Part 8
Wanneer mijn onderstelling juist is, dat Fröbel in zijn beschouwingen, als natuurlike reactie, de grote betekenis van het woord wat veel veronachtzaamd heeft, kan daaraan veler miskenning van zijn streven voor een deel te wijten zijn. Voor een ander deel moet deze echter gezocht worden in zijn verplichting, als practies paedagoog, om zijn denkbeelden te belichamen in een systeem van oefeningen. Hij mocht dan al schrijven: "Ik wacht het heil niet van _eene Methode_, maar van _eene idee_," hij mocht onder allerlei anen en anerij de dodelikste afkeer hebben van de Fröbel_ianen_, hij mocht waarschuwen tegen navolging, de mensheid is nu eenmaal zo, dat ze ook van navolging leeft, dat niet ieder scheppings- en organisatiegaven bezit, om een systeem te ontwikkelen, en dat het inenten met een idee de grote meerderheid nog niet rijp maakt om daarnaar te handelen. Ja, ja, men geeft u graag de juistheid en de schoonheid van een idee toe, maar met een idee bakt men geen brood. Hoe moet ik aan koren komen, hoe dit malen, hoe het meel kneden, hoe het bakken? Wie tot uitvoeren van de idee geroepen is, staat met de handen in 't haar, vraagt naar oefeningen, naar leiding, naar een systeem, zodat hij aanstonds beginnen en geregeld voortgaan kan. De wijsgeer in zijn studiecel, de schrijver achter zijn bureau, zij kunnen volstaan met de verkondiging en bewijsvoering der ideeën, maar de man der practijk moet de handen aan 't werk slaan. En dan is de eerste vraag: Wat moet ik dóén? Met philosofeeren bereiken we Rome niet. Daartoe moeten we op weg. Zou Fröbel succes hebben met zijn idee, dan móést hij dit wel in een systeem verwerkeliken, en daarmee--het in een systeem ketenen.
Het spreekt zo vanzelf, dat al onze pogingen tot systematisering van een "natuurlike" opvoeding, op iets kunstmatigs uitlopen. Het "natuurlike" is een zo uiterst gecompliceerde en in zijn diepste wezen voor ons ontoegankelike werking, dat wij haar niet nabootsen kunnen. Een lichamelik, verstandelik, zedelik uit- en opgroeiend kind blijft voor ons een wonder. We blijven onszélven een wonder. We constateren eigenschappen, werkingen, ontwikkelingen, veranderingen in ons, maar het wezen van dat alles blijft mysterie. Ondanks de invloed van door ons aangewende middelen, naar onze mening heilzame middelen, openbaren zich averechtse gevolgen; tegen alle verwachting in groeien, te midden van boze invloeden, heerlike zielen uit. We kunnen in een "natuurlik" systeem de gang der natuur slechts benaderen, maar lopen daarbij aanhoudend gevaar van haar af te dwalen. En het is begrijpelik, dat de hoogste wijsheid soms gevonden wordt in de onthouding, in het niets opzetteliks doen, in het onbelemmerd laten uitgroeien, in volledige vrijheid. Maar wie dan naar die wijsheid gaat leven, grijpt, zeer inkonzekwent, toch telkens in. En dit is óók natuurlik.
Hoe vollediger en volmaakter een systeem van oefeningen is, hoe onvolkomener het wordt. Dit klinkt wonderspreukig. Met de volmaking kan toch niet van de volmaking worden afgeweken? En toch, het is zo. 't Gaat er mee als met de denkgebouwen, de wijsgerige stelsels der philosofen. Ze zitten zo prachtig in elkaar, dat ze geen vezeltje ongewisheid meer hebben. Alle draden en cellen van het weefsel der schepping vinden er hun verstandelike bewustwording en belijning in. Ja--zou De Genestet zeggen--"'t lijkt wel of ge 't weet, net als onz' lieve Heer". "Maar"--voegt de in geen mazen gevangen dichter er bij--"maar dit doet juist mijn twijfel rijzen." Hoe vollediger iemand 't weet, hoe meer hij ons in zijn weten binden wil en ons aldus dwingen, de wondervolle schepping Gods te verruilen voor zijn denkprodukt. En hoe volmaakter iemands systeem is, hoe meer hij ons daarnaar kneden wil, wanend dat hij, hij, de groei van dit organisme met zijn middelen in de hand heeft. De grootste denkers en organisators zijn, aldus de grootste tyrannen. En dit is hun gevaar. Ze laten ons te weinig vrij. Ze stichten stelsels en wereldrijken.--Maar--die weer uiteenvallen. Niet voor de eeuwigheid. Alle bouwwerken van de mens bestaan slechts voor een tijdje. Voor de eeuwigheid werkt alleen God. En geen groter gevaar voor onze waarlike groei, dan wanneer we het eeuwigheidswerk belemmeren door een onvolmaakte "volmaaktheid" van de tijd te willen handhaven.
Fröbel heeft dit niet gewild, het blijkt duidelik genoeg uit zijn verzekering, dat hij het heil niet van een _Methode_ maar van een _Idee_ wachtte. Maar niettemin--hij kon zichzelf en zijn arbeid dit lot niet besparen. Hij móést een systeem bouwen. En dus moest hij de voorwaarden scheppen voor beide, het leven en het sterven van zijn willen.
* * * * *
Ik moet dit artikel eindigen, en mij daartoe dwingen, want de verleiding is groot uit de zeer rijke stof, welke het aangekondigde werk ons biedt, telkens nieuwe grepen te doen. We willen de uitspraken van dit boek telkens beamen en tegenspreken, we willen de verkondigde waarheden verbreiden, de eenzijdigheden en dwalingen aanvullen en bestrijden. Het zet ons aan den arbeid. Dat bewijst--de macht van het woord in dit pleidooi voor de daad. Dat bewijst ook--de vrijheidsliefde van onze geest, die zich niet laat nascheppen door ons vernuft, zelfs niet door het vernuft van een Fröbel. Maar het bewijst bovendien--de bizondere betekenis van deze man. Bij het insluimeren van de menselike krachten is hij een opwekker geweest. Bij het misvormen der waarheden een hervormer. Dat ook hij niet de weg heeft aangelegd, waarlangs wij voortaan te gaan hebben, mag hem niet als verwijt worden aangerekend. Veeleer moeten we ons er door laten waarschuwen, dat ook wij dwalen kunnen, dat wij dwalen zullen, dat wij zelfs op 't ogenblik dwalen, wanneer we zo precies de weg wanen te weten. Es irrt der Mensch so lang' er lebt. Dit leert ons bescheidenheid. Voor moedeloosheid vrezen we daarbij niet. Want in ons leeft het geloof. En zo gaan we verder,
Als Columbus 't hoofd omhoog gericht, Op 't gebruis der wentelende baren, In 't geloof, dat ginds een wereld ligt.
Juli 1910.
IX. DOOD-EENVOUDIG.
I.
Opvoeden is toch zo uiterst eenvoudig.
* * * * *
We waren eens in een zomerpension, waar nog al veel "opvoedkundigen" hun vacantie doorbrachten, een predikant, twee leraren, een paar onderwijzers en onderwijzeressen. Aan tafel werd er dientengevolge vaak gedebatteerd over opvoedkundige kwesties.
Nu was er bij het huis pas een nieuw paviljoen gebouwd. De werklieden hadden, gelijk dat voorkomt, heel wat rommel laten liggen en zo was het zand in de onmiddellijke omgeving vol met stukjes glas.
Menig logé had zich daar al aan geërgerd. Je kon niet op de grond gaan zitten, of liep gevaar op een minder aangename manier met scherpe glaskantjes in aanraking te komen. Vooral voor de vele kinderen der logeergasten was dat hinderlik. Wanneer die kleintjes in 't zand speelden, kregen ze vaak een schram.
"Werklui voelen toch absoluut geen verantwoordelikheid," zei een mevrouw. "Als zij hun rommel maar kwijt zijn, vragen ze er niet naar of een ander er last van heeft."
"Alleen werklieden?" vroeg iemand.
De dame hoorde 't niet en ging voort: "Nu wisten die mensen toch, dat hier kinderen moesten spelen. Zou er nu niet één gedacht hebben: laten we die glasscherven opruimen, anders krijgen die kinderen nog een ongeluk?"
"Kun je denken! Als zij hun geld maar hebben, kon de rest hun niets schelen. Zo zijn ze."
"Alleen _zij_?" vroeg weer dezelfde stem.
Er ontspon zich een gesprek over het aankweken van het verantwoordelikheidsgevoel. Dat ging tenslotte heel diep. De Bijbel kwam er bij en ook de kwestie van de vrije wil. Intussen bleef het zand vol glasscherven en glasschilfers. Die stoorden zich niet aan deze discussie.
De eigenaar van het pension had natuurlik ook al menige klacht gehoord, maar hij noch zijn vrouw kon in deze drukke dagen tijd vinden, om dat zand te zuiveren.
Nu was er een oude heer, die zijn paedagogiese studiën gemaakt had op een grote houtwerf tussen houtloodsen met stapels vuren en grenen delen: de man was houtkoper. Hij kon niet aan de discussie deelnemen--deed het altans niet. Hij zat maar rustig te eten. Ongehuwd en kinderloos, interesseerde hem het probleem waarschijnlik niet.
Maar na tafel liep hij in zijn eentje naar die zandplek: hij wilde blijkbaar ook wel eens zien, wat er aan de hand was. Toen ging hij naar de keuken, vroeg daar een bak, keerde er mee terug naar het zand, zette de bak in 't zand, zichzelf erbij, en ging aan 't oprapen: glasscherven.
Het eerst werd hij opgemerkt door de kinderen. Die keken zijn spelletje aan en volgden het na. Ook zij raapten glasscherven op en wierpen het in de bak. Ze vonden het leuk. Zonder waarschuwing van hem waren ze uit zichzelf voorzichtig genoeg, zich niet te snijden.
Toen kwamen de volwassenen, de heren en dames. Die zagen het ook aan, maar bleven daarbij. Tenminste aanvankelik. "Snij je niet, Marietje!" riep een moeder. De oude heer lachte in zichzelf en dacht: "Nu snijdt Marietje zich natuurlik, want Moeder heeft haar rust weggenomen." En 't kwam ook net zo uit.
Marietje sneed zich.
"Dat had ik wel gedacht," zei de moeder, "'t is ook geen werk voor kinderen. Kom maar hier, kind!" En Moeder trok met Marietje's bloedende vinger af naar huis en de wastafel. Die moeder hield er _haar_ paedagogiek op na.
Een twede moeder deed anders. Die raapte een stukje glas op, dat dicht bij haar lag en bracht het in de bak. En nu ze dat eenmaal gedáán had, schitterden haar ook de andere scherven in de ogen. Ze bukte zich, telkens en telkens weer, eindelik ging ze er maar bij zitten en verzamelde een handvol, om die dan in de grote bak te werpen. Wat rinkelde dat!
Zij werd "gelijk de kinderkens". Ze dacht niet aan haar positie, niet aan haar stand, zelfs niet aan haar japon.
Ze dacht ook niet aan het zedelike van dit werk, ook niet aan persoonlike of algemene verantwoordelikheid, zelfs niet aan de Bijbel en de vrije wil.
Ze dacht aan niets.
Alleen vond ze het leuk, die blikkerende plekjes uit het zand op te rapen, te verzamelen, en in de bak te werpen. Ze was een kind. Ze genoot als een kind--van het dóén. En dan ook van het zien, hoe telkens weer een plekje gezuiverd was.
Nu volgden geleidelik ook de heren en andere dames. Sommigen met een excuus jegens zichzelf, dat ze "toch buiten waren", waarmee ze zeggen wilden, dat ze hier niet zo héél angstvallig hun waardigheid hadden op te houden. Maar ze volgden toch--onderwijzers, leraren, dominé, en de vrouwen. En binnen korte tijd lag daar een compleet regiment straatreinigers, jong en oud, jassen en japonnen. 't Was een prachtig gezicht, al die kleurige figuren in 't zand, en alle in diverse zoekhouding, en alle, met gespannen aandacht, verloren in een gewichtig werk: het zoeken en oprapen van glasscherfjes.
Die namiddag werd het hele terrein gezuiverd.
Twee volle bakken gevaar waren verwijderd.
En allen hadden plezier gehad.
De kinderen vonden 't zelfs jammer, dat 't uit was.
Zó eenvoudig is paedagogiek.
* * * * *
Die oude, ongehuwde, kinderloze houtkoper gaf daar college.
II.
Het huis was omringd door een tuin. Buurmans huis ook. Tussen beide tuinen liep een aardig, smal paadje, met beukenheggen wederzijds. Dat was dus net een groen gangetje. En als je er van voren in ging, kwam je achteraan weer in de tuin. Het was eigenlik een laantje, dat buiten de voortuin om naar de achtertuin leidde. Een echt laantje voor kinderen, om er door te hollen.
Kleine Bertha was hier gelogeerd, een meisje van vijf jaar, een lief, teer, ietwat schuw kindje.
Ze stond voor 't laantje, keek er eens in. 't Zag er toch zo leuk uit. Toen deed ze een paar stapjes naar voren, als een muisje naar een val, en waagde zich, heel in haar eentje, tussen de groene wanden. 't Ging goed. Nu op een drafje. En ze draafde, klein meisje, moedig door 't laantje, als je dat lichte zweven _draven_ mag noemen, toen opeens over de heg van buurman een mannenhoofd verscheen, boven op een stuk lijf.
Bertha bestierf het haast van schrik. Ze schokte stil en holde onmiddellijk daarop terug.
Doodsbleek en met angstige oogjes kwam ze bij Oom en Tante, die in de voortuin tee dronken.
"Wat scheelt er aan, kindje? Gunst, wat ziet dat kind wit!"
't Kwam er bevende uit. In dat laantje was plotseling een mannenhoofd verschenen met grote ogen en een zwarte baard.
Oom begon luid te lachen. "Kom, kom, dat is buurman geweest. Ben je daar bang voor! Maar meid, je hoeft voor buurman niet bang te wezen. Die zal je niet opeten. Ga jij maar eens met Oom mee." En toen tegen zijn vrouw, heel wijs, zeker en vriendelik: "'k Zal 't haar meteen afleren. Ze zal wel aanstonds zien, dat die angst ongemotiveerd is... Geef jij Oom maar een handje."
't Klonk waarlik aanmoedigend en zacht genoeg, maar Bertha liet Oom staan en gaf hem geen handje.
"Kom meid, je hoeft heus niet bang te wezen. Buurman houdt heel veel van kindertjes. Misschien is hij ook al lang weg. En Oom is toch bij je?"
Allemaal waar, maar Bertha was niet te bewegen. Ze kroop dicht bij Tante en drong zich tegen haar aan.
Nu voelde Oom zich een beetje boos worden. Hij gaf Bertha drie heel gegronde motieven op, er was wezenlik geen enkele reden voor bangheid, geen enkele, bovendien was het klaarlichte dag. Er kwam wat kortheid in zijn stem, toen hij zei: "Hoor eens, Bertha, dat is nu eigenlik maar onzin. Er _is_ daar niemand. Ga jij nu met Oom mee."
Maar, al probeerde Oom zijn opkomende wrevel heel braaf en liefjes binnen te houden, Bertha voelde die toch in iets ongeduldigs en dringends van de stem, en het enige gevolg was, dat het kind nóg dichter bij Tante aandrong en begon te schreien.
Oom werd nu openlik boos. 't Was dan ook ergerlik, dat niet alleen zijn redenering, maar zelfs zijn hele beschermende persoonlikheid werd teruggewezen door de kuren van een vijfjarig kind.
"Wil Tante eens met je meegaan?" vroeg een zachte stem.
Nu begonnen de traantjes ineens rijkelik te vloeien. Die tederheid brak de huilbui door. En het kleine lijfje schokte van 't snikken.
"Is dat nu niet rechtaf onzinnig?" vroeg Oom aan zijn vrouw.
"Och, laat haar maar."
"Nu, jij moet het weten, maar ik vind het verkeerd. 't Is het kind toegeven en zo stijf je haar in die ongegronde angst. Ik zou 't haar maar liever ineens afleren, dan was ze er doorheen."
Tante zei niets meer. Ze wist, dat haar man het voortreffelik meende, maar ze wist ook, dat een affect niet door redenering wordt overwonnen, en altans niet als het nog in zijn volle kracht is. Hoe ze dat wist? Bij zuiver moeder-instinkt. En ze liet het kindje stilletjes kalmeren.
Oom ging zitten, nam zijn boek weer op, en hervatte zijn lektuur: een studie over...
* * * * *
Een poosje later, toen 't kindje gekalmeerd was, zei Tante zo, als zonder erg: "Tante schrok ook altijd zo gauw, toen ze nog een klein meisje was."
Bertha hoorde het, al reageerde ze nog niet door een vraag.
"En eens," ging Tante voort, "schrok ik toch zó erg..."
Even zwijgen.
"Ik liep in de keuken en daar hoorde ik ineens gerommel in de schoorsteen. Bomderdebom, en er viel een groot ding uit."
"Wat was dat?" vroeg Bertha met grote oogjes.
"Ik liep hard weg, de gang door, de trap op, de kamer in, net met mijn neus tegen de tafel."
Bertha begon te lachen. Tante zei het ook zo komiek.
"Ja, jij lacht, maar 't was heus erg, mijn neus begon te bloeden, zó..." en Tante wees met de vingers, hoe de bloedstraaltjes gelopen hadden en de droppeltjes waren gevallen.
""Kind, wat is er!" zei mijn moeder. "Gauw naar de keuken, om je af te wassen." En Moeder nam me op den arm, de trap af, de keuken in en wies me bij de kraan lekker schoon."
"En wat was er nu?" vroeg Bertha.
"Wat meen je?"
"In de schoorsteen."
"O, dat was ik al helemaal vergeten. Maar het was een steen. Die was boven in de schoorsteen, op het dak, losgeraakt, en naar beneden getuimeld."
"En lag die toen in de keuken?"
"Ja, die lag heel rustig op de grond. Maar mijn neus begon op te zwellen, en die werd wel zó dik."
Weer lachte Bertha, maar Tante wees ook véél te groot.
"Jij hebt maar niets geen medelijden met je arme Tante en met haar dikke neus.--Maar eens schrok ik weer erg. En weet je, wat ik toen deed? Toen liep ik niet weg. Maar toen ging ik kijken."
"Hoe was dat dan?"
Nu vertelde Tante een geschiedenisje, dat wonderveel leek op wat er straks met Bertha gebeurd was. Bertha zag in dat verhaaltje een ander klein meisje in een laantje lopen, hoorde de vriendelike stem van een andere buurman, en zag plotseling het gezicht van die buurman over de heg kijken. Zij zag de man lachen, maar ze zag ook, hoe het kleine meisje verschrikte en hard wegliep. En dat kleine meisje was haar tante, dezelfde tante die nu bij haar zat.
Maar Tante was nu toch een dapper meisje. Want toen Moeder haar gezegd had, dat ze niet bang hoefde te wezen, dat het buurman maar was, en dat buurman haar geen kwaad wou doen, alleen maar vriendelik gedag zeggen, toen ging het kleine tantetje terug naar het laantje, en zonder Moeder--hoort kleine Bertha 't wel? _zonder_ Moeder, helemaal in haar ééntje--en ze stapte het laantje in, en toen buurman over de heg keek, zei ze: dág buurman!
Bertha luisterde aandachtig, ook naar 't slot van 't verhaal: "En toen liep ik het hele laantje door, en aan de andere kant weer de tuin in en zo terug naar Moeder, en toen ik bij Moeder kwam zei ik: Dág Moe! Daar ben ik weer."
Maar behalve Bertha had er nog iemand geluisterd, iemand die schijnbaar in een wetenschappelijke studie verdiept was over de invloed van de psychie op het physiek, en die iemand dacht: nu ben ik toch nieuwsgierig, of dat helpt. Hij bedoelde: dat vertelseltje.
En jawel, hoor! Na een poosje drentelde Bertha het laantje in. Aan de ingang bleef ze staan, net als een vogeltje, en ze draaide het kopje langzaam links en rechts. Toen keek ze naar Tante, of die op haar lette. Maar Tante was niet zo dom, de oplevende durf te verzwakken met aanmoedigende woordjes. Ze was wijs genoeg om het groeiproces, dat in haar onmiddellike nabijheid viel waar te nemen, zich ongestoord te laten voltrekken. Ze keek niet naar Bertha. Ze schonk _al_ haar aandacht aan een haakwerk, dat evenwel niet zoveel aandacht vorderde, of een heel klein beetje kon ongemerkt wel om dat vogeltje zweven.
Daar deed Bertha een stapje vooruit, nog eentje. O, heerlik zelfvertrouwen! Nu verdween ze achter de heg...
Zou ze?
Oom en Tante keken elkaar aan. Oom glimlachte. Hij liet zijn boek liggen. Hij dacht zeker: wat kunnen die vrouwen toch in haar eenvoud wijs en in haar ongeleerdheid verstandig zijn!
Of hoopte hij in stilte, dat de onderneming niet slagen zou? Dat Bertha tóch weer terug zou krabbelen?
Helaas, zo boosaardig zijn sommige mensen. Niet het welzijn van 't kind, maar de triomf van hún zienswijze begeren ze. En met leedwezen zien ze het kind winnen, als hun gewichtigheid het daarbij moet afleggen....
"Dág Tante! Daar ben ik weer!" juichte een fijn stemmetje. En Bertha vloog Tante om de knieën.
Oom sloot zijn boek, en zei: "Wat is opvoeden toch verduiveld moeilik!"
"Vind-je?"
III.
Waarde Heer Redacteur!
U schijnt tegen een krachtig optreden te zijn. Dat meen ik altans uit uw beide schetsjes te mogen afleiden. Met een zoet lijntje kreeg uw houtkoper-pedagoog het hele pension aan 't werk en met een zoet lijntje kreeg Tante haar nichtje door 't laantje.
Met alle waardering voor uw goede bedoeling vrees ik toch voor verwekeliking der individuen en van ons hele geslacht, wanneer de opvoeding in die toon wordt gezet.
Ik zal u ook eens een verhaaltje vertellen en, evenzeer als ik dat van uw schetsjes vertrouw, zuivere afspiegeling van de werkelikheid.
Weet dan allereerst, dat ik--als predikant--behoor tot het door u niet immer hooggeschatte leger der min of meer officiële pedagogen. Nader wens ik mijn betrekking niet aan te duiden.
Ook ik ben vader.
Welnu, ik heb een jongen van zes jaar. Wanneer ik met hem alleen wandel, weet hij heel aardig te babbelen, maar nauweliks ontmoeten we iemand, of het lijkt wel of zijn spraakorganen bevriezen. Op alle vragen geeft hij eenvoudig geen antwoord, tenzij een heel gebrekkig. Dan is zijn houding onbeleefd, bij 't lompe af. Of de mensen hem vriendelik aanspreken of beslist op een antwoord aandringen, hij blijft zwijgen. Alleen krijgt hij een hoge kleur en wordt onrustig.
Ik wil u eerlik zeggen, dat deze houding mij meermalen in de hoogste mate heeft geërgerd. Het kind _kan_ spreken, kan heel goed zijn woord doen, dan _zal_ hij ook spreken. Zijn zwijgen beschouw ik gewoon als malle kunsten, die hij af moet leren. En ik vind het ook niet te pas komen, dat hij mij tegenover vreemden een gek figuur laat maken door hardnekkig zijn mond te houden.
Nu heb ik hem dat onlangs kort en goed afgeleerd. Hij had me weer in tegenwoordigheid van derden laten aanpraten tot grote ergernis niet alleen van mij, maar ook van mijn vrouw. Toen heb ik hem tuis een flink pak voor zijn broek gegeven. Ik verkoos niet langer door mijn eigen kind niet gehoorzaamd te worden en achtte het ook voor hem heilzaam om over die schuwheid of wat het wezen mag te worden heen gebracht.
Begrijpelikerwijze heb ik dat niet met plezier gedaan.
Maar de beste voldoening was toch het succes bij de jongen. Sinds de kleine kastijding--natuurlik heb ik het kind niet afgeranseld--is hij veranderd. Wanneer we nu iemand op de wandeling ontmoeten, geeft hij behoorlik en fatsoenlik antwoord. 't Gaat wel niet van harte, maar hij doet het toch. Ik eis geen hele verhalen, maar wel, dat hij beleefd en zakelik antwoordt.
Ik wil u hierbij nog een confidentie doen. Ikzelf ben eigenlik verlegen, zelfs wat schuw. Daar heb ik in mijn leven veel hinder van gehad en 'k heb er nóg last van. Nu wil ik mijn jongen de onaangename moeilikheden van zijn vader besparen.
U zult me verplichten met het opnemen van deze brief en het daaraan onomwonden toevoegen van uw mening over de opvatting en handelwijze van
Uw belangstellende lezer, Dr. A.
* * * * *
U vraagt, waarde Heer, mijn onomwonden mening, welnu, ik zal ze naar uw verlangen geven.
Laat ik dan allereerst zeggen, dat ik niet tegen een krachtig optreden ben en daar ook nooit tegen geweest ben. Integendeel: alleen krachten kunnen krachten bedwingen. Dit is in de physieke, dat is ook in de zedelike wereld waar.
We moeten echter kracht niet gelijk achten aan hardheid.
Het is u toch niet onbekend, dat liefde, zachtheid, tederheid, geduld, wijsheid vaak buitengewone kracht ontwikkelen en menig stug, onwillig gemoed dwingen tot toegeven, tot buigen, dat door hardheid zich zou hebben geconcentreerd tot één compacte wil van verzet.
Men kan ijs kapot hakken met bijlen. Dan verbrijzelt men de vorm.
Het kan ook smelten onder zonneschijn. Dan verdwijnt het in zijn wezen.
Al zijn zonnestralen niet gewoon en ook niet in staat, op iets los te beuken--wie zal ontkennen, dat ze enorme kracht doen werken?
Heel de aarde leeft onder de dwang van zonnekracht.
Opvoeding zonder dwang acht ik ondenkbaar.
De vraag is slechts: welke dwang.
De dwang van physieke overmacht?
Die is alleen in staat de verzets_verschijnselen_ te bestrijden. Hij tast het verzet niet in zijn hart aan. Uiterlik wordt gehoorzaamd met innerlike onwil.
Deze dwang is mij niet compleet genoeg. Hij laat een groot, het belangrijkste deel van het te beheersen gebied buiten zijn invloed.
Dan is pas de dwang volkomen, als hij de onwil heeft overwonnen, als hij de wil heeft omgekeerd. Zo totaal, dat de gedwongene, ook in volmaakte vrijheid, niet anders kan doen, dan hetgeen de opvoeder tot zijn heil begeerde.