Verspreide Opstellen, II

Part 13

Chapter 132,337 wordsPublic domain

Natuurlijk zal niemand de beteekenis van een krachtige aandrift loochenen. Maar wie meenen mocht, dat zij den volhardenden arbeid missen kan, komt bedrogen uit. Reeds meermalen heeft men getracht, de natuur van het genie te bepalen, doch, hoe verscheiden de karakteristieken ook zijn mogen, in één opzicht stemmen alle overeen: Geen genie zonder volharding. Alle groote mannen waren sterk... in het overwinnen van moeilijkheden. En dit laatste is iets anders, dan het drijven om zijn telkens wisselenden zin te krijgen.

Hoe wreed zij 't ook vervolgen tot den dood, 't Genie blijft toch d'omstandighêen te groot,

zegt Potgieter.

Volharding en veranderingszucht staan tegenover elkaar. De eerste is het kenmerk van kracht, de laatste van zwakheid. Met groote ambitie begint iemand soms aan een nieuwe taak, liefst aan de uitvoering van een zijner _eigen_ vele nieuwe plannen. Hij leeft bij zijn phantasie, en in die phantasie ziet hij alleen maar het mooie en aantrekkelijke. Doch nu komt de werkelijkheid en daarmee rijzen van alle kanten moeilijkheden, waarvan hij te voren geen flauw vermoeden had. Aanvankelijk tracht hij de moeilijkheden te overwinnen, doch spoedig geeft hij 't op. Hij ontwijkt de steenen, die hij moest opruimen om zijn weg te kunnen vervolgen, en de lust ontzinkt hem. 't Mooie plan wordt opgegeven, een nieuw gevormd, en de jonge arbeider komt verzwakt uit den strijd terug.

Het spreekt vanzelf, dat niet alle strijders evenveel kracht hebben. Doch hieruit mag niet volgen, dat de sterke voortzetten en de zwakke opgeven moet. Opgeven voert tot bezwijken. Ook de zwakke moet vóórtgaan. Hij kan 't niet zoo snel, als zijn bevoorrechte medestrijder. Dat hindert niet. Dan gaat hij maar langzaam, desnoods veel langzamer. Maar... vooruit! Niet een nieuw pad ingeslagen, omdat de gang langs het oude te zwaar valt. Ook op dat nieuwe pad liggen de moeilijkheden. En ze wachten u reeds, al ziet ge ze niet. Overál zijn ze. En ge ontvlucht ze niet, door ze te ontwijken, maar door ze te overwinnen. Van Haren zegt het zoo mooi van de smart: „We zullen den oceaan oversteken, om haar te ontkomen. Maar aan gindsche kust staat ze reeds, en wacht ons op.” En zoo is het ook met de bezwaren, aan onze taak verbonden. Juist wie ze ontvlucht, raakt er onder. Doch wie ze aandurft en aanpakt, wordt hun meester. Dat niemand zich toch door een gevoel van zwakheid late terneerslaan en ontmoedigen. Haast is niet noodig. Haast u _langzaam_. Aan de taaiheid is evenzeer de zege verzekerd als aan de kracht. Taaiheid is kracht. Zij is de kracht in pasmunt, teergeld op den langen arbeidsweg. En de vraag is niet: Wat bereikt ge op het moment, maar wel: Wat zult ge aan het einde van uw leven bereikt hebben.

* * * * *

Beter ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald. Ja, hier is wel iets waars in. Maar wanneer men tien en twintig keer ten halve keert, dan komt men altijd op dezelfde plek terug. Dan zal men niet dwalen, doch ook niet vooruitkomen. En de dwalende ontdekt nog wel eens gansch nieuwe gezichtspunten en kan—verder op den rechten weg gerakend—tot de blijde ervaring komen, dat hij een eind gevorderd is. Doch de terugkeerder wordt een stilstaander. En stilstand is de dood. Ik zou zeggen: Beter half gewonnen, dan heel verloren. Wie de eerste helft gewonnen heeft, bemeestert wellicht ook de tweede.

Er is niets zoo ontzenuwend voor den zenuwzwakke als het weifelmoedige en aarzelende. Maar dat wordt niet bestreden—doch integendeel bevorderd—door koppigheid en doordrijven. Het is verwonderlijk, hoe zulke naturen vaak sterk zijn in de bevrediging van hun lusten. Maar hierbij drijven ze dan op den krachtigen stroom hunner neigingen en slepen daarbij nog anderen mee. Dan wordt voor wilskracht en volharding aangezien, wat integendeel groote wilszwakte is. Zoowel bij zelfbeheersching als bij zelfbevrediging wordt vaak groote kracht ontwikkeld. Maar in 't eerste geval is het de sterkende kracht van een stalende tucht en in 't laatste de verterende woede van een laaiende drift. Daardoor werkt zelfbevrediging menigmaal verslappend. En juist op dit gebied geldt het, dat men liever ten halve keeren moet dan geheel te dwalen. Men kan er bijna zeker van zijn, dat we ons op den goeden weg bevinden, als er van ons iets _geëischt_ wordt en we in de vervulling dier eischen, zij het met opoffering van menigen lust, onze zelfbevrediging vinden in gewetensrust.

Doch het was mijn bedoeling niet, dieper op dit onderwerp in te gaan. Ik wilde alleen, mijzelf en anderen er nog eens van doordringen, dat er in onzen tijd van stemmingen en sentimenten dringend behoefte is aan die geesteskracht, welke zich in volharding openbaart. In de school en in de geheele opvoeding kan zij aangekweekt worden, door de kleine en groote kinderen met blijde opwekking te nopen of met zachten dwang te noodzaken tot een telkens herhaalde krachtsinspanning, die kleine en groote moeilijkheden weet te boven te komen. Overhaasting is ook hier niet noodig. De overhaasting in onderwijs en opvoeding is al te vaak de dood voor rustige kracht. De haast van onzen tijd loopt uit op revolutiebouw, op flodderwerk. Ze werkt met rijgdraden, en meent daarmee te kunnen volstaan. Doch waar de opvoeding niet voor één seizoen, maar voor 't leven, voor de eeuwigheid arbeidt, daar behoeft zij zich niet door haast te doen bederven. Ouders, die hun kinderen waarachtig liefhebben, en onderwijzers, die hun leerlingen niet behoeven klaar te stoomen, kunnen de jeugd maar weinig meegeven, dat van blijvender waarde is voor verstandelijke en zedelijke ontwikkeling dan de kracht der Volharding.

Zij houdt aan den arbeid en is daardoor tevens een heilzame meesteresse der tucht. Alle begin is moeilijk, zegt een onzer twijfelachtige volksmeeningen. Soms is 't waar. Doch heel dikwijls is ook 't begin gemakkelijk en valt juist het volharden zwaar. Daarom lezen we zoo terecht: Alleen wie volhardt tot den einde toe, die zal zalig worden. En mocht Schiller schrijven: Nur Beharrung führt zum Ziel.

XVIII. „VREDE OP AARDE”.

O natuurlijk, nu smaalt de menigte: „Dat Kerstevangelie is onzin. Vrede op Aarde? Zie maar in 't rond. Oorlog en niets dan oorlog. De Englenzang in Bethlehems velden is een lieflijke waan. Twintig eeuwen lang hebben de kinderen der menschen het lied nagezongen, maar het bleef bij zingen. Juist de beide volken, die het Kerstfeest met zulk een zoete vroomheid vieren, hebben zich in onzen tijd het krachtigst gewapend. Waar is de „Weihnachtsbaum” meer algemeen geëerd dan in Duitschland? Iedere huiskamer ziet zijn vreedzame vlammetjes branden. Maar ieder huisgezin heeft thans zijn mannen naar 't oorlogsveld gezonden. Daar donderen de kanonnen dit jaar het antwoord op het lied uit de wolken. En welke natie stuurt haar „Christmaswishes” veelvuldiger de wereld in dan de Engelsche? Kerstwenschen? Ze worden door de „dreadnoughts” overgebracht en de heidenen uit Azië zullen ze, op Engelands kosten, wel in het christelijk Europa bezorgen. Vrede op Aarde? Schijn en huichelarij dat heele christendom, die heele leer der liefde. Geen englenzang daalt uit de wolken, maar bommen regenen uit den hemel neer, om wat er nog vreedzaam op de velden der aarde leeft te vernietigen. Vrede? Haat, wraak, oorlog, verwoesting op aarde! Dát is de waarheid. En niets anders.”

Zoo smaalt—en zoo dwaalt de menigte.

Ze dwaalt. Het Kerstevangelie is volkomen waarheid gebleken, ondanks al de woedende oorlogen, die sedert gevoerd zijn. En ook nu kan men zijn ongereptheid zelfs te midden van het kanongebulder zien. Er is vrede op aarde. Maar... „onder de menschen waarin God welbehagen heeft!” Zoo luidde ook het engelenlied. Daar is in dien stillen, in dien heiligen nacht niet gezongen, dat van nu aan de aarde vol vrede zou wezen, zoo min als later Jezus—tóch de Vredevorst!—van zichzelf getuigen zou, dat Hij allen strijd zou beëindigen.

„Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard,” sprak Hij, met goddelijke beslistheid, waaraan de latere tijden volle recht hebben gedaan. Maar hoewel Hij het zwaard bracht, mocht Hij toch vredevorst heeten en konden de engelen zijn geboorte aankondigen als het uur, waarin de Vrede op Aarde was neergedaald. Dat zou zijn leven bewaarheiden en dat hééft zijn leven bewaarheid.

Of was het in Zijn ziel niet vrede? Hij werd bespot, beschimpt, veracht, maar het verstoorde den vrede niet in zijn gemoed. Hij werd gescholden, belasterd, verdacht gemaakt, maar het kon de klare rust zijns harten niet vertroebelen. Hij werd geslagen, met doornen gekroond, gekruisigd, maar het deed geen oogenblik zijn vertrouwen in Gods vaderliefde wankelen. Hij bad voor zijn vijanden: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” Was dit alles niet een onweerspreekbaar getuigenis, dat in zijn ziel de vrede woonde? Zijn leven scheen vernietigd, zijn streven vruchteloos, zijn arbeid ijdel—toch vrede. Onbegrepen door zijn leerlingen, in de uiterste ure zelfs door een zijner beste discipelen verloochend, door al zijn jongeren verlaten, eenzaam en veroordeeld achtergebleven—toch vrede. In dezen „Gezalfde des Heeren” was het in volle werkelijkheid: Vrede op Aarde. De englen hadden geen juister naam kunnen aankondigen.

* * * * *

Een onjuiste vertaling van het Lukasevangelie heeft ons langen tijd doen lezen en zingen: „Vrede op aarde! In de menschen een welbehagen!” Maar dat staat er niet in het oorspronkelijke Grieksch. De bekende Duitsche vertaling van Weissacher zegt: „Preis sei in der Höhe Gott, und auf Erden Friede unter Menschen des Wohlgefallens.” Dat is duidelijk genoeg, zoowel als de woorden van prof. Oort in onze Leidsche vertaling. Neen, zoo gemakkelijk gaat het niet. Wij zouden wel willen zondigen op duizenderlei wijze: vloeken, drinken, boeleeren, eergierig, geldgierig, heerschzuchtig zijn, het recht vertrappen, de armen vertreden, de ellendigen doen bezwijken en bij alles—vrede op aarde, opdat we vooral ongestoord onzen gang konden gaan. Maar hoe kan in vredesnaam—ja, in naam des Vredes!—God in zulke menschen een welbehagen hebben? Dat is immers onmogelijk? Hoe kan ooit een heilige Macht vrede hebben met zooveel onheiligs! Zeker: Vrede op Aarde. Maar... „onder die menschen waarin Hij welbehagen heeft!” Dat is dus onder de menschen, waarin de geest van Zijn heiligheid werkt. Doch overal elders krijg. Terecht. Zonde kan geen vrede baren.

Jezus was een mensch, waarin God welbehagen had. Vandaar in Hem vrede. En dien vrede kunnen we nog zien, zelfs in de loopgraven van 't slagveld en tusschen de fluitende kogels. Hoeveel martelaren hebben in vroeger eeuw, te midden der vlammen, van dien vrede getuigd! Het is zoo volmaakt onjuist van vrede te spreken, als er alleen maar geen kanonnen-oorlog is. Waar vijandschap is, wantrouwen, onafgebroken bewapening, daar is geen vrede, daar is het aanhoudend oorlog, met alleen kortere of langere wapenstilstanden. Vrede is een gemoedstoestand. Omringd door een paradijsrust kan het menschenhart onrustig zijn. Terwijl alles om hem heen vredig is, woelt er onvrede in zijn binnenste. En rondom kan dood en verderf woeden, de stad in puin geschoten worden, het huis boven zijn hoofd instorten, en toch de mensch vrede hebben. De vraag is alleen: Heeft God in u een welbehagen.

Heeft Hij? Onderzoek het door de vraag om te keeren: Hebt gij een welbehagen in God? Neen, laten we ons niet verschuilen achter kerkelijke termen. Wie in God gelooft, weet, dat Hij heilig is en rechtvaardig. Welnu, hebt gij de heiligheid lief, zoodat alle onheilige begeerten in u—ge kent ze wel—u een voortdurende smart zijn? Hebt gij de rechtvaardigheid lief, waaràchtig lief—niet met woorden—zoodat ge voor haar offers wilt brengen: uw maatschappelijke rust, uw fortuin, uw goeden naam bij de menschen, althans wat men zoo noemt. Hebt ge _aldus_ God lief? Of wilt ge liever „Gods welbehagen” genieten in een leventje van liefdeloosheid, zelfstreeling; de heele wereld genieten en Gods zegen op den koop toe? Ons zelfbehagen en Gods welbehagen, die gaan nooit samen, tenzij ons „zelf” eerst de reinigingskuur der zelfverloochening heeft doorgemaakt.

Er _is_ vrede op aarde. Maar of de aarde eenmaal vol vrede zal zijn? Niet, wanneer de ongerechtigheid toeneemt. Want „doordat de ongerechtigheid toeneemt, zal de liefde van velen verkoelen” en dus de haat aanwakkeren. Maar „wie volhardt tot het eind, die zal zalig worden.” Slechts hij die in eigen ziel vrede op aarde gevonden heeft, kan de vrede op aarde brengen.

Hoe?... Dat is de boodschap van den stillen, den heiligen nacht.

Kerstmis, 1914.

INHOUD.

Blz.

I. Zielsontwaken 1

II. Vertrouwen 4

III. De Tweede. (N. v. d. D.) 7

IV. De Moeder 13

V. Hebt ge iets voor uw kind over? 25

VI. Waarheid in de Opvoeding 27

VII. Afkeuring en Waardeering 117

VIII. Zaakonderwijs 118

IX. De W. (N. v. d. D.) 121

X. Het Geluk. (N. v. d. D.) 126

XI. Doe het goede. En dàt goed. (N. v. d. D.) 135

XII. Over-reckt 141

XIII. „Heden overleed plotseling...” (N. v. d. D.) 154

XIV. De School en de Zending 159

XV. „Een lieflijke naam”. (N. v. d. D.) 181

XVI. Worstlende 186

XVII. Volhard! 192

XVIII. „Vrede op Aarde”. (N. v. d. D.) 199

+-----------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: ons moeten beperken De rust in | | C: ons moeten beperken. De rust in | | B: uiterlik selsel,—moest hij | | C: uiterlik stelsel,—moest hij | | B: oonspronkelik werk. | | C: oorspronkelik werk. | | B: des zielevens, ontvangen we | | C: des zielelevens, ontvangen we | | B: Ik ben zo alleen. waar | | C: Ik ben zo alleen, waar | | B: zijn opvoedkundige theoriëen!—hoe | | C: zijn opvoedkundige theorieën!—hoe | | B: hun eigen verliefheidsperiode—ik | | C: hun eigen verliefdheidsperiode—ik | | B: lichten in de omgang met met | | C: lichten in de omgang met | | B: kind verdrinken zal, Maar als | | C: kind verdrinken zal. Maar als | | B: beetje te slapen Ze was ook | | C: beetje te slapen. Ze was ook | | B: zijn eigen nderigen arbeid moet | | C: zijn eigen nederigen arbeid moet | | B: dogma's te kwellen. | | C: dogma's te kwellen.” | | B: enkele paralellen te trekken. | | C: enkele parallellen te trekken. | | B: ziet zijn vreemdzame vlammetjes | | C: ziet zijn vreedzame vlammetjes | | B: door de „draednoughts” overgebracht | | C: door de „dreadnoughts” overgebracht | | B: wankelen, Hij bad voor zijn | | C: wankelen. Hij bad voor zijn | | | +-----------------------------------------------+

End of Project Gutenberg's Verspreide Opstellen, II, by Jan Ligthart