Verspreide Opstellen, II

Part 2

Chapter 23,782 wordsPublic domain

Toen De Genestet een leelijk trekje ontdekt had in het hart van zijn lieveling, maakte hij zich daar bekommerd over, en zon op allerlei middelen, om dat kwaad te bestrijden. Maar zijn wijsheid schoot te kort. Toen bad hij, en wachtte. En zie—„'t hooghartig zondaresje” kwam uit zichzelve tot hem, „nederig en klein.” Wie had dat wonder bewerkt? Niet de paedagogische middelen van den vader. Doch zelf getuigde deze: „Meest werkt de _macht ten goede_, door God in 't hart gelegd.” Vertrouw op die macht ten goede.

* * * * *

Daar zit ge op een avond bij de wieg van uw eersteling. De ademhaling van het slapend kleintje gaat zoo rustig. Met een kleurtje op de wangen ligt het daar. En in uw eigen ziel is de vrede, die van dit blozend koontje straalt en uit die blonde lokjes licht. Wat zalig gevoel! Geen zorg voor de toekomst kwelt u, geen besef van eigen onvolmaaktheid drukt u neer. Ge denkt er wel niet aan, maar de overtuiging leeft toch in u, dat menschelijke wijsheid vaak het wonderbloempje der kinderziel doet welken, menschelijke wijsheid, die zoo vaak dwaas ingrijpen is in het stille werk Gods. Ge vat uw taak wel ernstig op, maar verwacht niet _alle_ heil, zelfs niet het _meeste_ heil van uw middelen. Er is vertrouwen in u gekomen, vertrouwen in de _macht ten goede_, thans reeds werkend in dat jonge zieltje. En zwijgend geeft ge u over aan de weldadige kalmte van dat stille vertrouwen.

III. DE TWEEDE.

Er was eens een vrouw, die nooit den zin van haar man deed.

Men zal zoo zeggen: Dat is zoo'n bijzonderheid niet, zulke vrouwen zijn er meer. En zelfs zijn er mannen, die nooit den zin van hun vrouw doen.

Maar zoo bedoel ik het niet.

Ik wilde zeggen, dat die vrouw _altijd_ den zin van haar man deed. En ongedwongen, met haar volle hart. Echter niet, dan nadat ze eerst drie minuten haar eigen zin had gedaan.

Haar eerste opwelling en haar eerste woord was steeds: „Hè neen!” Maar dan volgde bijna geregeld, na een heel kort poosje, de tweede opwelling en het tweede woord: „Nu ja dan maar!”

„Vrouw, willen we een uurtje gaan wandelen?”

„Hè neen!”

De weigerverzuchting was begrijpelijk. De man was klaar met zijn werk en had wandellust. Maar de vrouw moest nog even wat in orde brengen en wou dan juist, moede van het gedribbel, een oogenblikje rustig gaan zitten, de krant inkijken. Hij wou zich wat bewegen. Zij eens even bekomen.

De man was echter een wijze. Sommigen zeggen: een slimmerd.

Hij klaagde niet, dat zijn vrouw „ook nooit” instemde met zijn voorstellen. Hij dreigde niet, dat hij dan „in vredesnaam” maar alleen zou gaan. Hij zweeg. En drie minuten later hoorde hij: „Nu, wil je graag? Laten we dan maar gaan!”

Hij had op de tweede opwelling vertrouwd, en niet te vergeefs. Zóó sterk en zóó zeker, dat hij nu zelfs grootmoedig dorst worden:

„Neen, neen, als jij moe bent en liever thuisblijft...” Doch niettemin liep hij al naar den kapstok en greep reeds naar zijn hoed.

Die grootmoedigheid der mannen beperkt zich, gelijk we weten, tot het bewaren van den edelen schijn. Daarmee hebben ze hun offers aan de zelfverloochening gebracht. En spoedig wandelden man en vrouw samen buiten, hij een en al ontspanning, zij niet zonder inspanning. Toch durfde de edele huichelaar nog vragen, of ze 't nu niet heerlijk vond en of hij niet goed had gedaan, met haar uit huis te jagen. Want gelijk we andermaal weten, mannen willen niet alleen hun zin, ze willen ook gelijk hebben.

De vrouw gaf hem gelijk. Nu ze eenmaal over de eerste opwelling heen was en de tweede had opgevolgd, viel het haar gemakkelijk op dien weg verder te gaan. De moeilijkheid bestond voor haar niet in de opoffering—offeren is het ademhalen der vrouwelijke natuur—maar in het maken van de onverwachte wending.

En dit is toch ook begrijpelijk. Wij allen leven onder zekere invloeden, ervaren daarbij bepaalde stemmingen, ontwikkelen in harmonie daarmee bepaalde gedachtengangen, vormen min of meer bewust onze bepaalde plannen voor de allernaaste toekomst, en zitten dan midden in een vrij samengestelde constructie van innerlijk leven. Ons denken, gevoelen, willen, fantaseeren maakt een bepaalde kaleidoscopische figuur, en als iemand, door zijn ingrijpen, daarvan een andere figuur wil maken, is het noodig, dat de cylinder van onze psyche een halven draai wentelt. Dat nu valt ons niet altijd licht. Het brengt ons uit ons doen. En het kost ons dientengevolge eenige minuten van bezinning en zelfoverwinning, eer we er toe komen. Vandaar het verzet van zoo menige „eerste opwelling”. En wijs is de man, doch ook de vrouw, die op de tweede wacht.

* * * * *

Het niet-aanstonds voldoen aan iemands wil, zelfs het niet-onmiddellijk gehoorzamen van kinderen en ondergeschikten, behoeft volstrekt niet tegen hen te getuigen. Integendeel—het kan juist bewijzen, dat ze zich met hun heele hart aan hun werk hebben gegeven, zoodat ze daaraan met tallooze draden verbonden zijn. Los te zijn van zijn taak is een twijfelachtige deugd, ook al is het geriefelijk als iemand zich daardoor snel richten kan naar onze wisselende bevelen. Beter is het, aldus één te zijn met zijn arbeid, dat het verband maar niet zonder inspanning verbroken wordt. We wachten liever op de tweede opwelling van een ernstig werker, die zich in zijn arbeid verliest, dan gediend te worden door mechanische onverschilligheid.

Er is echter nog een ander gebied, waar de tweede opwelling van veel ernstiger beteekenis is, waar de eerste onwil niet voortkomt uit wat meermalen een deugd mag heeten, maar uit den donkeren afgrond eener booze natuur; niet als het antwoord der vasthoudendheid op een vraag of een gebod, maar als de spontane reactie op de prikkels van 't leven. Daar is die onwil dan ook eigenlijk niet _onwil_, maar slechte wil.

Leelijke neigingen kronkelen als giftige slangen in de diepte van menig menschengemoed. Zinnelijke lusten doen begeeren naar het verbodene. Nijd en gierigheid willen den ondergang van een medemensch. We verfoeien onszelf om de ontzettende opborrelingen onzer innerlijke boosheid. Het recht van den rijke, de reinheid der onschuldige, de roem van den begaafde—ze bestaan niet voor de laaghartige verlangens onzer onbeheerschte zelfzucht. Dat recht wordt verkracht, die reinheid besmet, die roem belasterd, door duizenden en nogmaals duizenden eerlijke, brave, edele naturen, in de eerste opwelling van hun zondig hart. Hoe zou de wereld er uitzien, wanneer eens plotseling openbaar werd het verborgen leven der ongeremde begeerten. En hoe, wanneer deze aanstonds in daden werden verwezenlijkt!

Er zijn maar weinige begenadigden, die, als eenmaal Hij, naar wien de christenheid zich noemt, onbekommerd kunnen leven naar de eerste aanwijzingen van al hun neigingen. Dat was een leven uit God. Uit deze bron der heiligheid kon niets onheiligs voortvloeien. Wij, overigen, mogen al dankbaar zijn, wanneer we nu en dan eens gehoor mogen geven aan een eerste opwelling. Meestal moeten we haar in bedwang houden, met geweld terugduwen, en een oogenblik, doch soms ook uren en dagen, wachten, totdat de tweede, en in haar ons beter ik, is doorgebroken. Ons beter ik, dat wellicht juister ons verbeterd ik kon heeten. Immers, het is de vrucht der zedelijke, der christelijke opvoeding, die zich in deze correctie onzer natuurlijke aandriften openbaart.

Het is raadzaam voor onszelf niet maar onnadenkend naar eerste opwelling te oordeelen of te handelen, doch 't is niet minder plicht onze medemenschen niet maar aanstonds te schatten naar hun onvoorbereid doen en hen te houden aan hun rasse uitspraken. Menigeen is veel beter dan hij schijnt, en veel zachter dan hij oordeelt. Deze uitingen vertegenwoordigen niet zijn geheele persoonlijkheid. Er werken ook andere elementen in hem. Gun ze den tijd naar buiten te komen en schort uw oordeel op. Het is een der groote schaduwzijden van onze haastige polemieken in vergadering en dagblad, dat zij den strijd doen voeren tusschen de ongezuiverde machten der eerste opwellingen. Hoeveel mooier en edeler kon het karakter van ons huiselijk en maatschappelijk leven worden, als bezonnenheid haar louterende werking had verricht.

In Engelsch-Indië leefde eens een grijze weldoener, die als een heilige werd vereerd. Op zekeren dag begaf zich een jongeling tot hem en vroeg: Wat moet ik toch doen, om heilig te worden zooals gij?

Toen opende de oude zijn levensboek voor het eerbiedig oog van den jongere, en daarin stonden te lezen de verachtelijkste en laaghartigste misdaden. „Dat heb ik alles misdreven,” zei de heilige man. „Zoo door en door zondig is mijn hart.”

De jongeling sidderde, alsof hij een adder had aangeraakt.

„Maar”, ging de grijsaard voort, „ik heb het alleen misdreven in gedachten. Het waren mijn eerste opwellingen. Ik heb die echter telkens weer laten wegzinken in den onreinen poel, waaruit ze waren voortgekomen. En daarna schonk God mij de kracht Zijn wil te volbrengen.”

De jongeling ging heen. Nu wist hij het: men wordt geen heilige, dan door zelfbeheersching, loutering gehoorzaamheid. En waar de eerste opwelling ons verraderlijk verrast, zij alle zedelijke kracht geconcentreerd op—de tweede.

IV. DE MOEDER.[1]

[1] Overgenomen uit: „De Vrouw, de vrouwenbeweging en het vrouwenvraagstuk”. Ingenaaid ƒ 9,60, gebonden ƒ 12,50. Uitgave van de Uitgevers-Maatschappij „Elsevier”, Amsterdam.

Terwijl ik dit schrijf, staat er een portret naast me. Het is van een 72-jarige vrouw.

De aanwezigheid van dit portret is geen uitzondering, want altijd, wanneer ik schrijf, is het bij me. Maar even heb ik op te zien, en het ziet mij aan, vriendelijk zacht, berustend en bemoedigend.

Ook des nachts is het in mijn onmiddellijke nabijheid. Nauwelijks word ik 's morgens wakker, of die oogen zeggen mij goeden morgen. Eens, ruim tien jaar geleden, moest ik voor gezondheid een halfjaar naar buiten. Mijn vrouw was bij me. Maar zij ook, de vriendelijke oude. In slapelooze nachten was ook zij een stille troosteres, die opwekte met hoop en vertrouwen. Zij liet haar gansche verleden tot mij spreken: een verhaal van toewijding, smart, vertwijfeling, trouw, strijd, zege.

Nooit gaan we sedert op reis, of zij gaat mee. Het is ons zoo vreemd, als zij alleen achterblijft. En we zouden het stellig niet zoo rustig vinden, als zij niet alles met ons meemaakte.

Eén ding spijt ons slechts: dat zij van haar aanwezigheid niet zoo kan genieten als wij, dat aan dit stukje papier elke bewustheid ontbreekt. Wat zou ze zich menigmaal verheugen!

Maar toch ook: wat zou ze zich menigmaal bedroeven! En bovenal: wat zou ze zich vaak bekommerd maken over haar kinderen!

Neen, het is goed, dat zij geen besef heeft van het haar omringende leven. Het is genoeg, dat _wij_ ervaren den invloed, die nog nu van haar beeld uitgaat en die hieraan door haar leven verzekerd is.

Hoe is het aan dit leven gelukt, aldus het graf te overwinnen?

Simpel door moeder te zijn, niet anders dan moeder.

Het is zoo eenvoudig. Duizenden en millioenen vrouwen hebben die levenstaak en daarin dezelfde macht.

Maar of iedere moeder zich goed van haar taak kwijt?

Er zijn er, die liever concerten aanhooren dan 't gebabbel hunner kinderen, liever een mooi boek lezen dan een kinderhart. Er zijn er, die aanstonds moe worden als haar kind veel te vertellen heeft, maar gansche middagen kunnen luisteren naar de verhalen van vriendinnen. Er zijn er, die de moedertaak eigenlijk niet voldoende vinden om een vrouwenleven te vullen en niet naast maar boven de verzorging der kinderen hun meesten en besten tijd geven aan geldverdienen, kunst of wetenschappelijk werk. Dan wordt de moedertaak grootendeels overgedragen aan gehuurde vreemden en verliest daarmee, wat haar juist zoo'n stillen, duurzamen, krachtigen invloed geeft: het moederlijke. Men behoeft niet te verwachten, dat in zulke gevallen moeders portret nog een menschenleeftijd na haar dood aan de volwassen kinderen tot steun en opwekking kan wezen. Moeder leeft niet _na_ haar sterven, omdat ze als moeder eigenlijk ook niet geleefd heeft _voor_ haar sterven.

* * * * *

Het is nu eenmaal zoo: de vrouw wordt niet moeder door het voortbrengen van kinderen, maar alleen door zich aan die kinderen te geven en blijde toe te laten, dat de kinderen zich aan haar geven.

Wie oog heeft voor de schoonheid en de redelijkheid der natuur, moet wel steeds met bewondering zien naar een zuigend kind aan de moederborst. Ik weet in geen enkel beeld of feit de verhouding tusschen moeder en kind mooier en juister uit te drukken.

Het kind moet gevoed worden. Hoe eenvoudig, en toch hoe wondervol, dat het kind zelf, alleen door het feit van zijn geboorte, de moederborst doet zwellen, de melkklieren in werking stelt. De borst groeit uit in zulk een vorm, dat ze als 't ware naar het kind heen trekt, en de kleine vlijt zich zoo gemakkelijk in moeders arm, bij het warme, zachte lichaam, en zuigt. Hoe is het mogelijk, dat moeders, anders dan in nood, in de plaats van haar malsche, warme, mildvloeiende natuurbronnen de harde, koude flesch hebben geschoven. Dat is reeds afstand doen van de moedertaak. Voor niets ter wereld had de vrouw ooit de natuur moeten verloochenen, hààr natuur, en haar voor de kinderen, en alleen voor de kinderen gevormde borst mogen vervangen door een flesch met een speen.

Zooals de moedermelk vanzelf komt met het kind, zoo worden in het moederhart ook allerlei sentimenten wakker, die slechts gewacht hebben op de eerste kinderkreten. Een drang tot verzorgen, tot koesteren openbaart zich, waaraan de jonge moeder slechts heeft te gehoorzamen, om aanstonds tusschen de kleine en haar het verbroken stoffelijke contact geestelijk te herstellen.

Er zijn moeders, die het eigenlijk zonde van haar gaven en talenten achten, haar zuigelingen te verzorgen. Die kleine wezentjes voeden, reinigen, wasschen, dat kan een ander even goed en misschien nog beter; den tijd en de kracht daaraan besteed, kan moeder vruchtbaarder gebruiken door te schilderen, te musiceeren, te studeeren, geld te verdienen. Die kindertjes merken toch niet, wie ze behandelt. En later, als het geestelijk leven ontwikkeld moet worden, is het voor moeder vroeg genoeg om op te treden.

Maar wie zoo redeneeren, hebben het mis. Dat zegt reeds haar eigen moederinstinct, dat haar, ondanks al die schijnware motieven, naar het kind heen drijft. Een moeder, die haar zuigeling aan vreemden toevertrouwt, om zelf „nuttiger” dingen te doen, verloochent haar innigst wezen. Zij voelt dit heel goed, maar laat zich van den weg brengen door eenzijdig geredeneer.

Wie het kind wascht, wie het schoone luiers omdoet, wie het voedt, geeft middelerwijl ook haar gansche persoonlijkheid. In hààr handen, in hààr stem, in de wijze waarop zij het kind hanteert, toespreekt, aankijkt, leeft hààr geest, hààr gemoed, hààr liefde. Zoo weeft ze in haar woorden, in haar liedjes, in haar manieren, in haar geheele zijn en doen een breede verbinding tusschen het kind en haar, een onzichtbare navelstreng, waardoor haar geestelijk leven het kind toevloeit. In het eerste jaar, reeds in de eerste maanden en weken, begint de moedertaak, omdat dan de moederinvloed begint. En wie dit tijdperk niet telt is als de man, die de gletscherbeekjes van geen belang acht voor de rivier, omdat je in die ondiepe, water-arme dingetjes toch niet varen kunt.

* * * * *

Een moeder in de huiskamer te midden van een kring kinderen van verschillenden leeftijd is een compleet landsbestuur: vereenigde wetgevende en uitvoerende macht. En dan is ze nog veel meer. Eigenlijk ken ik maar één beeld, dat haar beteekenis juist weergeeft: zij is de zon van dit kleine wereldje.

Het is niet noodig, dat ze zich aanhoudend met de kinderen bemoeit. De zon staat stil en straalt. Zoo kan moeder rustig op haar plaatsje zitten en door haar tegenwoordigheid licht en warmte brengen in de huiskamer-atmosfeer. Daarbij groeien de kinderen verstandelijk, maar vooral zedelijk.

Moeder preekt niet. Ze verbiedt weinig. Ze geeft het voorbeeld van welwillendheid, inschikkelijkheid, opoffering, werkzaamheid. Ze stemt aldus het veelsnarig instrument van het huisgezin. En bij die stille muziek geniet vader. En onder haar invloed komen ook de dienstboden.

Ik kan me niet voorstellen, hoe men speciaal de huismoeder een sloof kan noemen en haar taak als iets minderwaardigs beschouwen. Zeker, het werk kan haar wel eens over 't hoofd loopen, maar dat overkomt den man ook, hetzij hij minister is, journalist, koopman of predikant. Wie heeft echter zijn dagtaak te verrichten in een kring, die zoo rechtstreeks zijn sympathie heeft, als de moeder? Elk lid van 't gezin behoort haar als 't ware toe, is een deel van haar zelf. Zij drijft altijd „eigen zaken”.

En die zaken zijn van een opwekkende verscheidenheid. Vervelend? Het huismoederbestaan vervelend en eentonig? Haar leven, altijd zoo binnen vier muren bekrompen? Maar ieder kind brengt toch zijn eigen aard mee en daarin zijn eigen behoeften? Een gezin van vier kinderen is al een rijkdom aan verscheidenheid, voldoende om een geest bezig te houden en dag aan dag met nieuwe toestanden en verhoudingen en problemen te boeien. Telkens onder 't opgroeien der kinderen komen er in dezen kleinen levenden caleidoscoop andere figuren te voorschijn, en eer kan men zeggen, dat het moeder wel eens te machtig wordt, alweer opnieuw raad te schaffen en oplossing te bewerken, dan dat ze verdrogen zou door de doodende eenvormigheid van een uurwerkarbeid.

Elk kind brengt zijn eigen aard mee en vraagt dienovereenkomstig zijn eigen behandeling. Vergelijk daarmee het administratieve werk van menige „zelfstandige” vrouw, die „zich zelf” kan wezen in een „onafhankelijke” positie buitenshuis. Niemand zal ontkennen, dat ook deze arbeid geestverfrisschend _kan_ wezen, maar moet daartegenover de taak der huismoeder geestdoodend zijn? Moeilijk zal men, vrees ik, een arbeidsveld voor de vrouw vinden, dat zoo alle gaven van geest en gemoed vordert en ontwikkelt, als het terrein der huiskamer. De kinderen worden opgevoed door moeder, maar juist hierdoor groeit moeder zelf uit, ontplooit zij zich. Onze eigenschappen komen alleen te voorschijn, als ze door het leven worden opgeroepen, en slechts in de practijk kunnen zij gesterkt en gelouterd worden. Aldus wordt het individu een persoonlijkheid. En den besten kans op vorming van eigen leven hebben zij, die dagelijks met anderen hebben te verkeeren bij heel vertrouwelijken omgang. In dit opzicht is de moeder zeker buitengewoon begunstigd. Hoe men ooit zulk een positie als iets minderwaardigs kan beschouwen, is mij een raadsel.

* * * * *

„Als ik uit de kleine kinderen ben, krijg ik wat meer tijd,” meent menige huismoeder. Ik hoop voor haar, dat ze ongelijk heeft. En waar alles naar behooren gaat, zal de toekomst haar ook in 't ongelijk stellen. De kinderen worden grooter, maar kunnen moeder nog niet missen. Ze raadplegen haar bij hoeden en japonnen, bij boorden en dassen. „Moeder, hoe vindt u, dat die das staat?” vraagt de 18-jarige jongen, die tien minuten lang voor den spiegel heeft gestaan en tenslotte zekerheid wil hebben door moeders oordeel. Moeder heeft haar jongen altijd vrij gelaten in zijn eigen smaak, zich nooit tusschen haar zoon en zijn das geplaatst—gelijk ze zich ook nooit tusschen hem en zijn meisje zal dringen: _hij_ moet het weten—maar hiervan is 't gevolg juist, dat de jongen geen rust heeft, eer hij moeders meening heeft ingewonnen, haar uitspraak heeft vernomen, en zijn vrijheid geniet in het handelen naar moeders hartewensch. Had zij geboden, hij had zich verzet. Nu zij, liefdevol meelevend, vrij heeft gelaten, voelt hij zich aan haar gebonden.

Het gevolg is, zeiden we, dat de jongen geen rust heeft, eer hij moeders meening heeft ingewonnen. En hieruit blijkt, dat ook moeder geen rust krijgt bij 't opgroeien van haar kroost. „Als ik uit de kleine kinderen ben.....” Jawel, maar een rechtgeaarde moeder komt _uit_ de kleine kinderen, om _in_ de groote kinderen te zitten. En hebben de kleine haar handen gebonden—„handenbindertjes” noemt ons volk aardig dat onbeholpen grut—de groote binden haar hoofd en hart, waar ze bij alles moeders raad en belangstelling behoeven.

Een mooi gezicht is een jonge moeder met een kind aan de borst. Niet minder mooi, de huisvrouw te midden van een kinderschaar. Dat kleine goed scharrelt wel overal rond, maar als kuikens om de klokhen. Nauwelijks dreigt er eenig gevaar, van welken aard ook, of ze zoeken veiligheid onder moeders vleugels. Maar van een eigenaardig schoon, onopgemerkt door de oppervlakkigheid, doch verrukkelijk voor scherpziende belangstelling, is de verhouding tusschen de half- en heel-volwassen kinderen en de moeder. Er is een bizonder humoristisch element in deze verhouding, dat een glimlach wekt en tegelijk ontroert.

Zij—de moeder—kan tegen dat groote goed niet meer op. Die jongens, die meisjes, ze zijn lichamelijk en geestelijk zoo ontwikkeld. De baard ontspruit, de boezem zwelt. Ze heeten in de buitenwereld heeren en dames. En ze zijn ook zoo knap. In wis- en natuurkunde zweven ze als in vliegmachines onzichtbaar hoog boven moeders hoofd, ver uit haar horizon. „Neen, Moeder, daar weet U nu heelemaal niets van.” En moeder berust daarin met gelatenheid. Over de nieuwste boeken in de wereldliteratuur hebben ze haar oordeel. „Neen, Moeder, heusch, dààrin bent U een beetje ouderwetsch.” En ze zijn ook in maatschappelijke vraagstukken veel dieper doorgedrongen, dan moeder, die er eigenlijk nooit in doorgedrongen is, omdat ze nooit een leeraar heeft gehad, die zijn sociaal-politieke inzichten ontwikkelde voor zijn onrijpe leerlingen. Ze zijn in alle opzichten moeder de baas: in lichaamskracht, in kennis, in ontwikkeling, in inzicht. En moeder denkt er het hare van: die zelfoverschatting is eigen aan dien leeftijd, kom, laat ieder de dwaasheid van zijn jaren genieten.

Doch zie nu, als die krachtige, verstandige, inzichtvolle zelfstandigheden in moeilijkheid komen, in zeer reëele moeilijkheid. Dan draaien ze om moeder heen, dan zijn ze onrustig, dan verliezen ze die sterk gevoelde zekerheid, en zijn weer de afhankelijke kinderen van ouds. Bij moeder schreien ze hun nooden uit, bij haar zoeken ze troost en voorlichting, al hun zelfstandigheid lost op, waar die met een verantwoordelijkheid gepaard gaat, die het onervaren hart niet dragen kan. Het is zoo gemakkelijk te redeneeren, te oordeelen, te veroordeelen, te phantaseeren, en zoo uiterst moeilijk te leven. In het redeneeren en phantaseeren, in het oordeelen en veroordeelen, zijn ze moeder verreweg de meerdere, maar als het op leven aankomt, als de problemen niet aan het hoofd of de phantasie, doch aan de daad oplossing vragen, dan moet moeder er bij komen, de onmisbare, en uit den nood helpen.

Dat is het humoristische in deze verhouding, dat de waanwijze zelfstandigheid om uitredding drentelt om de bescheiden hulpvaardigheid en, na de verlossing, straks toch weer in haar zelfoverschatting vervalt. Ach, wat hebben juist die ouderen moeder nog dringend noodig!

* * * * *

Een moeder is een wezen, dat alle waardeering verdient en zich goedig moet laten welgevallen, dat alle waardeering haar onthouden wordt. Haar invloed is zoo weinig tastbaar en meetbaar, dat hij der grove zelfzucht ontgaat. Maar 't is een moeder niet om waardeering te doen, 't is haar alleen te doen om moeder te zijn naar den drang van haar instinct. En ook alleen dan heeft zij succes.

Principiëel kan niemand moeder zijn. Men is het krachtens natuur en aanleg.