Part 3
Eén der kenmerken der moeder is toewijding, zelfverloochening. Eigenlijk drukt dit laatste woord nog niet zuiver de bedoelde eigenschap uit. Het doet nog denken aan opzet, bewustheid, inspanning. Een moeder behoeft haar zelf niet te verloochenen, omdat ze geen zelf heeft. „Al mijn égoïsme zijt gij,” laat Hildebrand iemand zeggen. Dat is Moedertaal. Een moeder bestaat niet, alleen haar kinderen bestaan, en gelijk haar borst voedingsbron werd voor den zuigeling, werd dit heel haar bestaan levenslang voor de kinderen. Haar wezen is wijden.
Zóó is de Moeder. En waar zij zoo is, behoeft zij zich nooit bekommerd te maken over paedagogiek. Zij brengt paedagogiek voort. Die vloeit uit haar toegewijd leven. Die roept het kind in haar wakker als moedermelk. De mannen der wetenschap gaan tot haar en zien haar de paedagogiek af, die zij, onbewust van haar gave, zoo maar als levensrealiteit uitstroomt.
Maar dit geschiedt alleen, als zij waarlijk moeder is. Want er zijn ook veel onechte moeders, nog veel meer dan „onechte” kinderen. Die willen leven voor zichzelf, ja, begeeren dat de kinderen voor haar leven, alsof de zuigeling moeder moest worden. Dit zijn echter geen moeders, alleen voortbrengsters van kinderen.
De echte moeder zorgt altijd voor haar kinderen, zelfs nog na haar dood.
Een zeer goede vriendin schreef mij over de onoverkomelijke moeilijkheden, om in haar armoede een nieuwe woning te huren; woordelijk stond in dien brief na het droeve verslag van alle vergeefsche pogingen: „Verleden week was ik wanhopend, tot ik op een nacht met Moeder bezig was en ik haar hoorde zeggen: „Kind, verlies den moed maar niet, je komt er wel weer door.” En toen ik den volgenden dag er op uit trok, vond ik een woning.”
Voor de volkomen waarheid hiervan sta ik in, want die vriendin was mijn zuster, en haar moeder de mijne. Haar brief—zij weet het zelf niet—heb ik bewaard als een schitterend bewijsstuk van wat een echte moeder vermag, en wanneer ik dit citaat hier aan de openbaarheid prijs geef, het is—opdat het alle moeders zal overtuigen van haar buitengewone beteekenis voor de kinderen, en opwekken tot de heerlijke, gezegende taak, goede Moeders te zijn.
V. HEBT GE IETS VOOR UW KIND OVER?
Maar dát is een krenkende vraag.
Zou een moeder, een Moeder, niets over hebben voor haar kind?
De vraag moge krenkend zijn, misplaatst is ze niet.
Er zijn toch moeders, die voor haar kind niet eens het zoogen over hebben. Dat bindt haar te veel. Dat maakt haar ook niet mooier. En dus nemen ze een min. Kan 't minder? Moeders, die niet eens de melk willen geven aan 't kind, dat door zijn komst die melk heeft doen vloeien, dat die melk voor zichzelf heeft bereid. Moeders alzoo, die het kind zijn rechtmatig eigendom onthouden.
Stel u eens voor, dat een Vader het kapitaal, dat zijn kind van een familielid geërfd heeft, niet ten bate van zijn kind beheert, maar verdonkeremaant.
Maar die Vader besteelt zijn kind immers en is strafbaar voor de Wet?
Juist. En de Moeder, die de voedselbron, door de nieuwgeborene geopend als _zijn_ voedselbron, moedwillig verstopt? Besteelt zij haar kind wellicht niet? Alleen is zij niet strafbaar voor de Wet. Doch men kan kwalijk zeggen, dat zij voor haar kind iets over heeft, zij, die begint met den hulpelooze van zijn recht te berooven.
Het klinkt hard, maar er zijn honderden en duizenden moeders, die _niets_ voor haar kind over hebben. Eigen gezondheid ontzien terwille van het kind? Bezoeken en bezoeksters laten varen ten bate van 't kind? Concerten en tooneelstukken prijs geven ten behoeve van 't kind? Maatschappelijke plichten laten rusten ten gerieve van het kind? Niets van dit alles. Het kind moet dan maar missen, als een van beiden iets missen zal: missen de gezondheid, de nabijheid, de zorg zijner moeder. En overgelaten worden aan eenzaamheid en vreemden. Menig kind is in zijn eigen huis te vondeling gelegd.
VI. WAARHEID IN DE OPVOEDING.
I.
Wat ik nu ga schrijven, zou ik even goed te boek kunnen brengen, wanneer ik lid was ener roverbende en daar, wegens ongeschiktheid voor alle andere en degeliker arbeid, was aangesteld tot rover-pedagoog.
Doch wat goed is voor rovers en moordenaars, kan toch kwalik worden aangeprezen voor brave mensen als wij zijn, die op generlei wijze roven en moorden, die zelfs niet, kwaadsprekend en lasterend, iemands eer en goede naam stelen, noch simpellik de waarheid smoren om aldus een mededinger te treffen?
Hoor eens, we mogen van geldrovers niet slechter denken dan van eerrovers, en de lijfmoordenaars niet lager stellen dan de zieledoders, en zulks alleen, omdat de eerste hun plunder- en vernielingswerk meer in het stoffelike bedrijven en de laatste bij hun gewetenloos bedrijf slechts nog een beetje huichelachtiger zijn. Dat gaat niet aan. Ook georganiseerde _dieven_ hebben kinderen, die opgevoed behoren te worden, d. w. z. naar de gangbare praktijk in de zeer brave kringen der maatschappij: grootgebracht voor 't geldverzamelen. Ook roversjeugd heeft leiding nodig. En waarom zou er zulk een reuzenverschil moeten bestaan tussen de pedagogiek in het door flakkerende flambouwen verlichte rovershol en die in de koud-wit electries verlichte huiskamer? Dressuur tot het een of dressuur tot het ander, dressuur is toch dressuur?
Evenwel, ik wil erkennen, dat er in de geordende samenleving ook nog wel mensen voorkomen, die meer op het zedelik heil dan op het maatschappelik succes van hun kinderen achtgeven, die in de allereerste plaats vragen hoe ze hun kinderen braaf kunnen maken, en dat zulk een zorg in de kringen der struikrovers de gemoederen niet bezwaren zal. Maar, ook bij de aanvaarding van dit verschil in opvoedkundig doel, kunnen we handhaven de mening, dat een pleidooi voor _waarheid in de opvoeding_ evenzeer gerechtvaardigd is, zonder bekeringstendenzen, in een rovershol als in een bedehuis. En hieruit blijkt dan onmiddellik, hoe het behandelde onderwerp geen pedagogies probleem van de eerste rang is. Zulk een toch zou geen opgroei tot misdadigheid kunnen gedogen, laat staan bevorderen. Het zou als onmisbare eis stellen: aankweking tot deugd. En uit de toepasbaarheid en wenselikheid van de gestelde opvoedingsregel, onafhankelik van elk opvoedings_doel_, volgt zijn minderheid in rang, hetgeen niet zeggen wil: zijn minderwaardigheid. _Waarheid in de opvoeding_ is een opvoedings_middel_, waaromtrent de meest tegenstrijdige partijen het eens kunnen zijn, die dadelik uiteen zouden gaan, waar het bijvoorbeeld de vraag gold: Wat _is_ waarheid. Gelovigen en ongelovigen, materialisten en idealisten, vrijdenkers en dogmatici, christenen en heidenen, mensenredders en moordenaars—allen kunnen, voorzover ze aan opvoeding doen, daarin de waarheid als onmisbaar middel eren en aanwenden. En zo ben ik wel verplicht, bij voorbaat de verwachting der lezers niet al te hoog te spannen. Dat mooie woord Waarheid—en de mooie zaak zelve—is misschien, allermisschienst, nog meer tuis in het hol der beroepsmisdadigers, dan in het hof der fatsoenlike wereld, en waarborgt dus geenszins Goedheid.
Nu behoeven we de waarde van dit opvoedingsmiddel echter al weer niet te miskennen. Ook als we _goede_ mensen willen vormen, is het ons onmisbaar, en gaarne houden we ons daarom aan de raad van onze wijze Beets:
Zoo ge u goede menschen op wilt voeden, Veins niet. Wie ge ook zijt, wees die ge zijt. Waar de kinderen een rol vermoeden, Zijt ge 't spel en al uw invloed kwijt. Aan wiens blik de waarheid zich onttrekken, Hoe de leugen zich verbergen moog', 't Godlijk en het kinderoog Zullen beide ontdekken. De eerste deugd is waarheid. Heb dan moed, Waar te wezen, gij zijt groot en goed.
* * * * *
Of de waarheid de eerste deugd is, willen we voorlopig in 't midden laten, maar dat niet velen „den moed” bezitten, om de roem van „groot en goed” te zijn te veroveren, dát wordt ons bij een rondblikken in de wereld, ook in de kleine wereld der huiskamer, al gauw duidelik. Reeds in haar _gedragingen_ tegenover _kleine kinderen_ missen de meeste moeders de moed om waar te zijn. 't Klinkt vreemd, maar de volwassen vrouwen zijn dan _bang_ voor de drie- en vierjarigen.
Daar is kleine Mientje. Driejarig kindje, is ze haar moeder al te machtig. 't Is bedtijd, en Moeder wil haar uitkleden. Maar 't kleintje speelt daar zo prettig en is geheel in haar spel verloren. Nu ziet Moeder er tegen op, het kind uit haar spel te halen, niet—omdat ze daarmee een heerlik genot stoort en haar lieveling een ogenblik ontstemmen moet, maar omdat de kleine dan gaat schreeuwen en zich verzet. Moeder ziet op tegen het konflikt en zegt met een stem, die, zo natuurlik mogelik, geen argwaan kan wekken: „Kom eens hier, Mientje, je jurkje is los, dan zal Moeder het vastmaken.”
Mientje laat even haar schatten liggen en gaat naar Moeder. Maar in plaats het jurkje vast te maken, maakt Moeder het juist los, en onderdehand praat Moeder wat vriendelike woordjes, die de aandacht van het speelgoed afleiden. 't Gelukt haar aldus, zonder strijd, het meisje uit te kleden en straks naar bed te brengen, en als 't kindje er goed en wel in ligt, heeft Moeder een dankbaar, blijmoedig gevoel, dat ze met zoveel takt—ze noemt dit takt—een huilbui heeft voorkomen.
Maar verdient die handelwijze nu afkeuring? vraagt iemand verbaasd. Is het niet juist lief en handig van Moeder, om én het kind én zichzelf wat narigheid te besparen? Kom, kom, wie dit onwaarheid noemt in Moeders gedrag, heeft toch alle kijk op het leven en zijn eigenaardige eisen verloren, en is véél te principiëel. Onwaarheid! Wat een groot woord bij zulk een luttel geval!
En toch—het _is_ onwaarheid. Dat voelt Moeder in haar binnenste heel goed. En al bespeurt het kind van dit bedrog nog niets, het zal in zijn gevolgen verderfelik blijken. Het typeert de houding, die Moeder tegenover het kind aanneemt, een houding van om-de-tuin-leiderij, en daar die houding _voortvloeit uit vrees_, zal ze ook bij ernstige gevallen en in volgende jaren worden aangenomen, en dan het vertrouwen van 't kind in Moeder verzwakken. Dit is het fatale, dat Moeder reeds vroeg het gans natuurlike en volkomen vertrouwen van 't kind verzwakt in stede van het in toenemende mate te versterken, zodat het ontbreekt, wanneer het kind, jong meisje geworden, zich geheel aan Moeder behoorde te geven.
En Moeder gáát voort op die weg.
We weten, hoe naar het voor kleine kinderen is, als Moeder 's avonds uitgaat. Vader, dat hindert niet, als Moeder maar tuis is. Maar Moeder moet toch wel eens uit, en om nu de gemoedskalmte van 't kleintje niet te verstoren—of _zichzelf_ enige moeilike ogenblikken te besparen?—verzwijgt ze haar uitgang en laat het kind in onwetendheid. Zulke kleine kinderen hebben echter fijne voelhorens. Aan iets ongewoons in het gedrag van Moeder merken ze, dat er iets dreigt. Een andere japon, een andere broche, wat vroeger eten, misschien iets onrustigs, iets haastigs in de bewegingen, een gejaagd bevel aan de dienstbode—'t is de kleine niet ontgaan en plotseling klinkt de vraag: „U gaat toch niet uit?”
„Wel neen, hoe kom je er aan!”
„O, ik dacht het.” Het kind kan geen rekenschap geven, is zich niet de gang van haar redenering bewust, maar het heeft de nadering van de uitgang even stellig gevoeld, als het popelblad de nadering van een schier onmerkbare luchtstroming. En het beweegt, het trilt. Maar Moeder herleidt de fijne waarneming—hoe dankbaar moest ze haar opmerken!—tot inbeelding. Ze lochent het feit en stelt, gelijk ze dat noemt, het kind gerust.
We willen hier niet de nadruk leggen op de verwaarlozing van het ontluikend verstand, waar dit, zuiver waarnemend, moedwillig op een dwaalspoor wordt geleid. 't Is uitsluitend te doen om de verkrachting van het zo broodnodige vertrouwen in het jonge zieltje. Straks, als 't meisje slaapt, zegt Moeder: „Ziezo, ze slaapt rustig” en dan gáát ze uit, het slapende kind bedriegend. „Ze slaapt.” Dat is Moeder genoeg. Een slapend kind weet niet en behoeft dus niet geëerd te worden. Maar dat slapende kind kan wakker worden en om Moeder roepen. En dan? Dan moet het dienstmeisje komen of een zuster, en die moet zeggen, dat Moeder tóch uit is.
„En Moeder had gezegd van neen.”
„Kom, ga nu maar rustig slapen, dadelik komt Moeder tuis, ze is maar eventjes een boodschap,” troost de vreemde.
Het kind schreit. Misschien schreit het ook niet. Wat doet het er toe. Die tranen zijn gauw gedroogd. Maar héél zeker voelt het, dat Moeder het bedrogen heeft. Dit gevoel is een gemoedservaring. Het geeft er zich geen rekenschap van, maar het veroordeelt Moeder. Het laat Moeder los. En wat nooit langs de weg der redenering in het kleine hoofdje kon worden gebracht, heeft Moeder door haar daden in 't kleine hart gevoerd: de overtuiging, dat Moeder niet te vertrouwen en 't kind met zijn noden dus bij haar _niet_ veilig is.
Jonge moeders, in domme argeloosheid aldus handelend, weten niet, hoeveel opvoedingsinvloed zij verspelen in die eerste levensjaren. En dan durven ze later nog te klagen, dat de kinderen met hun belangen naar vreemden gaan!
Er zijn erger en ernstiger gevallen dan de geschetste, ofschoon hier de onderscheiding van erg en erger eigenlik niet bestaat, daar ze alle, principiëel, even ernstig zijn: bedriegen van 't vertrouwende kind. Maar de omstandigheden kunnen het ene geval aangrijpender maken dan het andere.
Een klein meisje moest voor een operatie naar 't ziekenhuis. De moeder bracht haar weg, maar verzweeg het doel van 't bezoek. Ze gingen maar eens een visite maken bij een kennis daar, en dus stapte het kind vrolik mee naar en in 't grote gebouw. Was dat nu niet wijs van die moeder? Nu had het kind toch helemaal geen angst gekend!
Een verpleegster begreep al spoedig, dat Moeder het kind iets had wijs gemaakt, en nam het patiëntje over. Maar hoe moest Moeder nu met goed fatsoen wegkomen? Het kind zo maar alleen achter laten? O, dit zou veel te vreeselik zijn voor——'t arme kind. Tenminste, dit dacht Moeder. Wellicht zag Moeder tegen zulk een afscheid echter nog meer op voor zichzelf. Zulke moeders „kunnen nooit een kind zien lijden” en bewijzen daarmee een overgrote teerheid voor—zichzelf.
Het beste was dus, dat Moeder even koekjes ging kopen. Dan zou ze gauw terugkomen. En inmiddels zou 't kindje even bij die lieve juffrouw blijven.
En Moeder ging weg, het huis uit, de straat op, koekjes kopen.
Het kind bleef alleen achter, wachtende, wachtende, of Moeder terugkwam met de koekjes.
De verpleegster moest het ontkleden, naar de dokter brengen, op de operatie-tafel leggen.
Waar bleef Moeder met de koekjes?
Angstig dwaalden de oogjes rond. Ze zochten Moeder.
O, we weten het, Moeders kunnen niet bij een operatie zijn. Dát spreekt vanzelf. Maar moeten ze zo, met leugens het kind paaiend, zichzelf ontzien?
Het heet alles in 't belang der kinderen, wanneer moeders ze in allerlei min of meer ernstige en zelfs in heel onschuldige gevallen met een leugentje geruststellen. Maar ik geloof dit niet. Ze liegen, om zich-zelf uit de moeilikheid te redden, uit gemakzucht en eigenliefde.
* * * * *
Hoe had dan in al deze gevallen gehandeld moeten worden?
Toen het voor kleine Mientje tijd was, om naar bed te gaan, had Moeder moeten zeggen: „Kom, lieve Mien, nu zullen we de poppen eens naar bed brengen, want Mientje moet ook gaan slapen.” Of als ze winkeltje speelde: „Nu moeten we de winkel sluiten, want de mensen gaan naar bed.”
Men behoeft de waarheid juist niet onaangenaam te zeggen. In de eerste plaats al niet, omdat ze niet altijd onaangenaam is, ook al schijnt ze dit. Het naar bed moeten schijnt onaangenaam voor kinderen, die volop genieten van hun spel, maar 't behoeft dit niet te wezen. Buitengewoon veel hangt er van af, hoe de moeder, van jongs af, dit verwisselen van spel met slaap heeft „gestemd”. Er zijn moeders, die het in 't spel der kinderen hebben opgenomen, zodat de kinderen het zelfs een pretje vinden, zichzelf uit te kleden—zichzelf!—„zelf” hun kleertjes op te vouwen en neer te leggen of uit te hangen, en dan „zelf” in bed te klauteren. Het is verwonderlik, hoe alleen reeds dit „zelf” mogen doen de plicht tot een genot kan maken.
Een jonge moeder schreef me: „Wanneer ik iets van mijn kinderen (7 en 4 jaar) gedaan wil hebben, wat ik weet dat ze naar vinden, geef ik geen bepaald gebod, maar kleed 't als een spelletje in, fantaseer er een klein verhaaltje omheen. Zo b.v. wanneer de kroes melk leeggedronken moet worden, is die kroes de electriese tram van Amsterdam naar Zandvoort. Soms is 't een „sneltrein”, soms stopt hij te Sloterdijk, Halfweg en Haarlem.”
Ziedaar—dit is pedagogiek van de hoogste rang. Die vloeit uit het moederhart, evenals de melk uit de moederborst.
Maar nu schrijft deze moeder er nog bij: „Nu wordt mij vaak de opmerking gemaakt: dat moet je niet doen, je moet je kortweg laten gehoorzamen, niet door omwegen.”
Ik denk, dat deze opmerksters haar eigen zuigelingen zuurkool met spek te eten geven. En als ze „Onze lieve Heer” waren geweest, hadden ze het bevruchtingsproces zeker nooit ingeleid met kleurige bloemen, maar kortweg uit het hout een vrucht doen uitpuilen, zo'n bruin uitwas. Waartoe al die omwegen?
Men verwarre toch niet waarheid met kilheid, en verbeelding met leugen. De leugen zit nooit in de vorm, maar altijd in het wezen. Toen Moeder Mientje tot zich riep, om het jurkje vast te maken, bracht Moeder het kind in de waan, dat ze aangekleed werd, en ze werd uitgekleed. Moeder stuurde het gedachteleven van het kind in een richting, precies tegengesteld aan de richting der werkelikheid. Dat moet tenslotte op ontnuchtering en wantrouwen uitlopen. Maar als Moeder gezegd had: „Ik hoor boven een ledikantje piepen en dat vraagt: waar blijft mijn lieve Mientje? En ik hoor een kussentje fluisteren: Ik ben zo alleen, waar blijft mijn lieve Mientje?” dan had zij de gedachten van het kind in de lijn der werkelikheid gebracht en 't kindje _niet_ bedrogen; dan had ze de roepstemmen van de plicht tot zonnestraaltjes gemaakt, zoals onze Vader in de hemelen dat ook doet, als hij de wereld tot werkzaamheid aanzet.
Ik geloof héél zeker, dat Moeders—die zich waarachtig aan het wezenlik heil hunner kinderen wijden—zuivere pedagogiek „voortbrengen”. Zodra een kind geboren is, beginnen bij Moeder de melkklieren het voedingsvocht af te scheiden. Niet vroeger, niet later, maar juist op tijd. Zo geloof ik ook, dat Moeders een geheim soort „opvoedingsklieren” hebben—de Wetenschap zal ze nog wel eens ontdekken, net zo goed als het lang onbekende evenwichts-orgaan—en dat deze hun geestelike melk afscheiden, zodra de geest van het kind erom vraagt. De weg wordt Moeder gewezen door haar zuiver Moederinstinkt—als ze maar echt van het kind houdt. Men hore dit evenwel goed: van het _kind_. Niet van zichzelf. Moeders, die een uitgang verkiezen boven de gemoedsrust van haar kind—dat zijn de echte niet. Zij hebben ons omtrent de opvoeding niets te leren. Zij scheiden geen pedagogiek af. En als ze toch met beginselen—mijn hemel, met beginselen! alsof de beginselen, de beginnen, niet even geheimzinnig verborgen waren, als het begin der wereld!—als ze dan toch met beginselen aan het redeneren trekken, denk ik: altemaal denkweefsels, om uw naaktheid te dekken.
* * * * *
Verre intussen van mij, te menen, dat alles met zachtheid móét geschieden. Wanneer Mientje—reeds bedorven door toegevendheid—Moeder laat aanpraten, acht ik het veel beter, dat Moeder er haar rust en de huiselike vrede en zelfs een burengerucht aan waagt, dan dat ze zich niet gehoorzamen laat. Want ongehoorzaamheid is misschien wel de grootste fout. Laat Mientje maar schreeuwen, desnoods het huis bij elkaar, maar als Moeder zegt: naar bed, dan moet ze naar bed. Daar helpt geen lievemoederen aan. Niet Mientje, maar Moeder moet de baas blijven.
Het blijkt telkens nodig, dit nadrukkelik te verklaren, omdat de mensen zachtheid en wijsheid steeds weer verwarren met toegevendheid en slapheid. Doch men kan de baas blijven zonder al die strijd, volgens de oude leer: Fortiter in re, suaviter in modo: wees sterk in de zaak, wees zacht in de manier. En een der eisen voor die zachtheid is, dat men zich richt naar de geestes- en gemoedsgesteldheid van hen, die geleid moeten worden. Dat sluit geen bedrog in en geen waarheid uit.
De moeder, die uitging en haar kind bedroog, deed absoluut verkeerd. Dan nog beter de andere, die kort en goed zegt, dat ze uitgaat en dat het kind daar niets tegen te reclameren heeft. Dan weet het kind tenminste, waaraan zich te houden. Maar er is ook een derde houding mogelik: de waarheid zeggen zonder het kind pijn te doen, zelfs met de willige medewerking van 't kind te winnen. En van deze derde houding bezitten sommige moeders het heerlike geheim, dat haar zo maar zonder pedagogiese voorlichting geopenbaard is.
Moeder brengt zelf het meisje naar bed, en zegt: „Moesje moet vanavond uit. Zul je rustig blijven slapen?”
„Hè Moeder, moet u uit?” klinkt het teleurstellend. „Waar naartoe?”
En nu vertelt Moeder de hele geschiedenis, ook of ze 't prettig vindt of niet, ook of Vader meegaat, ook hoe laat ze vertrekt en of ze gaat wandelen dan wel per tram of rijtuig—ze vertelt alles tot op een haartje, zodat het kleintje de hele uitgang volgen kan.
„En hoe laat komt u terug?”
„Dat weet ik nog niet precies. Misschien om tien uur, misschien wordt het wel elf.”
„Komt u me dan nog even toedekken?”
„Ja hoor, dan kom ik je nog even toestoppen. Nu, nacht schatje!”
„Nacht Moeder!”
„Zul je lekker slapen?”
„Ja Moeder!”
En 't kind legt haar hoofdje rustig neer, zeker omtrent de naaste toekomst, zeker—ook in haar slaap. En Moeder gaat rustig uit, ook zeker dat haar lieveling rustig zal inslapen en niet verdrietig worden kan door een vergeefs roepen om Moeder, als ze eens door een nare droom onrustig mocht ontwaken.
Bedenken de moeders van het leugentje wel, wat het _is_ voor een kind, wakker te worden, om Moeder te roepen, een ander gezicht te zien, en te ervaren, dat Moeder het bedrogen heeft? En zij die voorzichtigheidshalve zwijgen, weten zij wel de rust die van het spreken uitgaat? Zij vrezen door inlichting de rust van 't kind te verstoren. Juist omgekeerd. Mits zij heel vroeg begonnen zijn, het kind in te lichten omtrent alles wat het rechtstreeks betrof, en hiermee trouw zijn voortgegaan, zullen ze ondervinden, hoe dit vertrouwen _in_ het kind wordt beantwoord door vertrouwen _van_ het kind, en hoe hieruit voortvloeit een trouwhartig, eerlik samenwerken, waarbij de kleine volstrekt niet in offervaardigheid behoeft achter te staan bij de grote. Ach, men kent de kinderen niet. Vaak valt op hen veel vaster te rekenen dan op volwassenen. Mits men niet begonnen is met hun naief vertrouwen al vroegtijdig te vergiftigen.
* * * * *
Moelik, uiterst moeilik kan het vallen, een kind, dat ter operatie naar een ziekenhuis moet, eerlik de waarheid te zeggen. En toch, ons gemoed komt er tegen in opstand, wanneer een moeder, een Moeder, zich met koekjes-koperij aan haar liefdetaak onttrekt. Wie kan het kind in nood en dood meer—ik zeg niet practiese hulp, maar meer zedelike bijstand verlenen, dan de vrouw, die dag aan dag, van de geboorte af, met het kind heeft meegeleefd en met wie het innig vertrouwd is? Moeders nabijheid is dan, juist dán, kracht voor de kleine. En die kracht onthoudt de Moeder haar kind uit teergevoeligheid voor zichzelf.
Hoe geheel anders kan de Moederliefde handelen, als ze echt is en niet, naar Paulus' woord, zichzelf zoekt.
Het was een jongetje van negen jaar. Plotseling kreeg het kind hevige koortsen, meer dan veertig graden hoog. De dokter kwam, achtte darmontsteking mogelik, oordeelde onderzoek in een ziekenhuis noodzakelik.
„Wat zegt de dokter, Moeder?”
„De dokter denkt, dat het blindedarm-ontsteking is.”
„En wat wil hij nu?”
„Hij wil je doen opereren in het ziekenhuis.”
„Laten we dan maar dadelik gaan, Moeder.”