Verspreide Opstellen, I

Part 11

Chapter 113,945 wordsPublic domain

En dan zou ik willen spreken overal en voor allen, voor confessionelen en Hottentotten, voor etischen en dronkaards, voor modernen en Papoea's, en ook voor puur ongelovige gelovigen. Want die heb je ook, net als gelovige ongelovigen.

Maar ach, het is zo'n ontzettende toer, eerst een beetje christen te zijn, ik bedoel een echte, zo eentje in wie Jezus iets van zijn discipel zou zien, dat ik aan het modern of orthodox nog lang niet toe ben.

Daarvoor moet je eerst enige eeuwen van Jezus af staan.

Als ik me niet vergis, waren zijn eerste volgelingen ook simpel christenen en werden als zodanig gestenigd. Later kwam pas het onderling stenigen. Daar ben ik dus nog niet aan toe. 'k Zit pas op de christelike bewaarschool. En eigenlik hoop ik het nooit verder te brengen. Dan blijf je een kind in die dingen.

Maar nu wil ik toch nog even zeggen, welk een heerlike indruk ik van Duindigt heb meegebracht. Daar waren 4 à 5000 mensen, grotendeels uit de burgerstand en van 30-60-jarige leeftijd. Ik had gevreesd, dat het een roezemoezige dag zou zijn, veel gelach, gescherts, gebabbel, heen-en-weer-geloop. Gescharrel om de tentjes, met nu en dan een ogenblikje luisteren naar wegstervend gegalm.

Maar neen. Ademloze stilte, _levende_ stilte, luisterende stilte. 't Was koud, winderig, wat vochtig. Doch al die duizenden bleven, bleven tot den einde toe, luisterden aandachtig naar iedere spreker, zongen met toewijding de psalmen en gezangen. Het was treffend. Er zweefde zo'n stille vrije vroomheid om de schare. En daarbij zong een koor van dames en heren bizonder mooi een keur van liederen. Alles stemde tot Godsverering en was in die stemming.

Terwijl ik een ogenblik sprak en die menigte overzag, zag ik in de geest onze zendelingen, de pioniers van dit werk, arbeidende in onbeschaafde streken, ver, ver weg. En toen dacht ik: bij zo'n samenkomst moet eigenlik ook altijd de zending herdacht worden door een toespraakje en een aparte collecte. Ze heeft onze liefde en ons geld zo nodig. Moderne en confessionele liefde, modern en confessioneel geld--dat zie je de liefde niet aan, en ook de goudstukken niet. Als die maar echt zijn. Is het niet onbescheiden, als ik voor volgende gelegenheden een kwartiertje voor de Zending aanbeveel? Dit is toch óók zending.

* * * * *

Alle kinderen van alle openbare scholen horen, zo ongeveer op hun negende of tiende jaar dat onze voorvaderen heidenen waren die aan afgoden offerden en dat er toen zendelingen in ons land kwamen, die er het Christendom predikten. Ook wat de gevolgen daarvan waren. Dat enkele van die zendelingen wreedaardig vermoord werden, maar dat er ook kerken werden gebouwd en kloosters en scholen werden gesticht. En dat door de monniken de landbouw en de tuinbouw verbeterd werden, en de ziekenverpleging en allerlei bedrijven. Dat door diezelfde monniken kunsten en wetenschappen werden beoefend en hierdoor het volk ook allengs geestelijk ontwikkeld. Dat eindelijk door die volgelingen van Christus de jeugd werd onderwezen, niet alleen in lezen en schrijven, maar ook in de christelijke leer en zeden, zoodat de bewoners van ons land, stoffelijke, verstandelike en zedelike verheffing aan de invoering van het Christendom, dus aan de zending te danken hadden. Zonder zending geen school. Echter dat was--de zending naar ons toe. De zending van ons uit--dat is heel wat anders!

XI. EEN MOEILIK OGENBLIK.

I.

Dat heb ik me zelf berokkend.

Men weet nog wel, dat ik een poos geleden zo blufte op mijn succes met de sinaasappelmetode. Jaag de straatbengels niet weg met schelden en schoppen, maar geef ze een sinaasappel. Zo ongeveer luidde mijn raad. En ik wou het wel weten, dat ik daar menig hart mee gewonnen had.

Maar nu ben ik er dezer dagen toch lelik ingelopen met die, volgens sommigen, zoetsappige pedagogiek.

Bij het uitgaan van de school stromen onze eigen kinderen als een levend riviertje een stukje speelplaats over, de schoolpoort uit, en langs de huizen tot aan het eind der straat. Dit is nodig opdat er niet een, dartel de school uitvliegend, onder de tram komt, die om de vijf minuten vlak voorbij de uitgang snort. Ze zouden er onder liggen, eer ze 't wisten. Eens, ongeveer 15 jaar geleden, is er een leerling, die vóór schooltijd in de straat speelde, overreden, en was aanstonds dood. Toen hadden we nog maar de paardentram. 't Is dus begrijpelik, dat we nu, met die vliegende electriese, wat bizonder voorzichtig zijn.

Ons levend riviertje stroomt dus over het trottoir, langs de huizen, de Tullinghstraat uit. Maar daarbij hebben we nog al eens last van andere scholieren: er zijn wel zes à zeven scholen in de buurt. Dat kleine goed doet dan als jonge kozakken telkens vlugge invallen op de rij en vliegt even gauw weg als 't komt. Je kunt ze niet narennen, zonder de hele straat in opstand te brengen, en daar maken ze misbruik van.

Nu was er de laatste dagen weer zo'n troepje van wel twaalf zeven- tot negenjarige jongetjes om onze rij aan 't zwermen en die kleine bengels waren haast dronken van baldadigheid. Ik wist er niet beter op, dan ze, met mijn oude en beproefde metode, te winnen, en lokte de meer dan dartele vlegeltjes met wat vriendelike woorden bij me. Ze kwamen, maar tuimelden haast door elkaar van overmoedige, luidruchtige onbeheerstheid.

"Wil jelui de duiven eens zien?"

O ja, dat had ik geen tweemaal te vragen. Schuchterheid of schroom kenden ze niet. Ze renden de speelplaats op en holden daar naar alle kanten heen. Naar de duiven, de kippen, de tuintjes--ze deden precies wat ze wilden. Ze gooiden malkaar, een ging in de tuintjes lopen, een ander greep een pet van zijn makker en smeet die een eind weg. 't Leek net een troep speelse honden, maar dan honderd graden erger.

Ik kan niet verklaren, dat deze opvatting van hun gastrecht me bijster beviel. En om de gulle waarheid te zeggen, ik voelde me er een beetje verlegen mee worden. 'k Had dat volk binnengehaald, hoe kreeg ik ze weer fatsoenlijk de straat op.

Daar zag een de schoolbel, die op de speelplaats onder een afdakje hangt. "Meester, mag ik bellen?" Doch eer ik nog ja gezegd had, had hij de ketting al te pakken en begon te luiden. De anderen er bij, en nu vochten ze om de ketting. Al die kleine handjes grepen hem beet en trokken. Straks trokken ze de ketting nog stuk of kregen ze de zware klok op hun kop.

"Ieder op de beurt," gebood ik, en 't lukte me altans eenige orde in 't gelui te krijgen, maar wie eenmaal de ketting te pakken had, was volstrekt niet altijd bereid hem op mijn kommando los te laten. Hij vond het veel te lekker. 'k Was echter wijs genoeg, niet mijn handen te gebruiken. 'k Wist veel te goed, dat zúlke heerschappen dan tegenspartelen.

Gelukkig bracht ik het zo ver, dat ieder zijn beurt mocht genieten, zij het dan ook, dat enkele brutale doordrijvers een onrechtvaardig lange beurt kregen. En toen wist ik ze, door mijn eigen tuin, naar een twede speelplaats te krijgen. In mijn tuin liepen verscheidenen maar over 't gras, en toen ze op de twede speelplaats kwamen, draafden ze daar als gekken rond, schreeuwden, sprongen, en stoorden zich geen seconde aan mijn bevelen.

Kommanderen, ik begreep het, baatte hier niets. Ze waren er ontoegankelik voor. De enige weg was, dat ik rustig, heel rustig, de schoolgang binnen ging. Enkelen volgden me, anderen renden weer de plaats op. Maar zónder mij werden ze toch een beetje onrustig. Ze kwamen ook, ik opende een voordeur, en schreeuwende als indianen sprongen ze de straat op, zonder bedanken, zonder groeten, zelfs een beetje jouwende. 'k Was blij, ze kwijt te zijn. Maar wist tevens, dat ik van die bende nog niet af was. Dat zou wat geven.

* * * * *

De volgende dag, klokke vier, daar stonden, of eigenlik daar drongen ze weer. Ze persten zich haast de poort in. Hun oogjes schitterden met ondeugend geflikker. Nerveuse bewegingen van schouders, armen en benen, opspringen, dansen, malkaar gooien, alles sprak van opgewondenheid. Ik hield ze niet buiten, vond het ook verstandiger, ze binnen te laten, anders hadden ze zeker tegen de deur getrapt, met stenen gesmeten, gescholden. 'k Liet ze dus gaan, maar besefte heel wel, dat ik hier geen vriendelikheid bewees, geen gunsten uitdeelde, doch eenvoudig te gehoorzamen had aan de onbeschaamde dringerigheid van een aantal kleine deugnieten. 'k Was echter eenmaal begonnen en moest tegen wil en dank verder gaan.

Ze stormden de plaats op, zo mogelik ditmaal nog tomelozer dan de vorige keer. Niemand stoorde zich aan mij. De gymnastiekzaal stond open, ze holden er in. Binnen een ogenblik waren ze buiten mijn bereik. 't Leek zo iets, of ik een kooi had geopend en alle vogels naar buiten waren gevlogen, in de vrijheid. Alleen waren deze vogels kleine monsters van baldadigheid. Wat een bengels! En natuurlik waren ze sterk door hun aantal, de een voelde zich krachtig door al de anderen. Ze maakten malkaar aan de gang.

Toch had ik al gauw in de gaten, dat een de oorzaak, de psychiese besmetter was. Dat scheen een ventje, die tuis zijn zin kreeg. 'k Schatte hem tussen 8 en 9 jaar. Hij was nog al lang, en slungelde met een eigenaardige onaandoenlikheid zijn zin door. Hij maakte niet de indruk van een nijdige, grove forceerder, maar van iemand die zich met een lachend gezicht eenvoudig aan niets stoorde, met komies gedrijn al zijn makkers op zijn hand kreeg, en volwassenen, die niet innerlik krachtig waren, volslagen machteloos maakte. Een jongen die een hele klasse kon bederven. Zijn lachend gezicht, niet vriendelik, maar leuk aanstokend, was in staat een onderwijzer hels te maken. De andere jongetjes waren meer nerveuse natuurtjes, door hem buiten hun gewone doen gebracht, niet door zijn plannen of bevelen of aanhitsingen, maar eenvoudig door zijn houding, zijn stemming, zijn gedrag, zijn manier van laat-maar-gaan, zijn--niet in wilde overmoed, maar als in vrolike dronkenschap ontzien van niemand en niets. Dat ventje moest ik baas worden.

Dit laatste was gemakkeliker gedacht dan gedaan. Hij gleed als 't ware tussen je geestelike vingers door. Met zijn grappige, lummelachtige, halfbewuste, onbedoelde en toch bedoelde omverwerping van mijn gezag, kreeg ik zo moeilik vat op hem. Ik voelde me als een fatsoenlike, stijve meneer, die, in een achterbuurt verzeilt geraakt, nu in 't ootje wordt genomen door de eigenaardige, schijnbaar beleefde manieren van de clown uit de buurt. Ga je zo'n heerschap met een grap te gemoet, dan heeft hij je onmiddellik omwikkeld door zijn boertige stemming. Niet de geestelike kwinkslagen, maar de onbarmhartig komiese persoonlikheid overwint je. En word je boos, dan heb je het terrein helemaal verloren. Gesteund door zijn kring van genieters, geeft hij je aan de algemene bespotting prijs. Het beste is maar, eventjes te lachen, en rustig verder te gaan. 't Is hier niet een enkel woord, maar een stemming, een sfeer, waar je tegen te strijden hebt, een onaantastbare en in zijn onaantastbaarheid geheimzinnig-overmachtige werkelikheid. Ga er niet tegen in, ga er in vredesnaam niet tegen in, of je bent verloren. En waag je het in je domheid toch, word je driftig of handtastelik, dan slaat de stemming plotseling om, de tirannieke clown wordt een wrede wreker, en 't loopt uit op een strijd van leven en dood. Zulke schijnbaar goedmoedige, maar inderdaad harteloos heerszuchtige naturen geven geen kamp.

Ik kreeg de jongen niet onder mijn invloed en de anderen al evenmin.

"Magge we weer op die plaats?"

Waar weigeren niet baat, is toestemmen soms het wijste. Dan bewaar je tenminste nog de schijn, of je de baas was. Maar ook is vaak, en juist dan, een besliste weigering nodig, die het verzet reëel maakt en constateert. Al is het heel vaag, de belhamels krijgen dan toch een vluchtig besef van overtreden. Zodra men voelt, dat er in een verzet min of meer opzet werkt, lijkt mij 't verbloemen uit den boze en dunkt me een openlike nederlaag verreweg beter dan een gehuichelde meegaandheid. Die geconstateerde weigering, nú onze zwakheid, is straks onze kracht. Ongehoorzaamheid kan ons een ogenblik verrassen, maar zij kan--en mag--het nooit winnen. En daar zou groot gevaar voor wezen, als zij in haar waar karakter van ongehoorzaamheid werd gelochend.

Evenwel, ik had hier niet eens te philoseferen over weigeren of toestemmen, de zwerm liet zich al gaan, als vogels drijvend op de wind. Ik volgde van verre, uiterlik rustig, maar innerlik kokend, en--ergst van al--telkens twijfelend, of ik wel goed had gedaan. 't Werd half vijf, eer de dolle troep weer goed en wel buiten was. Joelend holden ze de straat in, met schitterende oogjes, malle bokkesprongen: levend vuurwerk.

Wat zou er nu in dat kleine goed omgaan? dacht ik. Zouden ze besef ervan hebben, dat ze hier de baas hebben gespeeld? Zouden ze mij voelen als een zwakkeling, bij wie ze alles konden doen? Zo iets als, helaas, wellicht hun vader of moeder? Zouden ze wachten op een krachtdadig optreden, om daarna pas van houding te veranderen? Hoe zouden ze nu met elkaar over 't geval spreken? Ik was ervan overtuigd, dat ze wel degelik een, zij het flauw, bewustzijn hadden, me te hebben overrompeld. En hiervan was ik te zekerder, omdat zulke kinderen zich niet een volwassen mens konden indenken, die zo maar een troep vreemde jongens op zijn speelplaats toelaat. Ze zijn van ouderen een andere behandeling gewoon. Doch, dit stond voor me vast, de volgende dag zouden ze geen voet op de speelplaats zetten, al moest het op een openlike oorlog uitlopen.

* * * * *

En nu komt de ervaring, die het opschrift boven dit artikel rechtvaardigt.

De volgende dag, vier uur, kom ik nauweliks met mijn rij uit de school, of daar word ik weer door de schavuiten bestormd. Als vliegen kringelen ze om me heen. Gelukkig schijnen ze te beseffen, dat tenminste de schoolkinderen eerst moeten vertrekken, maar pas verlaat het staartje van de rij onze schoolpoort, of de heren dringen op mij aan en werken zich de poort in.

"Neen," zeg ik, "jelui mag vandaag niet op de plaats, je hebt gisteren veel te hard geschreeuwd." En ik wil de poort sluiten. Maar daar had je 't lieve leven gaande. "Hè meneer, magge we nou, magge we nou," tjengelden ze, met een volmaakt gemis aan respekt voor mijn rang en macht, "toe late me nou." En ze persten zich naar binnen, zetten hun been over de dorpel, zodat ik de deur niet kon sluiten, zonder ze te verbrijzelen. Iets dergeliks had mijn vrouw wel eens van aanbellende straatventers ondervonden, maar ik nog nooit van kinderen. En dan kinderen van acht jaar!

Wat te doen?

Dit was nu het moeilike ogenblik. Mijn handen jeukten, om een paar van de brutaalsten in de nek te nemen en met kracht de straat op te slingeren. Dat had er natuurlik aanstonds de schrik onder gejaagd. Ze zouden allen op hol zijn gegaan. Maar ten eerste zou, bij een ongelukkig gevolg van deze slingermetode, ik niet verantwoord zijn tegenover rechtzoekende ouders. Die zouden me, niet zonder grond, kunnen verwijten: "Waarom haal je dan eerst die kinderen in je school. Begin dan niet met ze." Maar ten andere, en dit woog me nog zwaarder, zou ik precies niet bereiken, wat ik had beoogd: de jongens zouden me gaan vrezen, haten, vijanden worden in plaats van vrinden. Ik luisterde daarom niet naar dat gejeuk in mijn handen, schoof, beslist, maar voorzichtig, de op- en indringers terug, en wist de deur toe te krijgen, echter niet vóórdat een der deugnieten de pet van een makker had gegrepen en naar binnen gesmeten. Zulke opgewonden standjes ontzien net zo min malkaar als de volwassenen.

Toen de deur toe was--de pet was al weer buiten--begon het spektakel. Trekken aan de bel, trappen tegen de deur, rammelen aan de knop, en jouwen. Jouwen, schreeuwen, krijsen, als van een troep ontvlamde roofdieren, wie een prooi ontsnapt is. Maar hun razende machteloosheid aan gene zijde was niet zo erg als mijn kalmte aan deze zijde. Zij losten hun teleurstelling op in dolle uitgelatenheid. En ik....

'k Wil 't wel weten: mismoedig en terneergeslagen zakte ik over de speelplaats mijn tuin in. Daar bleef ik rustig op een bank zitten. 'k Had het verloren, totaal verloren. Een handvol kleine schavuiten had me verslagen. En daar zat ik nu met mijn pedagogiek en met mijn mooie sinaasappel-metode. 't Had er nog maar aan ontbroken, dat ik ze werkelik sinaasappelen had gegeven en ze mij de schillen in 't gezicht hadden gesmeten.

Een heerlike herfstgeur zweefde door de bladeren der heesters en bomen om mij heen. Een paar merels, die van 't jaar bij de school genesteld hadden, schoven met vlugge gangetjes door 't gevallen lover op de paden en tussen de heesters. Blauwe hemel omhoog, waartegen het mooie acaciagroen prachtig afstak. O, die verrukkelike herfst. Maar hij kon me nu niet opwekken. Tegen de achtergrond van die mooie Septembernatuur sprongen de kleine, helse kannibalen, juichend over de nederlaag der christelike zoetsappigheid.

II.

_Die geloven, haasten niet._

Dit is een heel oud woord.

En mijn moeder zei altijd: _Je kunt geen ijzer met handen breken._

Dat is ook al oude wijsheid.

En toch willen we altijd direkt succes hebben en weten van geen geduld.

_De aanhouder wint._

Weer zo'n korte waarheid.

Wat wás het voorgeslacht toch wijs!

Ik zat daar dan op mijn tuinbank, twijfelend. Hoe zou ik de volgende dag de heren ontvangen? Buitensluiten? Of toelaten?

Nu heb ik al zo dikwels 's nachts op mijn bed besluiten genomen, die ik bij wakende dag toch niet uitvoerde, dat ik me maar niet in overwegen verdiepte en alles zou laten afhangen van de omstandigheden. Eén ding stond echter bij me vast: Ik _wilde_ winnen. Niet uit een heerszuchtig instinkt. Maar ik wilde winnen--nu ja, laat ik mezelf maar eens opkammen--omdat ik die kinderen niet los kon laten, eer ik hun betere natuur in werking had gebracht. Ik wilde winnen, zoals de dokter, worstelend tegen heirlegers bacteriën. Zoals de heilsoldaat, die met zijn krant en zijn liefde de dronkaards opzoekt in de kroegen. Ik móést ook winnen, omdat deze kleine strijd de grote wereldstrijd vertegenwoordigde: het ging hier om goedwillende vriendelikheid of kwaadwillende baldadigheid. Het was hier de kamp tussen goed en kwaad in miniatuur. Op mijn manier was ik hier een zendeling onder de heidenen. En nu konden die heidenen me misschien kopsnellen en verorberen, maar dat gaf mij toch geen recht ze maar heidenen te laten. Dan zou het heidendom het winnen. En daarvoor behoort een mens nu toch niet tot het opvoedersgilde. Ik zou, gezel in dit gild, mij hebben te schamen voor de meesters.

Ik sprak daar van het opvoedersgilde en van de meesters daarin. En zie, het toeval wilde, dat ik juist onder de invloed van een dier meesters werd gebracht. Het was niet Stanley Hall, de Amerikaanse, of Prof. Rein, de Duitse autoriteit. Het was niet Förster of Claparède of zelfs Montessori.. Het was niet Pestalozzi of Fröbel....

Het was Michiel Adriaanszoon de Ruyter.

Vermoedelik zou onze grote admiraal er zelf bezwaar tegen gehad hebben, onder de pedagogen te worden ingelijfd, en dan nog wel tot meester, tot grootmeester van 't gild te worden verheven. Maar 't gaat met pedagogen gelijk met dichters en schilders. Niet de academies maken Rembrandts en Vondels, zulke heerschappen groeien zonderling op in kousenwinkels en zo. Waarom zou een opvoeder niet, ver van de hogeschool, op een oorlogsschip zich kunnen ontplooien? En waarom zouden wij niet bij zulk een begenadigde in de leer gaan?

Lezende, genietende in een voortreffelik boekje van onze A. Weruméus Buning (De Ruyter's Afrikaanse reis. Een vergeten bladzijde uit het leven van onzen grooten zeeheld. Aan het volk verteld door A. W.-B. Rotterdam, D. Bolle), was ik genaderd tot bladzijde 124-126, en daar werd ik door De Ruyter opgevoed. De zeeheld was bezig, op last van de "Heeren Staten", in 1665, de door Engeland veroverde koloniën op de Westkust van Afrika stuk voor stuk terug te nemen, en bij die gelegenheid gebeurde er iets, dat we ons door W. B. eens zullen laten vertellen.

"Drie matrozen--verhaalt Brandt--, aan land zijnde, raakten op een avond, door den drank bevangen, met elkander in geschil, en met messen aan het vechten. Ja, hunne baldadigheid ging zo ver, dat ze het licht uitbliezen en in het donker als dolle menschen elkander sneden en staken. De waard van den huize, daarop onvoorzichtelijk toeloopende, om hen te scheiden, liet er het leven.

"De vechters werden gevangen, doch zij ontkenden den doodslag.--Ook is het onzeker, of de schuldige van zijn misdaad, in het duister, en smoordronken, begaan, bij zichzelven overtuigd was...."

Dit was dus, toen de zaak voor den krijgsraad kwam, voor de heeren rechters een moeielijk geval. Zij losten echter dit vraagstuk in dezen zin op, dat zij hen alle drie voor "schuldig" verklaarden, hen alle drie "nominaal" ter dood veroordeelden en hun dus opdroegen, "zich ter dood voor te bereiden", maar er tevens bij voegende, dat er "effectief" maar _een_ opgehangen zou worden, en wie die ééne zou zijn, moest door het lot worden uitgemaakt. De heeren werden dus verzocht, hun hand in een zakje met drie briefjes te steken en die er het galgje uithaalde, zou dan voor alle drie moeten boeten....

Het gebeurde ook werkelijk aldus en een van de drie werd behoorlijk volgens de regelen van de kunst opgehangen, doch ziet, toen men, zooals Brandt vertelt, "meende, dat hij den geest had gegeven en men hem afsneed, om hem ten grave te brengen, begon men aan 't bewegen van een zijner leden eenig leven te merken en kwam de gehangene allengs weer tot zich zelven...."

Daar zat dus nu de krijgsraad opnieuw met de handen in het haar en er werd "beraadslaagd, wat men met hem zou doen".... Moest het vonnis nu andermaal worden voltrokken? De Gouverneur-Generaal Valkenburg, aan wiens oordeel deze zaak nu ook werd onderworpen, gaf het juridisch-juiste advies, dat hij "moest sterven, aangezien hij verweezen was, om zoodanig met de koorde te worden gestraft, dat er de dood na zou volgen."

Generaal Valkenburg was een volbloed Afrikaansch hoofdambtenaar ter kuste, die niet alleen nu, maar ook bij andere gelegenheden zeer geneigd was tot een "korte afdoening van zaken", bestaande in ophangen of andere afdoende maatregelen.

Geheel anders echter was het advies van onzen besten Admiraal de Ruyter, die zeker een minder goed "jurist" of logisch rechtsgeleerde, maar zeer zeker een aangenamer en meer "goedig denkend" menschenkind was....

"De Heer de Ruyter dreef het tegendeel, zeggende, _"dat men, geen klare blijken hebbende, dat hij de rechte doodslager was, hem wel door het lot had veroordeeld, maar dat zulks geen vast bewijs van zijn schuld medebracht, dat het lot zoowel de ongelukkigen als de schuldigen kon treffen; dat deze man, nu door Gods bestiering nog in het leven bewaard, onschuldig kon zijn, of min schuldig dan een der twee anderen, en derhalve behoorde gespaard of begenadigd te worden...._

_"Dat ook hetgeen hij al reeds had geleden, te weten, de smart en het gevaar des doods, hem tot een straf verstrekte en anderen ten spiegel kon dienen...."_

Zoo waren de eigen woorden en het welsprekend pleidooi van onzen Admiraal, die de voldoening had, dat de arme matroos werd vrijgesproken en "begenadigd", en van nu af den Admiraal zijn "tweeden vader" noemde, aangezien deze hem "van den dood had verlost". "Hij placht te verhalen, hoe hem de schrik des doods te dier tijd zoo had bemachtigd, dat hij weinig geheugenis of gevoelen had gehad van 't geen hem op dien dag overkwam, dat hij na het hooren van het vonnis bijna nergens van wist, en, van de ladder gestooten wordende, in een diepen put scheen te vallen, zonder eenige smart of benauwdheid te voelen...."