Verspreide Opstellen, I

Part 6

Chapter 63,628 wordsPublic domain

In die school had Frederik het goed. "Daar zij echter geenszins zijn werk- en weetlust bevredigde of zijne ontwakende geesteskrachten, voldoende inspanning gaf," zette hij op eigen gelegenheid steeds zijne natuur- en werktuigkundige nasporingen voort, op al wat hij maar machtig worden kon, proeven die ongelukkig nog altijd van een ontledenden aard waren, en hem de geduchte straffen zijner stiefmoeder en het ongenoegen van zijn vader op den hals haalden. De maatstaf, die bij deze straffen werd gebruikt, was eene gewone, maar zeer verkeerde. Zijne daden werden beoordeeld naar hare toevallige gevolgen, niet naar hare gewisse beginselen. Zulke straffen zijn allernadeeligst voor het kind, dat al het onrecht weegt, hem hierdoor aangedaan, en bij iedere straf dus meer eerbied en vertrouwen verliest, meer wrok vergadert. Konden echter de zwaarste straffen de behoefte aan werkzaamheid niet in zijn hart dooven, zij misten haar noodlottig uitwerksel niet--"zij leerden hem het geweld te ontduiken door de list--door achterhoudendheid en eindelijk door onwaarheid." En zo bewerkte deze christelike opvoeding, althans deze opvoeding van christelike mensen, van christelik hetende mensen, dat ons oorspronkelik waarheidzoekend kind, opgeleid werd tot de duivelskunsten van list en leugen. Voorwaar, aan de vruchten zult ge ze kennen, ook de christelikheid der opvoeding.

Fröbel heeft zijn leven lang veel van "godsdienstige" mensen te lijden gehad. Geen wonder. Voor hem was, van zijn schooljaren af, "het schoone woord van Christus: _Tracht eerst naar het Koninkrijk van God en zijne gerechtigheid, en alle dingen zullen u worden toegeworpen_, het richtsnoer en het heil (zijns) levens," en er is zoo buitengewoon veel "godsdienstigheid", die met dit woord geen ernst maakt, dat een man als Fröbel voor zulke lippenbelijders wel een steen des aanstoots moest zijn. Het beste middel, om hem te bestrijden, was dan maar hem te belasteren, hem van goddeloosheid te beschuldigen. "De geestelijken (we zijn nu onder de katholieken in Zwitserland) hadden nauwelijks de lucht van het openen eener school of zij ruiden het domme landvolk op"--"de geestelijkheid werkte de uitbreiding der zaak door alle denkbare en ondenkbare praktijken tegen." En zo deden niet alleen de katholieken. En zulke tegenstand kwam ook niet alleen van "gelovigen". Ook van andere zijde. Maar dat maakt altijd een zoveel treuriger indruk, als in de naam van den Heiland, van den Heiland ook der kinderen, met onheilige middelen een edele zaak wordt bestreden, als de Heiland misbruikt wordt, om het onheil der kinderen te handhaven. "Het is lichter"--riep Fröbel menigmaal geërgerd uit--"dat een kemel ga door het oog van een naald--dan dat de opvoeders ingaan in het Koninkrijk van God, want niemand schendt de goddelijke wetten aanhoudender, koelbloediger en vermeteler dan de opvoeder, die met het kind doet al wat hem goed dunkt, zonder acht te slaan op de eischen van het nieuwe, jonge leven." Juist, zo is het. En dit is een schande. Een schande voor allen. Maar de grootste schande voor hen, die in de gevel van hun schoolgebouw zetten: "Laat de kinderen tot Mij komen", en straks binnen dat schoolgebouw door hun onkinderlik en liefdeloos drijven de kinderen tot list en leugen brengen. De godsdienst heeft de hoogste aanspraken, maar daarom dragen de godsdienstigen dan ook de hoogste verantwoordelikheid. Tegenover Friedrich Fröbel hebben zij iets goed te maken.

Niet alleen zij. Toen de hertog van Sachsen-Meiningen Hilburghausen zijn waardering toonde met Fröbel's denkbeelden, voelden de "school-autoriteiten en vakmannen zich zeer gekrenkt. Wie was die eigenwijze man met zijn revolutionair drijven, die den ouden kalmen slakkengang wou wraken--die den zoet-vloeienden tredmolendraf in verdenking zocht te brengen? Zijn grillen inwilligen zou zijn te erkennen dat het volksonderwijs _niet alleszins voldoende_ was. Een zeer geacht literator, maar een onverzettelijk conservatief, die aan het hoofd stond van de zaken van het onderwijs, besloot in zijn kleingeestigheid het Fröbelsche drijven voor goed den bodem in te slaan en hij schaamde zich niet de onedelste middelen aan te grijpen. Plotseling wordt het paedagogisch gezelschap (Fröbel en zijn medewerkers) door de hatelijkste aanvallen bedreigd en door allerlei openlijke beleedigingen verguisd. In alle bladen verschenen lange en kwaadaardige artikelen tegen den avonturier van Kailhau, die het alleen op de beurzen der lichtgeloovigen toelegde... de nood klom nu zoo hoog, dat de positie te Kailhau bijna niet meer houdbaar scheen en hij door de tegenkanting en vijandigheden van de zijde der onderwijzers en schoolopzieners schier aan zichzelf begon te wanhopen."

Men ziet, van priester en leek kwam de tegenstand. En dat duurde zo voort bijna de volle zeventig jaren van Fröbel's leven. Eerst op 't laatst kwam er wat standvastige waardering. Doch toen stierf de man, die een smartvolle jeugd, en een leven vol strijd en miskenning, gewroken had met de liefdevolle leus te verkondigen en in praktijk te brengen: "Laat ons voor de kinderen leven."

II.

Het eerste gedeelte van dit opstel was bijna niet anders dan een reeks citaten, afgewisseld met uitingen van wrevel en verontwaardiging. De citaten deden zien, hoezeer Fröbel reeds van zijn kinderjaren af had geleden onder miskenning en verdachtmaking, en de uitingen van wrevel waren niet anders dan de spontane reactie's van 't mensenhart bij het zien van dergelike bejegening. We kúnnen het de mensheid niet vergeven, dat ze edele, belangeloze naturen, gelijk Fröbel, het leven verbittert en het streven schier onmogelik maakt. En te minder kunnen we dit, waar de tegenwerking vaart onder de vlag van de hoogste goederen der mensheid: godsdienst en geestesbeschaving. Aan deze beide kennen we een andere roeping toe, dan de duisternis en de dood te dienen, en als we dan bijwonen, hoe juist die machten licht en leven tegenhouden, vervult ons dit met ergernis. Er is daarbij echter één troost: niet de godsdienst, niet de geestesbeschaving verrichten dit droeve werk, maar haar bekrompen vertegenwoordigers, die, versteend in formalisme, voor de zoveelste maal de waarheid hebben gekruist en nu waken bij een ledig graf, terwijl de waarheid, opgestaan, ginds al weer predikend rondgaat, getuigend van haar onvernietigbaar leven. Voorzeker, mannen als Fröbel worden niet door godsdienst en geestesbeschaving bestreden, beide herleven in hen. En als de beeldspraak niet al te stout was, zou men kunnen zeggen: het is altijd het omhulsel van de pop, dat aan de vlinder het uitvliegen beletten wil. Maar de vlinder heeft zijn vleugels--én zijn vruchtbaarheid!--en het leege hulsel blijft liggen als zielloze stof. Wie kent nu nog de bestrijders, de tegenwerkers en lasteraars van onze onvermoeide, innig godsdienstige kindervriend? Maar de naam Fröbel kent heel de wereld.

Of zij die naam goed kent? Ach, 't is hier alweer het oude liedje. Vlechtmatjes van onberispelike afwerking dreigen Fröbel's geest te verstikken. Eén op, één neer, twee op, twee neer, steek maar toe en rijg maar toe. En de oude Fröbel schudt droevig het grijze hoofd. Priestergewaden en altaren moeten alweer voor godsdienst doorgaan, belijdenissen voor zieleleven. Steek maar toe, en rijg maar toe, één op, één neer, twee op, twee neer. De machine, de menselike machine, gaat haar eentonige gang. We zouden de vlechtende vingertjes kunnen vervangen door ijzeren staafjes, die zouden het "scheppingswerk" even goed doen, neen beter. En dan zouden die metalen stangetjes nog niet beven bij hun arbeid. Maar de kleine vingertjes? Zij kunnen trillen van inspanning, van blijde verrukking, maar ook van vrees. Een gelukkig makende arbeid is hun opgedragen. Maar wordt niet vaak de levering van een mooi werkstuk van het kind geeist? En zwoegen ze dan niet als gehoorzame slaafjes, opschrikkend bij elke vergissing? Dan is de kindertuin een fabriek geworden en de opgroeiende zieleplantjes kleine fabrieks-arbeiders, die maar liefst aan een grote staking zouden deelnemen, om in een modderplasje te gaan fröbelen op hún manier met kiezelsteentjes en drijvende plankjes. Fröbel's gedachten, ze zijn _belichaamd_ in zijn speelgaven, ze worden zo licht, ze worden zo vaak door zijn speelgaven _vermoord_. Dat is de tragedie van alle geestelik streven hier op aarde. De geest kan zich slechts openbaren in een stof, maar diezelfde stof wordt ook zijn graf. _Spricht_ die Seele, dann spricht auch schon die _Seele_ nicht mehr. Geboorte is stervensbegin. Het systeem, waarin de gedachten tot uitvoering komen, dreigt die gedachten te ketenen, te verstrikken, te verstikken, neen, zál ze ketenen, verstrikken en verstikken. En zo gaat ook de levende en levenwekkende Fröbel in zijn eigen systeem ten onder.

* * * * *

Herhaaldelik waarschuwt Mevr. van Calcar er tegen, dat men toch niet de betekenis van Fröbel moet afleiden uit het geestdodend fröbelen, dat men veelvuldig op Fröbelscholen ziet. Het "werktuigelijk namaken" heeft met Fröbels geest niets te maken. "Waar de kinderen niet zelf uitvinden en nieuwe patronen afleiden uit de voorgaande, waar zij niet _zonder voorbeelden_ vlechten en teekenen, daar wordt Fröbel's methode niet aangewend, al waren er kasten vol speelgaven--en al stond zijn naam met reuzenletters boven de deur." En Dr. Gunning, die het boek met een "Voorrede" inleidt--en warm aanbeveelt!--schrijft: "wat wij van Fröbel te leeren hebben, dat is niet in de eerste en voornaamste plaats het zoogenaamde "fröbelen", of wat daarvoor doorgaat, matjesvlechten, erwtenwerk en dergelijke, integendeel, dit alles moet aan grondige kritiek worden onderworpen, en dan blijkt er veel bij te zijn, wat geen stand houdt."

We zien hier, dat bij uitstek deskundigen, wie het waarlik niet aan verering van Fröbel ontbreekt, _een_ fiasco erkennen. Maar tusschen beider mening openbaart zich een belangrijk verschil. Mevr. van Calcar zoekt een mislukken in de practijk uitsluitend bij de onkundige en oppervlakkige navolging. Wie zich goed inwerkt in het systeem van oefeningen en zich ernstig laat voorlichten door Fröbel's bedoelingen, zal zien, "dat de hulpmiddelen van Fröbel _volledig zijn_ en alles bevatten, wat de kleinkinderschool behoeft. Fröbel's oefeningen leveren, als ze alle opgenomen en toegepast worden, een voldoende gymnastiek voor alle leden en voor alle zintuigen." "De Methode ligt dan vóór ons als een harmonisch geheel, als een volkomen organisme, waarin Fröbel's grondideeën volkomen in heerschen," zij heeft het dan ook niet erg op verbeteraars begrepen, "omdat (zij) van de _verbeteringen_ der Methode nooit iets gezien (heeft), dat der moeite waard of zelfs maar heilzaam en verkieslijk was." Zij staat "hier dicht aan de zijde van de beroemde discipelin van Fröbel, Mevrouw von Marenholz, die overal waar zij kindertuinen aangelegd en onderwijzeressen gevormd heeft, op een nauwgezette studie en stipte naleving van Fröbels praktische aanwijzingen heeft aangedrongen." En al "spreekt het ook (bij haar) van zelf, dat er van geen slaafsche naäperij of werktuigelijke navolging sprake mag zijn," toch--"bedenke men wel, om Fröbel te verbeteren, moet men aan hem gelijk, zoo niet grooter zijn dan hij--en hij was zeer groot in wijsheid en veelomvattende kennis van den mensch en van de gansche natuur. Zijne Methode is de rijpe vrucht van veeljarige gedachten, veelzijdige ervaring, vergelijking, proefneming met een groep van een half dozijn geniale geleerden, die hun beste krachten jaren lang op hetzelfde doel gericht hebben." En daarom durft zijn bewonderaarster vragen: "Zoude het dus niet voorzichtiger zijn, ook ter wille van de eenparigheid van het werk in ons land, dat wij ons nederig aan de voeten van den menschkundigen leeraar neerzetten, dan wellicht door een overhaasten misgreep zijn diepe wijsheid in het schoone plan te verminken?" De vraagster heeft recht tot spreken: niet alleen heeft zij zich geheel in Fröbel ingewerkt, ze heeft zijn Methode "van de kinderen en met de kinderen practisch geleerd." Ze heeft alles met volle toewijding aan de practijk getoetst, aan de practijk ontleend.

Niet aldus instemmend, zij het niet minder bewonderend, betuigt zich Dr. Gunning. Deze schrijft--maar hierbij mag niet vergeten worden, dat we intusschen 30 jaar verder zijn--onze Dr. Gunning schrijft dan: "Het is zoo waar, wat Stanley Hall zegt in zijn artikel The ideal school on the basis of Child Study: "we moeten elke praktische uitdrukking zijner (d. i. van Fröbel's) denkbeelden van den grond af weder opbouwen."" En van de Fröbelschool sprekend, verklaart dezelfde veelziende schoolopziener: "daar wordt zijn leer althans met den mond beleden." Uit beide aanhalingen blijkt, dat Dr. G. niet alleen met Mevr. v. C. een averechtse practijk veroordeelt, maar zijn afkeuring, evenals die van de Amerikaanse hoogleraar, ook Fröbel's eigen arbeid treft, "elke practische uitdrukking zijner denkbeelden." Wanneer we deze immers op nieuw "van den grond af moeten opbouwen", blijft er van het bestaande zo "schoone en harmonische" gebouw weinig meer over. Maar toch, "wij mogen geen syllabe van de kostelijke positieve philosophie van Fröbel, dien diepzinnigsten van alle moderne paedagogische denkers, verloren laten gaan," erkent Dr. G. met St. H., en een eindje verder belijdt hij volmondig, "wat wij van Fröbel hebben moeten, dat is zijn geest, zijn opvattingen, zijn kijk op de kinderen, zijn grondbeginselen van opvoeding en onderwijs, in één woord: zijn paedagogiek. Wel verre dat deze zou hebben uitgediend, begint zij eigenlijk pas eerst tot haar recht te komen, dank zij de moderne Kinderstudie (Paedalogie), die slag op slag Fröbel's denkbeelden komt bevestigen, maar geenszins Fröbel overbodig maakt, omdat zij ons te veel laboratoriumproducten levert, die eerst na duchtige paedagogische bewerking voor de school bruikbaar gemaakt kunnen worden."

Alzo, in volle waardering van Fröbels opvoedkundige beginselen gaat de oude wereld met de nieuwe, gaan wetenschap en ervaring, gaan vorsende mannen en uitvoerende vrouwen hier hand aan hand. En de vragen dringen naar voren: Welke zijn dan Fröbels beginselen? Hoe zijn die in hem ontstaan? Waardoor zijn die door Fröbel zelf verkeerdelik toegepast? En hoe moeten ze dan in practijk gebracht worden?

* * * * *

Al hebben wij, Nederlandse onderwijzers, het boek van Mevr. v. C. in benepen domheid maar simpelweg genegeerd, vermoeid en versuft als we waren door het klimmen langs leertrappen en dwalen door leergangen, door het analyseeren van al maar meer methoden, totdat we van louter methoderigheid niet meer wisten wat eigenlik methode was en hoe _in_ het kind de beste methode leefde en werkte; al hebben wij, Hollandse paedagogen, dit vrouwenboek over de Bewaarschoolheilige maar links laten liggen, verzekerd als we waren, dat we de juiste beginselen volgden en ons nu slechts op vervolmaking van de theoretiese praktijk hadden toe te leggen, totdat onze wijsgerige theorie de praktijk geheel had doortrokken en bedorven; al hebben we dus geen nota genomen van dit boek over het kind Friedrich Fröbel, dat zijn leven lang kind met de kinderen is geweest en ook kind tegenover de volwassenen--het verbaast ons niet dat het buitenland beslag heeft gelegd op dit Nederlandse werk en men het de eer ener Duitse, ener Italiaanse vertaling waardig keurde. Mevrouw van Calcar heeft het zich toch niet gemakkelik gemaakt en de bizonderheden der levensbeschrijving weten te verenigen met de openbaring en groei der opvoedkundige beginselen. Wie deze laatste weten wil, hij hoeft ze niet te zoeken. Bijna het gehele boek door dwarrelen ze om u heen, het heldere, warme, doch ook degelike en zaakrijke boek.

En welke zijn dan die beginselen?

Laten we een ogenblik naar Mevr. v. C. luisteren, dan zitten we er aanstonds midden in:

"Fröbel's ervaring had hem geleerd, dat het met de opvoeding over het algemeen nog hoogst gebrekkig gesteld was en dat slechts weinige onderwijzers de kweekelingen _voor het leven vormden--dat de school aan het kind den noodwendigen geestelijken teerkost, de noodzakelijke reispenningen niet wist mee te geven op de levensreis_--ja, dat de gewone schoolsleur de jonge lieden eer stompzinnig en oppervlakkig, gedachteloos en werktuigelijk maakte dan de zielsvermogens te ontwikkelen, de geestkracht te schragen en die klaarheid en zuiverheid van inzichten en begrippen mede te deelen, die onmisbaar zijn om met vrucht tot hoogere studiën over te gaan of zich met goed gevolg op eenig beroep toe te leggen. Hij zag dat de oorzaak van het mislukken van zoo menige opleiding, het niet slagen van jonge lieden, die oorspronkelijk een goeden aanleg hadden, dikwijls alleen in de slechte methode van werken en in het gehalte der hun geboden leerstof moest gezocht worden.

"Wat er dan ook in Fröbel's dagen van verbetering en vooruitgang in het schoolwezen mocht geroemd worden door de vakmannen, die elkander om strijd bewierookten, Fröbel bleef er bij, dat men nog altijd _in een geheel verkeerd spoor was_ en op menig punt geheel averechts te werk ging en dat men tot geen gewenschte uitkomst voor het volksonderwijs zou komen, zoo men niet tot eene genetische ontwikkelingsmethode overging, die met den innerlijken ontwikkelingsgang van het kinderleven gelijken tred houden en er geheel aan beantwoorden zou. Hij merkte op, dat men een zeer knap en afgericht en volgepropt scholier kan zijn en toch een onbruikbaar mensch worden, daar al de geleerde kundigheden het karakter niet vormen, den wil niet richten, en dat dit doel alleen door en met _handelen_ te bereiken is. Tot handelen, tot voortbrengend, tot scheppend handelen geeft de school geen gelegenheid. De leerling is te passief, de meester te actief; het kind ontvangt, hij neemt op; hij wordt een magazijn van wetenswaardige dingen, waaronder zijn eigen _ik_ vaak diep bedolven ligt, met onbegrepen gaven en onontwikkelde talenten.

"Tot hiertoe had men _scholieren_ gekweekt. Fröbel wilde _menschen_ vormen. _Niet de school_ moest men in de eerste plaats in het oog houden, maar het _kind_ en zijn _levensbehoefte_.

Daarom antwoordde hij op de vraag: "Wat wilt, wat zoekt gij dan toch eigenlijk?"

--"Juist het tegenovergestelde van wat tot hiertoe in het opvoedings- en onderwijsvak geschiedt."

"Hij was overtuigd dat er slechts in den door hem ontdekten weg recht kon gedaan worden aan de heerlijke gaven, waarmede de menschheid zoo ruimschoots begiftigd is, maar die te vroeg verdrongen en verstompt en doodgewerkt worden, onder het gewicht van al het aangeleerde, opgezegde, nageklapte, dat als onverteerbaar geestesvoedsel is ingestompt."

"Deze zijne overtuiging door daadzaken te bevestigen en door de praktijk te bekrachtigen, achtte hij zijn duurste plicht aan zijn vaderland en aan de menschheid. Hij zag duidelijk in dat Pestalozzi, met al het voortreffelijke van vele zijner denkbeelden in leerwijze en opvoeding, de alles _herscheppende grondgedachten_ nog niet begreep of zich die toeëigenen en verwerken kon."

"Hoewel hij hem als de grootste praktische opvoeder van zijn tijd waardeerde, voelde hij toch dat er nog een zeer groote leemte in zijne wijze van doen was, daar hij zijne middelen veel te willekeurig en naar het toeval koos en ze te ruw aangreep, terwijl hij zich niet regelmatig methodisch door de innerlijke wetten des levens en der ontwikkeling beheerschen en voorlichten liet."

"De openbaring van alle leven is kracht, is beweging--_is de daad_! _Van de daad, van het doen_ wilde Fröbel alle verdere menschelijke ontwikkeling afleiden; _met handelen zag hij elk kind zijn eigen opvoeding en zelfonderwijs beginnen en voortzetten--op de daadkracht moeten wij dus ook alles gronden, daardoor alles laten opwassen_, omdat elke daad oorspronkelijk onderrichtend, sterkend, scheppend, voortbrengend is in zich zelf."

"Leven--handelen--kennen--moeten voor den mensch eigenlijk altijd een samenstemmenden drieklank vormen voor zijn bestaan, maar allermeest in de opvoeding."

* * * * *

Me dunkt, dit is duidelik genoeg. Toch wil ik nog een klein stukje overschrijven. Men zal er, evenals in het voorgaande, een kritiek op onze nog huidige kinderbehandeling, een aanwijzing voor een betere opvoedingswijze in vinden. Het is ook nu nog: kinderen indrukken, kinderen modelleren, kinderen wringen in een klaargemaakte vorm en daarmee de oorspronkelikheid, het eigene doden. Maar wat zei Fröbel?

"Elk nieuw geslacht is een groote schat voor de menschheid, elk nieuw kind een groote schat voor zijne familie. Het nieuwe kind en het nieuwe geslacht verschijnen niet in ons midden als ledige vaten, die wij zoo snel mogelijk met ons brouwsel hebben vol te gieten; het kind, elk geslacht brengt ook een eigen licht mede; het zal veel van ons moeten ontvangen, maar het heeft ook iets te geven. Het is op zich zelf een fontein van krachten, die wij niet kennen, maar waarin wij gelooven en die wij eerbiedigen moeten en plaats gunnen."

"Onderwijzers verwachten dikwijls alles en alles van de school, de wetgevers en leiders alles en alles van het onderwijs. _Leeren_ is het wachtwoord der eeuw, leeren en leeren en leeren--ja, mits niet enkel uit de boeken, mits men bovenal het kind _leere te leven, hem gunne te leven_."

"Wij leven maar voor zooveel wij _handelen_. Wij leven meer en dieper in hetgeen wij _kunnen_ dan in hetgeen wij _kennen_--meer bij het _doen_ dan bij het _weten_ en het is de _veelweterij_, die met de _kunst van te leven_ een fellen kamp heeft ondernomen--zoo zelfs dat aan velen de heugenis van 's menschen oorspronkelijken rijkdom en aangeboren krachten begint te ontgaan."

"Dat de mensch iets zou kunnen _maken_, zonder het _na te maken_, iets zou mogen _zeggen_, zonder het _na te zeggen_, iets _denken_, zonder dat anderen het hem _voorgedacht_ hebben--dat ligt buiten den gedachtenkring van zeer vele mannen en vrouwen van het onderwijs, want in waarheid--de beschaving is bezig _de oorspronkelijkheid uit te wisschen, de individualiteit te vermoorden_. Wij moeten hooger over de waarde van den mensch, de waarde van elk mensch leeren denken. Wat maakt den ontdekker groot? Dat hij iets opgemerkt heeft, wat geen ander had opgemerkt. Wat maakt den uitvinder beroemd? Dat hij gedacht en gedaan heeft, zooals geen ander tot hiertoe gedacht en gedaan had. Hij heeft zijn eigen zinnen durven en kunnen gebruiken, zijn eigen gedachte en vinding laten werken buiten alle handboeken om. Hij is zich zelf geweest en zijn innerlijk licht heeft een nieuwen straal op de menschheid geworpen."

"Wij zullen niet zoo zelden een uitvinder, een ontdekker, een geniaal kunstenaar in ons midden zien opstaan, als wij de kinderen gelegenheid geven om zich zelf te worden--om zelfstandig te handelen--zelf te zoeken, zelf te vinden."

"Bedenkt het wel, o onderwijzers en onderwijzeressen, de kunsten en wetenschappen zijn geboren voordat er scholen en hoogescholen waren. Het is de mensch, die de school schiep--maar de school kan en mag den mensch niet onderdrukken. Zij moet den mensch dienen, niet belemmeren--daarom moet zij natuurlijk naar de levenseischen des kinds zijn ingericht. Is zij dat? Fröbel voelde diep dat zij het nog lang niet was, dat zij het echter worden kon en worden moet."

Het gaat bij Fröbel dus om het _doen_. Geen woorden, maar _daden_. Ook niet kijken, maar _doen_. En dan nog niet eens nadoen, maar _zelf_-doen. "De aanwezigheid van den heerlijksten tuin zal de oude bewaarschool nog niet tot den Fröbelschen kindertuin maken. Het verschil daartusschen is even groot als het verschil was tusschen Pestalozzi en Fröbel, dat is, tusschen het _aanschouwelijk_ onderwijs en het _werkdadig_--tusschen het _voordoen_ en het zelf _uitvinden_--_het laten namaken_ en _laten ontdekken_."