Part 16
Men kan vragen, waaraan de schrijver dezer regelen het gezag ontleent tot zulke uitspraken. Dan behoeft hij echter met zijn antwoord niet verlegen te staan en niet eens de geschiedboeken te raadplegen. Het is voldoende, als hij de mensen bij hun medemensen, bij hun vrienden, buren, stad-, stand-, landgenoten, als hij hen bij henzelf bepaalt. Vaak hoort men beweren, dat de geschiedenis een leerschool voor 't heden is. Het schijnt nog aannemeliker, dat omgekeerd het heden de geschiedenis doet begrijpen, en dat op de grote gebeurtenissen in het leven der volkeren, het licht wordt geworpen door de gebeurtenissen in 't leven der individuen om ons heen, door de gebeurtenissen in ons eigen leven.
Treffend is in de laatste moeilike dagen uitgekomen, van welk een eigenaardig karakter onze persoonlike liefde is. De mensen hebben zich gehaast met--niet een buitenlandse vijand, maar hun eigen landgenoten te bestrijden. In allerijl vergoudden en verzilverden ze hun papier, weigerden papier te ontvangen, sloegen buitensporig levensvoorraad in--absoluut niet denkend aan anderen. En zo deden ze tegenover hun medeburgers. Tans, als bij een schouwburgbrand, kwam het eens aan de dag, wat er in de menselike natuur zit: dringt de anderen maar dood, mits wij gered worden.
Dit is precies het tegengestelde van christendom. En deze uiting van broedermoordende zelfzucht is eigenlik nog jammerliker dan de gevoelloze vernielingswoede op 't slagveld. Zij, die de kanonnen doen aanrukken, wagen er ook hun eigen leven aan, terwijl de anderen heel veiligjes met hun zilver en hun voorraad binnen de vier muren van hun bovendien nog _lafhartig_ egoïsme blijven.
Waar aldus de liefde spreekt in eigen kring en eigen hart, behoeven we ons nog niet verontwaardigd te tonen over een inval, die als hoogste nadeel heeft, dat hij _ons_ in ongelegenheid brengt. Geschiedde hij ergens ver weg, in Afghanistan b.v.; onze verontwaardiging zou slinken met het toenemen van de afstand, d. i. met het toenemen van ons gevoel van veiligheid. Neen, er is reden om onszelf eens goed te leren kennen, nu de omstandigheden in ons oproepen wat er in ons is.
Zijn wij bereid tot offeren?
Dat is _de_ hoofdvraag.
Men spot vaak met die oude god der Israëlieten, die offers eiste, bloed van stieren en rammen, en aldus verzoend moest worden.
Maar is de God der Liefde minder wreed?
Kunnen we ons een leven van liefde anders denken dan als een aanhoudend offeren?
Wie zich aan de Liefde overgeeft en uit de volheid zijns harten uitroept: "Zeg _gij_ wat ik doen zal," die moet nog iets anders op 't altaar brengen dan stieren en rammen, die moet als Abraham zijn eengeboorne, als Christus zichzelf overgeven, volkomen.
Ach, we zijn nog niet eens in staat, een beetje gerief te offeren, een beetje ontspanning, een beetje rust. Worden we er toe verplicht, en kunnen we het niet ontduiken, dan klagen we, of, als we 't heel ver brengen, berusten we, zwijgend en hopend. Wáár is de innerlike blijheid der offerende liefde?
Er is nog zo bitter weinig christendom. Ook in ons. En dáár schort het.
Het is niet nodig, hier verder over uit te weiden.
Ieder raadplege eens eerlik zijn eigen hart.
Dan zal hij zien, dat de oorzaak der tans uitgebroken ellende ook dáár schuilt. En dat die oorzaak alleen verzwakt als dáár tenminste wordt ingestemd met de woorden: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.
We leren altijd zo naief uit onze studieboeken "de oorzaken" der verschillende dingen.
Maar zijn die oorzaken iets anders dan variaties van het ene door-en-door onchristelike thema: _Ik?_ Ze zijn slechts de momentele omlijningen der Zelfzucht, tijdelike verschijningsvormen van blijvende krachten. En tegenover haar staat alleen: Bereidheid tot redden.
Wie hiertoe bereid is, voelt zich onder alle dreiging rustig en vredig. Hij heeft de wereld overwonnen. Dat is zaligheid.
XVII. VREDE DOOR RECHT?
"Vrede op Aarde!"
Streng dreigde op steile rots de burcht van 't menslik recht. Gebouwd door Zelfzucht, hief hij koud zijn harde tinnen. Al wat door kracht en list de slotheer wist te winnen, Werd hier beschermd, en zwakke Onnozelheid geknecht.
Een ijzren band van wet haar vrijheid aangelegd, Moest die misdeelde nog haar keetnen erend minnen. Het Recht! Het heilig Recht! Wie dorst de kamp beginnen, Verwaten wensend, dat die "tempel" wierd geslecht?
Onnozel Kind, in 's werelds beestenstal geboren, Aan 't eind uws levens door het menslik recht gekruist, In u zal de aard, der Liefde godlik recht zien gloren,
Dat vrede brengt. O Christus, zelfs door hen verguisd, Die in hun schone naam u heten toe te horen, Geen vrede aleer uw vree door wolk én wereld ruist.
INHOUD.
Blz.
I. Vroege tucht 1
II. In Blaricum 12
III. Een paar klachten 14
IV. Over straffen 35
V. Van buiten? of van binnen? 38
VI. Zeg maar ja 39
VII. Groeien gaat langzaam 61
VIII. Frederik Fröbel 64
IX. Dood-eenvoudig 106
Durven? 135
X. Wek godsdienst in het kinderhart 148
XI. Een moeilik ogenblik 158
XII. Op en om een ringoven 180
XIII. De zedelike opvoeding moet bij de volwassenen beginnen 204
XIV. "In zijn natuur" 210
XV. Van de zandgronden 224
XVI. Waar 't schort 235
XVII. Vrede door recht 243
+-----------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: onder dwaasheid onverschilligheid en | | C: onder dwaasheid, onverschilligheid en | | B: de wereld een weingje beter verlaten | | C: de wereld een weinigje beter verlaten | | B: verbeterend, verlichtend versterkend | | C: verbeterend, verlichtend, versterkend | | B: in het vertreden van de _te recht_ | | C: in het overtreden van de _te recht_ | | B: ontwikklen tot zedelijke karakters, | | C: ontwikkelen tot zedelijke karakters, | | B: "Stoute tafel!" Geef de | | C: "Stoute tafel! Geef de | | B: gedaan, hoor!" Ze bijten | | C: gedaan, hoor! Ze bijten | | B: goud-glinsterende kabbe-beling voor | | C: goud-glinsterende kabbeling voor | | B: kind overliet. "De thuiskomst des | | C: kind overliet. De thuiskomst des | | B: handhaven. "Het is lichter--riep | | C: handhaven. "Het is lichter"--riep | | B: Koninkrijk van God," want | | C: Koninkrijk van God, want | | B: alleen zij. "Toen de hertog van | | C: alleen zij. Toen de hertog van | | B: grond af weder opbouwen." | | C: grond af weder opbouwen."" | | B: beweging--_is de daad_!" | | C: beweging--_is de daad_! | | B: van het oord, die der aanschouwing | | C: van het woord, die der aanschouwing | | B: opzichte van de weerspanning eigenwijze | | C: opzichte van de weerspannig eigenwijze | | B: schelen Zo zijn ze." | | C: schelen. Zo zijn ze." | | B: "Kind, wat is er!" zei | | C: ""Kind, wat is er!" zei | | B: vlak bij je Op 't laatst | | C: vlak bij je. Op 't laatst | | B: als b.v. later Emilie werd | | C: als b.v. later Emile werd | | B: De einge vraag is: Wilt | | C: De enige vraag is: Wilt | | B: mens, zonder redeneringgen, de wil | | C: mens, zonder redeneringen, de wil | | B: deze een moreele consolidatie, maar | | C: deze een morele consolidatie, maar | | B: kopsnellen en verorbenen, maar | | C: kopsnellen en verorberen, maar | | B: trappen en bliksemde ogen nodig | | C: trappen en bliksemende ogen nodig | | B: groene woud", Dan stelde | | C: groene woud". Dan stelde | | B: dat de jongen reeds 's | | C: dat de jongens reeds 's | | B: grauw papier beplakt, Ze dringt nu | | C: grauw papier beplakt. Ze dringt nu | | B: uren schaftijd; dat vullen | | C: uren schafttijd; dat vullen | | B: lag in zijn natuur." | | C: lag in zijn natuur."" | | B: kan ze toch. Hoe had ze | | C: kan ze toch." Hoe had ze | | B: verworden. Dan vermenigtvuldigt ze | | C: verworden. Dan vermenigvuldigt ze | | B: van de afstand, d..i. met het toenemen | | C: van de afstand, d. i. met het toenemen | | | +-----------------------------------------------+