Verspreide Opstellen, I

Part 10

Chapter 103,776 wordsPublic domain

Daarom achtte ik het mijn plicht, tegen uw methode ernstig te waarschuwen.

Van uw bekende en gewaardeerde gastvrijheid, waarop ik rekenen durf, maak ik gaarne gebruik, om mijn waarschuwing onder de oogen uwer lezers te brengen. Als jarenlang trouw lezer weet ik, dat u aan tegenstanders "het onweersproken woord" laat. Maar ditmaal zou ik het toch op prijs stellen, wanneer u, mocht u hiertoe aanleiding en lust hebben, wat dieper op de zaak inging en mij even onomwonden te woord wilde staan als Dr. A. De kwestie is, dunkt mij, een ernstig overwegen waard.

Hoogachtend, Uw dw. lezer G. de Haan.

Gaarne wil ik op dit schrijven antwoorden, te liever, omdat het zeker de mening van zeer velen vertolkt. De heer De Haan windt er geen doekjes om, waar hij mijn metode gevaarlik noemt en vreest dat ze honderden zal doen tuimelen. Het verheugt mij, dat hij het daarom zijn plicht heeft geacht, tegen die metode te waarschuwen. Dat hij het in zo krachtige en besliste bewoordingen heeft gedaan, zonder ook maar een ogenblik kwetsend te worden, bewijst wel dat men zakelik kan strijden zonder persoonlik te krenken, een kunst, die bizonderlik in het worstelperk der opvoeding moet worden beoefend. Laat ik mij aan hem spiegelen, waar ik beproeven ga mijn zienswijze te verdedigen.

Twee uitingen troffen mij in de brief. Aan het slot spreekt de schrijver van een gastvrijheid, waarop hij rekenen durft. Dit is een durven op grond van ervaring. Hij wist wel, dat die gastvrijheid hem niet zou worden geweigerd. Hij vertrouwde er op met volmaakte zekerheid. Dit vertrouwen, deze ervaring, deze zekerheid ontnamen aan zijn durven al het durven.

Wat zou hij ervan zeggen, als mijn durven--of eigenlik het durven van die vader in mijn schetsje--ook niet de geringste moed vereiste, omdat het gegrond was op ervaring? Die man maakte toch immers in 't minst niet de indruk van een waaghals of een held? Hij was heel kalm en volkomen zeker van zijn zaak. Hij zette zijn opvoedkundig fortuin niet op één kaart, noch zijn kind op 't slappe koord. Hij ontwikkelde zijn kracht in een paar simpele vragen en dwong het kind door 't kind zelf. En dit deed hij met zulk een gemak, dat hij blijkbaar dit instrument meer bespeeld had.

Deze opmerking brengt me tot de twede uiting. De schr. vreest slechte gevolgen, wanneer hij de jongen, naar mijn advies, "maar gaan liet".

Doch waar heb ik dat ooit geadviseerd? Een kind maar laten gaan. Dat is nog erger dan de Rousseausche zorg, om het schaap te vondeling te leggen. Zo'n vondeling krijgt in het vondelingenhuis altans nog een soort opvoeding. Maar laten gaan? Wat zijn de mensen toch slechte lezers of partijdige formuleerders. Nooit heb ik aangeraden: Laat uw kind maar gaan. Precies omgekeerd heb ik meermalen gezegd: Laat de kinderen tot u komen en verhinder ze niet. Volg hierin Christus na. Stoot ze niet van u, trek ze aan, houd de armen voor hen geopend, koester ze met uw liefde, leid ze met uw wijsheid, vorm ze met uw willen. De kinderen laten gaan? En dat zou ik geadviseerd hebben? Zie, zo verkeerd vatten zelfs welwillende lezers iemands uitingen op. Wat moet er dan van de kwaadwillende verwacht worden? En deze welwillende schrijver komt gelukkig met zijn bezwaren nog in ons blad, gunt en vraagt me zelfs nadere toelichting. Maar wat moet het gevolg zijn, wanneer kwaadgezinde en ergdenkende critiek zich in andere bladen verkneukelt in haar lasterlike voorstellingen? Dan vormen zich in sommige lezerskringen totaal valse meningen, tot schade van de zaak waarom het gaat. Het doet er natuurlik niets toe, of men omtrent een persoon bedriegelik voorgelicht wordt. Maar het is van ernstige betekenis, met het oog op het belang der kinderen, wanneer een opvoedingsrichting verkeerd wordt gekarakteriseerd. En dit geschiedt, wanneer de handelwijze van de vader in het schetsje wordt gelijk gesteld met de "Laat-maar-gaan"-metode.

De "Laat-maar-gaan"-metode wordt gevolgd, waar niet met de kinderen wordt meegeleefd, waar men dientengevolge de kinderen niet kent, en ze, al of niet, met tussentijdse afstraffingen, in vrijheid laat verwilderen. Die tussentijdse afstraffingen veranderen niets aan de aard dezer onmetode der zorgeloosheid. Of een vader zo nu en dan al eens duchtig opspeelt en ranselt, als er eenmaal een kwaad gebeurd is, dat maakt hem nog niet tot een zorgzaam leider. Die uitbarstingen herstellen de verwaarlozing niet. Hij laat zijn kinderen gaan, totdat er iets ernstigs voorvalt, en dan treedt hij op. Dit is natuurlik mis en dit is nooit door mij aanbevolen. Dit is toch immers ook niet de tactiek van de vader der hogere-burgeres? Hij kende zijn kind door en door, nog beter dan de moeder het kende. Hij leefde als 't ware in het kind. Hij begreep haar daden, zag haar gemoedsbewegingen, koos zijn middelen, voorkwam haar afdwalingen, bewaarde 't kind voor de zonde, spaarde zichzelf het straffen, en sterkte het weifelende meisje in willen en doen. Is dit het kind maar laten gaan? De geachte schrijver weet wel beter.

* * * * *

Er is juist een treffende overeenkomst tussen het optreden van de heer De Haan en dat van die vader. Namelik: _Dat beiden zich met hun kind bemoeien_. En hierin staan ze _naast elkaar_ tegenover de laat-maar-gaan-mensen.

Wat is echter het verschil?

Dat de heer De Haan, gelijk hij het zelf aanschouwelik uitdrukt, er "de hand aan houdt", terwijl de ander 't zonder hand klaarspeelt. De eerste bemoeit zich met alle bizondere plichten van het kind, de laatste alleen met het algemene feit der plichtsvervulling. En dan kiezen beiden nog verschillende middelen.

"Hij is gewoon mij alles te vragen, stoort zich gelukkig aan mijn weigering of toestemming, en bevindt zich daar wel bij."

Ik prijs de jongen gelukkig met zo'n vader, en de vader met zo'n kind. Het ware te wensen, dat het nergens minder was. Maar wanneer de jongen nu eens niet in de gelegenheid was, alles te vragen? Wanneer Vader eens voor lange tijd op reis moest, ernstig ziek werd, stierf? Het kan voor niemand goed wezen, dat zijn geweten bij een ander gedeponeerd ligt. Ook niet voor een kind. Dat is een ding, dat ieder voor zichzelf moet hebben, gelijk elk uurwerk zijn veer. Vragen kan tweeërlei doel hebben: het kan op inlichting, op raad uitgaan, of op verlof. Het eerste kan natuurlik niet verkeerd zijn, al is het van een oudere niet altijd wijs gevraagde inlichting en raad te verschaffen, wanneer die door geestelike traagheid worden verzocht: laat de kinderen vinden, wat ze zelf kunnen zoeken. Doch het twede neemt verantwoordelikheid af, bestendigt afhankelikheid, voedt niet op tot zelfstandigheid--de deugd, die in 't belang van 't kind zo spoedig mogelik moet worden aangekweekt. Wie zijn kind alles laat vragen, doet het altijd zwemmen op kurken. En hoe, als het nu onverwacht door 't water moet en de kurken zijn niet bij de hand?

De heer De Haan, en de zeer velen aan zijn zijde, zullen, vertrouw ik, het zwakke punt van hun kracht zien. Nu wil ik echter niet in hetzelfde euvel vervallen, als waarvan ik zelf de dupe werd, en door verkeerd lezen de tegenstander onrecht aandoen. Ik wil nog verder gaan en de schrijver niet aan zijn woorden houden, doch naar zijn zuiverste bedoeling trachten te begrijpen. En dan moet ik zeker dat woord "alles" niet letterlik opnemen. De jongen zal zijn vader wel niet "alles" behoeven te vragen, hij zal bij zeer veel dageliksche plichten wel weten wat hij doen moet en alleen bij min of meer belangrijke wijzigingen in het dagprogramma zijns vaders wil vernemen. Hij oefent zich dus wel degelik in zelfstandigheid, maakt door stage gehoorzaamheid van zijn plicht een goede gewoonte, en zal, eens te water gaande, op de kurken dier goede gewoonten veiliger drijven dan op zijn eigen nog zwakke beenen.

Is het wonder dat ik, te midden van zoveel karikatuur van "vrije opvoeding", het kind gelukkig prijs, dat aldus wordt gebonden? Verre te kiezen deze leiband-metode boven een vrijheid, die niets anders is dan volslagen ongebondenheid en die het kind roerloos laat zwalken in een zee vol blinde klippen. En hier blijkt het, dat de heer De Haan en die vader het nog verder met elkaar eens zijn dan in het zich bemoeien met het kind: beiden willen het kind _binden_, en aldus leiden.

Maar nu komt het verschil: de eerste bindt het kind zo lang mogelik met uiterlik gezag, met wat ik zou willen noemen: een moreel mechanisme, met zedelike werktuiglikheid, en de laatste wil zo spoedig mogelik binden door zedelik gevoel, door de innerlike tirannie van het geweten. Het is, als ik goed zie, de grote tegenstelling tussen de vrijheid van het alleseisende christendom, en de vormelike gehoorzaamheid aan de voorschriften van het wettiese gezag.

Deze formulering van het onderscheid schijnt zuiver, en toch zou de heer De Haan zich juist op deze formulering kunnen beroepen, om zijn positie verkiezelik boven de andere te achten. Is het, kan hij vragen, dan niet echt christelik, wanneer het kind in liefde en vertrouwen zijn vader blindelings gehoorzaamt? Is dit zelfs niet de eis van het christendom, dat de mens, zonder redeneringen, de wil volbrengt van zijn Hemelsche Vader? Gehoorzaamheid voortvloeiend uit volmaakt vertrouwen--kan het christeliker?

Ja, het kan christeliker. Paulus zegt: "Ik vermag alles in Christus, die mij kracht geeft." Dat is niet de stille, vertrouwenvolle gehoorzaamheid. Het is meer. Het is de geest van liefde, van heiligheid, het is de Christusgeest, wonende, werkende _in_ Paulus. Het is God _in_ de mens. Het is de Goddelike bezieling.

Nu willen we hier niet pogen te ontleden, wat wij onder God verstaan. Voor ons doel is het genoeg, als wij bij deze naam ons vaag iets bewust worden van volmaakte heiligheid en liefde. En dan zeggen we: beheerst worden door die geest, gedwongen worden door die geest, gelijk deze in Christus tot ons gekomen is, dat is zuiver christelik.

Men mag zich niet achter Christus verschuilen, om iedere gehoorzaamheid aan ouderlik voorschrift christelik te noemen, zelfs niet als die gehoorzaamheid geschiedt in volmaakt vertrouwen. Rooverskinderen kunnen ook hun ouders vertrouwen en in gehoorzaamheid aan hun bevelen op roof en moord uittrekken. Christelik wordt de opvoeding pas, als het kind in zijn vader de Christengeest gehoorzaamt, zich steeds helderder bewust wordt wat deze van hem vordert, en het zijn vader missen kan, omdat het Christus in zich heeft, omdat Diens krachten in hem werken.

Daarom is christelike opvoeding: gewetenscultuur. "Zonder Mij kunt gij niets doen," zei Christus zelf. Zijn geest van heiligheid en liefde moet heersen, en _zonder deze_ wordt de opvoeding een niet gevaarloze werktuiglikheid.

* * * * *

Gebondenheid aan een gezaghebber buiten of aan een heerser binnen ons--ziedaar het eerste onderscheid in het hangende geding. De voorrang van de laatste wordt al verzekerd, doordat hij de mens overal verzelt.

Een twede verschilpunt kwam uit in de zelfwerkzaamheid der zedelike natuur, waartoe de vrijheid verplicht, de vrijheid onder leiding. Gehoorzamen aan een uitwendig machthebber is voor de overgrote meerderheid zoveel gemakkeliker, dan onderwerping aan eigen plichtsbesef. Het laatste, met zijn gelegenheid tot ontduiken, maakt de strijd dikwels zo zwaar. Aan een gezag buiten ons, dat zijn machtsmiddelen kan aanwenden, onttrekt men zich niet licht. Slavernij is op slot van rekening bij een goed meester, voor velen een begeerlike toestand, en dit ondanks al het geschreeuw om vrijheid.

Hoe willig onderwerpen de mensen zich aan de tirannie der mode. Zijn er velen, die, tegenover haar, eigen zelfstandigheid kunnen handhaven? Hoe veilig voelen millioenen zich in de schoot der kerk. Als de priester het maar weet, is 't hun genoeg, en gaarne volgen ze de voorschriften. Hij draagt de verantwoordelikheid en zij zijn zalig in hun gehoorzaamheid. Niet verplicht worden tot een keuze, het is bewaard worden voor de strijd.

Maar, al is het waar, dat het trouw volgen van voorschriften goede gewoonten aankweekt, voor afdwalen behoedt, en een zekere stugge kracht ontwikkelt, het is ook waar, dat deze een morele consolidatie, maar geen zedelike stijging is. Die wordt alleen door strijd bewerkt. Móéten kiezen, móéten beslissen, móéten doorzetten--kúnnen dwalen, kúnnen weifelen, kúnnen opgeven--ziedaar voorwaarden voor zedelike groei. En dus vordert de zedelike opvoeding een vrijheid, die--_berekend naar zijn krachten_--het kind tot kiezen, beslissen, doorzetten verplicht.

Gelijk bij alles moet er evenredigheid zijn tussen taak en kracht. Niemand denkt er aan een zuigeling met bruine bonen te voeden, een zesjarige de worteltrekking te doen uitvoeren, een tienjarige met honderd kilo te belasten. Zo behoort ook de verantwoordelikheid in overeenstemming te zijn met leeftijd, aanleg, bereikte hoogte. De heer De Haan merkte op, dat kinderen die nog te jong zijn om op eigen benen te staan, gesteund moeten worden. Men kan het hiermee eens zijn en toch menen, dat dit steunen geen dragen mag wezen, dat kruipende kinderen hun spieren ontwikkelen, en zij wel door kruipen, maar niet door gedragen-worden tot lopen komen.

Gewetenscultuur is misschien wel een der moeilikste opvoedingsplichten. Zeker is ze een der voornaamste. Maar nooit vervullen we deze plicht naar behoren, als we dit wondere orgaan van de geestelike natuur buiten werking houden. Vroeg beginnen, héél vroeg, met het doen dragen van kleine verantwoordelikheden; met het schenken--neen, het verplichten tot zekere zelfstandigheid; met het verlenen--neen het noodzaken tot zekere vrijheid; dit is, naar mijn ervaring, de weg, waarlangs het geweten zichzelf voedt en versterkt. Mits op die weg de "Zon der gerechtigheid" schijnt.

Er is in onze tijd een schreeuwen naar vrijheid en zelfstandigheid. Ik begrijp niet, hoe iemand zich daarover bekommerd kan maken. Ik zou zeggen: Is het u ernst, hier hebt ge vrijheid, hier hebt ge zelfstandigheid. Doe uw plicht en draag de verantwoordelikheid. Waarom zijn velen zo bang, aldus te spreken? Is het, omdat zij niet begonnen zijn, en dageliks voortgaan, met gewetenscultuur? In deze ligt de oplossing der politieke, der sociale vrijheid--misschien wel der hele sociale kwestie. Want deze is in hoogste instantie een opvoedingsprobleem.

DE KORTSTE WEG.

Ontdek het kind zijn sluimerende kracht, En breng die tot ontwikk'ling door waardeeren, Dan zal de lust in d'arbeid hem regeeren En hebt ge uw "deugniet" 't rustigst in uw macht.

X. WEK GODSDIENST IN HET KINDERHART.

(EEN TOESPRAAKJE).

Godsdienst _wekken_ in het kinderhart? Dan moet er ook godsdienst _sluimeren_ in het kinderhart.

Natuurlik. We moeten van een godsdienstige aanleg kunnen uitgaan, een aanleg, die wij tot groei en ontwikkeling kunnen brengen. Hoe zou er anders later van een godsdienstig leven sprake kunnen zijn? De gehele plant met haar schoonste bloemen is reeds in de kiem aanwezig.

Die godsdienstige aanleg openbaren de kinderen aan ons het allereerst in hun aanhankelikheid en vertrouwen. Kinderen, die zich met volkomen, naief vertrouwen naar volwassenen begeven en zich jegens deze aanhankelik betonen, doen hierin de eerste groene sprietjes van hun godsdienstige aanleg zien.

Is ook onze godsdienst niet grotendeels aanhankelikheid en vertrouwen? Aanhankelikheid jegens onze Schepper en vertrouwen in zijn Vaderliefde?

Het vertrouwen van kinderen in volwassenen is, helaas, dikwels misplaatst. Dat is dan echter niet de schuld van dat vertrouwen, die onmisbare eigenschap der jeugd, maar van de verdorvenheid der volwassenen.

En zo, wordt, door de zelfzucht der ouderen, ook vaak de aanhankelikheid der jongeren teruggewezen. Maar dit neemt niet weg, dat beide eigenschappen getuigen, hoe de jonkheid zich overgeven en hechten wil aan de voor haar hoogere macht der volwassenheid.

Ons hechten en overgeven, met vertrouwenvolle aanhankelikheid, aan de Hoogste Macht, dit is het wezen van ònze godsdienst, waarin de kinderen niet ons, maar wij de kinderen gelijk moeten worden.

Eigenlik is het dan ook minder juist te spreken van godsdienst _wekken_ in het kinderhart. We moeten hem alleen de gelegenheid niet benemen, zich te openbaren. Dan verschijnt hij vanzelf.

Wij ouderen behoeven voorlopig niets in het kind op te roepen. We moeten alleen in het kind iets niet indrukken en verstikken. Doch hiertoe moeten we aan onszelf iets doen.

Vele volwassenen, ja ook ouders, missen liefde, geduld, belangstelling, om de uitingen van het kind zelfs maar aan te horen, laat staan te beantwoorden, en in plaats van die lieve aanhankelikheid te dragen, schudden ze haar af als een hinderlike last. Ze redeneren liever, genietend van hun dialecties spel, over de oorsprong van het ouderlik uit het goddelik gezag, dan dat ze God waarlik vertegenwoordigen in diens onuitputtelike liefde en geduld. Redeneren over aangevochten meningen is zoveel gemakkeliker en zelfbevredigender, dan zedelike waarheden uit te leven. Doch zodoende bieden ze het kind geen gelegenheid, zijn aanhankelikheid te tonen, en beschamen het reine vertrouwen, dat het kind onberedeneerd, en helaas ook ongemotiveerd, in hen stelde. De ontluikende godsdienst wordt in zijn eerste groei belemmerd in stee van bevorderd, en geen gedogmatiseer en gephilosofeer kan later herstellen, wat door verwaarlozing vroegtijdig aan zielekrachten vernield is.

* * * * *

Verhinder uw kinderen niet.

Dat is ook het woord van den Heiland: "Laat de kinderen tot mij komen en verhinder ze niet."

Maar Hij kon dit onvoorwaardelik zeggen. Hij in zijn liefde, in zijn reinheid, wilde de kinderen in zijn armen nemen en Hij kon het veilig doen.

Hij kon hen koesteren. Hij kon hen ook leiden.

Doordat Hijzelf vol Godsvertrouwen was, kon Hij dat vertrouwen in hen vestigen en versterken.

Doordat Hij zijn Vader in de hemelen liefhad boven alles, kon Hij die liefde in de kleinen wekken en voeden.

Doordat het Zijn lust was, zijns Vaders wil te doen en niets dan dat, in volkomen gehoorzaamheid, kon Hij zulk een gehoorzaamheid vorderen.

Het is met ons echter zo geheel anders. Wanneer wij de aanhankelikheid der kinderen al aanvaarden met hun vertrouwen, wat hebben wij hun dan aan te bieden? Een leven van zelfzucht, ijdelheid, zinnelikheid, eerzucht, hebzucht. Een leven van aardsgezindheid. Ja, wij hebben ook mooie woorden, waarmee we hen strelen en onszelf verblinden kunnen. Maar als zij daden vragen? Als hun onbevangen oordeel een pijnlik onderscheid ziet tussen ons zeggen en doen? Als zij teleurgesteld worden, ondanks ons goed willen, door ons armelik kunnen? Dan baat het niet veel, of we hen al of niet verhinderd hebben. Dan hebben we hen toch verhinderd, omdat ze bij ons niet vonden, wat ze nodig hadden. En waar we dan mooier gepreekt dan geleefd hebben--en wie doet dit niet, al draagt hij geen toga--geldt ook voor ons het verwijt uit kindermond:

Zij hebben ons met woorden wel gedreven, Maar hebben ons verhinderd met hun leven.

Aanhankelikheid en vertrouwen van kinderen aanvaarden legt ons een grote verantwoordelikheid op. Zij moeten toch in ons _het goede_ aanhangen en met hun vertrouwen ook hun _zedelik heil_ aan ons toevertrouwen. En die verantwoordelikheid kunnen wij niet dragen. Ook al openen we de ogen der jongeren niet opzettelik voor onze zwakheden en gebreken, ze zullen die toch spoedig genoeg zien. Daarom verhelen we de kinderen niet, hoe ook wij ons nog kinderen voelen, niet op onszelf kunnen staan, ons aan God vastklemmen en in volmaakt vertrouwen ons aan Zijn Vaderzorg overgeven. Terwijl zij tot ons komen en wij hen met open armen ontvangen, nemen we hen mee tot Hem, den Levende, den Machtige, die zich in Christus geopenbaard heeft als een Vader vol ontfermende liefde, maar ook als de Volmaakte, die zijn kinderen de strenge eis voorhoudt: Weest heilig, want ik ben heilig.

Zo leiden we de gevoelens van aanhankelikheid en vertrouwen tot Hem, op wiens liefde zij en wij moeten leren bouwen, en aan wiens heiligheid zij en wij ons moeten leren hechten, die, gevend en eisend, de zoekende en hulpbehoevende mens bij de hand neemt en voert langs Zijn wegen.

* * * * *

De kinderen moeten op God _leren_ bouwen en _leren_ zich aan Hem te hechten. Zo zeiden we. Maar is dit niet in strijd met hetgeen we in de aanvang opmerkten, dat aanhankelikheid en vertrouwen tot de kindernatuur behoorden?

Geenszins. Een jong kind vertrouwt, onder normale omstandigheden, gemakkelik op zijn ouders: het kan hen niet missen en ontvangt van hen niets dan goeds. In zijn afhankelikheid geheel aan hen overgeleverd, ervaart het slechts liefde en zorg. Zo valt het vertrouwen licht.

Doch als de ouders, mede in 't belang van 't kind, moeten weigeren en eisen, verandert de zaak. Dan heeft het kind zijn zelfzuchtige natuur te verlochenen, zijn zondige en zelfs geoorloofde begeerten op te geven, en krijgt het in die strijd vaak zó moeilik, dat het liever op eigen kompas vaart, dan in 't vertrouwen op zijn ouders.

Oneindig veel moeiliker wordt het nog, wanneer het een volmaakte en volmaaktheid eisende God moet blijven aanhangen en het vertrouwen moet bewaren in Hem, die, in stede van onze lusten te bevredigen, ons vaak schijnt te willen pijnigen en smarten met tegenspoed, armoede, ziekte, zedelike nederlaag. Dan breekt de tijd aan van maar al te gegronde twijfel en al te redelik ongeloof. Dan brokkelt de aanhankelikheid weg en sterft het vertrouwen. Op een mens zouden ze zich nog kunnen verlaten, maar op God? Op zulk een God? Die zijn almacht misbruikt en zijn eigen liefde lastert? Die met pest en oorlog de mensheid, zijn kinderen, teistert? Zij zouden het die God verbeteren.

Gelukkig wanneer zij dan als de diepste psalmdichters en profeten, God aanklagen bij God. Dan zullen zij tot antwoord ontvangen, dat aanhankelikheid en vertrouwen alleen het deel zijn voor de ziel, die waarachtig naar de Allerhoogste hijgt. Niet voor hem, die God begeert als wonderdoend bevrediger van aardse verlangens, maar wel voor hem, wiens hoogste zaligheid is met God één te zijn.

Zullen we zúlk een godsdienst bij hen aankweken, dan moeten we hen vroeg leren, God lief te hebben, opdat die liefde hen redde tegen twijfel en ongeloof. En geen beter weg hiertoe, dan het geestelik verkeer met Jezus, die zichzelve de weg genoemd heeft. Wij, worstelende, bezwijkende volwassenen, kunnen onmogelik God in zijn liefde en heiligheid bij de kinderen vertegenwoordigen. Maar Jezus, wiens spijze het was de wil van zijn Vader te doen, is hierin de kinderen en ons gelijkelik een middelaar. Levende met Hem, voert Hij ons mee, voert Hij ons op, leert Hij ons, ook in Gethsemané en aan het kruis niet te vertwijfelen, en liever de smaad der hele wereld te dragen, dan het vertrouwen te verliezen in Gods Vaderliefde.

Jezus onze middelaar. Het woord heeft door zekere dogmatiese verstarring bij vele een onaangename bijklank gekregen. Dit mag echter geen reden zijn, het te versmaden. Wij allen behoren in de opvoeding onzer kinderen middelaars te wezen, dragers en overbrengers der goddelike eigenschappen. Maar wij kunnen niet, dan uiterst gebrekkig in dezen onze plicht vervullen. Heerlik dan, dat wij in Hem, naar wien wij ons christenen noemen, voor de jeugd en voor onszelf, de Middelaar bezitten, wiens leven en sterven Liefde en Godsvertrouwen wàs.

* * * * *

Deze korte toespraak werd gehouden bij de openlucht-samenkomst van "Vrijzinnige godsdienstigen" op Hemelvaartsdag. Het comité had me uitgenodigd en graag voldeed ik daaraan.

"Ben jij modern?" vroegen sommigen me. "Ik dacht dat je orthodox was."

Vreemde vraag.

Wat ik ben?

Ik wou, dat ik iets _was_--een christen b.v., een goed christen.

Dat was me genoeg.