Part 12
Het is wel merkwaardig, hier tevens, in den ouderwetschen zeventiende-eeuwschen stijl, de gemoedsaandoeningen te lezen en te vernemen van iemand, die dit verschrikkelijk oogenblik heeft doorleefd. En--onze Admiraal had hier een menschenleven gered, dat, na deze gebeurtenis "anders" werd; deze matroos toch werd een ander mensch; hij was niet alleen lichamelijk, maar ook "geestelijk" behouden; in zijn volgend leven "wist hij zich zelven te redden" en werd "een braaf en eerlijk zeeman."
Wanneer wij dit en zoo vele andere kleine, weinig bekende bijzonderheden uit het leven van onzen Admiraal lezen, verwondert het ons niet, dat Janmaat en officieren, iedereen, hoog en laag, zooveel van onzen Michiel Adriaanszoon hield."
En, voeg ik erbij, dat zelfs de pedagogenwereld van hem de kunst gaat afkijken.
Horen we hiertoe nog eenmaal naar de schrijver van "De Rooie", "Mottige Janus", "Ouwe Jan Hallema" en andere zeebonken, naar onze Weruméus Buning.
Een dag of drie achtereen zijn de matrozen met de negervrienden aan 't plunderen, drinken en krakeelen geweest. Het was aan de kust een en al verwarring en bandeloosheid. Toen wist De Ruyter "de bende van blanke en zwarte plunderaars weer te kalmeeren, hen onder den disciplinairen tucht te brengen."
En hoe?
"Het is merkwaardig, als wij nu lezen en zien, hoe bij deze gelegenheid onze Admiraal door zijn groote rust en kalmte, en goedmoedigheid, de woeste troep in zijn onstuimigheid weet te stuiten en met goed gepaste woorden en groote _rechtvaardigheid_ eindelijk alles en allen tot rust en orde brengt... Zoo ooit, dan ziet men ook weer hier, wat de kalme macht van de _persoonlijkheid_ vermag en hoe groot in dergelijke omstandigheden het moreel overwicht is van een opperhoofd en chef, die bij zijn minderen bekend staat als iemand, die altoos het _goede_ wil, _zonder aanzien des persoons;_ iemand, _van wie ze veel houden_.... Toen ze hun ouden, goeden Admiraal aan den wal zagen verschijnen, kwamen ze tot zichzelf en _schaamden zich_. Zelfs de negers kwamen onder den indruk van den klank van zijn stem en de goedige, maar toch zoo flinke trekken van zijn door weer, en wind, en zon, gebruind oud zeemansgelaat...."
* * * * *
En hoe staat het nu met _mijn_ kleine, bandeloze nikkertjes?
O, dat zullen we aanstonds zien. Maar eerst moesten we ons eens _sterken_ bij onze grootste vlootvoogd en nationale held. Dat zulk een man de matrozen van die tijd--welk een uitschot!--niet door "vloeken en schelden of dreigen", niet door "opgewonden vechtlust en schitterende vertooningen", maar "eenvoudig en gewoon, door altoos kalm te blijven, in-goed, en..... rechtvaardig te zijn"--"werkelijk wist te _beheerschen_", dat zij "dol veel van hem hielden, hem vereerden", dat is toch voor een officieel opvoeder der jeugd wel de moeite waard, om er een ogenblik bij stil te staan.
"In-goed."
De hoogste man der vloot, de welhaast wereldberoemde, achtte zich niet te hoog, om naar land te gaan, en daar vriendelik met dat uitschot der maatschappij te redeneren, om ze tot kalmte te brengen. Alleen door zijn zedelik overwicht te heersen, over zulk ruw volk, en onder zulke omstandigheden--dat was toch wel ware kracht. En die kracht had als een van haar bronnen: _in-goedheid_.
Wanneer ik zulke dingen lees, ga ik de wereld heel anders zien. Al die bulderaars, al die tierders, al die ranselpedagogen, het zijn de zwakke naturen, heus, het zijn de zwakke. Ze hebben geen kracht genoeg in hun persoonlikheid en zoeken nu hulp bij harde woorden, luid geschreeuw, ruwe handtastelikheden. De kinderen en de ouders noemen ze: strenge meesters. Maar dat is onjuist. Misschien is menige zachte natuur veel strenger in de zin van veeleisender. En dikwels ook heten ze: sterke, krachtige optreders. Maar dat is ook onjuist. Wie met een zachte, rustige stem, met een beweging van zijn vinger, met een blik van zijn oog, wie bijna onmerkbaar heerschappij voert, die is krachtig. En wie hiertoe schreeuwen en trappen en bliksemende ogen nodig heeft, die moet werken met krachtvertóón en is eigenlik--te zwak om zacht te kunnen zijn.
De opvoederswereld--gelijk deze in ouders en meesters, van mijn kinderjaren af, mijn oog is voorbijgegaan--ziende onder het licht van De Ruyter's leven, bevestigt deze opvatting. Afgescheiden van verschil in levendigheid van temperament, zag ik sterke naturen in hun gezagsmiddelen altijd rustig, en kon van de andere meestal gelden, dat ook hier het geschreeuw in omgekeerde reden stond tot de wol en de hardheid van 't geluid de leegheid van 't vat meldde.
Gesterkt door een pedagoog als onze De Ruyter, dorst ik het aan, mijn afgedwaalde schavuitjes nog een paar kansen te geven, om het goede en handelbare in hun aard te doen uitkomen, en het stond bij me vast, dat ik de snaken niet aan hun lot zou overlaten, gelijk ook zij mij zeker nog niet hadden opgegeven.
* * * * *
Ze kwamen dan weer, mijn kleine indringers, en ik duwde ze niet de deur voor de neus dicht. Ik herinnerde ze ook niet aan hun onhebbelikheden. Ik stak de beide handen naar hen uit, alsof ze me van ganser harte welkom waren--dat wáren ze eigenlik ook--en zei met de opgewektste vriendelikheid: "Zo jongens, kom jelui weer eens kijken?"
"Ja, meester, magge we?"
"Zeker mag je. Maar nou moet ik jelui eerst één ding zeggen. Dat wist jelui gisteren nog niet, maar de kinderen schreeuwen hier nooit zo op de plaats. Zal je daaraan denken?"
"Ja meester, magge we nou? En magge zullie ook?"
"Zullie" waren twee oudere jongens van ongeveer 12 jaar met heel verstandige gezichten.
"Natuurlik magge zullie. Ik vind het juist zo leuk, dat jullie alles graag ziet. En nou mag jullie ook mee in school, dan zal ik je ook de platen en de kasten laten kijken."
Ze waren wel een beetje opgewonden, maar bleven bij me, en toen we de school in gingen, werden ze stil en zetten er een paar de petjes af.
"Dat zijn nette jongens," zei ik. En toen deden de anderen het ook.
Met mijn kleine karavaan trok ik nu alle lokalen door, en ik volgde daarbij de raad van wijlen Mr. A. Kerdijk. Toen deze in Den Haag de "Toynbee-vereeniging" oprichtte, wilde hij voor "het volk" alleen maar prima-krachten doen optreden: de eerste geleerden en kunstenaars. Het "volk" mocht niet afgescheept worden met het middelmatige, omdat het maar het volk was. Integendeel: het moest door het allerbeste worden opgevoed en ook ervaren, dat men het allerbeste pas goed voor hen achtte. Het moest voelen, dat het gerespecteerd werd.
Die houding neem ik ook altijd aan tegenover kinderen, bizonderlik tegenover ietwat proletariese. Ik gaf me daarom ook nu alle moeite voor mijn gasten, niet minder dan of een keurbende van buitenlandse pedagogen mijn school bezocht. En dat kostte me geen zelfoverwinning, maar ik vond het heerlik en werd er rijkelik voor beloond.
O, ik wou dat menigeen die gezichtjes gezien had. Als er een kast openging, aten ze de inhoud haast met hun ogen op. En ze begrepen alles zo best. Het was--een triomf.... lieve hemel, ook voor mijn zaakonderwijs. Die steentjes van klei, die rood-gebakken steentjes, die steenoven, die kalkoven, die ploeg, die eg, die molenstenen, dat weefstoeltje, die houtzaagmolen, van alles wilden ze weten, en dan kwam er zo'n heerlik: "o ja!" als ik de uitlegging had gegeven. Ik liet de handenarbeidvoorwerpen zien, die de leerlingen vervaardigd hadden, legde uit hoe die in verband stonden met de tuintjes en de platen en de huizen in de straat, gaf een complete les in... practiese pedagogiek, in didactiek, in onderwijskunst. "Zie je," zei ik, "als de kinderen die dingen maken, _begrijpen_ ze het beter."
"Nog al natuurlik," zei een der ouderen.
Het was een verrukkelik halfuurtje. De tijd vloog om. Van vrijpostigheden of ongemanierdheden was in de verste verte geen sprake meer. Met ons allen waren we één club, verloren in belangstelling.
Eindelijk zei een: "Hoe laat is 't al, meester?"
Ik keek op mijn horloge: "Tien minuten over half vijf."
"O, dan moet ik gauw naar huis. Mijn moeder wacht."
En ze gingen, allen. Ik liet ze uit, vroeg van ieder de voornaam, gaf ze de hand, en zei: "Tot weerziens."
"Dank u wel," zei er een.
Nu bedankten de anderen ook. Zelfs kwam er een nog terug, gaf me de hand en zei: "Dank u wel, meester!" Toen holde hij zijn makkers na..
* * * * *
En zo heeft de zoetsappigheid het tóch gewonnen.
Een ogenblik had het geschenen, alsof alles verloren was. En was het zo gebleven, ik had het eerlik verteld. Waarheid bovenal.
Maar nu--Michiel Adriaanszoon, wat zeg je ervan?
Men kan met zijn schepen de Theems dwingen, men kan vierdaagse zeeslagen winnen, en tevens met "in-goedheid" ruwe harten veroveren. Het een sluit het ander niet uit. En 't was maar goed, dat onze Admiraal me dat nog net bijtijds herinnerde.
En om 't nu maar ineens af te vertellen, de vriendjes zijn blijven komen. Ik noem ze nu bij hun voornaam. Er zijn twee Jannen bij. "Ik heet ook Jan," zei ik. Maar ze schelden me niet uit, schreeuwen me niet na. Vertrouw je maar aan dat volk toe, maar--gehéél. Geen halfheid, geen liefdoenerij. Ze vóélen je echtheid.
"Meester, magge we morgen weer"?
"Neen, morgen heb ik geen tijd, wel Vrijdag."
Rustig-vrolik gaan ze weg.
Vrijdag brengen ze weer een bezoek.
Maar dan de volgende Maandag:
"Meester, magge we morgen?"
"Laat eens kijken. Dinsdag, dan kan ik niet. Kom maar Woensdag."
"Neen Meester," roept er een, "dan hebt u immers geen tijd? Weet u wel? U kan op een Vrijdag."
Is dat niet allerliefst?
* * * * *
Er is in onzen tijd een jammerlijk tekort aan geloof in den zin van vertrouwen. Aan 't geloof dat zich uitdrukt in deze woorden: God helpt degenen, die zichzelf helpen.
En toch dit geloof, dit vertrouwen, deze innerlijke verzekerdheid is een sterke waarborg voor ons welslagen. Vat maar aan uw taak, hoe moeielijk ze u ook schijnen moge, vat maar aan met vasten hand en blijden moed, en met vol vertrouwen op dien onzichtbaren bijstand, die het leeuwendeel van uw arbeid verricht, en bemoedigend als beschamend zal vaak de uitkomst zijn.
XII. OP EN OM EEN RINGOVEN.
I.
Het schijnt over me besloten te zijn: een specialiteit in steenbakkerijen móét ik worden. Daar is geen ontkomen aan.
Nauwelijks heb ik op den laatsten dag vóór de vacantie achter het laatste woord van mijn laatste artikel over de kleitegeltjes een dikke punt gezet, denkende: ziezoo, van dien kleirommel ben ik voorloopig af; nauwelijks zijn we naar Brabant gestoomd, om daar te genieten van de zonnige en zalige rust bij heiden en bosschen en boeren; nauwelijks hebben we den omtrek van het logies een beetje verkend, en zijn onze oogen weer wat verkwikt door het groen van 't woud en het paars der vlakte, of daar rol ik midden tusschen de bouwakkers weer met mijn neus in de grijze klei, in een heusche steenbakkerij, en wel in een van de nieuwste inrichtingen, in een steenfabriek met een _ringoven_. Zoo móét een mensch immers wel een specialiteit worden in dit knederige vak onzer binnenlandsche nijverheid? En hoe zou ik daarna over deze nieuwe kennismaking in S. en L. kunnen zwijgen?
Waar de omstandigheden, gansch onvoorzien, me aldus tot deskundige bekwamen, moeten de lezers van S. en L. er ook aan gelooven. Dat heb je bij deskundigen altijd. Die zijn zóó vol van hun speciale kennis en bekwaamheid, dat ze er bij tijd en ontijd ook anderen mee lastig vallen. Alle heil verwachten ze voor zich en hun tijdgenooten, zelfs voor hun nageslacht, van hun speciaal gebied. Pas daarom op met die heeren. Ze zien zóó nauwkeurig de fijnheden van hun terrein, dat ze álle andere dingen in de groote wereld onopgemerkt en buiten rekening laten. Zelfs al is iemand een specialiteit in steenbakkerijen, wees voorzichtig met den man. Straks zal hij u nog willen overtuigen, dat ons heele onderwijs zich om het vormen en bakken en toedienen van steenen kan concentreeren, dat onze gansche opvoeding in den grond der zaak een kleiknederij is, en dat men zich tot onderwijzer en opvoeder dus niet beter prepareeren kan dan op een steenfabriek. Wees op uw hoede. Specialiteiten zijn de eenzijdigste domkoppen van alle knappe menschen. En nu ik zelf gevaar loop, in een totaal nieuw soort van specialiteit te ontaarden, acht ik me verplicht, u tegen de kwade gevolgen van dat dreigend kwaad te waarschuwen. Om bovendien mezelf te bewaren voor alle mogelike onheilen, die de kleideskundigheid me kan bezorgen, ga ik in dit opstel, dat toch eigenlijk alleen voor den _ringoven_ geschreven wordt, tevens over allerlei andere dingen praten. En dan eerst over een versje van Heye.
* * * * *
Die dichters toch, je kunt ze maar nooit vertrouwen. Wat heb ik niet dikwijls, in den huiselijken kring of in het schoollokaal, dat mooie liedje gezongen van: "Wie rusten wil in 't groene woud". Dan stelde ik me alles zoo levendig voor, _een peluwtje van mollig mos, een kussentje van varen, en een gordijn van blaren_. Heerlijk, heerlijk! Vooral op warme zomernamiddagen, wanneer mijn leerlingen het zangerige wijsje zoo snoezig konden zingen, zoo'n beetje smachtend, heb ik vaak leerlingen en leerlokaal weggedacht en zelfs weggewenscht, om "een plekje te kunnen opzoeken van het dichte woud", en me daar "ter ruste te kunnen vlijen". Heye verzekerde het zoo nadrukkelijk: dat peluwtje van mollig mos, dat kussentje van varen en dat gordijn van blaren
"schenkt zoeten middagslaap in 't bosch".
Doch luister nu eens. Nu heb ik deze vacantie weer doorgebracht in de nabijheid van een uitgestrekt bosch. Terwijl ik deze regels schrijf, ben ik zelfs nog omringd door eeuwenheugende eiken en beuken. Laag hout zie ik in overvloed om me heen. Gordijnen van blaren zijn er dus overal in de rondte. Aan mos en varens ontbreekt het al evenmin. Het mos is zoo dik, dat je voet er in wegzakt, het mollige mostapijt veert onder den tred. En de varens vormen als een nieuw woud tusschen de stammen. Maar--zoo dikwerf als ik beproefd heb, me hier "ter ruste te vlijen" en de door Heye voorgespiegelde zaligheden te genieten, liep het op teleurstelling uit. Alles wat de dichter--oneerbiedig gesproken--opgesomd had, was present, maar er waren nog tal van andere dingen bovendien, en daar had Heye maar van gezwegen.
Daar had je allereerst de mieren. Je kon nergens gaan liggen, of die "ijverige" dieren herinnerden je aan Salomo's wijze spreuk. Als gezanten van den wijzen koning kwamen ze aanstonds den luiaard plagen en opschrikken. Over je kleeren, over je handen, over je gezicht, door je haren kropen ze. Vlij je bij zulk een gezelschap maar eens ter ruste.
En dan de vliegen, waarvan sommige soorten zoo gemeen steken konden. Onafgebroken gonsden ze om je hoofd heen, juist om je hoofd, en nu zou je in een versje van dat gegons wel een mooi slaapliedje kunnen maken, zoo iets van:
En vlijt ge u op het mollig dons Van 't mos, dan zingt een zacht gegons U dra in zaalge droomen,
maar in werkelijkheid gaat het zoo heel anders dan in een versje. Daar komt zoo'n gonzende sinjeur vlak bij je oor, of hij erin wou kruipen, en daar gaat hij telkens op je voorhoofd of op je neus of op je lippen zitten, en dan sla je hem onophoudelijk met je zakdoek weg, zoodat je warm wordt van het zwaaien. Neen, die gonzende slaapaanbrengers zijn haast nog lastiger dan de mieren.
En dan die kleine spinnetjes, nog gezwegen van de groote, die even griezelig als kriewelig zijn.
Zou Heye zelf wel eens zoo'n "middagslaapje in 't bosch" genoten hebben? Ik geloof er niets van. Zoo'n dichter is eigenlijk ook al een specialiteit, een specialiteit in 't bijeenbrengen--op papier!--van precies de mooie en prettige dingen. En als je nu op zijn schoone compositiën af gaat, dan kom je bedrogen uit. Een dichter is een gevaarlijk man. Niet wanneer je hem neemt voor wat hij waard is. Maar als je hem beschouwt als een streng waarnemend en waarheidlievend mensch. Hij liegt niet, maar hij phantaseert. En nu zijn phantasieën nog gevaarlijker dan leugens. Want ze zijn zoo bekoorlijk, en de maker gelooft er zelf in.
Kom, ik laat mijn kinderen voortaan zingen:
Wie rusten wil in 't groene bosch, Moet maar niet veel verwachten; De mieren duiken uit het mos, Bij kleine legermachten; De spinnen drentlen in je nek, Bloedgierige vliegen steken, En om zich fiks te wreken, Maakt u hun gonzen bijna gek.
Weet je, _wie_ in 't woud kunnen slapen? De varenplukkers. En wie dat zijn? Dat zal ik je vertellen. Of nu eerst over den ringoven? Neen, eerst over de varenplukkers. Dan blijven we nog wat in 't bosch.
* * * * *
Al meermalen hadden we opgemerkt, dat op sommige plekken de varens toch zoo schandelijk gehavend waren. Moedwillige handen hadden blijkbaar de mooie gevederde bladeren van de stengels gerist, en nu staken die lange, dunne dingen als spichtige sprieten boven 't omringende groen uit. In plaats van het sierlijke gedein en gewapper der volle en toch ranke planten, zagen we alleen zoo'n beetje gezwiep van de kale nerven. Welke baldadige kinderen--of menschen?--konden er nu genot in gevonden hebben, het bosch derwijze te ontsieren? En waarom had de boschwachter niet beter gewaakt tegen zulk een schending van het aan zijn zorgen toevertrouwd woud? 't Was toch niet op één plek, maar op verscheidene terreinen had men het lage groen zoo geruïneerd. Eén ding bevreemdde ons echter, en die bevreemding temperde de verontwaardiging door nieuwsgierigheid: nergens zagen we de varenvederen liggen. Waar kon al dat goed gebleven zijn?
Op een goeien dag werd die vraag beantwoord door hetgeen we voor onze oogen zagen geschieden. In een breede laan stonden een drietal lage karren, elk bespannen door twee of drie armoedige honden, die in hun span lagen te rusten, en--zeldzaam verschijnsel--niet eens plezier schenen te hebben, om ons woedend aan te blaffen. De beesten waren zichtbaar moe. En in de nabijheid bemerkten we al spoedig de eigenaars, of tenminste de beheerders van die karren. Daar scharrelden namelijk eenige knapen door 't bosch. In gebogen houding slopen ze verder, alsof ze ons trachtten te ontduiken, doch toen we dichterbij kwamen, zagen we wat ze uitvoerden. Zij waren de varenschenders. Maar ze waren toch zeker niet met hun hondenkarren hierheen gekomen alleen om 't genoegen te smaken, hier vrijelijk planten te mogen vernielen? En voor zulk een twijfelachtig plezier zouden ze toch stellig zich niet barrevoets tusschen de braamstruiken begeven hebben, waarvan de nijdige stekels ons zelfs door dubbele beenbekleeding in de huid prikten?
We maakten een praatje, en vernamen toen, dat de jongens reeds 's morgens om vijf uur op 't pad waren gegaan. Ze woonden in een gehuchtje twee uren ten zuiden van het bosch, en hadden in de vroegte dien langen weg afgelegd, om hier varens te plukken. En wat moesten ze daarmee doen? Verkoopen. De massa groen persten ze in groote juten zakken en die zouden ze vervoeren naar... België, nog een uur of drie rijdens per hondenkar voorbij hun gehucht. De drogist aldaar betaalde drie centen per pond, dat gaf dus voor de ongeveer zestig pond, die ze met hun drieën verzameld hadden, ongeveer één-gulden-tachtig, of zestig cent den man. Voor die zestig cent hadden ze een langen en vermoeienden dag moeten maken. De drogist zou de varens drogen, en ze daarna verkoopen aan ieder, die er een kinderbedje mee wilde opvullen, een bedje en ook een kussentje, een "kussentje van varen". Daarop kan een kindje rustig en gezond slapen.
We vroegen de jongens, of ze den heelen dag zoo aan de gang bleven, of dat ze er een uurtje afnamen, om te rusten. O ja, ze hadden al een uurtje heerlijk geslapen. Zoo maar midden in het bosch? Ja zeker. En had je dan geen last van de mieren en de vliegen en de spinnen? Wel neen. Je slaapt hier maar wat lekker.
Zou Heye dan toch gelijk hebben? Ongetwijfeld. Maar één ding had hij vergeten, één belangrijk ding:
Zoo'n middagslaapje in 't groene woud Kan u perfect gelukken, Mits ge u van 's morgens vijf uur af Vermoeit met varens plukken.
* * * * *
En nu gaan we naar den ringoven. Of zijt ge met dien ouden boer van meening, dat de menschen teugenswoordig veul te veul weten? En stoort ge u liever aan zijn waarschuwing: "Pas op, pas op, mieneer, je kunt uut alles zooveul kwaod zuigen"?
Twee keer waren we zijn boerderij voorbij gekomen, en beide keeren had hij ons aan de praat gehouden. Hij was al over de zeuventig, twee en zeuventig, maar nog sterk hoor, en gezond. De Brabantsche lucht is best, meneer! Zijn vrouw had het leven niet mogen houden. Al dertien jaar geleden was ze gestorven, aan het water. Nou, daar kon de lucht niks aan doen. En kinderen had hij nooit gehad. Een tweede vrouw? Neen, neen, met paarden en vrouwen moet je voorzichtig zijn. En met vrouwen nog meer als met paarden. Want als je een paard hebt gekocht, en het bevalt je niet, dan verkoop je het weer. Maar as je nou een kwaoie vrouw hebt getrouwd? Hé? Dan zit je er mee, je leven lang, of onze lieve heer most je van d'r verlossen. Maar daar wou hij 't maar liever niet op wagen. Nu dreef hij de boerderij met een paar neven en een zuster, en dat ging wat best.
En wat denkt meneer nou van Port Arthur? Zouen de Japanners 't al hebben? Onze twee en zeventig jarige zat wel verre buiten de bewoonde wereld, een half uur van den straatweg af, midden tusschen zijn bouwakkers, dennebosschen en heide, maar hij was toch drommels goed op de hoogte van alles. Dat dankte hij aan zijn krant, dien dagelijkschen nieuwsbode, die tot in de afgelegenste hoekjes van 't land de wereldgebeurtenissen vertelt, en aan zijn schoolmeester, die hem had leeren lezen. En hij had over alles ook zoo zijn eigen opinie. Denk oe, dat de Russen en de Japanners vechten om een stukje land? Wel neen, de groote meneeren moeten een opruiming houden onder het arme volk, en nou beginnen ze maar een oorlog, en laten ze de jonge mannen bij duuzenden doodschieten. Ja meneer, 't is een kwaoie tijd, dat zie je aan Frankrijk. Wat daar nog r's van terecht moet komen? 't Is allemaal tegen de godsdienst, en dat doen de loge en de socialen. En dat zou hier ook 't geval worden, als meneer Troelstra de baas werd. Maar gelukkig, meneer Kuyper houdt de boel goed in orde. De loge en de socialen, meneer, dat zijn de kwaoien in onzen tijd, en die jagen de geestelijken weg. 't Is treurig.
Wat ik daar voor een plantje in de hand hield? Ja, dat was nu eigenlijk een plantje, dat van vleesch moet leven. Zie je die ronde, roodbruine blaadjes? En die haartjes langs de randen? Nu, aan de punten van die haartjes zit een kleverig vocht, en daarmee worden kleine dieren vastgehouden. En dan buigen de blaadjes om, en klemmen ze zoo'n diertje stevig vast, en dan zuigen ze het uit. Daar moeten ze van leven. Zie je wel, dat die blaadjes een vlindertje te pakken hebben? Dat vreten ze nou finaal op. Niet met tanden natuurlijk, maar ze verteren het toch.