Verspreide Opstellen, I

Part 13

Chapter 133,939 wordsPublic domain

De oude man keek met schuwe blikken eerst naar het plantje en toen naar mij. Hij vertrouwde de zaak niet. Waar ik dat plantje dan vandaan had? Wel hier vlak bij vandaan, daar van de hei. Waar al die plaggen gestoken zijn, zit het nu vol met die plantjes. Doch nu werd het nog erger. Hier vlak bij vandaan? Van de heide bij _zijn_ boerderij? En zou ik, die heel uit Den Haag kwam, dat weten, en zou hij, die toch al meer dan vijftig jaar daar woonde, het niet weten? Dat was den oude waarschijnlijk wat al te kras. Onderzoekend keek hij mij nog eens aan, en vroeg toen: "Hoe weet oe dat?" Wel, uit de boeken. "Mieneer, mieneer, pas op, je kant wel te veul weten. En uit alles zuigen ze teugenswoordig kwaod." Toen gunde hij mijn zonnedauw geen blik meer. Een plantje, dat een diertje opat, neen, al zag je het vlindertje nu ook voor eigen oogen vastgegrepen door de omgebogen blaadjes, 't was al te onnatuurlijk. En we praatten nog een beetje over den roggeoogst, die juist in hoog opgestapelde wagens werd binnengehaald.

Tenslotte vroeg de oude, met zoo'n ondeugend knipoogje: "Oe is toch ook niet van de loge of van de socialen?"

"O neen, ik ben maar een simpele schoolmeester."

"Nou mineer, pas dan op, dat oe niet te geleerd wordt."

"Daarvoor kom ik nu juist in de vacantie hier een beetje uitrusten. 't Is hier zoo vredig en zoo mooi." En ik dacht aan mijn varenplukkers. Wel had ik geen dagtaak van zonsopgang af achter den rug, maar als een mensch een vol jaar hard gewerkt heeft, dan mag hij toch ook wel eens uitrusten, en dan kán hij ook wel eens uitrusten. Dan zal de geleerdheid hem niet plagen, dan zal de weetgierigheid hem niet in actie houden. Dan slentert hij zorgeloos, schier gedachteloos door de heerlijke natuur, ligt te luieren in het heidekruid of in de schaduw van een denneboschje, en weet van niets meer, allerminst van steenbakkerijen met ringovens.... wanneer nu maar niet zoo'n akelig ding hem in zijn rustoord opwachtte, om zijn belangstelling te wekken en daarmee zijn rust te storen!

* * * * *

Hoe is het, zullen we onzen ringoven nog bezoeken? Of meent ge met den ouden boer, dat een schoolmeester niet te geleerd moet worden? Helaas, de ringoven zit al in mijn hoofd, en nu heb ik geen rust, eer ik u mijn kennis ervan heb meegedeeld. Dat heb je van die specialiteiten.

II.

We wandelden op een mooien, breeden straatweg van Prinsenhagen naar Rozendaal. Eerst een klein half uur tusschen de bouwlanden door, waar de rogge reeds gemaaid was, de haver nog te veld stond, het aardappelloof al dorde, de dikke bieten met hun zware bladeren zich boven den grond trachtten te werken, of de klaver zoo'n beetje de heide ging imiteeren: een paarse tint over een onderlaag van groen. Toen een goed kwartier langs het Liesbosch, dat bij iedere van zijn vier of vijf lanen den blik vergunt in zijn diepte door te dringen, bijna tot aan het andere einde: de lengte- zoowel als de breedtelanen van dit ongeveer rechthoekige bosch doen denken aan de reepen uit een dambord. Daarna nog een minuut of tien tusschen akkers en enkele weiden--en daar stonden we ineens, nog steeds op denzelfden straatweg, midden in een steenplaats. De weg was niets veranderd: hij was dezelfde bestrate eikenlaan, die hij aldoor geweest was. En toch stonden we hier midden in een steenbakkerij, want rechts waren eenige mannen bezig met kleigraven, echte, vette, grijze klei, die daar onder een laag zand met heide verborgen had gezeten, en links was de steenfabricatie in vollen gang: kleimalen, vormen, drogen en bakken.

Hoe die klei daar kwam, moeten de heeren en dames aardrijkskundigen maar vertellen, ik weet alleen, dat ze daar lag als een eiland in den zandgrond, en dat er meer zulke eilanden in Brabant zijn. Heeft een steenfabrikant zoo'n eiland behoorlijk afgegraven en verwerkt, dan verkoopt hij den grond weer voor weiland of bouwland, laat in andere streken van de provincie boren, of er klei onder den bovenlaag zit--natuurlijk alleen, waar hij er eenig vermoeden op heeft, en trekt dan met zijn heele gedoe naar die plek toe, d.w.z. hij laat zijn oven afbreken, alles vervoeren naar het nieuwe terrein, en daar zijn oven weer optrekken. Dat is geen kleinigheid, want zoo'n oven is een massief bouwwerk, zooals straks blijken zal, doch 't schijnt toch de moeite waard te zijn. Wat zou een steenbakker ook met zijn oven en zijn droogschuren moeten doen, als de klei was opgebruikt? Men vertelde mij van een steenbakker, die op die wijze al zijn vijfde plaats had.

Nadat we ons al gauw zat gekeken hadden aan het kleigraven in de kleilanden rechts en het kleikruien van rechts naar links, dwars over den weg heen, stapten we het terrein op. Er was geen schutting, er was geen hek, alles lag zoo maar open en bloot, en op onze vraag of we eens mochten kijken, luidde het antwoord zonder eenig voorbehoud bevestigend.

Het malen van de grijze grondstof in den ijzeren, cilindervormigen kleimolen was geen nieuws meer voor ons; het natten, zanden en vullen der vormen evenmin; ook niet het omkeeren der vormen op de droogvelden, of het opstapelen der gedroogde en daardoor al wat harde _rauwe_ steenen in de lange drooghagen. Maar in alle opzichten nieuw was voor ons de oven, en daarvan wil ik nu dan ook een beschrijving trachten te geven. Als het me lukt. Want ik ontveins me de moeilijkheid niet, om zonder illustratie, enkel en alleen door woorden, u een juiste voorstelling te doen vormen van het uit- en inwendige. Probeeren echter.

* * * * *

Men weet, dat bij een gewonen steenoven de vuurkanalen _langs den grond_ liggen. Ze loopen _horizontaal_ langs den bodem en zijn ongeveer een meter hoog. Het gevolg daarvan is, dat de steenen der hoogere lagen niet zoo verhit worden, niet zoo doorbákken, als die der onderste, en we tenslotte uit één baksel steenen wel 20 tot 30 soorten, sorteeringen, krijgen. De beste steenen zijn steeds die, welke dicht (niet _al_ te dicht) bij 't vuur gezeten hebben. Zij zijn het hardst, ze klinken prachtig als je ze tegen elkaar slaat, en worden het duurst betaald. 't Zijn de klinkers.

Nu zou het natuurlijk in 't voordeel van den steenbakker zijn, als hij allemaal steenen van prima kwaliteit bakte. Voor de grondstof hoeft hij daarbij niet meer te betalen, want alle kwaliteiten komen van dezelfde klei. Hij moet er alleen meer brandstof aan geven. Doch hoe zal hij de hoogere lagen beter verhitten, zonder door _te_ groote warmte de onderste weer te bederven? Dat gaat niet. Wanneer de warmte de bovenste lagen pas bereiken kan, als ze door de onderste lagen is heengetrokken, kunnen de bovenste nooit op voldoende temperatuur worden gebracht, tenzij ten koste van een _te_ hooge temperatuur der benedenste. Er zou alleen op te vinden zijn, dat men de ovens niet zoo hoog opstapelde, en dan in plaats van één oven er twee opbouwde van de halve hoogte.

Ik zeg: dit _zou_ er op te vinden zijn. Doch men _heeft_ er al iets anders op gevonden. In plaats van _horizontale_ heeft men bij het opstapelen der ovens _vertikale_ vuurkanalen uitgespaard. Die loopen dus van boven tot beneden door alle steenlagen heen, en men kan er zooveel aanleggen als men wil, zoodat de afstand tusschen twee vuurkanalen (noem ze nu mijnentwege vuur_pijpen_) nooit zoo groot behoeft te zijn, dat de tusschenliggende steenen niet voldoende verwarmd worden.

Doch hoe moeten die vuurpijpen gestookt worden? Natuurlijk van boven. Hun vuurmonden komen alle in de bovenste laag uit, en daar dient dus een mannetje over die bovenste laag te wandelen, om op tijd brandstof in die monden te gieten. Maar dat mannetje zou op die manier zelf al gauw in een klinker veranderen, want natuurlijk is het daarboven gloeiend heet. Daarom is de massa opgestapelde steen geheel overdekt met een dikken laag gemetselde steenen, waarin, op bepaalde plaatsen, juist boven de vuurpijpen, vertikale gaten zijn opengelaten, welke dus in 't verlengde van de vuurpijpen liggen. Die gaten zijn van boven afgesloten met ijzeren deksels. Wil de stoker zijn vuren voeden, dan licht hij de deksels op en werpt van boven brandstof--kleine stukken steenkool!--bij scheppen in de open monden. Onmiddellijk daarna sluit hij de monden weer dicht.

Doch nu heeft de lezer nog geen goede voorstelling van 't geheel. Hij ziet alleen opgestapelde rauwe steenen vóór zich, en daarboven eenige lagen gemetselde steen. En die voorstelling is glad mis. Dit is wel de zaak, waar het eigenlijk op aan komt, het essentiëele van deze bakkerij, maar daar zie je voorloopig niets van. Je ziet nòch rauwe steenen, nòch gemetselde lagen daarboven. En dat spreekt nog al vanzelf. Denk nu eens aan die gemetselde steenlagen--waar moeten die op rusten? Zoo maar op de rauwe steenen? Moet men dus eerst een dikken vloer van baksteenen metselen, met op bepaalde afstanden gaten erin, en daarna dien vloer ophijschen, zoodat hij boven de rauwe steenen komt te liggen? En moeten die opgestapelde rauwe steenen verder maar aan de vier zijkanten ongedekt blijven, zoodat al de warmte naar alle richtingen kan uitstralen, de buitenlucht in? Dat zou al een heel onvoordeelige stokerij zijn. De groote kunst in alle fabrieken is immers altijd, de ontwikkelde warmte zoo goed mogelijk te gebruiken en zoo weinig mogelijk, liefst in 't geheel niet te laten vervliegen? Neen, dat gaat niet. Aan alle kanten zijn de rauwe steenen dan ook door dikke muren afgesloten, muren van 1 à 1½ meter dik. En de gemetselde lagen daarboven vormen met die muren één bouwwerk. Ziezoo, nu zijt ge er al een beetje beter achter. We denken ons dus een gemetselden tunnel, met muren van 7 tot 12 steen dik, en waarvan de zoldering op gelijkmatige afstanden gaten vertoont, zeg schoorsteengaten. Maar 't zijn geen schoorsteengaten, 't zijn vuurmonden, want niet de rook moet eruit naar boven, maar de brandstof moet erin naar beneden. En in dien tunnel zijn de rauwe steenen zóó opgestapeld, dat onder de vuurmonden--telkens drie in de breedte--de vuurkanalen aansluiten. Nu zijn we er. Laat nu de stoker maar vrij boven zijn bakkerij wandelen. Hij zal niet tot een klinker versteenen. De vloer onder zijn voeten is misschien wel een kleinen meter dik en bovendien heeft hij er nog een laag zand op gelegd. Tusschen dat zand zie je overal de ijzeren kapjes uitsteken, net schoorsteenkappen, waarmee de vuurmonden zijn afgesloten. Toen wij met den stoker op zijn oven rondscharrelden, voelden we niets van de hitte onder onze voeten. En toch brandde daar een geducht vuur, zooals we konden zien, toen de stoker van eenige monden de deksels aflichtte en ons een blik deed werpen in de diepte. 't Was alles één en al gloed, waarbij het eigenlijke vuur haast niet te onderscheiden was van de gloeiende steenen. Toch zagen we die als lichte, 't leek wel doorschijnende blokjes opgestapeld liggen.

Wanneer de lezer zich nu dezen tunnel denkt in den vorm van een ring, of liever, van een lang ovaal, dan begint zijn voorstelling misschien al iets op de werkelijkheid te lijken, vooral wanneer hij nog weet, dat de hoogte ± 5 Meter en de lengte van het heele bouwwerk ± 50 Meter is.

* * * * *

We zien dus een steenen bouwwerk, in den vorm van een langgestrekt ovaal met een lengte-as van ongeveer 50 Meter en ongeveer vijf Meter hoog. Niet oneigenaardig vergeleek een onzer het met een puddingvorm, die met de open zijde op de tafel staat. En die vergelijking was te juister, omdat ook hier de buitenzijde schuin naar beneden liep. Die buitenmuur groeide, van boven naar beneden, van 7 tot wel 12 steenen dikte aan, en wel aan den buitenkant, die daardoor een vrij schuine helling vertoonde. Wil men die vergelijking met den puddingvorm nog nauwkeuriger hebben, dan moet men denken aan een vorm, die in 't midden een ovale opening heeft, en die dus eigenlijk bestaat uit een ovalen ring of tunnel.[5] Die opening werd bij den steenoven ingenomen door het gemetselde rookkanaal, dat naar den hoogen schoorsteen voerde, die aan het eene uiteinde van den oven stond. In rechte lijnen was de plattegrond van den geheelen oven dus ongeveer aldus:

+-----------------------------------------------+ | | | tunnel voor de steenen. stee- +--------+ | stee- +-----------------------------+········|schoor- | | nen. | rookkanaal. | | steen. | | +-----------------------------+········| | | steenen. steenen. nen. +--------+ | | +-----------------------------------------------+

[5] Zoo ongeveer als een ovalen rijstrand.

In plaats van een rechthoek denke men zich nu een ovaal.

En hoe moest die ringoven nu gevuld en geleegd worden?

Daartoe bevinden zich in den buitenmuur zestien poortjes, van wat minder dan een manshoogte, zoodat een man er gebogen door kan gaan, aan elke zijde acht, en op 4 à 5 Meter afstand van elkaar. In die poortjes konden we de dikte van den muur goed zien, en ook, dat zijn doorsnede op een rechthoekig trapezium leek met de schuine zijde naar buiten. Bij het vullen werden de kruiwagens met rauwe steenen door een der poortjes naar binnen gereden, en daar, nu en dan met uitsparing der drie loodrechte vuurkanalen, opgestapeld tot aan de geweldige zoldering.

We woonden het vullen en leegen bij, en dat is geen wonder, want deze werkzaamheden gaan hier dag aan dag door. 't Is hier niet, zooals bij een gewonen steenoven: eerst den _heelen_ oven vullen, dan den _heelen_ oven vier tot zes weken laten branden, daarna den _heelen_ oven laten afkoelen, om tenslotte den _heelen_ oven te leegen. Hier ging het leegen en vullen onafgebroken voort, al maar door in de rondte van den oven.

Om dit te kunnen begrijpen, zullen we den geheelen ovalen tunnel eens in 16 vakken verdeelen, elk vak tusschen twee poortjes. Men lette er echter vooral op, dat het een verdeeling is _zonder tusschenschotten_. De opeenvolgende vakken zullen we benoemen met de getallen van 1 tot 16, en we spreken dus van vak 1, vak 2, vak 3, enz. Elk vak is dus de inwendige ruimte van den tunnel, van een poortje tot het naastvolgende. In de zoldering van één vak zien we drie maal drie stookgaten--drie rijen van drie--zoodat we meteen kunnen uitrekenen, dat deze oven 16×9 stookgaten heeft.

Wanneer de stoker nu b.v. vak 9 aan het stoken is, blijft de daar ontwikkelde hitte niet beperkt tot dat vak, maar verspreidt zich ook door vak 10, 11, 12 enz.--steeds in één richting, en zoo ver mogelijk, dus tot in het laatste vak, dat pas met rauwe steenen is gevuld.--Verder niet, want de zijde van dit laatste vak, (laten we zeggen vak 16) waar de overgang naar het volgende vak 1 is, heeft men met grauw papier beplakt. Vak 1 is of wordt dus juist geleegd.

En gaat de warmte uit vak 9 dan niet _terug_, naar de vakken 8, 7, 6, enz. tot 1? Neen, want de luchtstrooming, de trek, is altijd in dezelfde richting. De versche buitenlucht treedt binnen, in het vak dat men aan 't leegen is, thans dus in vak 1. Naar het vorige vak 16 kan ze niet, want dit is met grauw papier beplakt. Ze dringt nu tusschen de steenen door in vak 2, 3, 4, enz., tot in vak 9, waar gestookt wordt, daar onderhoudt ze de verbranding, waarna de ontstane heete gassen verder trekken door vak 10, 11, 12, enz. tot 16 en hier, tegengehouden door den papieren wand, in het rookkanaal verdwijnen. Alle frissche lucht, trekt dus steeds den _heelen_ oven door, eerst afkoelend de reeds gebakken steenen (b.v. vak 2-8), daarna de verbranding onderhoudend (vak 9), vervolgens de nog rauwe steenen alvast--doch nu als heete gassen--verwarmend en drogend (vak 10-16), eindelijk verdwijnend door het rookkanaal (vak 16) en den schoorsteen.

Is vak 1 geleegd, dan volgt vak 2. Tegelijkertijd wordt vak 1 weer gevuld. Nu komt de versche lucht in het open vak 2 binnen, en krijgt vak 3 dus de afkoeling der directe buitenlucht. Deze buitenlucht trekt weer door de vakken 4, 5, 6, 7 en 8, doch bereikt nu ook 9, want de stoker is nu bezig met 10 te verhitten. De heete verbrandingsgassen trekken door vak 11, 12, 13, 14, 15 en 16, doch nu ook door het pas gevulde vak 1, waar de rauwe steenen aanstonds een beetje van de ontwikkelde warmte profiteeren. Verder dan 1 gaat de warmte niet, want het grensvlak tusschen het pasgevulde vak 1 en het pas geleegde vak 2 is alweer met grauw papier beplakt. De gasvormige verbrandingsproducten verdwijnen uit vak 1 in het rookkanaal.

Wie deze uiteenzetting heeft kunnen volgen, zal nu begrijpen, dat de oven onafgebroken door aan 't branden blijft. Elken dag laat de stoker een rij van drie vuurmonden schieten, en neemt hij drie nieuwe onder zijn schep. Ieder vak wordt dus, daar het immers 3×3 vuurmonden heeft, juist drie dagen _gestookt_. Ik onderstreep dit woord _gestookt_. Want _verwarmd_, _verhit_, is zoo'n vak reeds al den tijd, waarin de vorige 14 vakken gestookt werden. Langzamerhand is de warmte het genaderd, al dichter en dichter. Geleidelijk nam ze toe. Grooter en grooter werd de hitte. Reeds kwam ze uit de eerste hand, van het naburige vak. Doch ze moest nog toenemen. Daar wierp een onzichtbare hand, van boven, zwarte steenkool naar beneden, en de vlammen, die reeds lang tusschen de steenen doorspeelden, verslonden met gretigheid dit nieuwe voedsel, voerden de hitte tot haar grootste hoogte op, en bakten daarmee de rauwe steenen volkomen gaar. Even geleidelijk als de verwarming gekomen was, volgde haar de afkoeling, totdat het baksel koud genoeg was, om op kruiwagens te worden geladen en naar buiten gereden.

* * * * *

Voor den belangstellenden lezer zijn er onder het nagaan der voorafgaande beschrijvingen en mededeelingen natuurlijk allerlei vragen gerezen. Dat spreekt vanzelf. Juist als je iets van een nieuwe zaak begint te weten, vertoonen zich aan alle kanten de leemten in je kennis, en die wil je graag aanvullen. We hebben altijd zoo graag een goed in elkaar gesloten _geheel_. Doch, ofschoon ik de vragen niet slechts voorzie, maar ze zelfs best zou kunnen formuleeren, ik zal er niet aan beginnen, want dat zou niet alleen op nieuwe mededeelingen maar daardoor weer op nieuwe vragen uitloopen. We zijn in een zaak, in wèlke dan ook, eigenlijk _nooit_ uitgevraagd. Steeds kunnen we er dieper in doordringen.

Ik zwijg dus nu over onzen ringoven, doch wil alleen nog eens in het bizonder de aandacht vestigen op zijn voordeelen. Die zijn dan in hoofdzaak:

1º. _Enorme besparing van brandstof._ Bij de _gewone_ steenovens gaat van de ontwikkelde warmte verreweg 't grootste deel nutteloos verloren; volgens genomen proeven zeker meer dan 80 pct.; daarenboven is de verbranding in de vuurgangen onvolkomen, omdat de lucht niet vrij toe treden kan en er zich in plaats van koolzuur (CO2) zeer veel kooloxyde (CO) vormt, waarbij de vrij geworden warmte slechts een vijfde is van die, welke men bij doelmatig aangelegde ovens zou kunnen verkrijgen. De besparing aan brandstof is bij den ringoven nu niet minder dan 66, soms 80 pct. van het gebruik in de gewone steenovens.

2º. _Winst aan tijd._ Door 't vullen, afkoelen, en ledigen van den gewonen oven gaat heel veel tijd verloren. Bij den ringoven gaan alle werkzaamheden onafgebroken door. 't Is steeds op denzelfden tijd: vullen, branden, bakken, afkoelen, leegen. Het eene onderdeel geeft niet het minste oponthoud voor het andere.

3º. _Beter kwaliteit van steenen._ Terwijl bij de ongeveer 30 sorteeringen uit een gewonen oven veel mindere kwaliteiten zijn, geeft de ringoven--tenminste was dit het geval bij den door ons bezichtigde--maar vijf soorten, doch alle van de beste kwaliteit.

Bevreemding mag het dus wekken, dat er in ons land nog zooveel met gewone ovens gewerkt wordt, waar deze zulke groote nadeelen hebben.

* * * * *

Na het bezichtigen van den ringoven bleven we nog een poos staan kijken bij een ploeg van vier mannen en een jongen, die "handwerk" verrichtten. Twee mannen kneedden de klei op een stuk land, de derde reed ze per kruiwagen naar den vormer, en deze, de vierde, vulde er met de hand telkens een vorm voor vier steenen mee, die dan door den jongen op het droogveld geleegd werd.

't Was alles zwáár werk. Dat kneden van de vettige klei met de handen, waarbij de armen soms tot de ellebogen in de massa geduwd werden,--en dat een heelen dag door, een dag van 's morgens 5 tot 's avonds 7, met 2 uren schafttijd; dat vullen en omhoog rijden van de volle kruiwagens, altijd maar omhoog, en die dan weer met de handen leegen op de tafel van den vormer,--en dat een heelen dag achtereen van 's morgens 5 tot 's avonds 7, met 2 maal een uur schafttijd; vooral dat vormen, dat vullen van de vier bakjes in één vorm, met de hand, zonder een seconde oponthoud, seconde aan seconde, minuut aan minuut, uur aan uur, den ganschen langen dag van 's morgens 5 tot 's avonds 7, met slechts tweemaal een uur, om gauw naar huis te loopen, te eten, en terug te rennen; maar toch ook dat opnemen, leegen en terugbrengen van de vormen, het werk van den jongen, en ook van 's morgens 5 tot 's avonds 7,--'t was alles zwáár werk.

't Is waar, er werd niet veel kennis voor dezen arbeid vereischt, maar wie zou zich niet liever wat bekwamen in zijn jeugd om dan later niet alleen loonender maar ook aangenamer arbeid te kunnen verrichten, arbeid die in zichzelf wat voldoening meebrengt?

Onze oude boer mocht waarschuwend zeggen: "Pas op mieneer, een mensch kan wel eens te veul weten," wat we hier voor ons zagen sprak in de taal der feiten de waarschuwing uit, om toch vooral onze kinderen ook niet te weinig te leeren.

XIII. DE ZEDELIKE OPVOEDING MOET BIJ DE VOLWASSENEN BEGINNEN.

Men zegt: Wie de Jeugd heeft, heeft de toekomst. En men vecht om de Jeugd, om deze zekere zedelike beginselen in te prenten, zekere godsdienstige geloofswaarheden in te praten, zekere goede gewoonten eigen te maken. Zoo meent men dan de toekomst der Jeugd en in haar de toekomst der Mensheid het best te verzekeren.

Maar als die Jeugd gaandeweg volwassen wordt, bemerkt ze, dat die beginselen onder de mensen wel beleden, die geloofswaarheden daar wel gepredikt, die gewoonten daar wel vormelik geëerd, maar geen van deze tot werkelikheid, tot leven gemaakt worden.

Het kind, dat "altijd de waarheid moest spreken", raakt verdwaald in de politiek der wereldwijsheid, eerst al in zijn eigen huis, waar het oordeel over anderen zoo gans verschillend is, naarmate die anderen afwezig of aanwezig zijn; daarna in 't maatschappelik leven, waar "zaken" en "carrière" haar eigen zedelike eisen stellen; eindelik in de staatkunde en de oorlogskunst, waar het succes vaak alleen gekocht wordt door sluwe misleiding der tegenpartij.

Het kind, dat God leerde liefhebben boven alles, ook boven Mammon, ervaart al spoedig, dat zijn opvoeders dit niet zo letterlik bedoeld hebben. Wanneer het zijn geld aan God wil geven, maakt dit zijn vrome opvoeders eerst onrustig, dan vertoornd, eindelik hard. Mammon kan beter zorgen voor kleren en voedsel en woning en menseneer--dan God. Eer God met den mond, Mammon met de daad.

En het kind, dat reeds verder was dan 't opzeggen, het napraten van woordenbraafheid en woordenvroomheid, dat zich reeds enige goede gewoonten had eigen gemaakt, de gewoonte b.v. om de minste te zijn, wordt later door baatzucht en heerszucht kalmpjes geëxploiteerd. De wereld der volwassenen, ook die der kerkeliken, blijkt hem een wedstrijd om de meeste te worden.

Nog erger is het, wanneer de zedelike opvoeding niet bestaan heeft in het inpraten en inprenten van verstandelike formuleringen als levenseisen, ook niet in het aanwennen van practiese deugden, maar in het heiligen en sterken van de wil; wanneer de opvoeding het zó ver mocht brengen, dat het kind zijn enig heil vond in een leven vol liefde en waarheid, wanneer oprechtheid en gerechtigheid en toewijding zijn wezen werden.