Verspreide Opstellen, I

Part 5

Chapter 53,800 wordsPublic domain

Neen, hatelike sisser, dat verbeeldt zo'n bovenmeester zich niet. Daarvoor is de man nog zelf veel te blij, als hij er zo eens tussen uit mag trekken. Als hij zo eens alle zorgen zijner ambulante nietsdoenerigheid van zijn schouders mag laten glijden en één dagje rentenier zijn in de wije, vrije wereld. Maar waarom moest gij nu mijn goedmoedige stemming eensklaps verstoren met uw kwaadstokende sisserij?

Eén ding is gelukkig. Die stem kwam niet van buiten af, maar van binnen uit. En daardoor kan ik hem aanstonds in zijn ware aard onderscheiden. Hij is de stem van mijn eigen verleden.

Er was een tijd, dat ik inderdaad met een hooghartig veroordelend "kinderachtig" tal van gewoon menselike gevoelens en verhoudingen smalend verwierp. Wanneer toen een onderwijzer mij een dagje vrij vroeg, gingen we samen aan 't redeneren, aan 't onderzoeken, of de aangegeven reden wel een dag verlof wettigde, en dan analyseerde ik 't geval net zo fijn, dat hij tot de erkenning gedwongen werd (altans naar mijn mening), dat hier geen reden tot verlof bestond, maar.... dan was er voor hem de aardigheid ook al lang af. Zo'n redeneerziekte maakt iedereen in zijn leven door, als je zo tussen de twintig en dertig bent. Dan meen je, dat alles verstandelik te regelen is, doch loopt intussen groot gevaar alle gevoelens des harten te vermoorden en in jezelf een koude, verstandelike eigengerechtigheid te ontwikkelen, waarmee je ten slotte de omgeving verkilt.

Ouder geworden, begin je te begrijpen, dat er in de mens nog andere factoren werken dan logiese krachten, en dat een plichtsbetrachting overeenkomstig de voorschriften der principes wel eens inferieur kan wezen aan een gewoon plichtsleven, dat met blijde en ijverige opgewektheid zijn dagtaak verricht, doch óók wel eens voor een keer van die dagelikse plichten ontslagen wil zijn, zij het ook dat gestrenge, beginselvaste braafheid hier een steekje aan los vindt. Alles is niet te beredeneren. Er zijn onberedeneerbare dwaasheden, (dwaas in het oog ónzer wijsheid), die op slot van rekening rijker en vruchtbaarder zijn in levensvreugd en ook in levensdeugd, dan scherpzinnig beredeneerde verstandelikheden.

In onze tijd van strijd, ook van strijd in de onderwijswereld tussen klasse-onderwijzers en schoolhoofden, lopen we zo groot gevaar, die andere factoren uit het oog te verliezen, het persoonlike en echt menselike in de verhouding te doden, en ons te beknellen in de banden van reglements-artikelen, véél meer dan nodig is. Zeker, ik zie de gevaren niet voorbij van een eenhoofdig bewind, dat zo licht tot misbruik van macht kan leiden, maar laten we toch ook de ogen wijd open houden voor het kwaad, dat ons bedreigt van een reglementen-regering, die in uniformiteit haar heil vindt en in een contrôle van vormelikheden haar sterkte. Daarmee zijn we ten slotte allemaal achterop. Niets toch zo onrechtvaardig als een wet, die met geen individuele verschillen rekening houdt; niets zo genadeloos als een reglement, dat geen hart heeft; niets zo vrijheid dodend als een regeling, die in naam der algemene vrijheid, elke persoonlike vrijheid aan banden legt.

Mensen zijn kinderen, net zoo goed als kinderen mensen zijn. We behandelen de kinderen dikwijls te kinderachtig, vergetende dat er een zelfstandigheid in hen rijpt, en de volwassenen soms te mensachtig, vergetende dat er altijd nog een kind in hen is blijven leven. En geen mens zo voornaam, zo invloedrijk, zo verstandig en zo zedelik, of hij komt nog wel in omstandigheden, dat hij bij zijn stille wensen of uitgesproken verzoeken om een extratje heel kinderlik in zijn hart denkt: Toe, zeg maar ja.

* * * * *

Ik sprak daar over bindende wetten en dacht toen aan het verenigingsleven en aan centralisatie in gemeentelik-en rijksbewind. Over beide wil ik nog even doorgaan.

Het moet iedereen wel getroffen hebben, hoe de vakvereniging, ook die der onderwijzers, de persoonlike vrijheid van haar leden aan banden legt. Wie zich aan de genomen besluiten niet wenst te houden, wordt als lid geschrapt. Niet ten onrechte heeft men b.v. de Soc.-dem. arb. partij een politieke Katholieke kerk genoemd, waarin de leken niets hebben in te brengen, maar de paus of de pausen de leiding voeren en gehoorzaamd moeten worden. Daarbij vergat men echter, ten eerste, dat die leiders _gekozen_ worden en dus de partij door haar leiders zichzelf bestuurt, en ten twede (als ik mij niet vergis), dat ook de macht in de Kath. kerk oorspronkelik uit de democratie is voortgekomen, zoals nu b.v. ook de kerkelike kiesverenigingen in de Protest. kerk, dus verenigingen van leken, van leden, de ouderlingen, de diakenen, toezieners en ten slotte door hen ook de predikanten en de synode kiezen. En dan vergeet men ook dat er niemand lid van een partij of een vereniging of een kerkgenootschap behoeft te blijven. De dwang in die verenigingen kan men dus billiken, omdat hij van onder af is opgekomen en niemand langer binden kan dan deze zelf verkiest. Het is een dwang, waaraan men zich vrijwillig onderwerpt, indien men al niet zelf heeft meegewerkt om hem in te voeren.

Anders is het echter gesteld met de Staatsdwang. Men kan niet als lid van de Staat bedanken, tenzij men lust heeft de wildernis in te trekken. Op dit gebied moet daarom de dwang zoveel mogelik beperkt worden en die kans heeft men te minder, naarmate de centralisatie te groter wordt. Om alleen bij ons lager onderwijs te blijven, in de grote steden zien we het echte schoolleven, het echte uitleven van opvoedkundige en onderwijskundige idealen, langzamerhand, steeds meer, onder de druk komen van het algemene voorschrift. We weten, hoe dat in Frankrijk de ontwikkeling van de school belemmert. Het is wellicht voor een minister van onderwijs met zijn heirleger van ambtenaren heel gemakkelik, dat voor heel Frankrijk hetzelfde leerplan, hetzelfde rooster geldt, waarbij alle kinderen van een zelfde leerhoogte op hetzelfde uur op dezelfde wijze aan dezelfde stof bezig zijn, maar voor die leerstof en die leerwijze en die leerkinderen, _voor het leven en de bloei van het onderwijs_, is het ten slotte verderfelik, de dood in de pot. En ook in ons land dreigt het hier en daar die kant op te gaan. De voorvechters van de republikeinse school mogen het mijnentwege winnen: als de onderwijzers in 't algemeen zo hoog staan in _alle_ opzichten, dat ze de dagelikse leiding der schoolhoofden kunnen missen, is dat een _te_ gelukkig verschijnsel, dan dat we er ons niet over zouden verheugen. Ieder chef moet blij zijn, als hij tengevolge der betrekkelike volkomenheid zijner ondergeschikten misbaar is geworden. Maar--laten die voorvechters niet vergeten, dat er nog een veel ellendiger chef is dan een ambulante bovenmeester: de domme, harteloze, starre, onbewegelike administratie. Met een bovenmeester--hij is toch ook een mens--is nog te spreken en ook hij staat onder de invloed van de geest des tijds, maar wie met de administratie wil strijden, stikt in de duffe papierrommel. Daartegen hield zelfs een Multatuli het niet uit. En die was taai.

Ik wil dus zeggen: laten we bij het onderwijs ons uiterste best doen, om de persoonlike vrijheid zo ver mogelik door te zetten, zo hoog mogelik te houden. En laten de leden van Rijks- en Gemeentetoezicht ons daarbij helpen. Voor hen, ik voel en begrijp het best, is de verleiding zo groot, om in de richting der centralisatie te sturen. Al die verscheidenheid is zo moeilik te overzien en te contrôleren. Maar toch--uit die verscheidenheid spreekt het leven. En omgekeerd, het grote leven zelf met zijn eisen dwingt ons wel naar een zekere eenheid. Doch 't is zo'n groot verschil, of die eenheid gegroeid is en steeds vergroeien kan, of dat ze in elkaar is gezet als de spaken en velgen van een wiel en door een ijzeren band onbewegelik bijeengehouden wordt.

Stel u eens voor, dat het leven der huisgezinnen, de inrichting der maaltijden, de verhouding tussen ouders en kinderen minutieus door de wet geregeld werd. Dat de bemoeizucht der tirannieke vrijheidsmannen ook daar het leven tot een poppenkast maakte, waarvan de poppen mochten dansen naar het trekken der wetsartikelen. Zou het huiselik en maatschappelik leven niet alle bekoorlikheid voor u verliezen en ge liever de wildernis intrekken dan in zulk een beschaving te verstenen tot een stuk gietwerk?

Welnu, liever moet de school groeien in de richting van een ideaal huisgezin dan in die van een leger.

* * * * *

Het is zo goed, als we onder alle verhoudingen de vrijheid hebben tot een ja-zeggen. Ik bedoel: dat is in _zedelik_ opzicht zo goed. Wat blijft er over van onze zedelike groei, wanneer we als machineraadjes lopen _moeten_ naar het ingrijpen der tanden. Wat verdienste steekt er in, overeenkomstig artikel zoveel van de wet iemands rechten niet te krenken. Wettiese braafheid is geen braafheid. Gehoorzaamheid aan de wet is iets zo geheel anders dan gehoorzaamheid aan een beginsel, dat niets te eisen heeft dan--een beetje zelfverlochening, een beetje meegevoel, een beetje welwillendheid; zo geheel anders dan gehoorzaamheid aan de zedelike eis der liefde. En zullen we niet verstarren in gereglementeerde braafheid, dan moeten we vrijheid hebben tot toestaan en weigeren.

Maar--zegt de klasse-onderwijzer--als gij, bovenmeester, zo op die vrijheid gesteld bent, wilt ge dan ons in wettelike afhankelikheid houden? Geenszins. Hoe eer de zelfstandigheid der onderwijzers wettelik geregeld is, hoe liever. Ik ben er geen greintje bang voor, wat zeg ik, ik zou me er zelf sterker door voelen. Maar ook dán nog zal er veel geregeld moeten worden bij onderlinge welwillendheid--zie slechts naar de verhoudingen op de H. B. S. en de Gymnasia. Ook dán zal van het menselike nog veel meer afhangen dan van het wettelike. En zo lang het niet zo is....

Nu kom ik wellicht in botsing met sommige collega's-schoolhoofden. Maar fiat, ik waag het er op.

Geef, zou ik willen zeggen, de onderwijzers een maximum van vrijheid in hun klasse. Wanneer zij met hart en ziel werken en ze willen iets liever anders dan gij, zeg dan ja. Het scheelt zo enorm veel, of iemand naar zijn eigen zin en inzicht iets mag inrichten en uitvoeren. Dan is er vaak zoveel meer ambitie. En, mijn hemel, denkt ge, dat over dertig jaar die kinderen nog weten, of ze de vermenigvuldiging zus of zo geleerd hebben?

Verdenk me niet van gebrek aan ernst, beschuldig me niet van lichtvaardigheid, wanneer ik over geschillen van methodiek en zo gemakkelik schijn heen te glippen. Doch, indien mogelik, erken met mij, dat er in de persoonlike lust en liefde van de klasse-onderwijzer--_die dan toch het onderwijs moet geven_--een véél belangrijker factor in 't spel komt. Het hart van die man is ja wat meer waard dan de voortreffelikste leergang en het nauwkeurigste leerplan. En zulk een vrijheid van de klasse-onderwijzer sluit volstrekt niet de invloed van het schoolhoofd buiten. Eer zou ik zeggen: integendeel.

Het spreekt van zelf, waar een ja-zeggen mogelik is, moet ook een neen-zeggen kunnen voorkomen. De Genestet heeft gelukkig geprezen, wie _neen_ durft zeggen. En hij had gelijk. Maar juist hij, die de macht en de moed heeft om _neen_ te zeggen, hij bereikt zo verbazend veel met een _ja_. Dat is toch niet het ja der slapheid, maar het ja der zelfbewuste kracht, het ja van 't gelovend vertrouwen, en dit ja kan niet anders dan sterkend werken.

VII. GROEIEN GAAT LANGZAAM.

En toch willen wij, dat het gauw gaat. En daarom trekken wij met onze ongeduldige vingers het plantje omhoog, doch rukken daarmee de fijne wortelvezels los, en 't plantje kwijnt. Of we plaatsen het in een broeikas, en het wordt wel spoedig groot, doch ongeschikt voor den kouden grond.

Groeien gaat langzaam. En wie dit niet gelooft, moet maar eens een paar uur bij een plant gaan kijken. Dan zal hij zien, dat hij niets ziet. En toch is de plant in die paar uren gegroeid.

Maar hij moet niet per ongeluk bij zijn _kind_ gaan kijken, want dan wordt hij dadelijk zoo vreeselijk boos, omdat dit arme kind niet zoo gauw groeien wil. Ik bedoel verstandelijk, en zedelijk. Lichamelijk, dat is niet zoo erg. Maar verstandelijk!

Vader zit te zieden van drift, en dat simpel omdat zijn zoon die sommen maar niet begrijpt. "Maar _begrijp_ je dat dan niet, ezel? Wat ben je toch een stommerik!"

Ja, dat had de meester ook al gezegd, maar hierdoor was de jongen volstrekt niet ineens een heel eind opgeschoten. Hij was dezelfde stommerik gebleven, precies trouwens--als de meester en als vader zelf, die na jaren van ervaring maar niet begrijpen konden, dat groeien langzaam gaat, en dat dan nog de eene plant niet de ander is. In kinderkennis zijn deze beide paedagogen nog maar een luttel beetje gegroeid. En in zelfbeheersching nog minder.

Maar dit laatste is ook een moreel element, en in zedelijkheid groeit een mensch nòg langzamer dan in verstandelijk inzicht. Het begrijpen wil nog wel eens komen, langzaam aan, maar het kunnen _leven_ naar dit juistere begrip, dat valt nog zwaar. Dat eischt dan ook dikwijls een innerlijke _vernieuwing_ van het oude, een regeneratie. Dan moet er in ons een nieuw mensch geboren worden.

Echter, al groeit een _mensch_ in zedelijkheid ook héél langzaam, daarom heeft een _kind_ hiertoe nog niet de vrijheid. Dat zou ook wel schande zijn. En volkomen gegrond is onze verontwaardiging, dat die deugniet nòg al niet waarheidlievend is. We hebben het hem toch immers wel honderdmaal gezegd? In ondeugendheid en vrijpostigheid, o ja, daar groeit hij wonderlijk snel. Dat heb je van onkruid altijd. Maar in deugd en zelfbedwang?

Lieve vrinden, laten we nu eens héél eerlijk zijn en zeggen: Hoe gaat het met óns?

We zijn dertig, veertig, vijftig, zestig jaar geworden. We hebben het onzen leerlingen, onzen kinderen, onzen vrienden vaak voorgehouden. We zijn al bolleboozen in 't preeken--tegen anderen. Raadslieden van gezag. En hoe staat het met óns?

Zijt ge inderdaad beter geworden? Niet wijzer, maar beter? Ge hebt er uw tijd voor gehad. Kunt ge in uzelf een voorbeeld stellen aan uw jongeren? Of zijt ge alleen zóó ver, dat ge ernstig het goede wilt, dat ge met uw diepste hart het goede wáárlijk begeert, en dat ge dageliks bidt om kracht om te vorderen, althans om staande te blijven?

Dan zijt ge al heel ver. Eigen zwakheid en slechtheid kennen, naar verbetering oprecht verlangen, en bidden om kracht in den strijd--dat is al een kostelijke levensvrucht. En hoop maar, dat, langzaam groeiende, die vrucht ook voor uw kinderen rijpen mag.

Maar denk er aan, voor de levensrust van uzelf en de levensvreugd van uw kinderen--en minderen--dat groeien, geestelijk groeien vooral, maar uiterst langzaam gaat.

NAAR TIJD.

Hebt gij ooit graan gemaaid in groene lente? Uw huis betrokken eer het was gebouwd? Eischt gij van 't kapitaal de volle rente, Nog eer gij 't in uw handel hebt betrouwd? En wilt ge, dat uw _kind_ zich braaf, ervaren, En wijs zal toonen? Hoed u voor den schijn: Ook zeedlijkheid moet groeien met de jaren, Laat hem den tijd, om vroolijk dwaas te zijn.

VIII. FREDERIK FRÖBEL.

I.

Hoe hij opvoeder werd en wat de kinderwereld hem openbaarde, door Elise van Calcar, 2e druk. Met een voorrede van Dr. J. H. Gunning Wzn., Districts-schoolopziener.--Amsterdam, H. Wierts van Coehoorn. 1910.

Het is gewoonweg een schande, dat zulk een boek, dertig jaar geleden geschreven en nog wel aan het Ned. Ond. Genootschap opgedragen, nu pas herdrukt is. Nu pas. Ach, als het maar een handboek voor een of ander examen was geweest! Dan hadden de lui het móeten kopen, lezen, bestuderen--d. w. z. uit hun hoofd leren--en dan konden we nu al de 15e druk aankondigen. Dan waren de denkbeelden, er in ontwikkeld, wel niet dieper en vaster in de practijk doorgedrongen, want, gelijk men weet, hebben examen en practijk weinig of niets met elkaar te maken, maar dan was het boek toch in leven gebleven, had men het in onze tijd van opvoedkundige belangstelling niet behoeven op te diepen, en had het menig inderdaad belangstellende, die het nu niet kende, vaak gesterkt en verkwikt. Het is een mooi boek. Het is een rijk boek. En men moest een niet-officiëele opvoedkundige als Elise van Calcar zijn, om zulk een boek te kunnen schrijven. Dit boek is niet voor de studie gemaakt. Dit boek is uit het hart opgeweld, uit een hart vol liefde en bewondering, en dat samenging met een hoofd vol kennis en inzicht.

Roerend zijn de eerste hoofdstukken. Fröbel als kind. Wist ge, dat hij zo'n bitter droevige jeugd heeft gehad? Verwaarloosd en miskend door zijn twede moeder, terzij geschoven door zijn vader. Een brave vader, die echter, als predikant, zo zeer in de zorgen voor zijn gemeente en van zijn studie opging, dat hij voor zijn kleine Frederik geen tijd had. Men ziet dit meer. Maar het blijft een groot vergrijp jegens het kind. President Roosevelt had wel gelijk, toen hij in zijn redevoeringen er op aandrong, dat men zijn naastliggende plicht niet mocht verwaarlozen om zich aan uitgebreider kring te wijden. Eerst kind en vrouw, dan stad en staat. Maar gaat het zo?

Fröbel's vader had geen tijd voor zijn kind, zijn stiefmoeder begreep het niet, en zo had de kleine Frederik een troosteloos droevige jeugd. Gelukkig--voor het nageslacht. In een reine en edele ziel wordt uit smart nooit verbittering, maar verbetering geboren. Zij zoekt anderen de smart te besparen, waaronder ze zelf geleden heeft. En zo geloof ik, dat heel wat kindervreugde in de latere "Kindergärten"--is opgebloeid uit de donkere bodem van Fröbels kindersmart.

De bladzijden over Fr.'s kinderjaren kan men echter niet lezen zonder een gevoel van wrevel jegens de ouders. Dat waren nu ontwikkelde, brave, fatsoenlike, godsdienstige mensen, maar die niettemin hun kleine jongen schandelik onrecht deden. Zulke ouders zijn er vele, ook nu nog. Daarom is het zo goed, als ze eens op een afstand en bij een ander zien, hoe schandelik onrechtvaardig en hard ze tegen hun kind zijn.

Toen Fr. een stiefbroertje had gekregen, "nam de nieuwgeborene de aandacht en de zorgen der ouders zoo geheel in, dat zij in het eerst den teruggang in Frederik's ontwikkeling niet ontwaarden--en toen die zich zoo onmiskenbaar vertoonde, dat zij elk in het oog viel, werd de schuwheid en droefgeestigheid van het teruggestooten kind, hem als een schuld aangerekend. "Wat kon de oorzaak anders zijn van zijne lusteloosheid en afgetrokkenheid dan jaloezie?"--Zoo redeneerde de stiefmoeder--"hij gunde haar kind niets--de wangunst verteerde hem--dat was een zeer leelike karaktertrek--zijn vader moest het niet door de vingers zien--en hem bij zijn thuiskomst dat pruilen en droomen eens met een goed pak slaag afleeren." De ondeugendste bedoelingen werden aan zijne eenvoudigste daden toegedicht en dat met zulk een schijn van waarheid, dat het bij den vader geen den minsten twijfel over de strafbaarheid van het kind overliet. De thuiskomst des vaders werd van nu aan de nadering van het gericht en den scherprechter, in plaats van de vreugde des kinds. Harde woorden en zware straffen vervingen den zonneschijn, die voorlang door dreigende wolken was verduisterd."

Is dit niet bedroevend en tegelijk ergerlik? Wat baatte die ontwikkeling, die braafheid, dat fatsoen en die godsdienst, ja vooral, wat baatte die godsdienst hier? Het arme kind merkte er niet veel van. 't Ware toch zo nodig geweest, dat de Luthersche theologant en zijn vrome vrouw bij hun godsdienst wat meer--liefde, wijsheid, begrip van 't kind, wat meer tedere zorg, wat meer toewijding, in één woord, wat meer vruchten van _echte_ godsdienst hadden betoond.

"Met een diep geroerd gemoed nam Frederik zich gedurig voor recht vroom en braaf te zullen worden, maar ondanks deze oprechte godsvruchtige gemoedsaandoening contrastreerde zijn gedrag vaak zeer met zijn voornemens. Viel hij weder in eenig kinderlijk vergrijp dan liet zijn teeder geweten hem geen rust; hij kon geen oog sluiten van angst voor de straffen der hel, die ongetwijfeld zijn deel moesten worden."

"Wat hem het meest deed struikelen was zijne rustelooze zucht tot bezigheid en onderzoek--zijne begeerte om de dingen te leeren kennen. En daar zijne moeder geen begrip had van de levenseischen van zijn leeftijd, verzuimde zij hem van die voorwerpen te voorzien, die hem gepaste bezigheid en oefening zouden verschaft hebben. Hij mocht nergens aankomen. "Overal afblijven--den boel niet omhalen," was hare leuze."

"Stil zijn en nergens aankomen." Dit was echter even goed als hem alles tot de begeerlijke verboden vrucht te maken. De lust om alle voorwerpen, die hem omringden, van nabij te bezien en te betasten, werd zoo ontzettend geprikkeld door dien gestadigen strijd van alles afnemen en weer opbergen, zonder iets anders te verschaffen, dat hem bezigheid geven kon, dat onze rustelooze natuurvorscher dagelijks voor de verzoeking bezweek. Deze geheel onbestuurde lust om alles te leeren kennen, open te maken en van zijne plaats te halen, stortte hem in alle mogelijke kinderrampen en deed hem alles bederven, wat onder zijn bereik kwam. "Geene straffen, geene bedreiging hoe zwaar ook, waren in staat zijn ondoofbare aandrift tot werkdadig onderzoek te beteugelen. Wel verre van te verstaan wat de eischen van dit werkzaam karakter en de eischen van dezen leeftijd waren, zagen zijne ouders in deze onweerstaanbare aandrift niets anders dan moedwil en boosheid."

Nu vraag ik nog eens: Wat baatte hier die godsdienst? Godsdienst moet dan toch de naaste, dus ook het kind, leren liefhebben, leren begrijpen, leren helpen. Men mag zeggen: die ouders wisten niet beter. Maar dat is voor godsdienstige mensen geen excuus. Ze hadden beter móéten weten. Hun liefde had hen moeten doen doordringen in het kind, had hen die stille smart moeten doen meegevoelen, verstaan en wegnemen. Ik kan het niet helpen, maar ik kan in al dat godsdienstig gedoe met zúlke opvoedingspraktijken geen godsdienst zien. "Aan hun vruchten zult ge ze kennen." En nu weet ik zeer wel, dat onze godsdienst, ons geloof vaak niet sterk genoeg is, om de liefde en de wijsheid in volle kracht te doen stralen, dat ook de godsdienstigste mensen nog zondigende stumperds zijn, struikelend iederen dag, maar--hier was de _richting_ zo absoluut verkeerd. Hier werd het kind meer afgestoten, teruggewezen, dan aangetrokken, dan gezocht. Hier werd niets gevoeld van "Laat de kinderen tot mij komen". Hier het lam in de woestijn niet gezocht, maar gezonden.

O, hoe heerlik is het, een kind te zien uitgroeien, zich te zien ontplooien, en hoe weldadig werkt de zon der moederliefde dan op dat in bewaakte vrijheid uitgroeiende wezentje. Dáár kan godsdienst zijn, ook al worden er geen onbegrepen gebedjes gepreveld, geen onverstane Bijbelteksten gelezen. Daar kan in Vader en Moeder de christelike liefde werken, daar kan Christus' geest zegenend heersen, daar--ook al wordt Zijn naam niet genoemd--kan Christus tegenwoordig zijn: "waar liefde woont, daar woont Hij zelf." Maar in menige christelijke kring is Christus ver te zoeken. Hier bij Fröbel ten minste...

"hoe weldadig de schooluren in Frederik's toestand inwerkten, zij gaven hem toch de treurige ervaring, dat het elders beter was dan thuis. De tegenstelling van zijn geluk in de school en van zijne aanhoudende vervolging in huis, kwam tot een smartvol bewustzijn, en hij begon heimelijk zijne broeders gelukkig te prijzen, die op eene andere plaats werden opgevoed."