Vermakelijke anekdoten, en historische herinneringen
Part 8
De oude niet alleen, ook de nieuwe geschiedenis is vol voorbeelden van menschen, die zich ombrachten om een gelijke of nog zonderlinger reden. Lucius Aruntius doodde zich om de toekomst en het verledene te ontvluchten. Grunius Silvanus en Statius Proximus, na eerst door Nero ter dood te zijn veroordeeld en toen vergiffenis ontvangen te hebben, deden hetzelfde omdat zij geen genade van zulk een dwingeland begeerden. Nog opmerkelijker is de zelfmoord van de vrouw van Fulvius. Deze Fulvius, een der gunstelingen van Augustus, had een geheim, dat de Keizer hem had toevertrouwd, aan zijne vrouw medegedeeld, en deze had het verder verteld. Augustus was er achter gekomen en had hem er ernstig over onderhouden; waarop de hoveling, vreezende de gunst zijns meesters voor altijd verbeurd te hebben, wanhopend naar huis liep en aan zijn vrouw zeide, dat hem nu niets anders overbleef dan zich om hals te brengen. "En daar zult ge zeer groot gelijk aan hebben," zeide hierop zijne vrouw: "gij wist dat ik een langtong ben, en hadt beter moeten oppassen mij niets toe te vertrouwen; maar laat ik mij zelve nu eerst straffen," en meteen, zijn degen nemende, stootte zij zich dien in 't hart.
Sixtus Pompejus, naar Aziën trekkende, deed het eiland Cea aan, juist op het tijdstip dat een aanzienlijke vrouw aan hare medeburgers de redenen had ontvouwd, waarom zij besloten had zich van het leven te berooven. Zijn komst vernomen hebbende, liet zij hem verzoeken haar sterven met zijn tegenwoordigheid te vereeren; waarop hij zich onmiddellijk tot haar begaf en met klem van allerlei redenen trachtte haar van zulk een wanhopig besluit terug te brengen; doch al zijn preêken was vruchteloos. Hij moest toegeven dat zij haar zin deed. De vrouw, die reeds negentig jaren telde en gezond was van lichaam en geest, ontving ter bestemder ure hem en de overige genoodigden, terwijl zij fraai gekleed op haar rustbed lag, en sprak hem op deze wijze toe: "De Goden, o Sixtus Pompejus, en nog meer zij, die ik achterlaat, dan zij, die ik ga zoeken, mogen u dank weten, dat gij mij tot bepleiter van mijn leven en tot getuige van mijn dood hebt gestrekt. Wat mij betreft, altijd door voorspoed gehad hebbende, wil ik de kans niet loopen, dat de zucht om langer te leven mij een tegenovergestelde ondervinding liet opdoen, en ik acht het wijzer, aan mijn ziel een gelukkige standverwisseling te bezorgen, terwijl ik twee dochters en tal van achterneven nalaat."--Dit gezegd, de haren tot vrede en eendracht vermaand en de huisgoden aan hare oudste dochter bevolen hebbende, nam zij met vaste hand den beker met vergif, bad Merkuur, haar in de andere wereld naar een gelukkig hoekje te geleiden, en dronk toen rustig den beker ledig. Dit gedaan hebbende bleef zij zich nog met de aanwezigen over de werking van het gif onderhouden, hun vertellende, hoe zij achtereenvolgens al haar ledematen voelde verstijven, totdat zij eindelijk, ontwarende dat het gif haar hart genaakte, haar dochters tot zich riep om haar de oogen te sluiten.
Hoe gemeenzaam de zelfmoord bij de Ouden was, kan men o. a. opmaken uit hetgeen van Timon den Menschenhater verteld wordt, die een vijgeboom in zijn tuin had, waar zich de Atheners, als zij 't leven moede waren, bij voorkeur aan kwamen verhangen. Op zekeren dag sloeg hij op een paal de aankondiging aan, dat hij voornemens was gezegden boom te doen omhakken en alzoo zijn stadgenooten uitnoodigde, zich te haasten alsnog van de schoone gelegenheid gebruik te maken.
Of de oude schrijvers ons alleen die voorbeelden van zelfmoord hebben nagelaten, waar een min onedele reden daartoe geleid heeft, weet ik niet; maar zeker is 't, dat ik nergens bij hen heb gelezen van iemand, die zich van kant maakte omdat zijn geld op was: wat echter in latere dagen de meest gewone aanleiding is tot zulk een wanhopige daad.
Voorbeelden daarvan zou ik bij duizenden ook uit onzen leeftijd kunnen aanhalen. Ik bepaal mij tot een paar, die nog al treffend zijn.
Richard Smith, een Engelschman, was zijn ongeluk moede. Hij was rijk geweest, en arm geworden. Hij was gezond geweest en zat vol kwalen. Zijn vrouw leed er evenzeer onder als hij, ook vooral om het kind, dat hun was overgebleven. Zoo besloten zij, zich van het leven te berooven, en na elkander teederlijk omhelsd en hun kind vaarwel gekust te hebben, wurgden zij eerst dat onnoozele wicht en hingen zich toen aan hun bedstijlen op. In een brief, dien zij aan hun neef Brindlay schreven, gaven zij hun hoop te kennen, dat God hun vergiffenis zou schenken, en verklaarden dat zij het leven verlaten hadden, omdat zij geen uitkomst meer wisten, en aan hun zoontje den dienst hadden bewezen van hem voor een gelijk lot te bewaren. Tevens bevalen zij hunnen neef hun hond en hun kat aan, zeker van oordeel zijnde, dat men gemakkelijker hier beneden het geluk van een huisdier dan dat van een menschelijk wezen verzekeren kan.
Een rijke en kinderlooze Weduwe had in haar huis een daglooner aan 't werk, die een vrouw en een kindje had. 't Waren eerlijke lieden, ordelijk en werkzaam, doch die naauwlijks in hun meest dringende behoeften konden voorzien. Eens gebeurde het dat de vrouw van den werkman bij de Weduwe kwam en haar vriendelijk verzocht, haar kind tot harent te laten, terwijl zij een boodschap ging doen. De Weduwe stemde er in toe. "Maar, beste Mevrouw," zei de arme vrouw, "ik beveel hem u wel aan: laat het arme schaap toch goed verzorgd worden, tot ik terug ben."--De Weduwe verzekerde haar dat zij er alle zorg voor dragen zou, waarop de moeder vertrok. Men zag haar dien dag niet terug, noch ook den vader. Eerst na drie dagen vernam men, hoe beiden zich in den Teems verdronken hadden. De Weduwe achtte zich nu door haar gegeven woord verbonden en voedde het kind als het hare op.
Een Engelsch meisje, door de armoede tot radeloosheid gebracht, wierp zich in den Teems; een voorbijganger sprong haar na en redde haar. Dan, in plaats van hem dank te weten, zeide zij dood bedaard tot hem: "Nu gij mij de eenige uitkomst, die mij overbleef, hebt ontnomen, zijt gij gehouden mij schadeloos te stellen. Ik ben ten prooi aan de ijselijkste ellende; gij wilt dat ik leev', geef mij dan de kost."--
Over 't algemeen levert Engeland talrijke voorbeelden van zonderlinge zelfmoorden. Philip Mordaunt, neef van den beroemden Graaf van Peterborough, was zeven-en-twintig jaren oud, schoon, welgemaakt, door zijn liefste teeder bemind en met de schitterendste uitzichten voor zich. Het leven begon hem te vervelen, hij betaalde zijn schulden, schreef aan zijn vrienden brieven tot afscheid, en maakte zelfs eenige dichtregelen, waarvan de laatste, overgezet, aldus luidden:
Zoo de opium den wijzen Gewenschte diensten doet, Een zakpistool en moed Zijn hooger nog te prijzen.
En naar dit voorschrift schoot hij zich voor den kop, tot reden alleen deze gevende, dat zijn ziel zijn lichaam moede was, en dat men een huis verlaat, waarin men zich verveelt.
Lord Scarborough scheidde van het leven met dezelfde kalmte als van zijn bediening als Opper-Stalmeester. Men verweet hem in het Hoogerhuis, dat hij 's Konings zijde voorstond, omdat hij eene hooge betrekking had ten hove. "Mijne Heeren," zeide hij, "om u te toonen dat mijn politieke meeningen niet afhankelijk zijn van mijne bediening, zend ik onmiddellijk mijn ontslag in." Iets later, moetende kiezen tusschen een minnares, die hij liefhad, en een andere, die trouwbeloften van hem had, maakte hij zich van kant om zich uit de verlegenheid te redden.
Niet zoo snel kwam Robeck tot dat besluit. Niet alleen overwoog hij de zaak, maar hij schreef zelfs een boek, dat heel dik, heel geleerd, heel droog en heel vervelend was en, daarin betoogd hebbende, dat de zelfmoord geoorloofd is, maakte hij van dat verlof voor zich zelven gebruik.
In December 1761 was een arme man hout gaan sprokkelen in Hydepark, toen hij een welgekleed heer zag, die met een zwaarmoedig gelaat de laan op en neder ging. De arme man, denkende dat het een Officier was, die hier een tweegevecht kwam houden, dook achter de struiken weg. Hij zag toen, hoe de onbekende een papier voor den dag haalde, dat hij met blijkbare ontroering las en toen verscheurde. Daarop haalde hij een pistool uit zijn zak, zette ze tegen zijn voorhoofd en trok den haan over. Het zwam ontbrandde; maar het schot ging niet af. Nu sprong de man uit zijn schuilhoek te voorschijn en ontrukte het moordgeweer aan den zelfmoordenaar, die, zijn degen trekkende, er zijn redder mede wilde doorsteken. "Stoot toe," zeide deze, "ik ben evenmin bevreesd voor den dood als gij; maar ik heb meer moed. 't Is nu vijf-en-twintig jaren, dat ik in armoede en kommer leef; maar ik laat aan God de zorg over om een einde te maken aan mijn lijden." De andere, over dit antwoord getroffen, bleef een oogenblik stokstijf staan, trok toen zijn beurs en gaf die aan den braven grijsaard, wien hij beloven deed, geene pogingen aan te wenden, om achter zijn naam te komen.
Het is buiten twijfel, dat die man het aan 't rechte eind had, en zoo er wijsgeeren geweest zijn, die den zelfmoord op den straks aangevoerden grond verdedigden, anderen zeiden met recht, dat iemand die zich zelf niet heeft doen geboren worden, ook geen recht heeft zich te doen sterven, en dat niemand zijn post verlaten mag zonder last van dengene, die hem daarop gesteld heeft. Het toont meer ware geestkracht, zijn keten te slepen dan die te verbreken, en Regulus toonde meer waren moed dan Kato. 't Is de flaauwhartigheid, niet de deugd, die iemand de slagen der fortuin in een graf doet ontwijken.
Terecht zei daarom Kleomenes, toen hij bezweek in den strijd, na vruchteloos den dood getart te hebben, tegen iemand, die hem aanspoorde zich zelven van kant te maken en de schande der neêrlaag niet te overleven: "Tot zulk een uiterste kan men altijd komen; doch niet zoolang er nog een zweem van hoop overblijft: te blijven leven is soms een daad van moed en volharding, en zal een zelfmoord loffelijk zijn, dan moet hij dienst doen aan het Vaderland."
Niemand weet vooraf, ook in den grootsten tegenspoed, hoe de kans nog te zijnen voordeel kan keeren. Josefus, met zijn makkers in een spelonk verborgen, bleef alleen nog hoop voeden, toen al de anderen wanhoopten en elkander om 't leven brachten. Hij volgde dat voorbeeld niet, en zag zich beloond doordat het lot hem voortaan gunstiger werd. Kassius en Brutus daarentegen deden de laatste overblijfselen der Romeinsche vrijheid te gronde gaan, door de overhaasting, waarmede zij, na een verloren veldslag, zich ontijdig van 't leven beroofden. Montaigne vertelt dat de hertog van Enghien, ter gelegenheid van den slag bij Sérifolles, (in 1544), tot twee malen zich het staal op de borst zette, als wanhopende aan de uitkomst van den strijd, die hachelijk stond aan de zijde waar hij streed, en zich door te groote overhaasting bijna had verstoken van het genot der overwinning.
Er bestaat een onuitgegeven vertoog van Bilderdijk, over den zelfmoord, waarin hij beweert, dat het eigenlijk dwaas is over het al of niet geoorloofde daarvan te twisten, want dat niemand er ooit toe gekomen is, dan door een macht, waar hij vergeefs weêrstand aan zocht te bieden.
Antigonus, een zijner soldaten opgemerkt hebbende, die zich door buitengewone kloekmoedigheid onderscheidde, gelastte zijn geneesheeren hem te genezen van een langdurige en pijnlijke kwaal, waaraan hij lijdende was. Later, toen de genezing volbracht was, bespeurende, dat de man zich vrij wat minder wakker kweet dan te voren, liet hij hem komen, en vroeg, wie hem dus van een dapperen kerel in een bloodaard veranderd had. "Gij zelf, o Koning," was het antwoord; "want gij hebt mij van een kwaal verlost, die mij het leven zonder waarde deed zijn."
* * * * *
~Verliefdheid.~--Iemand, die recht verliefd is, is doorgaans tot alle handelingen in staat, die hem de gunst van 't beminde voorwerp kunnen doen verwerven, en laat zich door zijn hartstocht even goed tot het volbrengen van de wakkerste daden als van de grootste buitensporigheden vervoeren. Brantôme vertelt, hoe de schoone Agnes Sorel, 't niet kunnende verduren, dat Karel VII een lui en vroolijk leven leidde zonder zich over zijn land te bekommeren, naar hem toeging en hem zeide, dat een sterreziener haar in haar prilste jeugd voorspeld had, dat zij bemind zou worden door den dappersten en kloeksten Vorst van 't Kristendom; toen haar 's Konings liefde ten deel viel, had zij gemeend, dat hij de bedoelde persoon was, doch nu zag zij in, hoe zij zich bedrogen had, en dat die dappere Vorst niet Karel VII was, maar de Koning van Engeland, die hem zoo vele steden afnam,--en dat zij daarom den laatste zou gaan opzoeken. Deze verwijtende taal trof Karel VII zoozeer, dat hij, zijn vermaken vaarwel zeggende, zich geheel aan den oorlog wijdde en zoo wel zijn minnares als zijn koninkrijk behield.
Een andere vertelling, door denzelfden schrijver bewaard, toont nog sterker het vermogen aan, dat in zijn tijd de vrouwen op haar minnaars hadden. Een meisje had er een, die een groote babbelaar was, en lei hem een volstrekt stilzwijgen op, dat hij gedurende twee jaren zoo trouw bewaarde, dat ieder hem beschouwde als zijn spraakvermogen door ziekte verloren te hebben. Eens in een vol gezelschap, beroemde zijn minnares zich er op, dat zij hem met één woord genezen zou, 't welk zij deed, door eenvoudig tot hem te zeggen: "Spreek."
De liefde wordt met recht blind afgebeeld: immers waar zij eenmaal in iemands hart wortel heeft geschoten, doet zij hem of haar zoo wel de lichamelijke als de zielsgebreken van 't beminde voorwerp over 't hoofd zien. Men sprak tot een Koning van Persiën over de liefde van Leïla en Meynoum. De Koning liet dezen laatste tot zich komen, en vroeg hem of hij inderdaad zijn liefste zoo zeer beminde als men beweerde. "Men moet haar zien," antwoordde Meynoum, "om te beseffen, hoe lief ik haar heb."--De Koning ontbood haar en zag een mager en leelijk vrouwtje: "Hoe!" riep hij uit, "is dat nu het voorwerp eener zoo teedere min? De minste slavin uit mijn harem is schooner dan zij."--"Oordeel dan, hoe lief ik haar heb," zei Meynoum: "dewijl zij even schoon is in mijne oogen als leelijk in de uwe."
Een vrouw werd door haar minnaar in de armen van zijn medevrijer verrast, en dorst niettemin het feit te loochenen. "Hoe nu!" zeide hij: "gij durft de onbeschaamdheid zoo verre drijven?"--"Ha, trouwelooze!" riep zij, zeker ook wel bewust, hoe de liefde blind maakt: "ik zie het wel, gij bemint mij niet meer; want gij gelooft uw oogen meer dan mij."
Een meisje, dat drie maanden van haar minnaar gescheiden was geweest, ontmoette hem onverwachts op de wandeling. Niet minder verheugd dan zij, gaf hij zich aan de teederste verwelkoming over, toen er plotselings een regenbui opkwam. Dit hinderde den jonkman, die zich tegen de druppels zocht te beveiligen. "Hoe nu!" riep het meisje verontwaardigd uit, "gij zijt drie maanden afwezig geweest, gij bemint mij, gij ziet mij, en gij bemerkt dat het regent!"
Antiochus, zoon van Seleukus, Koning van Syriën, was doodelijk verliefd van zijn stiefmoeder Stratonice en dorst aan niemand het geheim van zijn hartstocht verklaren, dien hij niet in staat was te overwinnen. Hij besloot eindelijk zich ziek te houden en zich bij gebrek aan voedsel te laten sterven. De Geneesheer Erasistrates, tot hem gezonden, deed al zijn best om de oorzaak uit te vorschen van een kwaal, die zoo raadselachtig was, en bleef daarom geheele dagen in 's Prinsen slaapsalet, al zijn bewegingen en blikken gade slaande. Ten leste merkte hij, welken indruk de tegenwoordigheid van Stratonice op den zieke te weeg bracht, hoe, als hij haar zag, zijn kleur verschoot, zijn stem heesch en zijn pols ongelijk werd, hoe een mat floers zijn oogen overdekte, zijn leden aan 't beven sloegen en het koude zweet hem uitbrak. Dit was een lichtstraal voor den Arts, die, nu begrijpende, wat het eenig geneesmiddel kon zijn, dat hier baat zou brengen, zich ten taak stelde, den jongeling te redden, door hem aan dat middel te helpen. Hij begaf zich naar den Koning, en zeide: "Ik heb ontdekt waar uw zoon aan lijdt: hem kwelt een hevige liefde, maar die, helaas! onmogelijk voldoening kan vinden."--"Hoe!" riep Seleukus, verbaasd: "en welke vrouw is er dan, die niet gevleid zou zijn met de liefde van den Prins, of zoo wreed om hem te versmaden?"--"Wat zal ik zeggen?" hernam de Geneesheer: "een vrouw moet in allen gevalle vrij zijn: en dat is hier het geval niet; want, om de waarheid te zeggen, de Prins is verliefd op mijne vrouw."--"Op uwe vrouw!" herhaalde de Koning: "en zoudt gij, die zoo aan mijn huis gehecht zijt, dan weigeren hem die af te staan."--"Hoor!" zei Erasistrates: "stel u in mijn geval: indien 't op Stratonice was, dat hij zijn zinnen gezet had, zoudt gij dan genegen zijn, afstand van haar te doen om zijn minzieke gril te voldoen."--"Gave het de Hemel!" riep Seleukus, "niet alleen Stratonice, mijn halve Koninkrijk zou ik geven, om zulk een dierbaren zoon te redden."--"Dan is de zaak in orde," hervatte Erasistrates, "en het behoud van uw zoon hangt alleen van u af. Hij is verliefd op Stratonice, hij kwijnt, hij blaakt, hij sterft voor haar:--en het geneesmiddel is in uw macht."--Seleukus aarzelde niet, en, zijn Rijksgrooten samengeroepen hebbende, gaf hij hun zijn voornemen te kennen om Antiochus tot Koning van het Aziatische Bovenrijk te maken en hem Stratonice tot vrouw te geven.
Rousseau, te Venetiën zijnde, legde een bezoek bij den Goeverneur van een jongen Engelschman af. 't Was winter en zij zaten bij 't vuur te praten. Juist kwam de post aan en de Goeverneur kreeg zijn brieven van huis, waarvan hij er een aan zijn kweekeling hardop voorlas. Rousseau, die geen Engelsch kende, verstond er niets van, maar zag met niet weinig verbazing, hoe de jongeling een paar fraaie kanten lubben, die hij droeg, heimelijk een voor een verscheurde en op 't vuur smeet. Toen de brieven gelezen waren, wees Rousseau den Goeverneur de ontbloote polsen van zijn kweekeling, en vroeg hem, wat zulks beteekende. De Goeverneur, ziende wat geschied was, begon te lachen, knikte zijn kweekeling goedkeurend toe, en gaf, na diens toestemming verkregen te hebben, de navolgende verklaring van 't voorgevallene. "De lubben," zeide hij, "die Lord John verscheurd heeft, zijn een geschenk, hem onlangs door een Signora hier uit de stad gedaan. Nu is Lord John verloofd aan een Juffrouw bij ons te lande, die zijn liefde dubbel waardig is. Deze brief is van de moeder van zijn aanstaande en bevat de mededeeling, die aanleiding gegeven heeft tot hetgeen gij gezien hebt; zij luidt vertaald als volgt: "Lucy is nog altijd even hard bezig aan de manchetten voor Lord John. Gisteren namiddag was Betsy Holsam bij haar te bezoek en wilde met alle geweld haar helpen aan haar werk. Van morgen was Lucy veel vroeger dan gewoonlijk opgestaan, en toen ik wilde weten waarom, ontdekte ik dat het alleen was om weêr alles los te tornen wat Miss Betsy geborduurd had. Zij wilde niet, dat zich aan haar geschenk een enkele steek zou bevinden, die van een andere hand was dan de hare.""
Iemand zeide aan Zeno, dat het een wijsgeer niet betaamde, verliefd te wezen. "Indien dit zoo ware," antwoordde Zeno, "dan zou ik de vrouwen beklagen, zij zouden zich dan met de liefde der domöoren moeten te vrede stellen."
* * * * *
~Verschil van opvatting.~--Dionysius had aan Plato een kleed gezonden naar den Perzischen smaak, lang, met bloemen geborduurd en van fijne geuren doortrokken. Plato weigerde het, zeggende, dat hij, een man geboren zijnde, zich niet als in een vrouwejapon wilde steken. Aristippus daar-en-tegen nam het geschenk aan, zeggende, dat een vast gemoed in elk gewaad hetzelfde blijft.
Toen Dionysius dien zelfden Aristippus in 't aangezicht gespogen had en zijn vrienden hem verweten, dat hij zich zulks niet aantrok, antwoordde hij: "De visschers laten zich wel van 't hoofd tot de voeten door 't zeeschuim bespatten om een ellendig bliekje te vangen."
Diogenes was bezig kool schoon te maken, en zeide tot Aristippus, die voorbijging: "Indien gij u met kool wist tevreden te stellen, zoudt gij geen dwingeland het hof behoeven te maken."--"En gij," antwoordde Aristippus, "zoudt geen kool behoeven schoon te maken, indien gij met uw medemenschen wist om te gaan."
* * * * *
~Vleierij.~--De Thraciërs, eenige weldaden willende vergelden, hun door Agezilaus bewezen, kwamen hem vertellen dat zij hem heilig verklaard hadden. "Waarlijk!" zeide hij, "heeft uwe Natie het vermogen, van wien zij wil, een God te maken? Eilieve! maakt dan een God van een uwer, en als ik zie dat 't hem goed bekomen is, zal ik u dank weten voor uw beleefdheid."
* * * * *
~Vriendschap.~--Eudamidas van Korinthe lag op sterven, en, wetende dat hij aan zijn moeder en aan zijn dochter niets naliet, maar tevens de harten zijner vrienden naar het zijne beoordeelende, maakte hij dit testament: "Ik vermaak aan Arethus het voorrecht om voor de voeding en het onderhoud mijner oude moeder te zorgen, en aan Charixenes dat om mijn dochter uit te huwelijken en haar een zoo ruimen bruidschat mogelijk mede te geven, en, mocht een van beiden komen te sterven, dan stel ik den anderen tot zijn plaatsvervanger voor dit gedeelte mijner erfmaking aan."--De beide vrienden toonden zich het in hen gestelde vertrouwen ten volle waardig. Arethus nam de moeder van Eudamidas tot zich en behandelde haar als of het de zijne was, en Charixenes huwde des overledenen dochter op denzelfden dag als de zijne uit, aan elk een gelijk deel van zijn vermogen medegevende.
Een Magistraatspersoon te Parijs, van wien het jammer is dat Sedaïs in zijn _Discours sur les qualités qui constituent la beauté de l'âme_ ons den naam verzwegen heeft, verliest een vriend, die bij zijn dood niets nalaat dan schulden en twee onverzorgde kinderen. De nagebleven vriend verkoopt zijn huis, schaft zijn rijtuig af, gaat in de voorstad wonen, en komt van daar alle dagen, te voet, zijn ambtsplichten aan 't gerechtshof vervullen. Straks is de laster aan 't werk, men beschuldigt hem van gierigheid, van slecht gedrag, enz. Na twee jaren keert de man terug in de groote wereld: hij had een som van 20,000 pond gespaard, die hij nu ten voordeele der kinderen van wijlen zijn vriend plaatst.
De ware vriendschap boezemt niet dan edele gevoelens in. Kallisthenes van Olanthus, die Alexander den Groote had verzeld op zijn zegetochten, was van hoog verraad beschuldigd en op last van dien Vorst in een ijzeren kooi gesloten, die 't leger volgde. Lyzimachus, een van Alexander's veldoversten en de getrouwe vriend van Kallisthenes, liet niet na, hem te komen bezoeken. Herhaaldelijk smeekte hem de gevangene dit na te laten, en zich des Konings toorn niet op den hals te halen. "Ik heb," voegde hij er bij, "genoeg aan mijn eigen leed, laat mij niet nog het verdriet hebben, van het uwe er bij te dragen."--"Ik zal," zei Lyzimachus, "alle dagen bij u komen. Indien de Koning zag, dat brave lieden u aan uw lot overlieten, hij zou geen berouw gevoelen over de behandeling, die hij u heeft aangedaan, en geloof slaan aan uwe schuld; hij moet het genoegen niet hebben, te zien, dat de vrees van in zijne ongenade te vallen, mij een vriend heeft doen verlaten."
Op gelijke wijze antwoordde d'Aubigné aan Hendrik IV van Frankrijk, die hem verweet, dat hij den Heer de la Trémouille, wien 't Hof ontzegd was, bezoeken bleef: "Sire! de la Trémouille is ongelukkig genoeg, nu hij uw gunst verloren heeft; en ik heb gemeend, hem niet te mogen verlaten op het tijdstip dat hij mijn vriendschap 't meest behoeft."