Part 12
„Het is eene gewoonte van Europeanen in Indië en Nederland de Zendelingen te verwijten, dat zij aan de Inlanders allerlei duistere dogma's leeren, die hen op geenerlei wijze ontwikkelen, integendeel hun geheugen met ballast bezwaren. Moeilijk is het deze voorstelling te bestrijden, omdat men het eenige middel niet of bijna niet kan aanwenden en dat zou zijn: de menschen te verzoeken zelf eens tegenwoordig te zijn bij het onderwijs; doorgaans kunnen zij het in het geheel niet volgen en dus blijven zij maar liever bij hun vooroordeel. Ik wil hiertegen dan ook geen strijd aanbinden, maar u alleen deze vraag stellen: Indien men de landstaal gebruikt, is men dan niet gedwongen zich te beperken tot hetgeen men in die taal kan zeggen? Is het feit dat de Zending zich bedient van de landstaal niet een bewijs dat zij zich aan banden wil leggen, dat zij niet wil zeggen, wat men in de landstaal niet kan zeggen, dat men niet wil doorredeneeren in zijn eigen gedachtenkring, maar zich bepalen tot dien welke men in de landstaal kan beheerschen? Men mag toch aan menschen, die zich met veel moeite deze beperking opleggen, niet verwijten, dat zij geen ernst maken met de praktijk? Het moge waar zijn, dat het gebruik der landstaal een ruimer veld opent voor geestelijk verkeer met den Inlander, het is niet minder waar, dat juist dat gebied er buiten valt, waarop de Europeaan zich het gemakkelijkst zou bewegen, omdat hij daarop de baas is. Een Europeaan nu, die zijn taal wil opgeven, maar niet zijn gedachtenkring als hij werkelijk in geestelijk verkeer met de Inlanders wil komen, beproeft het onmogelijke; hij zou de Inlandsche taal moeten wringen in een vorm in welke zij geen Inlandsche taal meer is. En het zijn gewoonlijk de Europeanen, die meenen het recht te hebben eene Inlandsche taal naar hunne denkwijze in te richten, die aan de Zending verwijten de Inlanders met duistere dogma's te kwellen.”
In dit verweer tegen het laatstgenoemde verwijt lezen we te gelijk de verklaring, waarom de huidige en vroegere zendelingen zich steeds moeten aansluiten bij de gedachtenwereld en dus ook zoveel mogelik bij de zeden en gebruiken der heidenen: het enige gemeenschapsmiddel, de taal, verplichtte hen reeds daartoe. Denken we hier wel eens aan bij onze geschiedenislessen? Dat ook toen de zendelingen onder de Friezen en Saksen zich van het Fries en het Saksies moesten bedienen? En dat ook zij daardoor beperkt waren tot hetgeen in die talen verstaanbaar was te maken?
Het is ontroerend te lezen, hoe langs de draden der taal de zendelingen langzaam, heel langzaam contact krijgen met de inlanders en hoe ze die draden zelf moeten spinnen uit de woordvezeltjes, die ze in 't verkeer met de inlanders opdoen. Van die inlanders zelf moeten ze zo het middel krijgen om hen te bereiken, te bewerken, te veranderen. Wat kost dit een tijd, een inspanning, een geduld, een toewijding, een onvermoeidheid, een geloof! Eerst zijn en voelen de zendelingen zich de leerlingen van de inlanders, om langs die weg hun leermeesters te worden. En de inlanders beseffen aanvankelik heel wel hun meerderheid, een meerderheid op alle gebied van kennen en kunnen. Doch gaandeweg gaan ze hun minderheid gevoelen, en dan ervaren ze bij intuitie, dat het op hun innerlik leven is gemunt, dat ze zich moeten verdedigen om te blijven wie ze waren. Is het, naar alle waarschijnlikheid, ook niet aldus gegaan in de lage landen bij de Noordzee?
Niet minder ontroerend is het te lezen, hoe de zendelingen door middel van de school, d. i. dus door de kinderen, een nauwer contact krijgen met de ouderen. We horen, alweer, in de geschiedenislessen als iets doodgewoons aan, dat de zendelingen hier scholen stichtten, maar we hebben er geen aasje idee van, wat dit eigenlik inhield. Scholen stichten, d. i. de kinderen trekken, de kinderen wennen, de kinderen winnen, en aldus dichter bij de ouders komen. „Toen”, schrijft Dr. Adriani, „de scholen, na eenige jaren van tobben, goed aan den gang waren, hadden wij ook het genoegen te merken, dat de kinderen stemming voor ons maakten. Kwamen wij een dorp in, de kinderen toonden hunne blijdschap en gaven te kennen dat wij hun welkom waren. Zij maakten er een gebeurtenis van en de ouders lieten zich vaak aansteken door de stemming der kinderen. Wetende dat wij hunne kinderen iederen dag een poos onder onzen invloed hadden, begonnen de ouders te gevoelen dat zij belangen met ons gemeen hadden en het wel en wee der kinderen was dikwijls een onderwerp van gesprek tusschen hen en ons.” En dan vertelt Dr. A. verder, hoe de kinderen steeds meer belangstelling kregen in allerlei wat ze van de zendelingen konden leren, beproefden eigenaardigheden van hun taal uit te leggen, en zelfs behulpzaam waren bij het samenstellen van Bijbelse leesboeken.
Natuurlik is alles, wat daar op Celebes geschied is, niet maar een simpele herhaling van hetgeen bij de invoering van het christendom in ons land is gebeurd. Doch het hoofdfeit is hetzelfde: de aanraking der christelike beschaving met een heidense samenleving. En mij dunkt, het moet ook voor onze schoolkinderen belangwekkend en verhelderend zijn, als ze bij de bespreking der Zending in Indië nog eens herinnerd worden aan de Zending in de landen der Duitsers en daarbij in de gelegenheid worden gesteld, enkele parallellen te trekken.
Te ver mogen we bij dit trekken van parallellen niet gaan. Wie b.v. zeggen zou, dat die inboorlingen tans aan het begin van hun beschaving staan evenals wij 18 eeuwen geleden, en dat zij over nog eens 1800 jaar zullen zijn, wat wij nu zijn—die zegt meer dan hij verantwoorden kan. Voldoende is het, dat wij enige overeenkomst zien en hiervan gebruik maken, om het verleden toe te lichten door het heden.
XV. „EEN LIEFLIJKE NAAM”.
Hij kende de namen Jezus Christus alleen als vloek.
Zijn vader vloekte, zijn moeder, zijn oudere broers, de buren, zelfs zijn zusje. En dus vloekte hij ook, reeds als klein jongetje.
Alleen één buurvrouw, een jong vrouwtje, dat altijd bij haar werk zong, had bij die namen wel eens een fijnere gemoedssnaar doen trillen dan die van driftige boosheid. Zij kende een heel repertoire van liederen waarin ze haar Heiland verheerlijkte, en zond de hulde van haar hart, door open deur en venster, vaak jubelend de buitenlucht in. Zoo had het buurjongetje wel eens gehoord van een lieflijken naam, die ruischt langs de wolken, maar die lieflijke naam naderde hem overigens niet anders dan als rauw scheldwoord.
Dit veranderde niet, toen hij ouder werd. Zijn kameraden vloekten, op 't werk, in de herberg, op straat, in huis, overal. Ook onder dienst werd gevloekt, en niet enkel door de soldaten, doch vooral niet minder door de onder-officieren en de officieren, gelijk in het burgerlijk leven de heeren voor de arbeiders niet onderdeden en hen meermalen overtroffen.
Op deze wijze was Jezus Christus met dien man door 't leven gegaan. Aldus kon men merken, dat deze man niet in de heidenwereld, maar in een „Christelijke maatschappij” was opgegroeid.
Tot op zekeren dag.
Hij was nu over de zestig, had vrouw noch kind, stond—ach neen, slingerde alleen over de wereld, was meer dronken dan nuchter, kende de politiebureaux beter dan de kerken en had in onze Christelijke samenleving nog nooit den Christus ontmoet. Tot op zekeren dag, toen hij, in dronkenschap aangereden door een automobiel, gewond naar het ziekenhuis werd vervoerd. De chronische ziekte van het alcoholisme had men tot nog toe alleen in politiehokken behandeld; een gekneusd been opende de deuren van het ziekenhuis. En toen hij daar zoo rustig lag, toen hoorde hij het ruischen van den lieflijken naam.
Dat ging zoo. Een jong meisje van misschien achttien jaar kwam iedere week met bloemen in de zaal. Dan ging ze alle bedden langs, zette bij elken patiënt een tuiltje frissche bloemen, knikte de zieken vriendelijk toe en verdween weer. Soms bleef ze een poosje, om dezen of genen met zachte stem wat voor te lezen, een mooi verhaal of een hoofdstuk uit den Bijbel. En telkens, als ze er geweest was, liet zij de kranken achter, verkwikt door haar bloemen, haar welluidende stem, haar lieflijke verschijning.
Ruwe harten verteederden onder den invloed van deze zorgende zachtheid. Ze begrepen die vredige toewijding niet, maar dat was ook niet noodig. Ze vergaten hun ellende van nu, vergaten gehéél de ellende van 't verleden, vergaten ook de ellende die weer in de toekomst dreigde, waren volkomen onder de bekoring dier reine liefde. Ze ervoeren de balsemende en louterende macht van het Christendom; ze kwamen in aanraking met Christus, maar ze konden Zijn naam nog niet spellen en noemden Hem; lief meisje.
Toch hoorden ze het lieflijke ruischen.
* * * * *
Ze wisten niet, gelijk duizenden en nogmaals duizenden dit niet weten, dat dit _Christendom_ was. Ze meenden—_indien_ ze hieromtrent iets meenden—dat „Christendom” onafscheidelijk verbonden was aan preeken en catechiseermeesters en gezang, maar niets te maken had met bloemen en vriendelijke knikjes. Het Christendom—o ja, dat had je in de kerken, in die groote, eenzame steenen gebouwen, waar alleen een zeker soort menschen op Zondagmorgen naar binnen ging, daar moest je lid van wezen, als van Artis bij voorbeeld, maar dat stond heelemaal buiten een ziekenhuis. In een ziekenhuis kwamen zieken en dokters en verpleegsters, en dat meisje—dat was alleen maar „een lief meisje”, dat had eigenlijk in het ziekenhuis niets te maken.
Ze wisten niet, gelijk duizenden en nogmaals duizenden het niet weten, dat zoo ook Jezus, de Christus, in het ziekenhuis dezer wereld eigenlijk niets te maken had. Hij kwam er, Hij zag er de lichamelijke, maar vooral de zedelijke ziekten: de zelfzucht in haar leelijke vormen van hebzucht, eerzucht, heerschzucht, afgunst, nijd, haat. Hij ging er naar binnen en bracht er de bloemen Zijner liefde, de sterkende blikken van Zijn zegenend oog, de schoone verhalen van Gods Vaderliefde. Hij bracht die _Liefde zelve_ in Zijn _leven_. Hij openbaarde haar in Zijn daden, Hij lichtte haar toe in Zijn woorden. Hij wierp de dronkaards, de bedwelmden van allerlei aard, ook die der eigengerechtigheid, niet in een donker hok, opdat ze daar hun roes zouden uitslapen en straks weer dieper wegzinken, maar Hij riep ze allen tot Zich, die vermoeid en belast waren, allen, opdat Hij ze rust zou geven. Zoo ging Hij het zondenhuis der wereld in en bracht er de verkwikkende, de genezende, de reddende Liefde. Wat eerst alleen lieflijk ruischte langs de wolken des hemels, zweefde nu, als engelenzang, door de menschheid heen, over de velden der aarde. En het was heerlijk om te hooren, behalve voor hen, die in het liefdelied een verwijt, een aanklacht, den dood van hun zelfstreelend en zelfverheerlijkend Ik vernamen, daarvan niet hooren wilden en dan ook inderdaad meenden, dat die stem „hier niets te maken had” en haar het zwijgen oplegden aan het kruis. Tevergeefs. Want door de eeuwen heen bleef haar toon trillen door de zedelijke wereld, bewoog en beweegt ook nu nog de menschelijke harten.
Wanneer de oude dronkaard dit alles geweten had, hij zou het Christendom anders geëerd hebben dan in godslastering en het wel aanstonds herkend hebben in „dat lieve meisje.” Nu begon het hem pas langzamerhand te schemeren, als zij hem voorlas uit wat hij „haar boekje” noemde. Hij formuleerde 't zich wel niet zoo scherp, maar 't werd hem toch flauw bewust: zij was een gezant, zij was een vertegenwoordigster, zij was een brengster—in daden—van de Blijde Boodschap. In haar kwam tot hem de Herder, die niet rustte eer hij 't verloren schaap had; de Meester, die zijn jongeren geleerd had, dat hij zachtmoedig was en nederig van hart; de Koning, die 't uitsprak: „Voorwaar zeg Ik u, voor zooveel gij dit één van deze Mijne minste broeders gedaan hebt”—hongerigen spijzigen, dorstigen laven, naakten kleeden, vreemdelingen herbergen—„zoo hebt gij dat Mij gedaan.”
In haar kwam Christus tot hem.
En toen zij, op Kerstmis, zong van: „Er ruischt langs de wolken een lieflijke naam,” hoorde hij niet alleen het lieflijke ruischen, maar kon hij dien naam ook spellen. En daarvoor gebruikte hij dezelfde letters, die eerst zijn vloeken hadden gevormd. Maar nu had hij ook het levende Christendom ontmoet.
„O, Kerstnacht, schooner dan de dagen!”
XVI. WORSTLENDE.
We hadden de locomotief onder handen—wij, dat zijn de kinderen der hoogste klasse en hun onderwijzer. We hadden gezien hoe in de vuurhaard door verbranding van steenkool, dat is dus door _oxydatie_ van de koolstof, warmte was ontwikkeld. Ook hoe die warmte, dat is dus eigenlijk die _oxydatie_, het water in den ketel tot stoom had omgezet. Ook hoe de spanning van dien stoom, dat is dus eigenlijk die warmte, dat is dus _die oxydatie_, den zuiger in beweging bracht, en deze de wielen, en deze de locomotief, en deze den heelen trein.
Daar reed de trein, twintig en meer zwaar beladen wagens voortgetrokken door de locomotief, neen door den zuiger, neen door de stoomspanning, neen door de warmte, neen door de verbranding van steenkool, dat is dus: door een scheikundige verbinding. Een chemisch proces, het eenvoudige proces dat zich ook voor onze oogen vertoont, wanneer een simpel lucifertje brandt, dit bracht ons met duizelende snelheid de wereld rond, ons en honderden medereizigers, ons en honderden centenaars vracht.
Waren we bij die oxydatie al bij de bron der kracht? Of moesten we nog dieper doordringen? Reeds rees de vraag naar de vorming der koolstof, van dat krachtdragend en straks krachtbarend element, en we zagen hoe die koolstof bij uiterst kleine hoeveelheden in de chlorophylkorrels der groene plantendeelen werd gevormd, doch alleen—onder den invloed van het zonnelicht. Bleven de trillende stralen weg, dan konden de groen-minnende[8] korrels noch groen vormen, noch uit het in de lucht zwevende koolzuurgas de koolstof losmaken en deze, met opgezogen water verbonden, als vaste stof in de plant binden. Geen kool dus in de plant zonder zonnekracht. En deze was het alzoo ten slotte, die de trein in beweging bracht, die ons voorttrok, ons en heel de menschheid.
[8] Chloros = groen; phyl = minnend.
Wanneer de kinderen tot zulk een inzicht komen, duizelt het hun soms een oogenblik. Aan hun oogen is iets te zien. Daar straalt ontroering uit. Een andere ontroering dan wanneer ze hun dertig plaatsjes in Gelderland zonder haperen hebben opgezegd. Ook deze voldoening zij hun gegund. Maar ze haalt niet bij het moment van verheffing, van hartsverheffing, wanneer ze de dagelijksche dingen uit hun omgeving, het voortsnellen van een spoortrein, van een hooger niveau zien, als met nieuwe oogen aanstaren.
De Zon trekt de trein voort. De Zon beheerscht de plantenvoeding, dus ook de dierenvoeding, dus ook ons leven. De Zon is de levensbron der Aarde. Zonder haar geen groen, geen kleur, geen leven. Zonder haar—hier niets dan een duistere, kille woestenij. Is het wonder, dat de oude volken de Zon aanbaden? Dat er een Zonnegod was? Een Zonnedienst? De Menschheid knielde voor haar Voedster, haar Onderhoudster, haar Oorsprong.
Haar oorsprong? De mensch zag niet verder. Wie bij de zon eindigt, is als de reiziger, die bij een tusschen-station uitstapt. Neen, hier is het eindpunt niet van onze reis, hier het beginpunt niet van ons bestaan. Verder moeten we, altijd verder, van zonnestelsel tot zonnestelsel.
Doch nu begint het ons eerst recht te duizelen. Bij de grenzen onzer kennis beseffen we het diepst onze onwetendheid. En daar buigt de mensch het hoofd. Niet voor den Zonnegod. Maar voor dien God, die ook de Zon heeft geschapen, die het gansche Heelal regeert. Al zien wij Hem niet, wij gelooven in Hem. In Hem voelen wij den Oorsprong van alle Zijn, de bron onzer levenskracht. En zooals de planten, onbewust of in vage bewustheid, de bladeren naar het zonlicht keeren, vanwaar hun groei en hun sterkte komen moet, zoo richt de menschenziel zich naar haar Oorsprong, zuchtend en zoekend naar Goddelijk licht.
Wellicht vindt deze of gene het een weinig oneerbiedig, om niet te zeggen profaan, dat we een religieuse beschouwing verbinden aan iets zoo materiëels als een locomotief. Maar is een locomotief, omdat het een werktuig is, dan iets minderwaardigs? Openbaren zich in dit werktuig niet evenzeer de wonderen als in de organische wereld? En spreken we niet van organische, d. i. bewerktuigde wereld, omdat we juist bij planten en dieren de _werktuigen_ als een kenmerkend deel onderscheiden tegenover de anorganische natuur? Ach, wie God alleen ziet in kerken en heilige boeken, alleen in bloeiend en zingend leven, hij verruime zijn blik. Overal, overal is God. In het nietigste stofje werkt Zijn kracht. Geen mechanisme, of het is een nabootsing van hetgeen de mensch in de gecompliceerde mechanismen der levende schepping heeft ontdekt. Waar we ook beginnen, stijgend langs stralen van zonnelicht worden we naar den Oorsprong heen geleid.
* * * * *
Dezelfde locomotief, die ons naar de Zon heenvoerde als de trekkende kracht van treinen, als de beheerscheresse dezer aarde, bracht ons nog een andere waarheid aan 't licht. Waarom, als de trein nu toch al zoo zwaar was, waarom nu nog de locomotief zoo vreeselijk zwaar gemaakt? Dan werd de vracht toch immers nog grooter? Dan viel er toch immers nog meer voort te trekken? Dan was er dus immers nog meer krachtsontwikkeling noodig? Gaf dat niet verlies aan brandstof en wat dies meer zij?
De kinderen kwamen al spoedig zelf met de opmerking dat de locomotief wel erg zwaar moest wezen, om de wielen tegen de rails te drukken. Want anders zouden de wielen wel ronddraaien, maar ze zouden langs de rails glijden en de locomotief zou niet vooruitgaan. Die zwaarte was noodig. Daardoor kwam er tegenstand, wrijving. En die _tegenstand was voorwaarde van vooruitgang_. Zelfs, hoe zwaarder trein de locomotief had voort te trekken, hoe zwaarder ze zelf moest wezen. De tegenstand groeit met de belangrijkheid der taak.
Onderstel, dat er geen wrijving was, onze voeten zouden niet kunnen staande blijven, we zouden niet kunnen voortkomen. Een spiegelend ijsveld ware de aarde, waarop geen beweging mogelijk was. Waar geen wrijving is, zou ze gemáákt moeten worden.
In het materiëele willen we dit graag gelooven, daar spreekt het ook zoo duidelijk. Maar in het moreele? En in het geestelijke? Daar zijn we maar al te zeer geneigd, om over de moeilijkheden te klagen en de bezwaren te verwenschen. Toch geldt het ook hier, dat de wrijving voorwaarde van vooruitgang is. Zullen we geestelijk en zedelijk groeien, dan toch alleen door geestelijke en moreele krachtsinspanning, en die kunnen we ons niet bij recept voorschrijven, maar die moeten van ons door de levensomstandigheden _geëischt_ worden. Wanneer van alle kanten de moeilijkheden op ons af komen, kunnen we daaronder wel eens gebukt gaan. Maar het zijn de grootste geesten, het zijn de helden der menschheid, die in toestanden van hopeloosheid en radeloosheid ten onder dreigden te gaan, om straks gesterkt het hoofd weer op te heffen.
Wanneer het leven ons iets leeren kan, dan is het wel dat we alleen worstelende krachten winnen. Wie de worsteling vervloekt, vervloekt zijn eigen verbetering. Wie de worsteling ontvlucht, zinkt weg in verslapping. We behoeven daarom de moeilijkheden niet te zoeken, we behoeven het gevaar niet te beminnen. Wie 't gevaar bemint, valt er in, zegt Augustinus. Maar iets anders is het, het gevaar te zoeken en te beminnen, iets anders de moeilijkheden, die 't leven op onzen weg legt, aan te pakken. Dit is onze plicht, sterker, hierin ligt ons heil. En al lijkt het op 't eerste gezicht ongerijmd, al kost het vaak schier bovenmenschelijke zelfbeheersching in verloochening van ons rustig geluk, we moeten zelfs dankbaar kunnen zijn voor de smartvolle zorgen als prikkels tot zelfverbetering, lijden ter loutering.
Het spreekt van zelf, dat niet in deze woorden met de kinderen werd gesproken, maar wel in dezen geest, en dat daarbij ervaringen werden bewust gemaakt uit het kinderleven, dat al zoo rijk is aan verleidingen, ontvluchtingen, inzinkingen, misschien ook overwinningen. Bijna alles wat in het leven der volwassenen werkt, gist ook al in het leven der kinderen, zij het natuurlijk in andere sterkte. Wie dit niet ziet, phantaseert de kinderen „kinderlijker” dan ze zijn. Hun onschuld is onrijpe schuld. De groote waarheden zijn daarom ook voor de kleinen. En al vroeg mogen ook zij beseffen, dat de worsteling noodig is ter overwinning. Alleen daardoor wordt de Jacob een Israël.
XVII. VOLHARD!
Er is een mooi puntdicht van Staring, dat zich veroordeelend richt tegen hen, die meenen zonder inspanning hun doel te kunnen bereiken. Met een vlugge pen—ach, pennen zijn vaak vlugger dan voor 't heil van den schrijver en 't genot van den lezer wel goed is—heeft iemand eenige vellen papier volgeroffeld, en nu verbeeldt hij zich, meesterwerk te hebben geleverd. Doch Staring ontneemt hem die illusie.
Zulk _roffelwerk_ zou onverganklijk leven? Neen vriend, _geschoeid_ won Bilderdijk Het _steil_ der kunst, maar achter hem in 't _slijk_ Blijft gij met uw _pantoffels_ steken.
Staring mocht meepraten. Onvermoeid arbeidende aan zijn gedachten en zijn gedichten, rustte hij niet, aleer beide rijp waren. Laten we alleen eens een oogenblik nauwlettend acht geven op de beelden en woorden in dit simpele, vierregelige versje, dan zien we daar aanstonds, hoe Staring de daad bij 't woord gaf.
Hebt ge wel eens roffelwerk gezien? Waarschijnlijk niet want dan zoudt ge bekend moeten wezen met den arbeid van den timmerman. Een van zijn werktuigen heet nl. een roffel. Het is een schaaf waarmee allereerst het ruwste van de planken worden afgeschaafd voor ze een nauwkeuriger behandeling ondergaan. Zoo'n afgeroffelde plank ziet er dus nog slordig uit. Natuurlijk, er is nog slechts weinig zorg aan besteed. Vandaar dat de figuurlijke beteekenis van afroffelen op slordig, onnauwkeurig werken wijst. En wie nu het roffelwerk wil overbrengen op literair gebied, heeft daarmee reeds zichzelf veroordeeld.
Neen, zoo gauw en gemakkelijk komen we er niet. Wie het stijgende pad der kunst wil betreden, rekene er op, dat het beklimmen van den berg inspanning eischt en ruste zich uit tot den tocht. Niet „op onze slofjes” bereiken we den top. _Geschoeid_ won Bilderdijk het hoogtepunt, waarop Staring hem ziet. Maar wie meenen mocht, op _pantoffels_ B. te kunnen navolgen, blijft beneden in de modder steken.
Ik wil niet beweren, dat Staring hier uitmunt door oorspronkelijke beeldspraak. Doch ieder zal wel erkennen, dat de oude beelden, die we dagelijks gebruiken en die overal in de volkstaal leven, door Staring in volle klaarheid gezien en toegepast zijn, zoodat hij aan 't oude weer nieuw leven heeft geschonken. Al schreef Staring maar twee regels, die regels mochten woord voor woord opgenomen en gewogen worden. Ieder woord had zijn volle gewicht.
Dit bereikte hij natuurlijk niet door er maar op los te schrijven. Door nadenken en overwegen verdiepte en verhelderde hij zijn gedachten, door oefening en aanhoudende zelfcritiek kuischte hij zijn taal. Daarom mogen we zeggen, dat Starings werken zijn uitspraken bevestigen. En daar vloeit tevens uit voort, dat Staring-lectuur, zeg mijnentwege Staring-studie, een heilzamen invloed kan hebben op de vorming van het jonge geslacht. Men heeft het zoo vaak over de „vormende waarde” der literatuurbeoefening. Welnu, wie nog zoekt naar de wijze, waarop die vormende waarde tot haar recht kan komen, beproeve maar eens door middel van Staring zijn leerlingen oog en eerbied te doen krijgen voor volharding.
* * * * *
Aan die deugd is in onzen tijd meer dan ooit behoefte. Zenuwzwakke naturen, gelijk we er vele tellen, zijn vaak alleen sterk in opwindingen. Alles moet bij vlagen en ingevingen gaan. En als de inspiratie niet werken wil, komt er niets. Inspiratie heet de eenig betrouwbare drijfkracht. Zij stempelt den arbeid met het merk der genialiteit.