Verspreide Opstellen, I

Part 7

Chapter 73,678 wordsPublic domain

Vooral deze laatste opmerking, dit onderscheid tussen Pestalozzi en Fröbel, is kenschetsend voor het streven des laatsten. Niet in het zien en bezien, zelfs niet in het tasten en betasten, ruiken en beruiken moet de onderwijsmethode geleid worden, maar in het zelfstandig handelen der kinderen. En hiermee kunnen we, in hoofdzaak, vrede hebben. Gaan we na, hoe wij, volwassenen, leren, hoe wij geestelik groeien, dan is het door _leven_, door de verplichting om met allerlei menschen en dingen _om te gaan_, in allerlei verhoudingen _op te treden_. Ons innigste, eigenste, zuiverste bezit, we danken het niet aan de woorden van anderen, ook niet aan de voorbeelden, door anderen opzettelik of onwillens gegeven, maar aan onze eigen _ervaring_, aan hetgeen we _ondergaan_ hebben bij het _uitleven_ van onze persoonlikheid. En dit _uit_leven, het was geen _na_leven, het was een ontplooiing van de inwonende krachten, een ontspruiten en uitgroeien van de aanwezige levenskiem. Wat van buiten kwam, was voornamelijk prikkeling tot het opwekken dier krachten, en voedsel om de plant te doen groeien, maar dit voedsel had alleen waarde in zooverre het werd aangenomen, opgenomen, verwerkt. Niet wat aangebracht, zelfs niet wat ingebracht, maar wat gegrepen en verwerkt werd, had betekenis voor ons. Het andere was maar belemmering.

In hoofdzaak kunnen we dus met Fröbel meegaan. "Het kind moet _~werken~_ en de onderwijzer _toezien_." Of daarvan echter zulke schitterende gevolgen verwacht mogen worden in vermeerdering van ontdekkers en uitvinders, in nieuwe lichten voor de mensheid, zo, dat schier iedere mens zijn eigen straal verhelderend in de wereld zendt, dit is een andere vraag.

III.

We behoeven niet ver te zoeken, wanneer we de bron willen opsporen van Fröbel's hoofdbeginsel in de opvoeding. Daartoe hebben we slechts zijn jeugdervaringen te raadplegen. We weten het: "Overal afblijven--den boel niet omhalen," was de leus zijner stiefmoeder. "Stil zijn en nergens aankomen", haar wachtwoord. En wanneer hij op eigen gelegenheid "zijne natuur- en werktuigkundige nasporingen voortzette, op al wat hij maar machtig kon worden, proeven die ongelukkig nog altijd van ontledenden aard waren", liep hij daarmee "geduchte straffen zijner stiefmoeder en het ongenoegen van zijn vader" op. Hij had een onbedwingbare lust tot _doen_, maar werd tot _nietsdoen_ gedoemd, tot _misdoen_ gedreven. De domme paedagogiek van zijn ouders was oorzaak van een onzalige jeugd, had oorzaak kunnen zijn van een zedelike mislukking, doch werd de oorzaak van een heilzaam streven. Uit het kwade werd het goede geboren.

Biecht eens eerlik op, ouders, bij hoe velen uwer is nog, nú nog, de leus: "overal afblijven--den boel niet omhalen," en hoevelen uwer straffen hun kinderen nóg voor een noodlottig stukmaken door de naar werkzaamheid zoekende vingertjes? Beoordeelt en kastijdt ook gij uw kinderen niet vaak naar de onbedoelde gevolgen, in plaats dat gij ze schat en zelfs prijst naar hun ernstig en eerlik onderzoekend pogen?

Wat mij, èn bij Fröbel's ouders en bij honderden van hunsgelijken steeds bevreemdt, is het feit, dat al die volwassenen zo volkomen hun eigen jeugd vergeten zijn. Of ze hebben 't goed gehad, en moesten in een blijde jonkheid reden genoeg hebben, om ook hun kinderen te doen genieten van die eerste levensvreugden. Of ze hebben 't slecht gehad en moesten in een kommervolle jeugd aanleiding vinden, 't hun kinderen beter te geven. Hebben zij zich, in 't laatste geval, die ouderlike onrechtvaardigheden indertijd niet zo sterk aangetrokken, en menen ze nu achteraf wellicht, dat die strenge bejegening wel heel goed voor hun vorming was? 't Schijnt wel zo. Anders zouden er geen Fröbels nodig zijn geweest. Van geslacht tot geslacht zouden de mensen eigen kinderervaringen hebben omgezet in zuiverder opvoeding, en er zou geen Friedrich Fröbel uitblinken als begrijpende en liefhebbende kindervriend te midden van duizenden officiëele en niet-officiëele opvoeders.

Neen, niet alleen zijn kinderleed was oorzaak van zijn levensstreven. Ook zijn gevoelig, zijn liefdezoekend en liefdegevend hart. Menig kind ondergaat dezelfde jammeren, maar groeit er onverschillig en vrolik door heen. De ontgroeningspraktijken worden niet alleen in het studentenleven spoedig vergeten en straks op nieuwe slachtoffers genadeloos toegepast. Ook de opvoeders, ook de ouders houden er vaak zo'n door de gewoonte gewijde, neen, door liefde-arme onnadenkendheid gehandhaafde ontgroeningskuur op na. En evenals onder de academiese jongelingschap, het zijn de teergevoeligste harten, die het smartelikst lijden onder die ruwheid en dwingelandij, maar die straks dan ook het vurigst ijveren voor verbetering ten bate van wie na hen komen.

Fröbel's opvoedingsprincipe dankte hij aan zijn jeugdervaringen, zeker, maar toch daarnevens aan iets anders--aan de in hem werkende liefde, die zocht naar het heil der kinderen. Te Rudolfstadt sprak hij op een onderwijzersvergadering: "Ik arbeid daarvoor, dat het Christendom verwezenlijkt worde onder de menschen." Wie dús zijn levensarbeid opvat, wordt--al bereikt hij natuurlik zijn doel niet--een zegen voor de mensheid en de kinderwereld. Hij zoekt, en vindt.

* * * * *

Fröbel zocht en vond. En mij dunkt, we doen hem geen onrecht, als we van hem getuigen, dat hij de _levende_ mens en dus ook het _levende_ kind weer vond, weer terugvond. Dit klinkt wellicht zonderling. We behoeven echter onze eigen tijd, onze eigen wereld maar te zien, om te begrijpen, dat dit niet zo zonderling is.

Als we de opvoeding, of wat daarvoor doorgaat, in menige kring raadplegen, blijkt het al gauw, dat men in de kinderen en ook in de mensen geen levende wezens ziet. Ze zijn van klei, poppen van klei, met een inwendig mechaniek. Die poppen kunnen gekneed worden naar onze zin, dat mechaniek in werking gesteld naar onze lust. Poppen met een werktuig er in--een soort automaten dus.

Het is verwonderlik, hoe onnozel vele opvoeders, ook vele onderwijzers zijn in deze materie. Ze gevoelen in zichzelf, dat ze, ondanks allerlei dwingende krachten van buiten af, iemand zijn, dat er iets eigens in hen leeft. Als ze in hun handelen en spreken zich richten, zich richten moeten naar de heersende machten, handhaven ze in hun denken toch hun eigen geestelik leven. Ze koesteren een innerlik willen, en scheppen, waar het gebied der werkelikheid hun ontzegd is, in hun verbeeldingsleventje een eigen wereldje. Uiterlike slavernij kan maskeren, maar niet dooden hun innerlik leven. Dat ervaart ieder voor zichzelf. Maar niettemin, nauweliks treden deze menschen als leiders, als opvoeders, als machthebbers tegenover anderen op, nog wel in het belang dier anderen, of ze vergeten, miskennen altans eigen ervaringen en doen precies, of hun kinderen, hun minderen géén eigen leven hebben. Ze leggen het zwijgen op, dwingen tot stipte navolging van voorschriften, noodzaken tot doen (liefst ook tot denken) op bevel, en willen van de levende naturen gehoorzame werktuigen maken. Een bedriegelike kwekerij van huichelaars.

Deze algemene, maar toch domme heersersmanie, schijnt voort te vloeien uit een kortzichtige overschatting van eigen inzichten. Men merkt haar in 't klein en in 't groot. Bij rechtzinnigen en vrijzinnigen. Bij behouders en hervormers. Zij is het illiberale bij de liberalen, zij veroorzaakt de onverdraagzaamheid der vrijdenkers. Ge moog vrij-denken--op mijn manier. Wanneer ge u vrijwillig houdt aan uw Bijbel, aan uw Kerk, zijt ge door mij reeds veroordeeld tot een domper. Ge moet, zo niet mijn leer, dan toch mijn beginselen, mijn methode onderschrijven. Aldus eist de vrijdenker. Hij zou, hadde hij de oppermacht, zijn vrijdenkersideaal de wereld--opleggen. Zoals men het kan bijwonen van anarchisten, die geen regering dulden dan--de hunne! Weg met hen, die niet vrij willen wezen onder onze dwinglandij! In naam der vrijheid--naar de guillotine! Elke kop af, die niet vrij kan denken--als de onze!

Het is een wonderlike wereld. Kerkeliken en niet-kerkeliken geven in de geschiedenis elkaar niets toe in heerszieke onverdraagzaamheid. En dit bewijst voor mij de armoede aan geloof. Die geloven, haasten niet. Die vertrouwen, dwingen niet. Doch men haast naar de macht. En dan dwingt men tot volgen. Zo doet men in 't groot, en in 't klein. We kunnen geen andere levensuiting verdragen, dan de onze. Maar--zo dwingen we het leven naar de dood. Gelukkig geen volslagen dood. Een rijke plantenwereld mag verharden tot steenkool, in die kool is zonne-energie geweest, toen de plant nog leefde, en die zonnekracht is er in gebleven, door alle eeuwen van duisternis of stilstand heen. En eenmaal is gekomen of komt de mens tot dat versteende leven, roept de slapende krachten wakker en daar ontstaat een nieuwe wereld uit de schijnbare vergane oude. Een wonderwereld, stoom en elektriciteit leeft en schittert boven de verstijfde en donkere koollagen in de diepte der aarde. Nieuw leven, neen oud leven treedt verjongend op. Maar eerst moet de spade worden in de grond gestoken, het houweel botsen tegen de zwarte rots.

Fröbel zag het licht in de duisternis, het leven in de verstening, de zon in de nacht. Hij riep, gelovend in het leven, dat leven te voorschijn. En naar de wetten van dat leven zou hij nu de ontwikkeling leiden, de opvoeding inrichten.

* * * * *

Juister en mooier kan het zeker niet. Bestudeer het leven, ontdek de wetten waarnaar het zich ontwikkelt en volg die. Zo doet men ook met de onbezielde natuur--en een wondervolle cultuur van planten en dieren, een sprookjesachtige wereld van werktuigen ontstaat onder ons oog, onder onze leiding. En zo wil de socioloog ook doen met het samengestelde organisme, dat maatschappij heet. Ook deze natuurverschijning vormt zich en groeit uit naar heersende wetten, en wie dus de maatschappij in haar ontwikkeling wil bevorderen, moet de wetten leren kennen om dan al zijn maatregelen te nemen in overeenstemming met die wetten. Geen regeling van natuurleven buiten en dus tegen de daarin werkende wetten om. We moeten die wetten als 't ware in de hand werken, de natuur niet in haar eigen leven en streven belemmeren.

De beschouwing schijnt juist en mooi. Er zijn echter enige moeilikheden aan verbonden. Wie durft beweren, dat--laten we alleen bij Fröbel blijven--al de tegenstand, de onverschilligheid, de laster, waarmee hij te kampen had, _niet_ was naar heersende wetten in het leven der mensheid, dus der natuur? Wanneer honderden en duizenden van Fröbel's voorgangers en tijdgenoten de kinderen knelden in banden van conventie, hen dom hielden met een papagaaienopvoeding, hen dwongen naar leugen en list, was dit dan misschien een wijze van doen, geheel vreemd aan de menselike natuur en liggende buiten haar wetten? Maar overeenkomstig welke wetten was dit "verwaarlozen van de wetten der natuur" dan wel? Men kan toch bezwaarlik spreken van een menselike willekeur buiten echt-menselike invloeden, dus buiten natuurmachten om. Dat zou zo iets wezen van een buitenissigheid, een stuk leven buiten het leven, een stuk natuur buiten de natuur, dus een ondenkbaar ding. We spreken zo gemakkelik van een opvoeding volgens de wetten der natuur, maar dan schakelen we in onze beschouwing maar even gauw alle factoren uit, die niet passen in _de_--ik bedoel _onze_ wetten der natuur, in de door ons gewenste, door ons slechts geziene en erkende. En heel wetenschappelik redenerende over _de_ natuurwetten, zitten we midden in ons eigen willen. We maken een natuur naar onze wensen, werken volgens wetten die in onze verbeelding een onaantastbare autoriteit hebben. En--we worden teleurgesteld. Natuurlik. We hadden ons _niet_ aan de natuur gehouden.

Een mens is zo knap in het weggochelen van hetgeen niet in zijn beschouwing past. Er zijn niet alleen in Zuid-Afrika struisvogels, die hun kop verbergen om de dreigende gevaren niet te zien. We hebben aan het onwelkome slechts den rug toe te wenden, en het bestaat niet voor ons. Maar achter die rug blijft het niettemin leven en werken, ons eenzijdig streven bestrijden. En nu behoeven we bij deze blindheid voor het ons niet passende nog geenszins aan bewuste, opzettelike zelfverblinding te denken. Zelfbedrog zou geen zelfbedrog wezen, als we ons er van bewust waren. Maar de bekrompenheid van onze aanleg, de beperktheid van onze geestelike blik, de eenzijdigheid van ons willen veroorzaakt, dat we niet anders kunnen dan--falen. We hebben slechts ónze kijk op de dingen en dat is de kijk van iemand, die niet buiten zichzelf kan treden, die dus in al zijn beschouwingen blijven moet binnen het enge cirkeltje van zijn eigen persoonlikheid. Daardoor zal ons zien, ons denken, ons doen, daardoor zal al ons werk onvolkomen zijn. Daardoor, wanende te slagen in strenge gehoorzaamheid aan de natuurwetten, mislukken we door eigen kortzichtigheid, door het verwaarloozen van enige factoren in het natuurgebeuren, die we bij het opmaken van ons product eenvoudig niet hadden meegerekend.

* * * * *

Het schijnt mij toe, dat Fröbels reactie op de heersende opvoedingswijze, dat zijn opvoeden door doen, door scheppend doen, niet vrij was van een eenzijdigheid, die haar geen onbeperkt succes kon waarborgen. Wanneer onze ontwikkeling alleen beheerst werd door hetgeen we deden, en dan nog wel door hetgeen we deden met eigen beeldend vermogen, zou het er met die ontwikkeling treurig uitzien. Fröbel mocht zich verklaren tegen Pestalozzi's beginsel van aanschouwing, hij kon toch niet blind zijn voor het feit, dat een overgroot deel van ons geestelik bezit alleen door aanschouwen wordt verworven. En hij mocht terecht de alleenheerschappij van het woord bestrijden, hoe zou hij heel het rijke materiaal van de geschiedenis der mensheid, heel de wijsheid van het voorgeslacht onder het bereik der leerlingen brengen zonder dat gesmade woord? Een opvoeding, die met terzijdestelling van woord en aanschouwing, alleen de scheppende daad als middel aanwendt, moet noodzakelik tot geestelike armoede leiden, hoezeer dan ook door de samentrekking der geestelike krachten op beperkt gebied karaktersterkte mocht worden gewonnen. Woord, aanschouwing en daad moeten samengaan; aanhoren, zien en nadoen zijn onmisbaar, zal het kind niet, wat het aan intensiteit van karakter wint, moeten inboeten met een al te beperkte geestelike horizon. Hiermee is natuurlik de superioriteit van het doen niet gelochend, slechts zijn alleenheerschappij veroordeeld.

We kennen allen de mooie gelijkenis van "Een zaaier ging uit om te zaaien". Zonder de woorden van Jezus, zonder het overbrengen dier woorden door de evangelisten, hadden we haar nooit vernomen. En geen mens, geen kind blijft buiten haar verlichtende en waarschuwende invloed, als we navertellen, hoe een deel van het zaad op den weg viel en door de vogelen des hemels werd opgegeten, hoe een ander deel op de steenrots viel en daar verdorde, hoe weer een ander deel verstikt werd door de doornen die er mee opwiesen, maar hoe ook een deel, in goede aarde gevallen, honderdvoudige vrucht voortbracht. Hoe zouden we, zonder het woord, ooit deze schone en ernstige gelijkenis hebben genoten en ter harte kunnen nemen?

Nu is er een plaat, uitgegeven door Callenbach te Nijkerk, waarop de inhoud van dit verhaal is veraanschouwelikt. In 't midden schrijdt rustig en met ernstig gelaat een zaaier, zijn zaad uitstrooiend ter zij van zijn pad, en om die hoofdfiguur heen zien we vier kleinere voorstellingen, die het succes van zijn arbeid vertonen: links boven pikken de vogels de korrels op van de weg, rechts boven verdroogt het zaad op de kale steenen, links beneden zien we slechts hoog opgeschoten doornen en distelen, rechts beneden slanke halmen met lange en volle aren, overbuigend van zwaarte. Die plaat was in een kamer, waar les gegeven werd in Bijbelsche geschiedenis, aan de wand gehecht, en toen een der leerlingen de vier groepen zag, om de hoofdfiguur geschaard, riep het kind opeens, spontaan: "Nu zal ik die geschiedenis nooit weer vergeten, kijk, je _ziet_ het voor je, vogels, stenen, distels en aren, en de zaaier in 't midden."

Dat is de waarde der aanschouwing. Zij maakt het woord aanstonds helderder, sprekender. Aanschouwing is een _mededeeling_, niet minder dan het woord, maar zij spreekt in vormen en in kleuren, in stede van in klanken. Zij zegt iets tot de ogen, waar het woord zich tot de oren richt. En waar de mens beide zintuigen heeft, en velen--de visuelen--gemakkeliker en nauwkeuriger opnemen door het oog dan door het oor--de auditiven--, zou het een schromelike miskenning van onze organisatie en een onrechtvaardigheid jegens veler aanleg zijn, wanneer de aanschouwing buiten opvoeding en onderwijs werd gehouden. De plotselinge uiting van het kind bij de plaat is een opvoedkundige les, die tegen heel wat theorieën opweegt: Laat de kinderen _zien_. Een plaat, een voorwerp bij het woord, en dit woord krijgt aanstonds een rijker inhoud. 't Neemt gestalte aan, glanst in kleuren, 't licht op uit zijn nevelwereld.

Echter, hoezeer het kind mocht uitroepen, dat ze het gehoorde verhaal nu niet meer vergeten zou, daarom was de gelijkenis van de grote Zaaier nu nog niet tot haar hart en geweten doorgedrongen. Ook al wordt dit mooie verhaal niet door de beslommeringen des levens, door de zonden des harten verduisterd of verdreven, daarom is het nog geen waarheid, geen diepgevoelde en volmondig erkende waarheid geworden. Ons kind zal in het leven gaan, zal jonge vrouw, zal moeder worden, zal haar kinderen wijze raad, onmisbare lessen geven, en ze zal _ervaren_, ja _ervaren_, dat een deel van haar zaad de buit der vogelen wordt of wegteert op harde, ontoegankelike bodem, verstikt tussen het onkruid. Nu weet ze pas, nu door smartelike ervaring, wat die gelijkenis betekent, nu ze zelf gezaaid heeft en zo ontmoedigende gevolgen ziet. Nu begrijpt ze de droefheid van den Heer, die liefdevol zijn zaad des eeuwigen levens ook uitstrooide in haar hart en het moest zien, ja hoopvol ontkiemen, maar daarna spoedig in zijn groen verstikken door de distelen der onreine begeerten, der lagere lusten. De woorden had ze vroeger gehoord, en ook wel begrepen; de beelden had ze vroeger gezien, en ook onuitwisbaar in haar geheugen bewaard; maar toch, eerst het zelf zaaien, het zelf zaaien met kostbaar zaad, het zelf zaaien in de akkers van haar eigen gronden, het zelf zaaien in de harten van haar eigen kinderen, haar zo geliefde kinderen,--deze _daad_ met haar gevolgen deed het zaad van Jezus pas goed doorschieten in haar eigen hart. Toen pas was de gelijkenis van de zaaier voor haar leven en volle werkelikheid geworden. Een mens moet horen, om te vernemen; zien, om beter te onthouden; maar doen, om ten volle te verstaan.

Wat maken wij, wijze paedagogen, echter onderscheid tussen de leerwijze van het woord, die der aanschouwing en die der daad, alsof alleen de eerste op mededelen uit was en de beide andere niet. Is het wellicht geen mededeling, wanneer de beelden het ons ziende zeggen, of als de ervaring het ons levende leert? "Het leven zal het hem wel leren," zegt, ten einde raad, de opvoeder ten opzichte van de weerspannig eigenwijze pupil. Het leven. Zeker. Dit leert. Dit deelt mede. En in een taal, die vaak hard is om te horen, maar die gehoord móét worden. 't Is alles mededeling. God heeft ons iets te zeggen. Wij hebben te luisteren.

* * * * *

Natuurlik wist Fröbel dit ook wel. Zijn strijd tegen woord en aanschouwing ging niet tegen die beide als zodanig. Hij wist wel, dat de Natuur aanschouwd, dat de Geschiedenis gehoord moest worden. Maar ach, zo vaak ontaardt de aanschouwing in een levenloos het oog richten naar het ding, zo vaak het luisteren in een levenloos opvangen van klanken. Niet het oog ziet, maar de ziel. En daartoe gebruikt ze het oor. Wat doet echter de school? Wekt ze het leven der ziel? En laat ze haar dorstend drinken van de rijke schepping, hongerend eten van de wijsheid? En de kerk? Wekt ze het leven der ziel, zodat deze met den psalmist uitroept: "Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzóó schreeuwt mijne ziel tot u, o God"? School en Kerk, of juister gezegd, wij mensen die haar al te slecht vertegenwoordigen, wij brengen zo vaak de dood in plaats van het leven. Niet het woord heeft schuld. Waar dit drager van leven is, overbrenger van geestelik leven, en dus zelf van leven trilt, wekt het leven op, deelt het leven mee. Het woord is een geestelike accumulator. Dat kán immers niet anders. Voortgebracht door zielekracht, draagt het die de eeuwen en de wereldstreken door. Maar als wij zulk een geestelike accumulator gans en al omwikkelen met de niet-geleidende stoffen van gevoelloosheid en onbegrip, van sleur en onverschilligheid, hoe kan de inwonende electriciteit dan naar buiten uitslaan? Woorden zijn zaadkorrels, die een levenskiem inhouden. Maar hoe kunnen de kiemen uitgroeien, als wij ze maar domweg rondstrooien op ontoebereide grond? En daar zit de fout. Men speelt met zaadkorrels of het zandkorrels waren. Bijna zou ik zeggen, als het niet al te onmogelik klonk: men máákt er zandkorrels van en daaronder begraaft men de geesten. Zoals de graanschepen en pakhuizen gevuld worden met stromen gele korrels, zo vult men de hoofden der luisterende scharen. Met scheppen en zakken, de laatste tijd zelfs met elevators en luchtkanalen wordt het er in gevoerd. Niet om daar te ontkiemen, maar om er bewaard te worden, en als de tijd daar is, weer even mechanies te worden uitgevoerd. Niet het woord heeft schuld. Maar wij, die in perioden van geestelike inzinking en versuffing, aan het zaad zijn bestemming onthouden en er, als kleine kinderen, winkeltje mee spelen.

Natuurlik wist Fröbel dit alles. Hij, die gezien had hoe in de kinderen een drift tot doen werkte, hij had natuurlik ook ervaren, hoe in die kinderen een honger naar horen was. Zij willen voortbrengen, maar ook luisteren. Nauweliks zet moeder zich neer en begint ze de toverwoorden: "Er was eens", of de kleinen laten zelfs hun speelgoed, hun eigen scheppingen liggen, om zich over te geven aan de scheppingen van anderen. Een verhaaltje! Indien er iets in staat was, om een heele theorie van uitsluitend "leren door doen" met één slag omver te werpen, het is het simpele verhaaltje. Moeder de Gans lokt nog altijd de kleine studenten sterker dan een gediplomeerd Handenarbeider. Maar goed luisteren _is_ doen, zowel als doen menigmaal niets anders is dan gedachteloos napraten met de vingers. Er is een actief luisteren en een passief handelen. Er is een opvoedend aanhoren en een geestdodend uitvoeren. De vraag is maar, hoe de stand der ziel is ten opzichte van het gehoorde woord en de verrichte daad. En die stand der ziel wordt bepaald door aanleg, door omstandigheden, doch ook door de persoonlikheid van de opvoeder. Helaas, dat menig opvoeder bij de vervulling van zijn taak te weinig bezield is, om met zijn woorden de jonge zielen op te wekken, te voeden, te sterken, te prikkelen, te bezielen, en dat daardoor de woorden de schuld hebben te dragen van een euvel, dat alleen aan de gebruiker te wijten is. Een euvel, we merkten het reeds op, dat ook de daad kan aankleven.

* * * * *