Part 9
Wat u wil--vergeef mij, dominé, dat ik u dit zo ronduit zeg--dat is: de kinderen met de hel grootbrengen. Pijn van vlammen of pijn van klappen, het is al eender. Het is lichamelike pijn. En vrees voor klappen of vrees voor vuur, ik zie geen verschil. Het is vrees voor pijn, die in geen oorzakelik verband staat met het bedreven kwaad. Daar is een wil--de wil van de goddelike of menselike opvoeder--die een straf oplegt. Het kind begrijpt er niets van, voelt alleen de pijn, en weet, d. w. z. verneemt, dat hem die voor zijn gedrag is aangedaan. Maar die pijn tast zijn verkeerdheid niet in haar wezen aan, zoals b.v. vochtige lucht ijzer aantast en dit als ijzer doet verdwijnen.
Daarom mag een opvoeder met deze dwang tot uiterlikheden niet voldaan zijn. Verre van mij, iemand hard te vallen, wanneer hij in nood deze dwang aanwendt. Doch berusten in een onvolkomenheid is iets anders dan deze aan te prijzen.
Dan pas mogen we tevreden zijn met onze middelen, wanneer ze zedelike kracht in de kinderen hebben ontwikkeld. Vreest ge daarbij voor verwekeliking? Dat is een vrees, die Christus zou loslaten terwille van Hercules.
* * * * *
Doch nu 't geval zelf.
Het onbeholpen zwijgen van uw kind ergerde u. Waar hij tegenover u best kon spreken, verkoost ge dat hij het ook tegenover vreemden zou doen.
Vergeef me, maar ik zie hier iets tirannieks en iets doms in.
Vele ouders misbruiken hun oudermacht, door hun kinderen te betrekken in de manieren der volwassenen. Dan moeten die kinderen iedereen een handje geven, liefst nog een zoentje erbij--ofschoon dat wegens hygièniese redenen de laatste tijd verboden en verdwenen is. De kinderen moeten zeggen: "Dag Meneer! Dag Mevrouw!" Een enkel maal ook: "Hoe vaart u?" En dan antwoorden op de vragen, die de vreemden met voorgewende belangstelling tot hen believen te richten.
Men schijnt niet te begrijpen, dat kinderen in een heel andere wereld leven dan de groten, dat ze zich niets om het welvaren dier groten bekommeren en ook niet vermoeden, dat ze die groten enige belangstelling inboezemen.
Ik vind dat dresseren der kleinen tot de beleefdheidsvormen der volwassenen een overbodige en schadelike plagerij. Overbodig--omdat de kinderen zolang ze kind zijn niet de rol der volwassenen behoeven te spelen. En schadelik--omdat de kinderen zo in hun natuurlike uitgroei worden belemmerd. Laat het kind kind blijven, dan behoeft men volstrekt niet bevreesd te zijn, dat ze lomp, onbeleefd, ongemanierd zullen worden. Wanneer de ouderen onder elkaar welwillend, beleefd, en gemanierd zijn, bootsen de kinderen dat gaandeweg vanzelf na, en als de tijd daar is, gedragen ze zich even fijn als de ouderen, maar nu met de natuurlike gratie, die het ongedwongene en onbevangene kenmerkt en zo bekoorlik maakt. Door vroegtijdige dressuur wordt veel kinderschoonheid bedorven. Die kunstenmakerij is alleen gemakkelik voor ouders, die zich minder druk maken over de innerlike cultuur der kleinen en deze maar gauw met wat schijn maskeren. Overigens is ze een kwelling voor 't jonge goed.
Hebt u wel eens gezien, op wat leuke manier kinderen met elkaar kennismaken? Ze geven geen handjes, kijken malkaar even aan, en dan begeeft de nieuweling zich aanstonds in het spel. Op z'n hoogst vraagt hij: "Hoe heet je?" (Nooit: Hoe heet _u_.) Maar dat is alles. Ze leren malkaar kennen in het gemeenschappelik spel, en trekken dan malkaar aan of stoten malkaar af.
Verbazend aardig is het ook, te zien hoe kleintjes geheel uit zichzelf naar volwassenen gaan, als ze die nodig hebben. "Meneer, wil u me even op die schommel zetten?" Nooit heeft het kleine ding Meneer "een handje" gegeven, maar ze weet hem best te vinden. "Meneer, weet u ook hoe laat of 't is?" Deze vraag wordt door kinderen dikwijls tot wandelaars gericht. Dan verzamelt zo'n klein meisje al haar vrijmoedigheid en loopt regelrecht op de wandelaar af.
De houtkoper-pedagoog, die man van de glasscherven, bemoeide zich haast nooit uit zichzelf met de kinderen, maar 't was eigenaardig hoe de kinderen zich vaak tot hem richtten. Eens heb ik met grote oplettendheid gadegeslagen, hoe een heel verlegen meisje van drie jaar hem opzocht. Het kind kleurde als je maar uit de verte naar haar wees. Ze meed de kringen der volwassenen. Maar op een dag ging ze vlak voor 't open venster van zijn zitkamer staan en keek naar binnen. Dat was nu precies een vogeltje. Het kopje draaide links en rechts, de heldere oogjes tuurden. Toen legde ze steentjes op zijn kozijn. Telkens raapte ze steentjes op en die legde ze daar neer. Het kindje had blijkbaar opgemerkt, dat de man zich voor steentjes interesseerde--hij beoefende wat geologie--en bezorgde hem nu materiaal.
Is dit nu niet wonderlik? Buiten de dwang der conventie-beleefdheid openbaarde dit schuwe kindje een zo fijne en lieftallige belangstelling voor de liefhebberij van die oude man, dat ze een verborgen opmerker wel moest ontroeren als iets bizonder moois. En zulke schoonheid wordt vernield, neen reeds vóór haar ontspruiten bevroren door de ijskoude strengheid ener vormelike dressuur.
* * * * *
En dient uw jongen dan zijn schuwheid niet af te leren?
Ik wil aannemen, dat dit uw enig doel was en zich in de klappen niet hoofdzakelik gekrenkte vadertrots lucht gaf. Het komt voor, dat de houding van onze kinderen en leerlingen ons niet pijn doet om hunnentwil, maar omdat ze onze ijdelheid kwetst. Doch ik wil u vrij achten van deze algemene zonde en dan blijft alleen de vraag: Was dit het middel, om uw doel te bereiken? Dit nu betwijfel ik niet slechts, maar ik betwist het.
Ge weet wel uit uw eigen levenservaring, dat die verlegenheid niet uit onwil voortkomt, maar uit onmacht. Ze is een uitvloeisel van de bepaalde constructie uwer natuur. Het is een soort van gemoedsstremming, die absoluut niet gelijk staat met bangheid, vrees of lafheid. Verlegen naturen kunnen in 't gevaar onverschrokken moed tonen, behoeven niet bang te zijn in duister of eenzaamheid, niet gevoelig voor pijn. Ze zijn alleen niet aangelegd op het gezellig verkeer, voelen weinig behoefte aan mensen, bevinden zich het rustigst en gelukkigst in de afgeslotenheid. Dit is geen zedelike fout, waaromtrent we ons ernstig bezorgd dienen te maken. Ook is het geen gevaar. Wellicht is de vrijmoedigheid, die zich lichter in onbekende omstandigheden waagt, ja wat gevaarliker. Alleen--is het soms wat lastig, zoals iedere stroefheid wat lastig is. De verlegenheid kan iemand in de omgang belemmeren en daardoor zijn maatschappelike vooruitgang wel eens tegenhouden, ofschoon echte verdiensten ondanks dat waas van verlegenheid toch gauw genoeg opgemerkt en waardeerd worden. De verlegenheid is dus een betrekkelik onschuldige en ongevaarlike eigenschap, zich openbarend in stijfheid en stramheid in de omgang.
Waar nu gemis aan gemoedslenigheid in 't spel is, moet alles aangewend worden om het gemoedsleven en de daarmee samenhangende spraakzaamheid zo vrij en ongedwongen mogelik te maken. Belemmeringen moeten worden weggenomen. En nu geschiedt bij straf en dwang juist het tegendeel. Daardoor wordt het gemoed in een bepaalde toestand geperst, waarin het wel bepaalde gewenste uitingen kan voortbrengen, maar die aan zijn aard niets ten gunste veranderen. Die uitingen zijn dan slechts surrogaat van wat men begeert, gelijk het sissen van een kat, die men tot spinnen wil noodzaken door het dier in de staart te knijpen. Dat is een spinnen waar een mens bang van wordt.
Wie de gemoedsuitingen wil veranderen, moet de medewerking van dat gemoed inroepen. Daartoe is nodig heel veel vrijheid, zodat het gemoed zichzelf kan zijn. En daarbij een sfeer van sympathie, van waardering, waarin aangeboren fijngevoeligheid niet schroomt, en zelfs uitgelokt wordt zich bloot te geven. Die waardering moet niet bestaan in het vleiend spreken van prijzende en aanmoedigende woordjes. Die zijn uit den boze. Die bepalen de aandacht veel te veel bij de persoon zelf en het is juist zaak de aandacht geheel en al van de persoon af te trekken. Aan het onderwerp, aan het zakelik element moet alle aandacht gewijd zijn. Verlegen naturen moeten zichzelf totaal vergeten en verliezen, om zich juist dan geheel te geven.
Daarom is het verderfelik zulke naturen door merendeels onbescheiden en onbeduidende vragen bij zichzelf te bepalen. Ik weet natuurlik niet, wat aan uw ventje gevraagd is en onder welke omstandigheden, maar ik vrees dat het veel te na hemzelf betrof. Wanneer hem gevraagd was: "Och, geef me eens even je mesje," dan had hij--ondersteld dat hij er een rijk was--dit zeker aanstonds uit de zak gehaald en gegeven. En wanneer de vrager het dan niet had kunnen openen, zou hij, ondanks zijn verlegenheid, stellig gezegd hebben: "Zo moet u doen" en het de man even uit de handen hebben genomen.
Leid de aandacht van het kind af.
En gij bepaalt juist de aandacht bij het kind.
Win zijn belangstelling voor onpersoonlike realiteiten.
En gij exploiteert de niet eens bestaande belangstelling.
Kinderen zijn heus dikwels net vogeltjes.
Loop je ze na, dan vliegen ze weg.
En blijf je rustig zitten, dan komen ze vlak bij je. Op 't laatst pikken ze de kruimels van je ontbijttafel. Die schuwe vogeltjes.
IV.
"Vader, mag ik vanmiddag fietsen?"
"Wel meid, dat hoef je mij niet te vragen."
"Nou, zeg u nou maar, mag ik?"
"Dat moet je immers zelf weten. Heb je je werk af?"
"Neen, nog niet."
"Dan zul je zelf wel weten, of je tijd hebt om te fietsen."
"Nou maar, zeg _u_ nu, mag ik fietsen? Ja of neen?"
"Dat laat ik aan jou over."
"Dan zal ik in vredesnaam maar gaan werken," en de dertienjarige hogere-burgerin droop af, naar haar eigen kamertje.
"Wat ben je toch een steen," zei Moeder. "Je zag toch, hoe graag 't kind wou, en je antwoordde haar net of je er niets om gaf."
"Wat had jij dan gewild?"
"Dat je 't haar had toegestaan, óf verboden. Een van tweeën. Maar nu liet je 't kind helemaal in d'r eigen twijfel."
"'t Kind? Je moest liever zeggen: de onnozele stakkerd. Merkte je niet, wat ze wou?"
"Wat dan?"
"Ze wist heel goed, dat ze nog werk te maken had. En ze wou toch graag fietsen. Nu wou ze van mij absoluut een beslissing hebben. Had ik "ja" gezegd, dan was ze gegaan en had mij de verantwoordelikheid van de gevolgen laten dragen. Was dan morgen haar werk niet klaar geweest, dan had ik nog mogen horen: Ja, u hebt gezegd, dat ik gaan mocht. En had ik "neen" gezegd, dan was ze boos afgetrokken met de klacht, dat zij "ook nooit wat mocht" en dan had ik al weer de verantwoordelikheid te dragen van haar knorrige stemming en de noodlottige gevolgen daarvan in verzwakking der leerkracht. Neen vrouw, die steen wist heel goed wat hij deed."
"Maar waarom heb je haar dan niet even een goede raad gegeven? Als je nu gezegd had: Werk nu eerst een uurtje, dan ben je klaar, en dan kun je zoveel te heerliker genieten. Maar je zat daar als een stuk ijs. Niets aardig."
"En denk je, dat ze die goede raad van me nodig had? Dat ze niet uit zichzelf zo slim was? Ik heb haar de beste raad gegeven, die er was: Doe wat je wilt, maar draag zelf de verantwoordelikheid. Iedere preek van mij had de kracht van die raad verzwakt. Maar weet je hoe kinderen zijn? Ze willen wel zondigen--maar niet de verantwoordelikheid dragen. Die laten ze liever aan vader en moeder."
"Hoe weet je dat?"
"Omdat ik zelf ook zo ben. 't Is de menselike natuur. En al van Adam en Eva af. Adam schoof het op Eva, en Eva op de slang. De slang maakte er zich niet druk over. Meneer de Duivel wil de verantwoordelikheid wel op zijn smalle schoudertjes dragen. Hij laat ze er toch weer afglijden. Hij _kent_ geen verantwoordelikheid. Want--en dit is zijn pure, onredbare duivelnatuur--hij heeft geen _geweten_."
"En?"
"En? Wel, _al_ onze opvoeding is gegrond op de zekerheid, dat het kind een _geweten_ heeft. Bezaten we die gewisheid niet, dan konden we wel uitscheiden. Zwakken kun je sterken, dommen kun je verstandigen, maar gewetenlozen zijn onverbeterbaar. En toch doen zoveel opvoeders dageliks hun best om 't geweten der kinderen te verslappen."
"Maar...."
"Ja zeker. Door hun eeuwigdurend gebieden en verbieden, dreigen en straffen slaan ze het geweten murw als met zweepslagen. En door hun opdringen van goede raad en wijze vermaning begraven ze het als onder zand. Het is een kracht, en die moet werken. Werkende groeien de krachten. En het geweten werkt alleen, als er verantwoordelikheid gedragen wordt.--Zag je wel, met wat een beslistheid de dertienjarige Eva aftrok? Dat was de onderwerping aan de tiran _in_ haar. Geloof maar gerust: de tiran zit niet hier op een stoel met jou te praten. Maar Eva heeft hem _in_ zich. En wees daar maar heel dankbaar voor."
* * * * *
Een uur later.
Daar is de hogere-burgerin weer:
"Ziezo, nu ga 'k een uurtje fietsen."
"Ga-je? Ga-je? En vraag je dat maar niet eens?"
"Maar Moeder! Vader heeft toch gezegd, dat ik het zelf weten moest?"
"Zeker, maar daarom kon je het toch wel vragen?"
"Ik heb mijn werk af, Moeder!"
"Zeg eens Eva," vraagt Vader, "waarom vroeg je het een uur geleden wel, en nu niet?"
"Ja--waaróm--"
"Nu?"
"Dat zou ik zo ineens niet kunnen zeggen."
"Probeer het toch maar eens."
"Nu--ik geloof--omdat--ik toen--mijn werk nog maken moest."
"En dat bezwaarde je."
"Ja."
"En toen vond je geen vrijheid om te gaan."
"Ja."
"En je wou toch graag."
"Ja."
"En toen dacht je: ik zal 't aan vader vragen, dan moet die 't maar weten."
"Ja, 'k geloof het wel."
"En heb je nu ook behoefte, om 't aan mij te vragen?"
"Och, ik _wil_ 't u wel vragen, maar ik heb er geen _behoefte_ aan."
"Dat komt, omdat je geweten nu vrij is."
"Ik geloof het ook." En dan glimlachend: "Zo'n geweten is een lastig ding."
"Als het niet lastig was, zou het zijn last niet kunnen volbrengen. Maar ga jij nu fietsen, en vraag het nooit meer aan je vader, want die is barbaar genoeg, om op het juiste ogenblik--te zwijgen."
Eva geeft Vader een zoen. Moeder ook. En weg is ze.
V.
Jean Jacques Rousseau schreef eens: "Si les sacrifices que l'on fait au devoir et à la vertu coûtent à faire, on en est bien payé par les doux souvenirs qu'ils laissent au fond du coeur."
De man die dit zo mooi schreef, was prachtig in de gelegenheid offers aan de plicht en de deugd te brengen. "Een verbinding met een zeer goedhartig, maar op het onnoozele af dom meisje, Thérèse Lavasseur, die zich door haar familie liet uitbuiten, wordt later ontgoocheling en drukkende last, die argwaan voedt en geestelijke gemeenschap buitensluit. Hij legt de uit deze verbintenis gesproten kinderen te vondeling."[2]
[2] R. Casimir. Bekn. Gesch. der Wijsbegeerte, 1e deel, blz. 327.
Het hele leven van Rousseau was wel een beetje een leven van zich-laten-gaan. Dit was jammer, want wat zou zulk een wereldberoemd pedagoog aan de bodem van zijn hart anders een "doux souvenirs" hebben kunnen bezorgen. Hij had door die verbinding met dat zeer goedhartige doch domme Treesje zich zo'n kostelike kans verschaft tot het brengen van offers "au devoir et à la vertu". Men kan toch bezwaarlijk ontkennen, dat het tot zijn plicht behoorde, aan die vrouw te arbeiden, juist omdat ze dom was, haar te beschermen tegen de uitbuitende familie. En enige deugd mag er toch ook wel in gestoken hebben, de kinderen uit deze verbintenis een opvoeder te schenken als b.v. later Emile werd toebedacht, zo eentje als er bezig was te ontstaan in het brein van hun vader.
En zie, wat doet deze man? Hij laat zijn mooie kansen eenvoudig glippen. Hij schrijft een boek, en nog een boek, en weer een boek, en betovert de wereld en doet zelfs de ordelike Emanuel Kant zijn dagelikse wandeling vergeten tot verbazing van diens buren, en schenkt de naam van Thérèse Lavasseur een plaats in de historie, als waarnaar menig trouwe huismoeder te vergeefs mag uitkijken.
Les sacrifices waren hem te machtig.
Laten we eens een ogenblik denken, dat deze artiest geen schrijverstalent had bezeten, maar zijn brood had verdiend met boeren. Dat hij niettemin dezelfde opvoedingsinzichten had ontwikkeld als hem tans beroemd hebben gemaakt. Maar dat hij die had toegepast bij zijn eigen kinderen.
Laten we daarbij onderstellen, dat hij niet zijn "contract social" had geschreven, maar de idee daarvan in zijn eigen gezinnetje had uitgeleefd, zodat daar de souvereiniteit berustte bij Thérèse en hem en niet bij Thérèse's uitbuitende familie.
Dan ware Jean Jacques nooit de wereldberoemde pedagoog geworden. Dan had hij maar zo simpel weg daarheen geleefd, nauweliks opgemerkt door zijn omgeving, gelijk er honderden, rustig-braaf, eenvoudig verstandig, hun dagtaak en hun ouderplicht vervullen. Dan ware hij door overmaat aan deugd onberoemd gebleven.
Nu is hij "Co de Reformateur" geworden, de grote man uit Starings puntdicht, die zijn geld en goed in brassende overdaad had verteerd, zodat het braadspit in zijn keuken door gemis aan werkzaamheid aan 't roesten trok--en die tans voor de welvaart van het hele volk zal zorgen. Staring zegt het zo aardig met zijn ondeugende humor en in zijn fijn gevoel voor tegenstelling werktuig tegenover werktuig plaatsend: Co, die 't eenvoudige braadspit in zijn eigen keuken niet aan het draaien kon houden, mag vrij knoeien--aan het ingewikkelde werktuig, dat de planeten haar banen om de zon doet afleggen. En 't volk vertrouwt hem:
Co smulde tot hij hongren moest. Zijn keukenreêschap staat en roest. Dit deert hem niet in 's volks vertrouwen. Men zweert bij zijn specificum,[3] En die geen spit aan gang kan houen, Knoeit vrij aan 't _planetarium_.
[3] Een specificum, n.l. een speciaal en afdoend middel, gelijk de kwakzalvers er op na houden, ook de politieke, pedagogiese en theologiese.
* * * * *
Wonderbaarlik, dat zulke begaafde naturen de practijk, die zij zo schitterend bepleiten, niet liever eenvoudig beoefenen.
En toch niet wonderbaarlik.
Het bezwaar zit in de geeiste offers.
Wie een boek schrijft of een rede houdt over de hervormingen die hem nodig dunken, geniet van zijn stemmingen, beelden, gedachten, laat zich gaan in zijn artistieke scheppingsdrang, en na de zelfvoldoening tijdens het schrijven of spreken volgt de weelde van het succes. Hem worden geen offers gevraagd.
Maar o, die offers! Pas melden ze zich aan, of er ontstaat een hinderlike stremming in het opgewekte geestesleven. De gedachten willen niet komen en het gemoed wordt vervuld met wrevel. In plaats van een zonnige glans die vrolik de idealen verlichtte, de eigene, de schone, de met liefde gekoesterde, komt er dofheid. De vurige pleitbezorger zakt ineen, als hij de zege van zijn pleidooi in eigen levenskring mag bewerken.
Het zijn de offers, die iemands waarachtigheid toetsen, altijd weer de offers.
Eigenlik is niet alleen de opvoeding, maar het gehele leven dood-eenvoudig. We behoeven geen godgeleerde of wijsgerige stelsels door te werken, om de levenstaak te begrijpen. Die taak ligt voor ieder klaar. De enige vraag is: Wilt ge uw offers brengen?
Maar die vraag komt neer op deze eis: Verlochen uw eer, uw roem, uw voordeel, uw zinnestreling, uw gemak.
En dat is wel eenvoudig, maar tevens buitengemeen moeilik.
Dood-eenvoudig betekent niet dood-gemakkelik.
Juist dat dood-eenvoudige vordert vaak àlles van ons. En daardoor is het zo uiterst moeilik.
Maar wie zijn eigen kinderen te vondeling legt om een papieren Emile op te voeden, geeft der wereld niet het voorbeeld, hoe zij vooruitgebracht moet worden. Zoete herinneringen zullen hem nimmer 't harte strelen, waar de eerste plicht verzuimd en de eerste deugd verkracht werd. Doch het ergste is: hij voedt de mensheid op tot verwaarlozing ondanks al zijn mooie taal.
Geen vooruitgang zonder persoonlike offervaardigheid.
* * * * *
Het spreekt wel vanzelf, dat ik in bovenstaande regelen geen beoordeling van Rousseau geef, noch van zijn leven, noch van zijn denkbeelden. Ik wil alleen naar aanleiding van de schrille tegenstelling tussen de prachtige frasen en de lelike daden, de volle nadruk leggen op de tot ons alles komende eis: Praat er niet over. Doe!
En die eis is dood-eenvoudig.
STRAFFEN.
Weet ge waar veel straffen het bewijs van is?
Dat er veel verkeerdheden in uw gezin of uw klas gebeuren.
En onder wiens leiding staat dat gezin of die klasse?
Gij straft dus de verkeerde gevolgen van uw eigen verkeerde leiding.
Veelvuldig straffen veroordeelt de opvoeder. Met elke straf corrigeert hij zichzelf. Maar 't is een correctie, die zijn slachtoffer pijnigt.
DURVEN?
Naar aanleiding van mijn "Dood-eenvoudig IV" ontving ik de volgende brief.
Geachte Heer Ligthart,
U durft.
Dit zeg ik niet, omdat u den moed toondet, in den vorigen jaargang een paar anonyme briefkaarten te doen afdrukken, waarin de schrijver zich zeer krenkend uitliet over uw ambt. U is wijs genoeg, om te weten, dat zulke uitingen zich altijd keeren tegen den schrijver. Die publicatie acht ik meer een bewijs van uw menschenkennis dan van uw moed. Zulke bestrijding maakt altijd de positie van den aangevallene sterker. De schrijver met zijn tartend "U durft toch?"[4] kende u niet.
[4] De briefschrijver zinspeelt hier op eenige in School en Leven ingezonden anonyme stukjes aan het adres van den redacteur, onder 't motto: "U durft toch?"
Maar u durft in de practijk der opvoeding. Daarin durft u waarlijk verder te gaan, dan ik ooit gezien heb. Dat u aan een dertienjarige hoogere-burgeres de zelfstandige beslissing laat over haar arbeid en haar ontspanning, dat is mij inderdaad een waagstuk, dat ik u niet zou durven nadoen en ik denk hier de overgroote meerderheid der ouders aan mijn zijde te hebben.
Ik heb ook kinderen van dien leeftijd en toevallig bezoekt er ook een de H. B. S. Het is een flinke en heusch niet ongehoorzame jongen, maar ik verzeker u, als ik hem de vrijheid liet, om te gaan fietsen wanneer hij wilde, dat hij daarvan dan al spoedig een veel te ruim gebruik zou maken en er weinig van zijn werk terecht zou komen. Hij is gewoon mij alles te vragen, stoort zich gelukkig aan mijn weigering of toestemming, al bevalt de eerste hem niet immer, en bevindt zich daar wel bij. Ik houd er de hand aan, en ik mag gerust zeggen: met goede gevolgen. Op de lagere school is hij geregeld overgegaan, en op de middelbare school gaat alles ook naar wensch: zijn werk is steeds af en zijn cijfers zijn goed. Maar ik ben er gansch niet zeker van, dat zulks het geval zou wezen, wanneer ik hem, naar uw advies, maar gaan liet. Tal van voorbeelden zijn er toch, hoe jongens en meisjes op H. B. S. en Gymnasium mislukken, doordat de ouders te veel vrijheid laten. De jongelui gaan naar het sportterrein, maken fietstochten, zitten in clubs, doen precies wat ze willen--dat is natuurlijk nooit: lessen leeren--en het eind draagt den last. Er komen slechte rapporten, er volgt zittenblijven, ten slotte verwijdering of zakken.
Uw stukje opvoedings-practijk komt mij uiterst gevaarlijk voor. Het is een loopen over het slappe koord. Slechts een enkele brengt het kunststuk er heelhuids af, honderden tuimelen naar beneden. Er zullen ouders zijn, verleid door het "dood-eenvoudige", die bij allerlei verzoeken hunner kinderen antwoorden: Dat moet je zelf maar weten. Dan zijn zij er van af. De methode is waarlijk dood-eenvoudig, en voor de opvoeders zeer gemakkelik. Maar die ouders zullen bedrogen uitkomen. De kinderen die het zelf moeten weten, _zijn te jong, om het zelf te weten_. Ze hebben de kracht niet, om zich tegen de verzoeking staande te houden. Ze beseffen de noodzakelijkheid niet van hun geregeld en nauwgezet arbeiden. Ze hebben nog niet een voldoend ontwikkeld plichtsgevoel. En ze doen, wat ze laten--ze laten, wat ze doen moesten.