Part 4
Toch kunnen we de straffen niet missen, maar dan dienen ze een anderen naam te dragen, in overeenstemming met hun dienst. In elke kleinere of grootere samenleving heb je de ongebonden naturen, die zich niet naar de eischen van het geheel of de rechten van hun gelijken willen schikken, en tegenover hun aanmatiging moeten we ons zelf en de maatschappij beschermen door _dwangmaatregelen_. Wil je niet, dan zal ik je dwingen.
Deze dwangmaatregelen hebben echter geen opvoedend, wel een regelend, een formeerend, een fatsoeneerend, een dresseerend karakter. Het individu wordt er door gekneed tot een bepaalden vorm, gedresseerd tot een bepaald handelen, en daardoor wordt hij wel bruikbaarder en dus practisch beter, maar niet moreel beter. Zoo min als we de moraliteit kunnen prijzen van een machinerad, dat precies in de tanden van een ander rad grijpt en zoo medewerkt tot een onberispelijk loopen van de heele machine, zoo min kunnen we zedelijkheid eeren in de onder pressie van dwangmaatregelen geproduceerde braafheid.
Er is geen zedelijkheid zonder vrijheid.
Wie dus zijn kinderen--of menschen!--wil opvoeden, d. i. wil doen ontwikkelen tot zedelijke karakters, gunne hun een zoo groot mogelijke vrijheid en onthoude zich zoo veel mogelijk van straffen. De kracht, waarmee hij hen leidt, ga uit van zijn eigen reine en rijpe persoonlijkheid, en van de ook in den kinderleeftijd reeds tot wijsheid voerende Ervaring.
Het klinkt mij als een idiootheid, wanneer ik hoor: "Je hebt de bessen van het boompje geplukt, nu mag je voor je straf een week niet in den tuin." Het had zin, wanneer men zei: "Je _kunt_ dus blijkbaar nog niet _zonder toezicht_ in den tuin." In zoo heel veel gevallen kan men aan kinderen (en volwassenen!) zelf de keuze laten, of ze zekere vrijheid voor hun verantwoording durven nemen, ja of neen. En in plaats van hun allerlei vrijheden te ontzeggen, moedige men hen juist aan, vrijheden, _en daarmede verplichtingen_, voor hun rekening te nemen.
EEN ONBEVOEGDE.
"Ik kan 't niet vinden met dat kind," Zegt hij, "en 'k laat het dus maar staan." Wat zoudt ge zeggen, waarde vrind, Als zoo met u eens werd gedaan? Zoo streng straft gij der kindren schuld, En ge eischt nog zelf zooveel geduld.
V. VAN BUITEN? OF VAN BINNEN?
Een kleine jongen loopt met zijn hoofdje tegen de tafel. 't Is een geweldige bons en 't arme kind schreeuwt het uit van de pijn. Moeder vangt haar kermend ventje in de armen, kust zijn tranen weg, troost hem met zoete woorden, smeert wat zalf op het gezwollen voorhoofd en haalt wat lekkernijen uit de kast, om haar lieveling na die pijnlike botsing wat strelende afleiding te bezorgen. Dit is alles van Moeder natuurlik, verklaarbaar en goed. Geen moeder behoeft anders te doen. Maar--nu gaat ze met haar jongen naar de tafel en zegt: "Stoute tafel! Geef de tafel maar een klap." En dit is schromelik verkeerd. Al zal de tafel van die klap niet bederven, zoveel te erger haar eigen kind, dat nu al vroeg in de valse waan wordt gebracht, dat de oorzaken van zijn pijnlike ervaringen buiten hem liggen, terwijl ze _in_ hem zitten. Een waan, die menig mensenleven bederft, waar hij alle zedelike loutering onmogelik maakt.
VI. ZEG MAAR JA.
I.
"Meester, daar is iemand om u te spreken."
De meester gaat naar de schoolgang en ziet daar een man staan met een jongen van een jaar of tien. Die jongen is een van zijn leerlingen en die man is zeker de vader.
"Wat blieft u?" vraagt de meester met een nog al vriendelik gezicht.
"Meester, ik wou u vragen, of Piet eens een dag vrij mocht hebben, om met me te gaan vissen."
Nu betrekt het gelaat van de meester.
"Een dag vrij? Om te gaan vissen? Neen, dat kan ik onmogelik toestaan."
Doch nu betrekt er ook een ander gelaat. Piet staat naast zijn vader, netjes met zijn petje in de hand en de ogen blij verwachtend naar de meester opgericht. Nu de meester echter spreekt van onmogelik toestaan, beginnen zijn lipjes wat te trillen en komt er iets zenuwachtigs in zijn ogen.
"Want ziet u," gaat de meester voort, "als hij een dag wegblijft, mist hij weer zoveel, dat de andere kinderen dan natuurlik hebben, en als hij dan terugkomt, begrijpt hij niet, wat we dán weer behandelen."
"Maar Meester, hij blijft nooit thuis."
"Ja, dat is ook maar goed ook, want hij is toch al niet van de vlugste, en als hij thuis bleef zou hij zeker nog meer achter raken en niet verhoogd worden."
De vader zwijgt een ogenblik. Hij is een bescheiden man en de meester heeft natuurlik gelijk. Als Piet een dag niet op school komt, leert hij die dag niet, en dan leren de andere kinderen wel, en dan raakt Piet dus achter. Daar is niets tegen in te brengen. Die goeie man denkt, dat leren hetzelfde is als b.v. aardappelen poten: als je ze in den grond steekt, zitten ze en blijven ze zitten. Hij heeft er helemaal geen idee van, dat de leeraardappeltjes, die wij poten, weer net zo vrolik _uit_ de grond springen als wij ze er in hebben gestopt, en dat je ze er wel tienmaal in moet stoppen, eer ze eindelik voor goed blijven zitten. En hij kan de meester dus onmogelik tegenspreken.
Toch--hij voelt het warme handje van zijn jongen, die naast hem staat, in zijn hand--toch kan hij 't verzoek nog niet opgeven. Hij had thuis tegen Piet gezegd, dat hij net zo lang vragen zou, tot de meester ja zei, en in die zekerheid was Piet blij met hem naar school gegaan. En dan, hij had er zelf ook zo'n plezier in. Hij had maar zo zelden een dag vrij, en 't kon nu dus net zo mooi. Als de meester maar een beetje toeschietelik wou zijn.
"Kom, Meester, zou hij dan dat werk niet kunnen inhalen? Misschien kan ik hem thuis een beetje helpen. Ik weet wel niet veel, maar..."
Doch eer de man uitgesproken had, zegt Meester: "Neen, beste man, dat gaat niet. En bovendien, waar zou dat naar toe moeten, vandaag de een verlof en morgen de ander, want natuurlik, als ik het de een toesta, kan ik het de ander niet weigeren. En er gaat toch al zoveel van het onderwijs verloren. Je moest eigenlik zelf wijzer wezen en die dingen niet vragen. De kinderen hebben maar één jeugd, en één schooltijd, en die mogen ze wel goed gebruiken. Als ze eenmaal van school af zijn, is 't uit met hun leren. Laat ze dus nu hun tijd maar nuttig besteden. Voor uitgangen hebben ze de vacanties."
"Ja Meester, u hebt wel gelijk, maar in de vacantie ben ik daarom niet vrij."
"Ja, dat is nu wel jammer, maar daar kan ik niets aan doen. School is school, en uitgaan is uitgaan. Dat zijn twee afzonderlike dingen."
Deze laatste woorden zegt de anders niet onvriendelike meester wat korzelig, zodat vader en zoon begrijpen, dat alle verder aandringen vruchteloos zou zijn en maar tot onaangenaamheden leiden. Ze keren zich dus langzaam om. "Als het dan niet kan, in vredesnaam, dan kan het niet," zegt de man, en dan tot zijn jongen: "Dan moet je morgen maar gewoon naar school gaan."
"Zeker," zegt de meester, met goedmoedige stem, "dat is heus het beste voor hem."
En vader en zoon gaan weg, zwijgend, met lome schreden, en vooral de kleine met een geheel terneergeslagen gezicht.
* * * * *
O, die braafheid! En die degelikheid! En die paedagogiese beginselvastheid! Ik wou, dat ze die meester met zijn dierbare zorg voor de geestelike ontwikkeling van die arme jongen een vol jaar in de "Paedagogische Bibliotheek" opsloten. Dan kon hij zijn hart ophalen aan opvoedkundige ernst.
Een dag met je vader uit vissen! Maar wist die paedagoog nu niet, hoe dat voor een jongen een zaligheid is, waarbij zo goed als niets haalt? Een dag, een vólle dag, en dan een schooldag, uit vissen--met je vader! 't Is zo uit de duffe, stoffige, roezemoesige stad- en schoolwereld verplaatst worden in de frisse, zuivere, rustige natuur, en daar vrij rondzwerven--met je vader!
Ik herinner me nog zo goed, wat zo'n dag voor mij was. 's Avonds te voren hadden we de hengels al in orde gemaakt en de snoeren nagekeken met de simmen en de haken. En dan hadden we voor vijf centen wormen gekocht en die verdeeld over eenige wormenbakjes, met wat aarde er in. En dan had Moeder een grote hoeveelheid boterhammen gesneden met "wat er op", en die had ze tegen 't uitdrogen tussen borden en onder stenen deksels geborgen. En dan hadden we alles netjes en ordelik bij elkaar gelegd, om het de volgende morgen gereed te vinden, en waren vroeg gaan slapen. Slapen vóór 't donker was, dat ging moeilik, en we woelden dan ook nog al wat heen en weer. Maar eindelik kwam de slaap toch en sliepen we vast door, totdat Moeder ons, omstreeks half vier, met zachte stem wakker riep. Ze had ons eigenlik wel willen laten slapen, we sliepen zo lekker, en ze gunde ons die rust zo graag. Maar ze gunde ons ook 't genot, en dus: "Toe jongen, vader is al klaar." En dan sprongen we er uit, kleedden en wiesen ons slaapdronken, aten onze boterham, dronken een glas melk, pakten ons boeltje bijeen, gaven Moeder een zoen en stapten met Vader de deur uit, waarna Moeder ons nog nakeek totdat we groetende de hoek omsloegen.
Wij mochten de hengels dragen. En nu ging het in de kille morgenlucht, straat in straat uit, door het in ochtendschemer nog rustende Amsterdam, naar de Willemspoort. Even daarbuiten was de Haarlemmerweg langs de Haarlemmervaart, en hier lag de trekschuit klaar. We sprongen er op, als oude bekenden, legden onze hele bagage van hengels, wormenbakken, visnetten en proviandzakken op 't dek, en liepen dan eens naar beneden, of het in de kajuit nog al gezellig was. Nee hoor, 't was boven 't leukste, en we bleven dan ook boven, al mocht straks, onder 't varen, het morgenwindje wat koel om de oren blazen.
Hoe heerlik, de zon te zien opgaan, zo'n grote gouden schijf, oprijzend uit de nevelen over de vochtig groene weiden. En al die boerderijen, telkens weer een andere. En de boerenwagens, rijdende naar de stad. En dan weer eens aanleggen, om goederen of mensen te laden. En dan dat lekkere frisse gekabbel en geklots van het water. En het wuiven van het slanke riet, langs de kanten. Hier en daar zag je er een hengel uit steken, en als je er dan voorbij voer, zag je een opening in 't riet en daar in 't gras zat een visser, helemaal in z'n eentje. "Morgen!" riepen wij hem toe. "Geeft het wat?"--"Niks gedaan, hoor! Ze bijten vandaag niet."--Maar wij gingen verder. Van die drukke trekvaart moesten we niets hebben. We gingen naar Halfweg, en daar had je uitgestrekte plassen. Dat was ons viswater. Daar zaten ze. Mooie baars en snoek. En die zouen wel bijten.
Door Sloterdijk heen en dan nog eens zo'n vaart, een nog langere. Hè, wat was de zon al warm. Lekker zo in de koele morgen. Wil je wel geloven, dat ze langzamerhand al begon te steken? Maar je kon 't best uithouden. En naar beneden ging je in geen geval. Daar was niets te zien. En hier--wat ruim en hoog en mooi!
Eindelik waren we in Halfweg. In een klein herbergje gebruikten we een kop warme thee, zo'n klein, gezellig herbergje, met biezen stoelen om oude, verveloze tafeltjes, en waarvan de boerin als een oude kennis met je sprak. En dan naar buiten, naar 't water. Snoeren afgewonden, vastgebonden, hengelstukken in elkaar gedraaid, aas aangeslagen, en gauw eens even ingelegd, om te zien, of de sim verschoven moest worden. Dan een rustig schilderachtig hoekje opgezocht, en je daar een poosje verstopt tussen 't riet.
O, hoe heerlik is 't hier. Zacht golft het riet. Vóór je glinstert de watervlakte in levende rimpeltjes. En daarop danst of eigenlik trilt de dobber, het gladde, rode kopje met de doorgestoken pen. Die stijve pen heeft zo iets eigenwijzigs, iets eigengerechtigs, iets pedants. Een ietsje maar. Maar toch genoeg, om een komiese indruk te maken te midden van deze harmonie van ruisend riet en rimpelend water.
Wanneer je op de grond zit, met je oog dicht bij het water, wat is dan die glinsterende vlakte groot. Telkens verdwijnt de dobber uit je gezicht, niet doordat hij er niet meer wezen zou, o neen, dat pedante pennetje blijft aldoor even eigenwijzig boven het rode kopje uitsteken, of die hele goud-glinsterende kabbeling voor zijn plezier zoo schittert en trilt. Maar, wegdoezelend onder het zachte suizen en ruisen, raak je gauw in dromen verloren, en dan zie je niets meer dan een dooreenmengeling van groen en donker met gouden tipjes, waarin het pedante pennetje volkomen verdwijnt.
"Jongen, je hebt beet!" roept daar plotseling een stem achter je. Je trekt snel op, en boven 't donkere water schittert een zilveren vis, spartelend door de lucht. Hè, je hart klopt in je keel. 't Ging ook zo onverwacht. "Je moet niet zitten suffen," zegt de goedmoedige visser nog. "Anders vang je niet."
Je moet niet zitten suffen. En toch, na een poosje, daar is het weer. Is het de buitenlucht, die je zo soezerig maakt? Of dat stralende hemelblauw? Of ben je misschien te vroeg opgestaan voor zo'n kleine jongen? Langzamerhand komt het weer over je. Alles om je heen zingt met zachte, suizende stem. En boven dat stille natuurzingen uit hoor je telkens heldere klanken van vogels, van rietvinken. En dan strooien de leeuweriken, hoog uit het hemelblauw, naar alle kanten hun smeltend getierelier, hun zangerige serpentines, die de lucht vervullen als hoorbare zonneschijn. Daar komt het weer. Je drijft weer weg in vergetelheid. Het pennetje, het stijve, pedante pennetje, schiet naar beneden, als een eigengerechtige paedagoog, die door meester Duivel plotseling in de hel wordt getrokken. Maar je ziet het niet, je bent weggezonken in de vrede van een heerlike harmonie, totdat een ruk aan je hengel je wakker schrikt uit je dromerijen en je snel ophaalt met al weer een goud-gevinde vis aan het eind van je snoer.
Vader is intussen aan 't rondvissen van de plas. Echte vissers zitten nooit. Die lopen aanhoudend verder. Ze wachten de vis niet af, maar zoeken ze op, telkens hun verleidelik aas trillend inleggend in al weer een nieuw plekje krozig water. En zo is Vader een heel eind van ons af geraakt. Dat geeft ons een gevoel van eenzaamheid, dat ten laatste wat neerdrukkend werkt. Daarom staan we op, winden het snoer om de hengelroe, en gaan op stap, vijf, tien, vijftien minuten ver, totdat we weer bij Vader zijn en daarmee een behagelik gevoel van veiligheid en stille gezelligheid herkrijgen.
De ganse dag gaat het zo door, totdat de namiddagzon naar huis wenkt. Eerst wordt hier buiten, op een vlotje, de gevangen vis schoongemaakt, van schubben en ingewanden en vinnen ontdaan, daarna in een netje met gras gepakt, en nu, naar de schuit, jongens! Daar heb je het jagertje, vooruit! Op het dek liggen we uit te rusten van de vermoeiende dag, slapende komen we in Amsterdam. Daar maakt Vader ons zachtjes wakker, en aan zijn hand slepen we ons door het eindeloze stratennet voort. Thuis de vis in een emmer fris water uitspoelen. Morgen zal Moeder ze bakken. Of misschien vanavond nog? Eer de pan op 't vuur staat, liggen wij al onder de wol en soezen te midden van buitenlucht en zonneschijn en ruisend riet en glinsterend water. Uit een diepe slaap worden we de volgende morgen verkwikt wakker en gaan naar school, om de verloren schade in te halen.
* * * * *
Hebt ge wel opgemerkt, waarde lezer, dat ik in die herinnering aan een dag uit vissen vanzelf uit de verleden tijd in de tegenwoordige tijd ben overgegaan? Daar zou mijn vroegere taalmeester zeker een dikke blauwe streep doorheen gehaald hebben. Dat mochten we niet doen. Als we in de verleden tijd begonnen waren, moesten wij daar ook in blijven, al dwong de levendigheid van het gebeurde ons ook nog zo tot een voorstelling in het heden. Maar de artikelen voor Sch. en L. gaan niet eerst door de handen van een blauwgepotlode taalmeester en zo verschijnen ze onder uw ogen met al de ongerechtigheden van de onverbeterde en onverbeterbare schrijver.
Eén ding wil ik echter wel zeggen, dat ik n.l. nooit die sprong uit de voorbijgegane tijd naar de huidige zou hebben gemaakt, als ik nu nog een dag uit mijn vroeger _schoolleven_ had moeten beschrijven, in zoverre, dat leven een _leerleven_ was onder de leiding van de meester, want--ik zou eenvoudig niet in de verleden tijd begonnen zijn, ik zou _helemaal_ niet begonnen zijn, om de afdoende reden, dat ik me uit dat leerleven niets meer herinneren kan. Wel weet ik nog van de streken en ondeugendheden, die we in en om de school uithaalden, maar--is het niet leerzaam?--van het echte leerleven, waarom we dan toch jaren achtereen dag aan dag naar school gingen, weet ik zo goed als niets meer af. Ik zou geen schooldag kunnen beschrijven.
En wel een dag uit vissen? En dat, hoewel die slechts bij hoge uitzondering voorkwam, terwijl de schooldagen regel waren?
Zo is het. En hieruit ziet men, hoe dat leerleven buiten het hart der kinderen omgaat. Die kleine jeugdmensjes leiden dan ook eigenlik twee leventjes: één echt kinderleven, en een ander schijn leerleven; het eerste natuurlik, het twede kunstmatig; het eerste van binnen uit gegroeid en beheerst, het andere van buiten af opgedrongen en bedwongen; het eerste met hun volle hart, het andere met hun verplichte gehoorzaamheid. Is het wonder, dat ze zich in later jaren weinig of niets meer van dat laatste herinneren, terwijl het eerste tot in hoge grijsheid toe levendig voor den geest staat? Waar er geen innerlik contact is tussen het nodig geoordeelde leerleven--óók, o geliefde broeders van de christelike en katholieke scholen, tussen het nodig geoordeelde godsdienstige leerleven--en het waarachtige leven des harten, het groeiende gevoelsleven, daar dragen de kinderen het eerste als een kleed, dat ze straks uittrekken en vergeten. Neen, nog minder. Daar is het leerleven hun een stuk pakpapier, waarin ze een deel van hun gevoels- en geluksleven moesten inwikkelen en dat ze straks achteloos laten vallen en wegwaaien, wanneer dat gevoels- en geluksleven onbelemmerd mag uitgroeien. Dan zwerven de oude schooldagen als verfrommelde krantenpapieren over de straat, terwijl de oude geluks-uurtjes als kostbare schatten der jonkheid worden meegedragen met dankbare liefde.
Daarom, paedagogen, als een jongen een dag uit vissen wil gaan met zijn vader, zet dan geen gewichtig paedagogen-gezicht en weiger het die jongen en zijn vader niet, maar zeg ja, en zeg dat met je volle hart, innig overtuigd, dat die jongen daar voor zijn leven meer aan heeft, dan aan het onmisbare stukje leerstof, dat hij nu uit uw methodiese gang moet derven. Vrees niet, dat hij achter zal raken. Het leren gaat zo ontzettend langzaam, dat de andere kinderen in die éne dag onmogelik zo ver vooruit komen, dat hij 't niet zou kunnen inhalen. Gun het kind zijn dag van vreugde, ook wanneer hij een ondeugende bengel is, die 't eigenlik niet verdiend heeft. Ja, sta het hem dan vooral toe. Een weigering verbetert hem _nooit_. Een inwilliging misschien. Laat genade voor recht gelden en ge zult eens zien, wat heerlike uitwerking dat vaak heeft.
En wanneer ge het vissen een onedel en wreed vermaak vindt, dat ge zelf niet meer zoudt kunnen smaken, zeg dan toch ja. En dat nog wel zonder door een preek het genot van de jongen voor die dag te bederven. Met een preek bekeert ge de jongen en zijn vader niet. En een dag natuurgenot, zij het vissende, is ook een preek van overtuigende welsprekendheid. Dat weet ik uit mijn jeugd, waaruit ik tal van andere preken glad vergeten ben. Vooral een dag natuurgenot--met je Vader.
II.
Waarom heb ik die geschiedenis van het vissen zo in den brede verteld? Kan ik dan niet volstaan met eenvoudig te zeggen, dat en waarom het zo goed is, de jongens eens een dag vrij te geven? Zeker, maar ik moest doen uitkomen, doen vóélen, wat zo'n vrije dag voor een jongen betekent, opdat de onderwijzers, voor zo ver ze 't nodig hadden, tot instemming werden gebracht. Er zijn er nog zo veel, die bij de almacht der school zweren. En nu is het wel goed, dat we geloof hebben in de noodzakelikheid van onze arbeid, in de onmisbaarheid van onze taak, maar dat mag niet gaan leiden tot overschatting. Wie hiervan genezen wil worden, moet zich eens heel krachtig zijn eigen vroeger schoolleven indenken. Dan zal hem blijken, hoe dat als een grote eenvormigheid in de verte ligt, waaruit best een dagje en wel een weekje gemist kon worden. Vooral onze bij millimeters ineengelegde methoden voeren ons tot de overschatting van het détail, alsof met het overslaan van één schakel het hele verband ineens verbroken was. Neen, het verstand der kinderen groeit niet door onze methodiese kleinigheden. De kinderen verkeren korter of langer tijd in een stuk nieuwe leerstof, gaandeweg wordt dat hun eigendom, en soms, ineens, wordt het hun bewust. Dan breekt de nieuwe kennis door. Leren gaat langzaam, veel langzamer dan wij gewoonlik denken. Wilt ge eens echt ervaren, hóé langzaam? Herinner u dan maar even, dat het rechte inzicht in vermenigvuldigen u pas duidelik werd, toen ge deze kunst zelf aan 't onderwijzen was. Hebt ge zo iets nooit ondervonden? Toch meende uw onderwijzer vroeger heel zeker, dat ge de zaak volkomen begreept. Dat komt: hij zat toen in zijn eigen denken verdiept in plaats van in dat van zijn leerlingen. En dat zal met ons nu ook wel eens het geval wezen. Wanneer we de hersenwerkzaamheid onzer leerlingen konden meemaken, wie weet, met wat een geduld we aanstonds onze tred vertraagden, en hoe gans onbekommerd we de jongens een dag uit vissen stuurden, zo niet een week.
Maar nu heb ik nog iets anders. Bij voorbaat moeten de onderwijzers--ik bedoel de niet-schoolhoofden--me echter beloven, dat ze niet kwaad zullen worden. Want wat ik zeggen ga, is geheel in hun voordeel. Maar, sommigen zijn zo gauw op hun zelfstandige teentjes getrapt, dat een bovenmeester--zo heet de verguisde nog hier in de residentie--uiterst voorzichtig moet wezen, dat hij zelfs in zijn goedaardige vlagen de vrienden niet beledigt en tegen zich in 't harnas jaagt.
Weet ge, wat ik zeggen wou? Dat ook die bovenmeesters maar ja moeten zeggen, wanneer een onderwijzer eens een dagje uit vissen wil gaan, nu wel niet met zijn vader, maar met zijn jongen. Uit vissen, of op een andere wijze uit genieten. Want voor een onderwijzer kan het toch ook zo'n verrukkelik ding wezen, eens een dag buiten te dwalen, terwijl de hele wereld school heeft. Ik weet natuurlik niet, of anderen net zulke boosaardige égoisten zijn, als ik, maar ik geniet het meest van een vrije dag, als anderen lekker in school zitten. Dan is het geen officiëele vacantie, en toch ben je vrij. Dan ziet de wereld er heel anders uit. Dan kijk je al in de stad de straten en mensen, ook vooral de straatventers en de winkels, met heel andere ogen aan dan gewoonlik. Dan smul je zo gemeen in het geroezemoes, wanneer je toevallig een school voorbijkomt, waarin de kinderen hardop leren of de meester luid aan 't oreren is. Dan heb je net een gevoel van een vogel. Je bent vrij te midden van een gebonden wereld. En als je dan naar buiten gaat, o naar _buiten_, naar dat voor een stadsmens zo zalige buiten, dan geniet je dubbel, neen honderdvoud. Dan drink je het groen van de weiden in, of je zo ineens met een naar stilte en schoonheid dorstende ziel uit de dufheid der methodiek verplaatst bent naar de frisheid der natuur. Dan geniet je op één dag voor een jaar. Maar 't moet een weekse dag zijn, geen zondag, en geen algemeen vrije dag. Een extratje, zoals wij menschen malkaar te weinig gunnen en bezorgen.
Heb ik nu de zelfstandige onderwijzers kwaad gemaakt? Of zijn ze zo zelfstandig nog niet, dat ze nog wel zo'n dagje uit bovenmeesterlike hand willen ontvangen?
* * * * *
Wat is de wereld toch hatelik. Daar sist iemand me onder 't schrijven toe, dat ik niet zo kinderachtig moet zijn. Grote mensen zijn veel te degelik, vooral volwassen opvoeders, om op die wijze behandeld en besproken te worden. En verbeeldt zo'n bovenmeester zich soms, dat hij iets meer is, een halve godheid bij voorbeeld, die de arme, sjofele klasse-onderwijzer met een vrij dagje genadiglik verblijden kan?