Vermakelijke anekdoten, en historische herinneringen
Part 9
Voiture, een der vernuften, die onder Lodewijk XIII in Frankrijk bloeiden, had 200 pistolen met het spel verloren en kon ze niet betalen. "Ik heb," schreef hij aan zijn vriend, den abt Costar, "onmiddellijk behoefte aan 200 pistolen; hebt gij ze, zoo zend ze mij, hebt gij ze niet, leen ze dan; 't ga hoe 't ga, gij moet ze mij bezorgen, en gij moogt niet gedoogen, dat een ander u deze schoone gelegenheid om mij te verplichten ontroove; het zou mij leed doen voor u, en, voor zoo verre ik u ken, zoudt gij er u moeielijk in kunnen troosten; verkoop dus liever wat gij hebt eer u zulk een ongeluk treffe. Gij ziet, welk een heerschzuchtig vriend ik ben: ik schep er vermaak in dus met u te handelen, en ik zou er nog een grooter gevoelen, indien gij 't met mij deedt; maar gij zijt een bloodaard.--Ik zal aan den man, die mij 't geld brengt, mijne schuldbekentenis meêgeven. Vaarwel."--Costar antwoordde: "Het doet mij een onbeschrijfelijk genoegen, u den kleinen dienst te bewijzen, dien gij van mij vordert; ik had nooit gedacht dat men zulk een genoegen kon hebben voor 200 pistolen. Nu ik dat ondervind, beloof ik u altijd eene kleine kas ter uwer beschikking te zullen hebben, wend u dus tot mij zoo dikwerf gij 't noodig acht; gij zult geen grooter vermaak hebben in 't bevelen dan ik in 't gehoorzamen. Niet te min, hoe onderworpen ook aan uwen wil, zal ik in opstand komen zoo dikwijls gij mij zoudt willen dwingen een schuldbekentenis van u aan te nemen."
"Een vriend, die mij mijn feilen toont, Gestreng bestraft en nooit verschoont, Heeft op mijn hart een groot vermogen--"
zei Van Alphen, en datzelfde gevoelde ook reeds in zijn tijd Filippus van Macedoniën. Bij gelegenheid van een verkoop van gevangenen, in een min voegelijke houding gezeten zijnde, werd hij daarvan door een hunner gewaarschuwd: "Stelt dien man in vrijheid," zeide hij, "ik wist niet dat hij een vriend van mij was."
De volgende edele vriendschapstrekken worden verhaald van den Engelschen geneesheer Mead, die in 1754 overleed. Zijn vriend Friend, die lijfarts was der Koningin, had in 1722, als Lid van 't Parlement, zich heftig tegen het Ministerie verklaard. De Minister, hierover gebelgd, had hem van hoog verraad beticht en in den toren van Londen doen sluiten. Een half jaar later werd de Minister ziek en liet Mead halen, die, na zich omtrent den aard der ziekte te hebben vergewist, tot den zieke zeide, dat hij voor diens genezing instond, maar dat hij hem zelfs geen glas water zou voorschrijven, zoolang Friend in den kerker zat. De Minister aarzelde eerst hieraan te voldoen, doch na eenige dagen erger wordende, zorgde hij voor de in-vrijheid-stelling des gevangenen. Niet vroeger echter wilde Mead zijn taak bij den Minister aanvaarden, dan toen Friend aan de zijnen was teruggegeven en de aanklacht ingetrokken, waarna hij aan zijn vriend omstreeks 5000 guinjes bracht, die hij verdiend had met het verplegen der patienten van den anderen, gedurende diens gevangenschap.
* * * * *
~Weelde.~--Zeleukus, de Wetgever der Lokriërs, dacht een geestig middel uit om zijn stadgenooten te genezen van de buitensporige weelde, waartoe zij vervallen waren. Hij vaardigde namelijk een bevelschrift uit, dat geen vrouw van vrije geboorte, als zij uitging, meer dan eene dienstmaagd mocht achter zich voeren, ten zij in geval zij dronken was: noch ook gouden vercierselen op haar lijf of een geborduurden tabbaard dragen, wat alleen aan vrouwen van slechten naam vergund werd: voorts dat geen man, behalve boeven en ruffianen, gouden ringen aan den vinger, noch gewaden van fijne Milezische stof mocht dragen.--Dewijl nu noch vrouw, noch man gerekend wenschte te worden tot de uitzonderingen te behooren, miste de verbodsbepaling haar uitwerking niet.
* * * * *
~Woordhouden.~--Sommigen beweeren, dat de dood ons ontslaat van alle verplichtingen; die leer is intusschen somtijds op zonderlinge wijze toegepast. Hendrik VII, Koning van Engeland, was met Koning Filips den Schoone overeengekomen, dat deze den Hertog van Suffolk, die tegen hem krijg gevoerd had en naar de Nederlanden geweken was, in zijne handen zou stellen, nemende hij, Hendrik VII, aan, dat hij gezegden Hertog het leven en de vrijheid laten zou;--doch bij zijn uitersten wil gelastte hij zijn zoon hem terstond na zijn dood te doen ombrengen.
Evenzeer een letterknecht, doch in edeler zin, toonde zich de Graaf van Egmond, toen hij, te gelijk gevangen en gevonnisd zijnde met den Graaf van Hoorne, die door hem, onder verzekering dat hem niets kwaads zou overkomen, naar Brussel was gelokt, met grooten aandrang verzocht, het eerst onthoofd te worden, opdat zijn dood hem de belofte kwijtschold, door hem aan Hoorne gedaan.--'t Komt mij intusschen voor, dat de dood den Koning van Engeland niet van zijn gegeven woord ontsloeg en dat Egmond daarvan ook buiten den dood ontslagen was. Niemand kan instaan dan voor hetgeen afhangt van zijn wil en van zijn macht; en welke verplichting Egmond ook jegens Hoorne had aangegaan, hij was daarvan ontslagen zoodra een sterker macht dan de zijne hem in de onmogelijkheid bracht die na te komen. Hendrik VII daar-en-tegen is er niet meer om te verschonen, dat hij 't verbreken van zijn woord uitstelde tot zijn dood; of liever, hij verbrak het, nog levend zijnde, toen hij, bij zijn testament, den moord van Suffolk gelastte.
* * * * *
~Zelfbedrog.~--Even als sommige ouders het meeste zwak hebben voor diegenen onder hunne kinderen, die ziekelijk, mismaakt of stompzinnig zijn, en men schrijvers ziet, die bij voorkeur roem dragen op hun minst gelukkig geslaagde werken, schijnen in 't algemeen de lieden eigenschappen, waar zij in uitmunten, gering te schatten om zich te verheffen op andere, waarin zij slechts breekebeenen zijn--vermoedelijk meenende op die wijze een nieuwe aanspraak op roem te verwerven bij die, welke zij reeds verworven hebben. Zoo gewaagt Plutarchus van Periander, die een treffelijk geneesheer was, doch zulks weinig scheen te tellen, en daar-en-tegen stofte op zijn verzen, die erbarmelijk slecht waren; 't zelfde deed Dionysius de Oude, die als Veldheer groote verdiensten had, doch zich meer liet voorstaan op zijn dichterlijke gaven, die niets beteekenden. Cezar geeft zich in zijne Gedenkschriften ontzaglijk veel moeite om zijn bekwaamheid als krijgsbouwkundige op den voorgrond te stellen, breedvoerig uitweidende over de verschansingen, die hij opgeworpen, over de bruggen, die hij gebouwd heeft, terwijl hij daar-en-tegen zeer kort is waar hij van zijn wapenfeiten gewaagt. Zeker oordeelde hij, dat zijn naam als uitnemend Veldheer genoegzaam was gevestigd, en het er nu op aankwam, den lezer ook zijn verdiensten als ingenieur te doen opmerken. De Prins van Kaunitz, die onder Keizerin Maria Therezia en haar beide opvolgers als eerste Staatsdienaar zich een grooten roem verwierf en de "koetsier van Europa" werd bijgenaamd, pochte in het laatst van zijn leven op zijn voortreffelijke rijkunst; ofschoon hij niet dan met moeite op zijn paard geholpen kon worden en niet verder reed dan zijn eigen manege rond; en ik herinner mij een Rechtsgeleerde, die, een openbare boekerij bezoekende, vol werken over zijn vak, daar geen acht op sloeg, maar op den toon van een deskundige den verkeerden samenstel ging berispen van een wenteltrap, die er heen geleidde en die toch het werk was van een beroemd Architect.
* * * * *
~Zelfverloochening.~--Er is misschien geen daad, die moeilijker valt, dan den lof, dien men zelf behalen kon, op te offeren ten einde de eer of goeden naam van anderen te bevorderen.--Zoo handelde Lelius, die zich als luitenant van Scipio in diens veldtochten steeds met zooveel beleid en wakkerheid gekweten had, dat, naar veler gevoelen, hem de voornaamste eer toekwam van de behaalde overwinningen, doch die steeds allen lof deswegen afwees, beweerende nooit anders geweest te zijn dan de uitvoerder van Scipio's bevelen.
Toen Karel V in 1537 besloten had, Provence binnen te trekken, raadde Antonio de Leyva, hoezeer van oordeel zijnde, dat die tocht zijn meester tot groote eer verstrekken zou, hem dien ten sterkste af, en dat met geene andere bedoeling, dan dat de Keizer, de onderneming tot een gelukkig einde gebracht hebbende, er te grooter lof door zou inoogsten, als men wist, dat hij die tegen het gevoelen zijner raadslieden begonnen had.
Toen de Thracische Gezanten Achilonide, moeder van Brazidas, over den dood van haar zoon kwamen troosten, en onder andere loftuitingen beweerden, dat hij zijns gelijke niet had, wees zij die lofspraak af, zeggende: "Zoekt mij zoo iets niet te doen gelooven, ik weet dat Sparta vele burgers bezit, grooter en dapperder dan hij was."
Toen men Theopompus, Koning van Sparta, prees, dat alles zoo goed ging onder zijn regeering en dat zulks alleen daar van daan kwam, dat hij zich zoo goed wist te doen gehoorzamen, antwoordde hij: "Daar ligt het niet aan, maar daaraan, dat het volk zoo goed weet te gehoorzamen."
INHOUD.
Bladz. Afgezanten 7 Allegorie 14 Babbelen en zwijgen 15 Bijzaken 18 Diepte van gevoel 19 Dieren 21 Drift 23 Dronkenschap 25 Eenvoudigheid van zeden 26 Etikette 26 Gebrek aan onderzoek 28 Geleerdheid 29 Genade en wreedheid 29 Gevatheid 33 Gewoonte 34 Gierigheid 35 Geluk 36 Goed en kwaad gezelschap 37 Grillige loop van 's werelds zaken 39 Huwlijkstrouw 42 Kinderliefde 46 Kluchtige zetten in 't uiterste 47 Krijgswetten en gebruiken 48 Kwakzalvers 49 Lafhartigheid 51 's Lands wijs, 's Lands eer 54 Logen 56 Menschenoffers 58 Moed 60 Naauwgezetheid 61 Ouderliefde 61 Paard 63 Panische schrik 65 Raad inwinnen 69 Redenaars 72 Regeeren na den dood 74 Schrijvers 80 Slaap 82 Snapachtigheid 85 Staatzuchtigen 87 Tooneelspelers 88 Tucht 96 Vaderlandsliefde 96 Verachting van den dood 101 Verliefdheid 110 Verschil van opvatting 115 Vleierij 116 Vriendschap 116 Weelde 120 Woordhouden 120 Zelfbedrog 121 Zelfverloochening 122
Bij de Uitgevers dezes zijn vroeger verschenen:
=Mr. J. van Lennep= en =J. ter Gouw.= De Uithangteekens in verband met Geschiedenis en Volksleven beschouwd. Twee deelen in royaal octavo. Met ruim 300 afbeeldingen, en fraaie titels in kleurendruk. _Ingenaaid_ [f] 10.80. _Rijk gebonden_ " 12.20.
Het Boek der Opschriften. Een bijdrage tot de Geschiedenis van het Nederlandsche Volksleven. Met ruim 50 afbeeldingen. _Ingenaaid_ " 5.20. _Rijk gebonden_ " 5.90.
=Mr. J. van Lennep=. Geschiedenis van Noord-Nederland. Goedkoope uitgaaf in vier klein octavo deelen. _Ingenaaid_ " 7.50. _Gebonden met platen_ " 10.--.
Ons rijk in vroegere tijdperken.--Een handleiding tot de kennis van de wijze, waarop het grondgebied van het tegenwoordige Koninkrijk der Nederlanden ten tijde van het Leenstelsel, onder de Republiek, enz., was verdeeld. kl. 8^{o} " --.90.
Het leven van C. en D. J. van Lennep, beschreven en in verband met hun tijd beschouwd. 4 deelen gr. 8^{o} " 13.50.
De Perponcher's Onderwijs voor kinderen, herzien door Mr. J. van Lennep. Goedkoope uitgaaf. _Ingenaaid 3 deelen_ " 1.50. _Gebonden in één band_ " 1.90.
+-------------------------------------------------------------------+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De inconsequenties en het taalgebruik van het originele werk zijn | | zoveel mogelijk behouden. Enkele overduidelijke zetfouten zijn | | stilzwijgend gecorrigeerd. Belangrijker correcties: | | blz. 11: 'gespoken' veranderd in 'gesproken'; | | blz. 20: 'ommacht' veranderd in 'onmacht'; | | blz. 23: 'plotsling' veranderd in 'plotseling' zoals elders; | | blz. 26: ''t huis' veranderd in 't' huis'; | | blz. 31: 'Epamimondas' veranderd in 'Epaminondas'; | | blz. 43: 'daaraan' veranderd in 'daarna'; | | blz. 52: 'soldaad' veranderd in 'soldaat' zoals elders; | | blz. 54: ''s Land' veranderd in ''s Lands'; | | blz. 58: 'Ihoas' veranderd in 'Thoas'; | | blz. 64: 'Cesar' veranderd in 'Cezar' zoals elders; | | blz. 79: 'Aarthertog' veranderd in 'Aartshertog'; | | blz. 111: 'voltrekt' veranderd in 'volstrekt'; | | blz. 112: 'Seleuktes' veranderd in 'Seleukes' zoals elders; | | Inhoudsopgave: verschillende bladzijdenummers gecorrigeerd. | +-------------------------------------------------------------------+