Part 10
Doch de luisterende dichter legt onze ratelende tong een oogenblik het zwijgen op; hij begrijpt uit dat onafgebroken gepraat wel, dat we overspannen zijn, doch kalmeerend voegt hij erbij: „Ook ik,
'k Hebb over-reckt geweest; maer ben' der deur gebeten.”
Maar nu staan we verslagen. Hoe? Hij? Hebben we wel goed verstaan? Een der kloekste zonen van dat kloeke voorgeslacht, zou hij overspannen zijn geweest?
Doch hij spreekt niet van „overspannen”—hij spreekt van „over-reckt”—is dit mogelijk iets anders?
Doch neen, of we de snaar te sterk spannen of te sterk rekken, 't komt beide op hetzelfde neer. Oorzaak en gevolg zijn ook in beide gevallen dezelfde: we willen een hoogen, helderen toon doen klinken, en—
„de snaer, die heldste luijdt, Scheidt d'eerste menighmaal van leven en van Luijt, Verkracht en over-reckt.”
Willen we alle snaren van leven en luit zoo lang mogelijk behouden, laten we dan—een toontje lager zingen!
* * * * *
Ja, laten we een toontje lager zingen.
We willen ook zooveel, en dat vele willen we zoo gauw.
We willen in ons huisgezin ideale ouders voor onze kinderen zijn, hen opvoedend met liefde en wijsheid; we willen van die kinderen alles nagaan, ieder trekje van hun aard kennen en de juiste middelen aanwenden, om de zich openbarende gebreken reeds vroegtijdig den kop in te drukken. Ideale ouders, ter vorming van ideale kinderen!
En we willen voortreffelijke onderwijzers zijn, die van ieder kind der klasse een studie maken, en de fouten der leerlingen in den grond trachten te verbeteren; onderwijzers, die van de tallooze kleinere en grootere conflicten en mislukkingen de oorzaak steeds bij zichzelf zoeken en dientengevolge gebukt gaan onder de neerdrukkende macht eener onafgebroken zelfveroordeeling.
En we willen, ons ergerend aan allerlei misstanden en wanverhoudingen in de organisatie der onderwijswereld, gruwend van de examenvloek die een groot deel van ons onderwijs met lamheid slaat, walgend van de methodiekvergoding met haar overschatting van de verstandelijke ontwikkeling, verontwaardigd over de lakschheid en de lamlendigheid, waarmede zoovelen voortgaan jaar in jaar uit de jeugd van een heel geslacht te kwellen en te bederven, toornend over de zelfzucht en de gemakzucht, waarmee dressuur gehandhaafd blijft tegenover den schreeuwenden eisch der jonkheid naar een natuurlijken groei—we willen gansch ons onderwijs hervormen en daartoe al wat zich aan 't onderwijs wijdt bezielen met hervormingsijver.
En we willen nog meer. Ook buiten de school klinken ons noodkreten in 't oor, en we mogen, we kúnnen ook daarvoor onze ooren niet sluiten.
De arbeider roept ons op, en vraagt, indien we hem dan waarachtig goedgezind zijn, waarom we niet meewerken aan de opheffing van zijn loonslavernij.
En de vrouw roept ons op, en vraagt, indien we dan waarachtig de vrijheid van _elken_ mensch liefhebben, waarom we ons niet mede aangorden tot den strijd voor háár recht, om ook in wettigen en wettelijken zin meer te zijn dan een misdadiger of een idioot.
En de geestdriftige kampioen voor onthouding aller zin- en zielbedervende prikkels, de liefdevolle en onvermoeide bestrijder van drankgebruik—dat in elken vorm drankmisbruik is—hij wendt zich tot ons met al de kracht van zijn overtuiging en al de warmte zijner menschenmin, en vraagt, waarom we van verre blijven staan bij den strijd tegen dien kanker der huiselijke eendracht en der volkswelvaart.
En zij, die niet het dier wenschen op te offeren aan den lust en de luiheid van den mensch, maar die integendeel een deel van zichzelf willen geven ten behoeve van het geminachte en mishandelde schepsel, dat redeloos genoemd wordt door hen die 't in hun redeloosheid vertrappen, ook zij vragen uw instemming, uw steun, uw medewerking.
En de vriend van den wereldvrede roept ons op, en overtuigt ons, dat we niet slechts het zilver onzer beurs, maar ook de warmte van ons hart, de scherpte van ons verstand, de kracht van ons woord aan de groote en goede zaak der volkrenliefde moeten wijden.
Och, overal en altijd hooren we de noodkreten der lijdenden en zachtkens daar tusschen door de teere liefde-klanken der helpers. En verwijtend vraagt ons geweten, waarom we niet mee arbeiden door de stille werking van ons voorbeeld, waarom we ons niet mede scharen onder de vaan der moderne kruisvaarders en met hen optrekken naar het heilige land van eendracht, liefde, geluk.
En we móéten luisteren en mede-arbeiden. We moeten luisteren en mede optrekken. De lendenen omgord!
Liever bezweken op den donkeren, moeilijken weg, dan in zelfzuchtige koestering het leven genoten!
* * * * *
Liever bezweken......
Liever bezweken? En zij dan, die in de eerste plaats recht op onze zorg hebben, de kinderen, die wij in 't aanzijn hebben geroepen? Moeten die dan maar aan hun lot worden overgelaten? Of aan de zorgen van anderen opgedragen?
En de vrouw, die lief en leed met ons deelen zou en die we nu voor 't leed alleen laten zitten?
Niet elke mensch heeft _recht_ om te bezwijken.
Wie eenmaal zekere ernstige verplichtingen op zich heeft geladen, dient te zorgen, dat hij die verplichtingen kan nakomen. En trouw in het kleine is beter dan mislukking in het groote.
Alleen hij, die de volle beschikking heeft over zichzelf, mag zijn geheelen persoon wijden, desnoods opofferen aan het algemeen welzijn. Doch ieder, die de belangen van andere personen of zekere instellingen te behartigen heeft, dient _hiervoor_ in de eerste plaats zijn krachten te besteden en te sparen. Wat hem, na _arbeid_ èn _rust_ èn _ontspanning_ dan nog aan krachten overblijft, mag hij—moet hij—aanwenden ten behoeve dier tallooze misdeelden, wier nood zoo dringend om zijn bijstand roept.
De wijsheid der Ouden: _Est modus in rebus_[4] geldt niet alleen bij de bevrediging onzer lichamelijke behoeften en zinnelijke neigingen. Er is onmatigheid in eten en drinken, doch er is ook onmatigheid in—'t bestrijden der onmatigheid.
[4] Er is een maat in alle dingen.
Wie als vurig ijveraar voor de geheel-onthouding tenslotte zijn gezondheid verwoest en zijn gezin dreigt te ruïneeren, zondigt door onmatigheid. En de droevige gevolgen dezer zonden laten zich—als altijd—niet wachten.
Wie de belangen van tallooze goede instellingen op maatschappelijk gebied met zooveel kracht verzorgt, dat hij tenslotte zijn heel gewone dagtaak niet meer met blijmoedigheid kan verrichtten, zondigt evenzeer door onmatigheid. En er is iets tragi-komisch in, dat de man, die de wereld hervormen wil, zijn eigen nederigen arbeid moet laten liggen, niet door oorspronkelijk gemis aan kracht, maar door overschatting van kracht.
Dit zijn heel nuchtere opmerkingen en overwegingen, doch de feiten dwingen ons wel eens naar die overwegingen te luisteren en er ons voordeel mee te doen. We kennen er te velen, die, wanend of wetend te werken voor andrer heil, dien arbeid zagen uitloopen op eigen en andrer onheil.
En onze tijd is in dit opzicht een gevaarlijke tijd, die 't op de snelle slooping van ons levensmateriaal schijnt toe te leggen. Er is dan ook geen twijfel aan, of naast de roepstemmen om hulp zullen straks steeds meer en luider ook de waarschuwende stemmen klinken, dat de helpers zich niet tot hulpbehoevenden mogen maken. Een ieder kenne zijn kracht.
Dat overigens ook vroeger eeuwen het euvel der overspanning hebben gekend bewijst wel het woord van een zoo wijs en ervaren man als Huygens. En niet minder treffend spreekt het uit den raad, ons door Schiller gegeven:
Thue was Recht ist, mein Freund, und dabei lasz es bewenden, Und enthalte dich, ja, alles was Recht ist, zu thun.[5]
[5] Vrij vertaald, luidt dit distichon:
Doe het goede, mijn vriend, en stel u daarmee tevreden, En onthoud er u van, alles wat goed is te doen.
Is in deze regels onze fout niet volkomen naar waarheid gesignaleerd? We zijn niet tevreden ermee, dat ons gewone werk de critiek van een nauwgezet geweten kan doorstaan—ofschoon ons dat al moeite en strijd genoeg kost—neen, we willen _al het goede_ doen. We willen niet ons zelf en ons klein kringetje verzorgen, maar liefst de geheele menschheid verheffen. We willen niet de bescheiden menschentaak vervullen, maar we willen een Godsarbeid voor onze rekening nemen. En onze onvolmaaktheid schiet jammerlijk te kort.
* * * * *
Maar wat zullen we dan? Onze ooren toestoppen, waar de nooden der misdeelden om leniging of opheffing schreien? Onze oogen sluiten, waar zij pijnlijk dreigen te worden aangedaan door de ellende van anderen? Onze harten verharden, waar 't recht gekrenkt wordt en onze naasten—toch immers maar „vreemden!”—daarvan 't slachtoffer worden? Lijdzaam berusten in tal van voor anderen—maar dan toch onze naasten!—noodlottige toestanden?
Er is een zinrijke legende, waarin de straf der liefdelooze zelfgenoegzaamheid ons waarschuwend wordt voor oogen gesteld.
* * * * *
Petrus was in den hemel opgenomen. Doch de hemelsche zaligheid was voor hem niet onvermengd, zoolang zijn moeder nog de pijnen der hel moest doorstaan.
Toen smeekte hij Gods Zoon, dat Deze ook zijn moeder liet opvoeren. Maar Jezus weigerde. Ieder bewerkt zijn eigen zaligheid. En de moeder van den apostel zou niet gelukkig zijn, als ze te midden der zaligen verkeerde. De wangunst van haar liefdeloos hart zou alle hemelvreugde vergallen.
Doch Petrus hield aan met smeeken, en eindelijk zond Jezus een engel naar omlaag, om de vrouw te halen.
Toen de engel in de hel afdaalde en de moeder van Petrus onder de armen nam, om haar met hem te doen opstijgen naar de zalige gewesten, klemden zich vele verdoemden aan het lichaam en de kleederen der geredde vrouw vast in hun wanhopig verlangen, om uit de hellesmart verlost te worden.
En de engel voerde ook hen mee, en steeg met die allen snel omhoog.
Maar de moeder van Petrus gunde dien anderen de zaligheid niet, die haar deel beloofde te worden. En ze rukte een dier rampzaligen los en deed hem in de diepte der hel nederploffen.
Toen verminderde de vaart van den engel merkbaar en met meer inspanning dan te voren voerde hij zijn last omhoog.
Nogmaals wist de wangunstige vrouw een harer gezellen van haar kleed los te rukken en te doen wegtuimelen in den afgrond.
Doch al weer vertraagde aanstonds daarop de vlucht van den engel, en werd zijn vleugelslag zwaarder en moeilijker.
Toch, trouw aan zijn plicht, droeg hij de vrouw en allen die aan haar kleed hingen, gestadig hooger, hoewel de kracht zijner blanke wieken scheen te verzwakken naarmate de moeder van den apostel steeds meerderen van zich wist af te slingeren. Zoolang zich echter nog één aan haar kleederen vastklemde, zoolang leidde de tocht, zij 't ook immer langzamer, naar den hemel.
Eindelijk naderden ze den hemelpoort. Bijna was de heilstaat bereikt. Met zwaren wiekslag torste de engel nog twee doemelingen, de moeder van Petrus en nog een, die zich met inspanning van alle krachten had weten te beschermen tegen de woeste pogingen der helsche nijd. Doch ook dien eenen kon de wangunstige niet in haar zaligheid doen deelen en op 't laatste oogenblik nog wist zij de handen los te wringen van den ongelukkige, waardoor deze in de diepte stortte.
Maar toen ook was de kracht van den engel gebroken. Aan den rand van den hemel, kon hij zich geen handbreed meer omhoog heffen. Langzaam daalde hij, doch spoedig al sneller en sneller, totdat hij, aan den ingang van den afgrond teruggekeerd, de vrouw in de hel deed wegzinken.
In deze moeder van Petrus is de liefdeloosheid wel in haar gruwzaamste vorm. 't Is niet de koude zelfgenoegzaamheid, die gevoelloos is voor het leed en de vreugde van anderen, maar de vale nijd, die zelfs bij eigen zaligheid de vreugde van anderen niet kan dulden. Maar die daarmee dan ook eigen zaligheid verspeelt.
Dit is het treffende in deze legende, dat de vrouw den hemel zou zijn binnengegaan, als zij ook maar een enkele had willen meedragen. Als in haar hart dus _eenig_ liefdegevoel voor de mede-rampzaligen had geleefd.
En dit beseffen we zoo diep.
Niet de liefde, die ons betoond _wordt_, is de koesterende gloed van ons leven. Doch de liefde, die wijzelf betoonen. Die ontwikkelt in ons de inwendige warmte, zonder welke ons bestaan koud en vreugdeloos is. Geen lijdelijk ontvangen van liefde schenkt blijvend geluk. Al bestraalt de zomerzon den stillen vijver den ganschen dag, na een enkelen nacht van duisternis is de watervlakte weer koel. Doch het borrelende en bruischende, altijd werkende water der warme bronnen heeft geen zonnekoestering van noode. Schoon diep verborgen in den donkeren grond, het springt kokend en dampend naar omhoog, zingend het lied van zijn eigen warme levensvreugde. Alleen het actief schenken van liefde werkt in ons duurzame zaligheid.
Maar ook hierin dienen wij maat te houden. Er is ook inwendig vuur, dat verteert.
XIII. „HEDEN OVERLEED PLOTSELING....”
Hoe dikwijls lezen we dat tegenwoordig in de doodsberichten. En hoe vaak ook onder de nieuwstijdingen. Een spreker zinkt ineen in den katheder, een dokter bij het ziekbed van een patiënt, een predikant bij de geopende groeve, een minister bij een feestmaal. Terwijl ze gereed, terwijl ze bezig waren anderen te bezielen, te genezen, te troosten, ja, met een geestige tafelrede aan hun lippen te boeien, stonden ze op den rand van 't graf. Ze wisten het niet, niemand wist het, en tot ontroering der omgeving vielen ze, eensklaps, in den donkeren dood.
„Heden overleed plotseling...”
Zoo sterven er velen in dezen tijd van telegraaf en telefoon.
Lange brieven en lange ziekbedden, we hebben er geen tijd meer voor.
Even, heel kort, een zaak afhandelen met het andere einde der aarde, met de andere zijde van 't graf.
Het leven en sterven in telegramstijl.
Hartverlamming—zeggen de doktoren.
O natuurlijk, wat zou 't anders wezen. Wanneer het hart niet verlamd was en door bleef werken, zou het leven niet gevloden zijn. Ten slotte is het altijd hartverlamming.
Maar hoe komt het, dat bij zoo velen, en dan menigmaal zoo vroeg, het hart zijn diensten weigert? Wat is de oorzaak dier hartverlamming? Het zijn niet oude, afgeleefde menschen, bij wie het hart na meer dan zeventigjarigen arbeid zijn taak heeft verricht—dezen verlaten ons langzaam, voetje voor voetje. Hun levensolie is opgebrand, het vlammetje wordt flauwer en flauwer, de verkoolde pit knettert in zwakke opflikkeringetjes en gloeiende vonkjes, en dan is het stil, rustig en stil. Ze zijn heengegaan, moede, vredig. Het was hun tijd.
Het zijn ook niet kinderen, jongelingen, wier hart bezweek in den strijd tegen een overmachtigen vijand, die 't bloed bedierf en niet wijken wilde uit dit onmisbare levensvocht—zij strijden, strijden tot het laatste oogenblik toe, en geven zich pas gewonnen als alle kracht verbruikt is. Zij hebben zich geweerd met al de energie van hun jonge leven, doch konden 't niet volhouden in den ongelijken kamp. Zij sterven op het slagveld na soms schier eindelooze worsteling.
Maar 't zijn de mannen in de kracht van hun leven, weldoorvoed, gespierd, blozend van gezondheid. Als door een verraderlijken bandiet plotseling beslopen en met een dolksteek in 't hart getroffen, storten ze neer. Niemand verwachtte het, ook zij zelf niet. Men noodigde hen uit tot eervolle taak, droeg hun verantwoordelijken last op. Zij stonden op hun post, fiksch, forsch, betrouwbaar. Wie zou ook maar in de verste verte vermoeden, dat deze krachtige geest, dit gezonde physiek nog slechts door een fijnen zijden draad aan het aardsche leven was verbonden? Niemand immers? Vrouw, kinderen, vrienden, allen rekenden op den man, die bijna nooit ziek was, alleen nu en dan wat nerveus, wat prikkelbaar, wat overspannen door overmaat van werk, van verantwoordelijkheid. En zie, daar valt hij uit hun midden weg.
* * * * *
Het wordt tijd, dat we leeren rekening houden met het onberekenbare, dat we het onverwachte gaan verwachten. Waar de uitzonderingen zich vermenigvuldigen, vormen zich nieuwe regels.
Wel heeft Jeremia al geklaagd, dat de mensch „vlucht als een schaduw” en zong de Psalmist van de bloem, die „'s morgens bloeit en 's avonds afgesneden wordt”, wel waarschuwde Christus, dat „de ure komt als een dief in den nacht”, maar deze stemmen schijnen in het algemeen meer te herinneren aan het kortstondige, vergankelijke van al het aardsche, dan aan het plotseling sterven, gelijk dat uit de doodsberichten tot ons spreekt.
Gewis, het scheidingsoogenblik heeft den mensch wel altijd verrast. We leven zoo met heel ons hart in de dingen dezer wereld, dat de geest ze nog vasthoudt en er mee blijft verkeeren, wanneer het lichaam zich reeds bijna geheel van de aardsche verhoudingen heeft losgemaakt. Stoffelijk wegstervende, blijft de geest nog gehecht aan de sfeer, die hij verlaten moet. En dan komt de dood—niet het einde van het physieke leven, maar het geestelijk loslaten van al het aardsche—wel altijd nog plotseling.
Het eensklaps breken echter van den levensdraad bij naar 't oog gezonde en krachtige naturen, dit schijnt steeds meer te wijzen op een ziekte van de nieuwere tijden. Het is een dood zooals het leven was.
Ons leven, is het niet een voortdurende snelle wisseling van denken, doen, gevoelen? We denken niet rustig door, maar onze gedachten verbrokkelen en verstrooien zich als telephoongesprekken. Snel vernemen, vlug begrijpen, ras besluiten. En 't lichamelijk verkeer is vooral niet minder veranderend dan het geestesleven. We vliegen met electriciteit door de straten, door 't land, door de lucht. Alles gaat plotseling, met onverwachte wendingen. Geen wonder, dat ook het gemoed zijn kalmte verliest, vervreemdt van een vredige, gelijkmatige stemming, en leeft bij schokken. Een _leven_ van plotselingheden—een plotseling _sterven_. Het is in harmonie met elkaar. De laatste schok komt even onverwacht als de vorige. Het is het telegram van den Dood, met „Antwoord betaald.”
Zal de mensch zich accommodeeren naar het onrust-tempo, waarin de verbijsterende zegepralen der techniek zijn leven hebben gezet? Zal hij de kalmte van zijn geest, den vrede van zijn gemoed weten te bewaren, desnoods te herwinnen, onder de telkens opjagende dwarrelwinden van de moderne cultuur? Of zal de Dood voortgaan, zich aan te passen bij zulk een schokbestaan?
„Bereid uw huis, want gij zult sterven.” We kennen dit woord. Er is in onze eeuw meer dan ooit reden, het in gedachten te houden. Doch we zouden er gaarne een woord aan toevoegen: Bereid ook uw hart. En dit in meer dan één opzicht.
Bereid uw hart, opdat het gereed zij wanneer de ure komt.
Doch ook: Bereid uw hart, opdat het bestand zij tegen de levenswisselingen. Het leven wordt immer rijker, voller, sneller, onrustiger, gejaagder. Te midden daarvan dient ons gemoed rustig te blijven, of de levensduur vermindert met den levensrijkdom. We moeten tegen de emotie-wekkende invloeden van daarbuiten een gemoedsvrede ontwikkelen, die bestand is tegen de elkaar onafgebroken opvolgende prikkels. Anders verkeert alle beschavingswinst in verlies.
De veer in het uurwerk stoort er zich niet aan, of dit uurwerk zelf met bliksemsnelheid wordt voortbewogen, of het stijgt dan wel daalt, onophoudelijk zwenkt of in regelrechte vaart voortstuift. Zij heeft haar eigen spanning. Eenmaal opgewonden, weet ze alleen van een geleidelijk afwerken van haar taak.
Er is reden te over, dat we de veer van ons fijnbewerktuigd organisme leeren ontzien.
Hoe?
De hygiënisten zullen wel menigen goeden raad hebben: geen prikkelende dranken, geen heftige emoties; wel geregelde rust, wel kalme ontspanning.
Wij hebben er één raad bij: het door hooger levensopvatting aankweeken van een gemoedsrust, die alle onrust der tijden verdraagt, trotseert, onbewogen langs zich heen doet gaan. „Saevis tranquillus in undis”. Rustig te midden der woedende golven: De levensleus van den grooten Zwijger.
XIV. DE SCHOOL EN DE ZENDING.
I.
Wat heeft nu de School met de Zending te maken, en dan nog wel de Openbare School? Hierover zullen we het toch wel eens zijn, dat de Zending in de Openbare School niet thuis hoort. Zij zou daar de Joden, de Ongelovigen ergernis geven en dus de neutraliteit schenden. Wie de Zending op het leerprogramma brengt der Algemene Volksschool, begaat daarmee wetsschennis.
Zou het? Dan zijn wij allen schenners der wet en schenders der neutraliteit, en dan moeten al onze geschiedenisboekjes veroordeeld worden. Want wij allen bespreken de Zending bij ons Geschiedenisonderwijs en alle geschiedenisboekjes handelen er over. Echter——'t is de Zending _naar ons toe_ en niet de Zending _van ons uit_.
Is de laatste echter iets anders dan de eerste?
Alle kindertjes van alle openbare scholen horen, zo ongeveer op hun negende of tiende jaar, dat onze voorvaderen heidenen waren, dat ze voor stenen beelden knielden, dat ze aan afgoden offerden, en dat er toen zendelingen in ons land kwamen, die er het christendom predikten. Ook wat de gevolgen daarvan waren. Dat enkele van die zendelingen wreedaardig vermoord werden. Maar dat er ook kerken werden gesticht en kloosters en scholen. En dat door de monniken de landbouw en de tuinbouw veel verbeterd werden, en de ziekenverpleging, en verschillende bedrijven. Dat door diezelfde monniken kunsten en wetenschappen werden beoefend en hierdoor het volk ook geestelik ontwikkeld. Dat eindelik door die volgelingen van Christus de jeugd werd onderwezen, niet alleen in lezen en schrijven, maar ook in de christelike leer en zeden, zodat de bewoners van ons land stoffelike, verstandelike en zedelike verheffing aan de invoering van het christendom, dus aan de Zending, te danken hadden. Zonder Zending geen School. Dus ook ònze school heeft haar bestaan oorspronkelik aan die Zending te danken. Zou zij er nu over moeten zwijgen? Neen, terecht verhaalt zij er van en met dankbaarheid.