Part 3
Neen, klaag niet, dat je jongen de modellen van zijn bouwdoos stil laat liggen. Dat behoeft nog volstrekt geen kwaad teken te zijn. Maar klaag, als hij bij zijn eigen bouwerij niet volhardt, als hij zich door de minste tegenspoed laat terneerslaan, als hij van het een naar het ander gaat en zich nooit in zijn spel verliest, als hij even snel zich losmaakt als hij zich hechtte, als hij zich eigenlik helemaal niet hecht, als hij--maar 't beeld is onjuist--gelijk een vlinder van bloem tot bloem zweeft--ik zeg, 't beeld is onjuist, want een vlinder volhardt in 't honingzoeken en móét dus van bloem tot bloem zweven, ja, klaag niet, als hij de vrijheid van eigen wil, maar als hij de vrijheid van eigen niet-willen begeert. Klaag dan, of, nog liever, klaag dan niet, maar _leer_ je jongen zich te bepalen, bij zijn spel, zich te verliezen in zijn genot. Léér hem volharden. Of dit mogelik is?
* * * * *
Hoe weinig wordt dit echter op de juiste manier geprobeerd. 't Gaat meestal met kommando's, standjes, verwijten. Men maakt zijn jongen dan 't volharden tot een onaangename plicht, en vergeet, dat men 't kind juist het noodzakelike en het vreugdevolle van de volharding moet leren kennen. Men laat dan het kind vol tegenzin tobben aan een voor hem moeilike, te moeilike taak, en vergeet alweer, dat een klein beetje hulp te gelijk de moeilikheid en de tegenzin overwint.
Het is over 't algemeen niet goed, dat we ons te veel met het spel of het werk der kinderen bemoeien. Als ze met hun volle hart bezig zijn, laat ze dan maar scharrelen. Doch heel iets anders is het, als we hen moeten _leren_, bezig te zijn. Dan moet de volwassene, wanneer de kleine zijn moed of lust dreigt te verliezen, op het juiste ogenblik ingrijpen en met zijn meerdere kracht en zelfbeheersing de zwakke beginner wat zekerheid en stabiliteit geven. Daardoor helpt hij hem over het dode punt heen, voorkomt het opgeven, het wegzinken, bevordert het voortgaan en opklimmen.
Sommige moeders hebben er zo verbazend aardig de slag van, om midden in hun bezigheden hun werkende kleinen een handje te helpen. Je hebt ook onderwijzers, die dat zo leuk kunnen. 't Lijkt, of ze met de kinderen meeleven, of ze in hun hartjes kunnen lezen. Ze voelen als instinctief, waar en wanneer een steuntje nodig is, en brengen dat op 't goede moment aan. En zodra ze dan de kleine zoekers en worstelaars over de moeilikheden hebben heengebracht, laten ze hen weer met frisse moed verder gaan.
Dit is de goede manier, om kinderen te leren volhouden. Zodra de lust of de kracht dreigen te gaan falen, speel je, werk je een poosje mee. Dan zwellen de slappe zeilen weer aanstonds en vaart het scheepje lustig verder. Kleine kinderen, en ook grotere, hebben wel eens een gangmaker nodig. En zijn het alleen kinderen, die zo nu en dan wat hulp van buitenaf behoeven?
Je ziet dus, dat je niet bezorgd hoeft te wezen over het gemis aan nabootsings- en nabouwingslust bij je jongen, mits hij in zijn vrije bouwerijen maar volharding betoont. En mocht hem hierbij die volharding ontbreken, dan weet je, hoe jij hem daarin te oefenen hebt. Niet door standjes en verwijten, zelfs niet door preken en zedelessen, maar door hem _aan jouw hand_ te leren volharden. Ik voel er altijd heel veel voor, dat de meerdere braafheid en wijsheid en kracht der ouderen verbeterend, verlichtend, versterkend werken op de jongeren, door _mede_strijden, _mede_zoeken, _mede_werken, in één woord, door mede_leven_. En die algemene regel zou ik ook in dit geval toegepast willen zien.
Niet, dat ik daarvan alle heil verwacht en afdoende verbetering. _Afdoende_ verbetering zien we niet zo dikwijls in ons leven, zelfs niet bij de bestrijding van onze _eigen_ euvelen. Maar indien er door opzettelike opvoeding, door ingrijpen van volwassenen iets zal worden bereikt, dan is het m. i. nodig, dat die volwassenen zich één voelen, één maken met de jongeren en ze zo meevoeren.
Aan Moeders hand. En ook aan Vaders hand.
Ik vind er altijd zo iets aandoenliks in, wanneer ik op Zondagnamiddag vaders en moeders met hun kinderen van de wandeling zie thuis komen, en de kleinen hangen half aan vaders of moeders hand. Toen het gezinnetje uitging, waren de kinderen nog fris, liepen ze los en speelden onderweg. Maar nu de wandeling achter de rug is, zijn de kleintjes moe. Ze beginnen te drentelen, lopen steeds langzamer, slepen zich voort. Ze mogen echter niet achterblijven, ze moeten mee, ook zij moeten naar huis. Nu neemt Vader zo'n klein, warm handje in zijn grote hand, en zie, het kind loopt aanstonds gemakkeliker. Desnoods draagt hij het moede kind zelfs een eindje. Maar dan zet hij het weer neer, houdt het bij de hand, en verlicht zo de laatste loodjes, die 't zwaarst wegen. Aan Vaders hand komt het kind over de moeilikheden heen en veilig thuis.
Waarom zou die hand echter alleen mogen aangeboden worden bij lichamelike vermoeidheid? Er is toch ook vaak een tekort aan geestelike en aan zedelike kracht? Ook hier kan Vaders en Moeders hand worden uitgestoken. En aangegrepen.
Je kent de plaat, waarop een drenkeling een rots (de rots der eeuwen) heeft beklommen en nu de hand reddend uitsteekt naar een andere drenkeling, die nog worstelt in de schuimende golven. "Helpt elkaar!" staat er onder. 't Is de plicht van de geredde christen, op de rots der eeuwen gered uit de branding van de zee der wereld, om nu ook andere strijders te helpen. Helpt elkaar!
Wanneer deze plicht geldt voor volwassenen onder elkander, hoeveel te meer geldt hij dan in de verhouding van opvoeder tot kind. Helpt elkaar. Maar helpt dan ook, helpt dan toch in de eerste plaats het kind. Niet, als 't _niet_ nodig is. Ook niet, _meer_ dan nodig is. Maar toch wel, _zoveel_ als nodig is.
Hoe menigeen is op de weg bezweken, die, als hij een poosje aan Vaders hand had mogen gaan, wellicht veilig was thuisgekomen.
Nooit is de invloed van de opvoeder groter, dan wanneer hij zich met zijn volle persoonlikheid aan de jongeren en de zwakkeren geeft.
Denk hier eens aan, ook bij de simpele kwestie, of je jongen zijn gebouwen afmaakt of in de steek laat. En lees dan eens Romeinen 15 vers 1.
II.
En nu heb je nog een twede klacht, een klacht van geheel andere aard. Je kleine vent heeft er plezier in, "vieze woordjes" te zeggen. Dit vind je nu wel niet zo _verschrikkelik_ erg, maar het hindert je toch. Jij en je man hebt beide een natuurlike afkeer van al wat in woord of daad een beetje onvoegzaam is, en daar komt je enige jongen nu en zegt woorden, die jullie nooit gebruikt, en zegt ze met opzet, met plezier, wetende dat hij daarmee iets onbehoorliks doet. Hoe komt het kind er aan!
Op die laatste verzuchting ligt het antwoord gereed. Natuurlik heeft hij 't van andere kinderen geleerd. Hoe zou hij er anders aan komen? Al ben je nog zo kieskeurig op de speelkameraadjes, voor de kennismaking met dit kwaad bewaar je je kinderen niet. Het komt voor onder de jeugd van alle standen, volstrekt niet uitsluitend en misschien zelfs niet in de ergste mate bij het plebs, het komt voor onder de bevolking van wel iedere school, onder jongens en meisjes, en je zoudt je kinderen een goeverneur moeten geven, nooit ze uit spelen of logeren laten gaan, wilde je ze voor de aanraking met dit kwaad behoeden. En dus is er niets aan te doen?
Dat beweer ik niet. Al hebben de ouders hier niet rechtstreeks schuld in zoverre ze hun kinderen niet met een plezier-hebben in onbehoorlike taal zijn voorgegaan--wat ook voorkomt--toch hebben ze schuld. Zij hadden het kwaad kunnen voorkomen. Niet de kennismaking, maar de besmetting er mee. En dat hadden ze kunnen doen, door hun kinderen tijdig ongevoelig, immuun te maken voor dit euvel. Dit was, naar mijn innige overtuiging mogelik, en dus was dit plicht geweest.
En hoe dan?
Zie eens, je jongen heeft _plezier_ in 't zeggen van die verboden woordjes. Dit plezier is onnatuurlik, en toch ook natuurlik.
Onnatuurlik--want wat voor heerlikheid is er aan? Dat een kind graag lekkere dingen lust, dat het graag fijne geuren ruikt, dat het graag mooie dingen ziet, dat het graag allerlei aangename, strelende zinnelike ervaringen opdoet, dit alles is natuurlik. Niemand zal uit bloot zinnelike neiging walgelike spijzen eten, vieze stanken opsnuiven, vuile dingen bekijken. Alle gezonde, normale individuen hebben een instinctmatige afkeer van hetgeen in een of ander opzicht walgelik is. Zo is er ook een natuurlike afkeer van het zeggen van vuiligheden.
En toch is dat plezier van je jongen ook natuurlik. Hij weet, dat hij die dingen niet zeggen mag. Hij weet, dat het verboden waar is. Hij weet, dat de fatsoenlike wereld voor zekere terreinen gordijntjes hangt. En nu is het zijn plezier, die gordijntjes even weg te schuiven en er achter te kijken, even het verbodene in contact te brengen met het geoorloofde. En dit genot is heel nátuurlik.
Zeg eens tegen een kind, en zelfs tegen een mens, dat hij ergens niet naar moet kijken. Honderd tegen een, dat hij dan juist wél kijkt. Niet uit lust tot ongehoorzaamheid, maar als een noodwendige reactie op uw zeggen. Door dat verbod is in sterke mate zijn belangstelling, zijn nieuwsgierigheid opgewekt, en, eer hij 't zelf weet, kijkt hij. Huygens zegt in Hofwyck, in dit ook opvoedkundig zo rijke gedicht:
Verbiet het quaed te doen, 't is daerom dat men 't doet, En dreigen werdt bevell.
Kan het krachtiger en kernachtiger gezegd? Dreigen wordt bevelen. Ze móéten, omdat ze niet mogen. Doch nu maakt men zich er te gemakkelik af, als men dit bloot aan een zondige zucht tot ongehoorzaamheid toeschrijft. Hier werkt ook de waarheid, en geen zondige waarheid, dat de belangstelling door het verborgene en dus ook door het verbodene wordt opgewekt. Heel het wetenschappelik streven vloeit hieruit voort. Leg alles open en bloot, er viel niet te onderzoeken, er zouden geen Noordpoolontdekkers wezen. Het onbekende, het ongedane prikkelt tot onderzoek, tot beproeven, en in die gevoeligheid voor zulke prikkeling werkt de springader van onze ontwikkeling. Ontsluieren is onze lust, sterker nog, ontsluieren is onze taak. We moeten zien het ongeziene, maken het ongemaakte. En zo is dit wegschuiven van gordijntjes, dit zeggen van verboden dingen, dit overtreden van getrokken grenzen, dit gaan op gesloten terrein volstrekt niet enkel een uiting van ongehoorzaamheid. Trek naar het verbodene wordt gewekt door de aantrekkelikheid van het afgeslotene. En deze aantrekkelikheid is op zichzelf geen verkeerd verschijnsel.
* * * * *
Ik wil hier nog even op doorgaan.
Niet alle _over_treding is over_treding_.
Overtraden we nooit de totnogtoe gevoelde en geëerbiedigde grenzen, dan kwamen we nooit verder. Maar zulk een overtreding moet in de goede richting zijn. Een overtreding is een deugd, als ze ons, over een hogere breedtecirkel heen, een graad verder voert naar de pool der waarheid. Een overtreding is een kwaad, als ze ons, over de zedelike verbodslinie heen, een stap dichter voert naar de poel der zonde. Niet in het overtreden zit het kwaad, maar in het overtreden van de _te recht_ gestelde grenzen. En nu is de fout in menige opvoeding, dat men _ten onrechte_ grenzen stelt en daardoor overtredingen uitlokt, die zonde zijn. Ja, het komt voor, dat men het kind tot overtredingen noodzaakt door het opleggen van onredelike en onzedelike geboden. Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. Ook het kind. Waar het ouderlik gebod in strijd komt met Gods bevelen--denk eens aan moeders, die haar dochter de verkeerde weg op drijven--daar móét een kind, dat zijn verantwoordelikheid gevoelt, het eerste overtreden. Er zijn ook verboden geboden.
Het gaat dus niet aan, de overtreding van een gebod zo maar zonder meer een misstap te noemen en de lust tot overtreden uitsluitend aan een ingeboren neiging tot ongehoorzaamheid toe te schrijven. Willen we in deze bij de opvoeding onzer kinderen zoveel mogelik klaarheid hebben, dan moeten we niet alleen zorgen, dat onze geboden redelik zijn, maar ook, dat de kinderen, indien enigszins mogelik, er de redelikheid van voelen. Door een erkende redelikheid hebben de geboden zedelike autoriteit. En hierin bezitten ze een waarlik bedwingende kracht, waartegen elk verzet ongehoorzaamheid mag en moet heten. De _lust_ tot _verkeerde_ overtreding bestrijden we echter het best, door een afkeer te wekken van de zaak, waarvan we 't kind weerhouden willen. Dan wordt het kind niet door het verbod, maar door het verbodene zelf tegen gehouden. We moeten het verbodene afkeerwekkend en daardoor in zichzelf verbodskrachtig maken.
Dit laatste wordt door vele ouders gevoeld en in de practijk herhaaldelik toegepast. Wil de moeder, dat het kind van iets afblijft, dan zegt ze: "Niet aankomen, 't is vies." Door deze waarschuwing, hetzij ze leugen of waarheid bevat, laat een kind zich weerhouden om 't verbodene aan te raken. Niet het verbod van de moeder, maar de viesheid van het verbodene houdt het kind binnen de grenzen. Zo boezemen sommige moeders hun kleintjes vrees voor dit of dat voorwerp in, door te zeggen, dat "het bijt".
Ik wil deze leugens niet in bescherming nemen, maar in het principe zit iets goeds. Maak het kind afkerig van het verbodene en het zal niet tot overtreden worden uitgelokt, het zal er juist van terug gehouden worden. Inzicht in de zedelikheid van een verbod is op zichzelf niet voldoende. Op een verstandelike overtuiging valt nooit zo te rekenen als op een diepgevoelde afkeer. Verstandskrachten zijn sterker in 't redeneren dan in 't leven. Zuiver redenerende gaat menigeen ten verderve, omdat de gevoelskrachten hem in de steek laten. Maar zuiver gevoelende blijft menigeen, ondanks een zwakke logica, op 't rechte pad. 't Hart heeft zijn levende logica.
We moeten dus:
ten eerste geen verbodsbepalingen stellen, waar dit onnodig of zelfs verkeerd is; hierdoor toch zouden we het kind tot overtreden kunnen verleiden of dwingen en dus de ongehoorzaamheid zelf hebben veroorzaakt; en
ten andere moeten we een overtreding, waar deze verkeerd is en voorkomen moet worden, bestrijden--minder door het simpele verbod en zelfs het gemotiveerde verbod, als wel door een afkeer van het verbodene. De kunst der opvoeding bestaat dan in het wekken van zin en tegenzin, van liefde en afkeer. Waar deze gevoelens zuiver werken, kan de opvoeder zijn kind loslaten.
Natuurlik brengt niemand het zo ver, niet eens bij zichzelf. We moeten in ons zelf nog voortdurend de rechte zin ontwikkelen. Maar dat verplicht ons te meer, 't bij onze kinderen toch vooral daarin te zoeken. We moeten zorgen, dat het verbod als een levende haat in hen werkt en niet als een ongemotiveerde dwang hen prikkelt tot overtreding. En nooit, nooit mogen we ons ouderlik gezag misbruiken--en 't komt meer voor dan men denkt--tot het opleggen van onredelike en onzedelike plichten, want ook de kinderen hebben een geweten, een heilig geweten, en ook voor hen geldt het woord, dat we andermaal aan Huygens ontlenen:
"Maar 't Wereldsche gesagh en gaet niet aen de wortel Van 't heilighe Gewiss,"
ook niet als het "Wereldsche gesagh" het ouderlik gezag is.
* * * * *
En wat heeft dit alles nu te maken met je jongen en zijn vermaak in "vieze woordjes"?
Dit, dat hij nooit zulk een vermaak zou hebben, als hij daarbij niet over gestelde grenzen ging, die in hun rechtmatigheid door hem _niet_ worden erkend; dat hij in géén geval zo'n vermaak zou hebben, als hij waarlik afkeer voelde van het verboden gebied. En dat de schuld dus bij zijn ouders ligt, die hem in dit opzicht verkeerd hebben opgevoed.
Nu hoef je onder deze beschuldiging niet zó diep gebukt te gaan. Je zegt zelf, dat je het kwaad niet zo verschrikkelik vindt. En daar heb je m. i. gelijk aan. Eigenlik is het geen kwaad, maar een onhebbelikheid. Ik voel er geen zedelike fout in, maar iets onsmakeliks, onkies, onopgevoeds. Als er iets kwaads in schuilt, dan zit dit eer in de ongehoorzaamheid jegens de ouders, dan in het zeggen der onbehoorlike dingen zelf. Heel wat volwassenen gaan in deze onsmakelike liefhebberij zelfs hun kinderen voor, zonder dat die mensen dáárom onzedelik zouden zijn of mogen heten. 't Is een kwestie van smaak.
Huygens--je ziet wel, dat ik de laatste tijd weer veel met hem omga--deze waarlik vrome en wijze, deze zeer kundige, ontwikkelde en fijne man, geeft ons honderden staaltjes, dat in zijn tijd oorbare scherts was, 't geen we nu vuile en hoogst ongepast aardigheden noemen. De zin- en woordspelingen op 't gebied van 't physieke leven zijn bij hem legio. Wanneer niemand minder dan Tesselschade zijn gast is, beklaagt hij zich, dat dit mooie weeuwtje ... doch ik wil zijn _tans_ onvoegzame woorden hier niet herhalen. Voldoende zij de verzekering, dat ze naar onze huidige smaak alle perken te buiten gaan, maar dat niettemin Tesselschade er in rijm op antwoordde, en niet alleen Tesselschade, ook menige andere dame werd vergast op dergelike aardigheden, en daaronder dames van de hoogste stand. In hoffelike taal drong de dichter door op voor ons zeer stellig verboden gebied. En dit zou Huygens zeker niet zo openlik gedaan hebben, als hij gemeend had hiermee iets onzedeliks te bedrijven. Of hij hiermee Bijbels was? Paulus zegt in Ephese 4 vers 29: "Geen vuile rede ga uit uwen mond, maar zoo er eenige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien, die ze hooren." Doch wellicht noemde Huygens dit geen vuile rede. Op dezelfde dag, dat hij zulke verzen schreef, stortte hij zijn ziel uit in de godsdienstigste gedichten ter verheerliking Gods.
Hoe het zij, er is een essentieel verschil tussen het debiteren van sommige schuine aardigheden en het bedrijven van onzedelikheid. Maar--op dit verschil mogen wij ons niet beroepen, wanneer door onze nalatigheid onze kinderen zich woorden veroorloven, die wij _op die wijze gebruikt_, beslist veroordelen. Het is onze plicht, zulk een gebruik te voorkomen, en onze schuld, als wij hiervoor niet hebben gezorgd. En hoe hadden we dit gebruik dan moeten voorkomen? Door de kinderen van jongs af juist die woorden _in volkomen reinheid en onbevangenheid_ te laten gebruiken. Die _woorden_ zijn niet slecht, 't _gebruik_ ervan evenmin, maar de _wijze_ waarop ze gebruikt worden, die is in dergelike gevallen slecht. En zulk een _slechte wijze_ voorkomt men het best, door een _goed gebruik_ reeds van te voren aan te wennen.
Bij een goede verhouding tussen moeder en kind is er zo'n echte, zo'n onbeperkte, zo'n volkomen intimiteit. De kleintjes geven zich met hun naakte lichaampjes zo geheel aan moeder, en al de functies van hun groeiend lijfje, moeder kent ze, moeder is van niets vies, moeder regelt ze zelfs. Zou er ook maar één kind zijn, dat zich voor moeder schaamt, dat in de physieke uitingen van zijn lichaam iets onbehoorliks vindt, of dat uit zich zelf zou lachen om woorden, die hij op de meest gewone manier dageliks van moeder gehoord had, gedurende zijn kinderjaren? Al wat bij 't physieke leven behoort, 't is een kind absoluut niet vreemd of onvoegzaam, van zijn geboorte af is hij er aan gewend, en dus kan de taal van dit physieke leven hem evenmin vreemd of onvoegzaam zijn, en ze behoeft dit ook nooit te worden.
Echter, wat bij moeder en vader heel gewoon is, en gepast, behoeft daarom nog niet in de buitenwereld te worden gebracht. Vreemden hebben daarmee niets te maken. En langzamerhand leert het kind in woord en daad tegenover vreemden en in tegenwoordigheid van vreemden een reserve in acht nemen, die in de kleine familiekring nog niet nodig is. Moeder leert hem, dat dit een eis van kiesheid is. De lichaamsdelen en hun functies zijn op zichzelf volstrekt niet onbetamelik. God heeft de mens aldus geschapen, en zoals God hem gemaakt heeft, is het goed. Maar om velerlei redenen, die een moeder haar kinderen best kan uitleggen, is het raadzaam over sommige lichaamsdelen en lichaamswerkingen niet met vreemden te spreken. 't Is ook absoluut niet nodig. En--dit kunnen we er gerust bijvoegen--een aldus opgevoed kind zal er uit zich zelf ook nooit toe komen. Het denkt er niet aan. Het denkt aan zijn spelen, zijn uitgangen, zijn lekkernijen, later aan zijn lessen, maar niet aan de physieke functies van zijn lichaam, zo min als het b.v. aan de nagel van zijn grote teen denkt en hierover gaat spreken, tenzij die nagel toevallig pijn mocht doen.
Hoe gewoner een kind dit terrein heeft leren beschouwen en bespreken, hoe onvatbaarder het zal wezen voor het vermaak-scheppen in vieze woordjes. Wanneer andere kinderen hem daarmee aan boord komen, begrijpt hij eenvoudig de aardigheid er niet van. Wat is er voor aardigs aan, die dingen te zeggen? Hij mág ze zeggen. Maar hij vindt er niets plezierigs in. Ook niets onplezierigs. Je lacht toch ook niet, als je over je ogen of je oren spreekt, of over je eten en drinken?
Op deze wijze wordt een kind bewaard voor de besmetting met dit kwaad. De natuurlike en reine opvoeding heeft er hem immuun voor gemaakt. En mocht het er mee in aanraking komen, dan zal het--tenzij 't hem al te onverschillig laat--zijn moeder de gehoorde praatjes wel meedelen. En dan heeft deze alle gelegenheid, haar eigen afkeer van zulk soort aardigheden in de kinderen over te brengen. Voor de aantrekkelikheid ervan behoeft ze niet te vrezen, die bestaat voor haar kinderen niet. Maar 't is ook goed, dat deze voelen, hoe min het is, woorden, die men uit kiesheid voor vreemden verzwijgt, te gaan zeggen uit plezier.
* * * * *
Doch nu vraag je, hoe je je jongen dit kwaad weer moet afleren. Niet met klappen, niet met standjes, zelfs niet met ernstige onderhouding, maar allereerst door de door hem met verboden bijbedoeling gebruikte woorden openlik zelf te gebruiken, doch dan natuurlik als de zaak er aanleiding toe geeft. Zodra vader en moeder gewoonweg, zakelik over de dingen spreken, welke de kleine vent alleen stilletjes durft zeggen, is er van dit stilletjes zeggen al gauw alle aardigheid af. Met het wegvallen der grenzen verdwijnt het plezier om er over heen te sluipen. En een nuchter-zakelike bespreking is de dood voor alle verdachte interessantheid.
Ten slotte wil ik je nog iets zeggen. Ik ken kinderen, die van jongsaf _alle_ uitingen van het physieke leven als iets volkomen normaals in reine zin hebben leren kennen, en bij deze kinderen heb ik nooit een spoor van het genoemde kwaad opgemerkt. Hun nuchterheid in dezen sloot volstrekt geen idealisme uit, maar bevroor als een kille vorst alle verdachte grappen. Geen verontwaardiging, maar gevoelloosheid verlamde het plezier van schoolkameraadjes in ongepaste woordjes. Zulk een gevoelloosheid is reinheid. Wapen daar je jongen mee.
IV. OVER STRAFFEN.
Ik geloof niet in de opvoedende kracht van door menschen opgelegde straffen. Tegen de Natuur, tegen het Lot, tegen God, kunnen we niet zeggen: "Blijf van mijn lijf af, bemoei je met je eigen zaken," want we _zijn_ hun zaken. We zijn "producten der Natuur", "speelballen van 't Lot", "kinderen Gods", al naar we 't opvatten, en zeker niemand meent in ernst, dat hij de baas is over de in- en omstandigheden, die zijn leven beheerschen. We onderwerpen ons aan de Oppermacht van den eenig Machtige, en willen zelfs aannemen, dat Zijn handelen rechtvaardig is, ook al kunnen we deze rechtvaardigheid niet altijd _zien_.
Maar tegen de ons straffende _menschen_ verzetten we ons altijd, 't zij feitelijk, 't zij, waar moed en kracht falen, alleen innerlijk. Met onwil en wrevel en toorn worden we jegens hen vervuld en een "fiat voluntas" kan ons nooit met volkomen overgave jegens de straffenden mensch over de lippen, misschien wel mede omdat we gevoelen, hoe hij, niet bekend met _al_ de motieven onzer daden, onmogelijk rechtvaardig kan zijn. Raadpleeg ik mijn eigen leven--en daarin hebben we meestal ons beste paedagogiekboek--dan hebben de straffen mij _nooit_ gebracht tot afkeer van het kwaad, maar wel tot kortstondigen en soms zelfs langdurigen afkeer van den straffer.