doen. 't Is voor mij ook niet goed.” En hij legt de krant neer.

Of hij geeft de verklaring: „Vader móét de krant even doorkijken, en anders heeft hij geen tijd. 't Is jammer genoeg.” Als hij met die verklaring tenminste niet liegt.

't Is wonderlik, hoe bevredigd de vrije kritiek wordt door zulk een eerlik antwoord.

En hoe het gezag—het echte!—erdoor wordt bevestigd.

III.