Vermakelijke anekdoten, en historische herinneringen

Part 7

Chapter 73,804 wordsPublic domain

Intusschen, men versta ons wel: wanneer wij zeggen, dat een tooneelspeler zich in de plaats moet weten te stellen van de persoon, voor welke hij spelen zal, dan moet dit geschieden terwijl hij de rol ~bestudeert~; wanneer hij die werkelijk ~vervult~, moet hij daar-en-tegen zich steeds herinneren dat het maar spel is; ging hij zich dan werkelijk verbeelden de voorgestelde persoon te zijn, liet hij zich wegslepen door de aandoeningen, die de _situatie_ medebracht, hij zou groot gevaar loopen onverstaanbaar te worden, of in de war te raken. Een tooneelvertooning is als een schilderij: beiden moeten treffen door de voortreffelijke en bedriegelijke wijze waarop de natuur is ~nagevolgd~, en even als men op een schilderij, waar een roos of een zijden kleed op is voorgesteld, geen degelijke rozebladeren of geen wezentlijke zijde zal gaan plakken zonder een zeer misselijke uitwerking te doen, even zoo zou een akteur, die wezentlijk gevoelde wat hij moet schijnen te gevoelen, de geheele vertooning allicht bederven.--Verbeelde men zich, dat hij, als 't in zijn rol te pas kwam, verontwaardigd te schijnen op een ander personaadje, zich wezentlijk boos ging maken en aan den anderen een wezentlijk pak slaag gaf, of de minnares, op welke hij zich voorstellen moet verliefd te zijn, in plaats van een tooneelzoen, een wezentlijken liefdekus gaf!--En dit is zoo waar, dat zelfs de ondervinding geleerd heeft, hoe degene, die in zijn persoonlijk uiterlijk een toevallige overeenkomst heeft met het uiterlijk van dengene, dien hij voorstelt, minder voldoen zal, dan degene, die zich door kunst dat uiterlijk weet te verschaffen. Men verhaalt van een tooneelspeler te Londen, die, na dertig jaren de gunst van het publiek genoten te hebben, door een val kreupel werd. "Nu," dacht hij, "zou hij juist beter dan iemand de rol van Richard II van Shakespeare vervullen, die door den schrijver kreupel is voorgesteld." En toch, toen hij aan den regel kwam: "de honden blaffen mij na, als zij mij zien hinken," ontstond er zulk een algemeen gelach dat hij buiten staat was zijn rol verder voort te spelen.[5]--Even zoo hebben werkelijk dikke akteurs nooit met goed gevolg voor sir John Falstaff gespeeld: en altijd slaagt hij er beter in, die er met een gemaakten buik in optreedt.

[5] _Année Littéraire._

Zoo iemand zich immer wist te doordringen van den geest der rol, die zij vervulde, dan was het Wattier-Ziesenis, de volmaaktste tooneelspeelster, die wij ooit aanschouwden; eens bewees zij dit op eene meesterlijke wijze bij gelegenheid dat zij in de vertaling van het stuk van Bouilly, "l'Abbé de l'Epée," de rol van den doofstommen jongeling vervulde. Er is in dat stuk een tooneel, waarin, terwijl de overige personaadjen een levendig gesprek voeren, de doofstomme in een hoek zit te lezen. Plotseling valt er, terwijl dat tooneel gespeeld wordt, achter de schermen een gewicht of ander zwaar voorwerp met een grooten slag naar beneden. Al de akteurs kijken verschrikt om; Wattier alleen vergeet niet, dat zij voor 't oogenblik doofstom is, en niet alleen wendt zij 't hoofd niet, maar geen spier op haar gelaat, geen beweging van een enkel lichaamslid geeft te kennen dat zij den slag gehoord heeft.

Eens dat een beroemd akteur aan de _Comédie française_ wat zacht sprak in zijn rol, riep iemand uit het publiek hem toe: "wat luider." De akteur, zich werkelijk voorstellende de Vorst te zijn, waarvoor hij speelde, gaf onbeschroomd tot antwoord: "en gij, wat stiller."--Hieruit ontstond groote opschudding; de politie bemoeide er zich mede, en de tooneelspeler kreeg last, het publiek om verschoning te vragen. Op den voorgrond van het tooneel gekomen,--wij zouden nu zeggen, bij 't voetlicht, maar dat was er toen nog niet,--begon hij aldus zijn aanspraak: "Nog nooit, mijne Heeren, heb ik meer de overtuiging gekregen van het lage van mijn beroep, dan door den stap, dien ik heden doe." Dit begin, hoezeer beleedigend voor het publiek, had niettemin een gunstige uitwerking, en de toeschouwers, misschien minder lettende op hetgeen hij zeide, dan op de vernedering, die hij onderging, gaven door luidruchtig handgeklap te kennen, dat zij tevreden waren en dat hij niet verder behoefde voort te gaan.

Een ander tooneelspeler redde zich evenzeer door zijn vrijmoedige taal uit een onaangename stelling. De eerste operazanger was ziek geworden en een zanger van den derden rang was geroepen om hem te vervangen. Hij zong, en werd uitgefloten; maar zonder zich onthutst te toonen, zag hij het publiek met strakke blikken aan, kruiste de armen en zeide: "ik begrijp ulieden niet; verbeeldt gij u misschien dat, voor driehonderd gulden 's jaars, ik u een stem van duizend rijksdaalders bezorgen kan?"--Het publiek lachte, vergaf den zanger, om het logische zijner redeneering, zijn gebrek aan talent, en juichte hem de rest van den avond toe.

De beroemde Duclos, te Parijs de rol van Camille in den "Horace" van Corneille spelende, geraakte, op het oogenblik dat zij, na tegen Rome te zijn uitgevaren, het tooneel verlaten zou, in haar mantel verward en viel. De akteur, die voor Horatius speelde, beleefder dan zijn rol wel medebracht, nam zijn hoed af met de eene hand, hielp haar op met de andere en geleidde haar met vele plichtplegingen tot achter de schermen, waar hij, zijn hoed weder opzettende en zijn degen trekkende, haar met groote woede den doodsteek scheen te geven. "Baron," zegt de abt Nadal, die deze anekdote vertelt, "zou de fout niet begaan hebben, die Beaubourg beging; hij zou, als een groot tooneelspeler die hij was, van hetgeen gebeurde partij getrokken, en haar in den val zelven gedood hebben."

Een beroemde tooneelspeelster redde zich op behendiger wijze uit een onvoorzienen tegenspoed. Voor Fedra spelende, in het treurspel van Racine, voelde zij in het tooneel, waarin zij haar liefde aan Hippolytus verklaart, dat zij haar stem kwijt raakte; zij trok er partij van om de zwakke toonen te doen hooren van een vrouw, die, door haar gevoel overmand, alle kracht en stem verloren heeft. Het publiek zag hetgeen het gevolg van een tijdelijk ongemak was aan voor een opzettelijke stembuiging, door een verheven kunstgevoel voortgebracht, en nimmer maakte dat schoone tooneel een zoo diepen indruk op hen die 't hoorden.

Twee voorbeelden van noodlottige gevolgen, ondervonden door mannen, die zich te veel vereenzelvigden met de personen, die zij op het tooneel voorstelden, wil ik hier verhalen. 't Eene vond ik aangehaald door Gueret in zijn "_Parnasse reformé_", en betreft Montfleuri, die op het Fransche tooneel Baron voorafging en in 1667 stierf ten gevolge van de geweldige inspanning, waarmede hij in Racine's "Andromaque," de rol van Orestes had vervuld. Het andere las ik in het _Journal politique et littéraire_, een tijdschrift, dat in de vorige eeuw verscheen. Een Engelschman, Bond geheeten, was zoo bijzonder ingenomen met Voltaire's "Zaïre," dat hij een der beste dichters van Londen aanspoorde, dat stuk in 't Engelsch te vertalen. Zijn doel was, de vertaling op het theater van Drurylane te doen opvoeren, en gedurende twee jaren stelde hij al zijn pogingen en die zijner vrienden in 't werk om het Bestuur van gezegden schouwburg daartoe te doen overgaan; doch zonder gevolg; immers, hoewel de vertooning in die twee jaren wel twintig maal werd aangekondigd, had zij nimmer plaats. Eindelijk wanhopende het stuk immer op een gewonen schouwburg te zien spelen, nam Bond het besluit, dit zelf te doen, met de hulp van eenige andere tooneelliefhebbers, en wel in de zaal der Yorck-Buildings, toen een lokaal bestemd tot het geven van concerten, doch dat men ook voor één avond huren kon, mits een som betalende, waarvoor men een huis voor een geheel jaar kon krijgen. De rollen werden verdeeld en de geheele stad kreeg bericht van het gevormde plan. Bond, die reeds een goede zestig jaren achter den rug had, koos voor zich de rol van Lusignan, als 't meest voor zijn leeftijd en krachten berekend; hij spaarde moeite noch kosten om de voorstelling zoo luisterrijk mogelijk te maken, al de voordeelen willende overlaten aan den vertaler van het stuk. De groote dag kwam, en nimmer had men in die zaal zulk een schitterend gezelschap bijeen gezien. De eerste bedrijven werden onder herhaalde toejuichingen gespeeld. Men wachtte Lusignan: hij verschijnt, en alle toeschouwers gevoelen zich aangedaan op 't zien van den eerwaardigen grijsaard. Maar meer dan allen te zamen was hij zelf ontroerd; zoo geheel geeft zich de oude man over aan de kracht zijner verbeelding, zoo hevig grijpen hem zijn gewaarwordingen aan, dat hij, te zwak om haar geweld te weêrstaan, bewusteloos nedervalt in zijn stoel, op het oogenblik dat hij zijn dochter herkent. Eerst dacht men dat zijn flauwte slechts geveinsd was, en bewonderde men de wijze, waarop de kunst de natuur wist terug te geven. Maar men begon eindelijk te vinden, dat het lang genoeg duurde en zoo waarschuwden hem Chatillon, Nerestan en Zaïre, dat het tijd was, voort te gaan. Hij opent even de oogen, sluit ze weêr en valt terug in zijn leuningstoel zonder een woord te spreken: hij strekt nog eens de armen uit--en die beweging was zijn laatste levensstuip.

Mejuffrouw Bourgoin, die in de eerste helft dezer eeuw eene der bevalligste tooneelspeelsters was aan de _Comédie française_, en die misschien nog enkele ouderen van dagen, als ik, zich herinneren zullen, in 1811, toen Napoleon Amsterdam bezocht, met Talma, Damas en Duchesnois op 't Leidsche plein te hebben zien spelen, had te Parijs haar hôtel naast dat van de Princes X. Nu gebeurt het, dat de kat der tooneelspeelster op roof uitgaat, in de kamer der Princes dringt en haar kanarievogel opsnoept. De Princes, hierover verstoord, schrijft een vrij kras briefje aan de aktrice om zich te beklagen, en teekent dat briefje: X. De andere antwoordt in gelijken stijl, vertelt, dat zij de kat niet bij zijn staart kan houden, dat de Princes dan beter zorgen moest, haar vogelkooi dicht te houden, enz. enz., en teekent: _Bourgoin_. Groote verontwaardiging bij de Princes, die een tweeden en nog scherper brief schrijft, maar deze reis onderteekent: _Princes X_. Maar de tooneelspeelster, die juist dien avond een princesserol in een van Racine's meesterstukken te vervullen had, wil voor de degelijke Princes niet onderdoen en teekent haar wederantwoord: _Iphigénie en Aulide_.

Van denzelfden aard is hetgeen zich, niet zoolang geleden, een andere Parijsche aktrice veroorloofde. Op de groote Tentoonstelling van 1867 was er om de ruimte, waarin die gehouden werd, binnen te treden, eene poort, die alleen toegang verleende aan vorstelijke personaadjen. Daar vertoont zich aan de poort een prachtige _équipage_, met vier paarden bespannen, en waarin een fraai gekleede vrouw was gezeten. De portiers, die alle gekroonde hoofden kenden, hielden het rijtuig, dat wilde doorrijden, tegen; doch met majesteit riep zij hun toe: "_la Grande-Duchesse de Gérolstein_," en eerbiedig trad men rechts en links ter zijde--voor M^{lle} Schneider, die alle avonden gezegde rol in het _Theâtre des Variétés_ vervulde.

* * * * *

~Tucht.~--P. Krassus, Konsul in Aziën zijnde, had aan een Griekschen krijgsbouwmeester bevel gezonden om hem den grootsten van twee masten toe te zenden, die zich te Athenen bevonden, en waar hij zeker oorlogswerktuig van wilde doen vervaardigen. De andere echter vond goed, hem den kleinsten mast te brengen, als naar zijn oordeel beter geschikt voor het doel, dat Krassus zich voorstelde. Krassus, zijn gronden vernomen hebbende, liet hem dapper met roeden slaan, als meenende dat het belang van de krijgstucht van meer gewicht was dan het belang van het voorgenomen werk. Intusschen is het aan bedenking onderhevig, of niet die onbepaalde gehoorzaamheid alleen dan betracht moet worden, wanneer het bevel stellig en ondubbelzinnig is, en of niet Krassus, aan een man van 't vak schrijvende, en hem meldende tot welk einde hij den bedoelden mast behoefde, hem scheen uit te noodigen over de zaak na te denken en naar zijn beste weten te handelen?

* * * * *

~Vaderlandsliefde.~--De Spartaan Pedaretes had zich als kandidaat gesteld voor den regeeringsraad, die uit drie honderd leden bestond. Hij wordt niet gekozen en keert huiswaarts, zich verblijdende, dat Sparta drie honderd mannen bezit, waardiger dan hij.

Een Spartaansche vrouw had vijf zonen bij 't leger en wachtte tijding van den geleverden slag. Bevende vraagt zij dit aan een Heloot, die van 't leger keert. "Uw vijf zonen zijn gesneuveld," zegt de slaaf. "Ellendeling!" voegt zij hem toe, "is dat wat ik u vroeg?" Hij herneemt: "Wij hebben gezegevierd." De moeder gaat naar den tempel en brengt den Goden dank.

Een andere Spartaansche vrouw ziet bij een beleg haar zoon, die ergens op post stond, door een pijl geveld, aan haar voeten nedervallen. "Roept zijn broeder," zegt zij, "om hem te vervangen."

Porsenna, Koning van Hetruriën, belegerde Rome in 't jaar 246 harer stichting en had de stad reeds tot het uiterste gebracht. Een jonge Romein, Mutius genaamd, weet onder een vermomming in 't vijandelijk leger, ja zelfs tot binnen Porsenna's tent te dringen, waar hij met zijn dolk, wanende Porsenna te treffen, diens Sekretaris doorsteekt. Hij wordt gevat en de Koning bedreigt hem met de felste folteringen. "'t Is vruchteloos," zegt Mutius, "dat gij mij schrik zoekt aan te jagen. Bewust, welk lot mij te wachten stond, heb ik mij vrijwillig opgeofferd voor mijn Vaderland en, om u het bewijs te geven, dat geen vrees voor uw foltertuigen mij weerhouden kon, zie hier," en meteen steekt hij zijn rechterhand in de vlam, die op een daar aanwezig outer brandde, en blijft met onbeweeglijk oog de werking van het vuur, dat haar wegschroeit, aanstaren. Porsenna, over zulk een onversaagdheid verbaasd, laat hem van 't altaar afhalen en stelt hem in vrijheid. "Ik wil u," herneemt Mutius, "de grootmoedigheid, die gij mij betoont, vergelden en u thans vrijwillig een geheim mededeelen, dat anders al uw dreigementen mij niet ontrukt hadden: weet, dat wij met ons driehonderd Romeinen zijn, die gezworen hebben, u om hals te brengen, of te sterven." Volgens de historieschrijvers werd Porsenna door deze mededeeling zoodanig getroffen, dat hij het beleg opbrak.

De tot hiertoe vermelde gezegden en feiten werden in vroegeren tijd, en vooral in 't laatst der vorige eeuw, hemelhoog geprezen en als voorbeelden ter navolging gesteld. Tegenwoordig denkt men daar anders over en kan men geen hulde meer brengen aan een onvrouwelijke, onmoederlijke en onnatuurlijke kalmte, als door die Spartaansche moeder aan den dag gelegd werd, en evenmin zal men toegeven dat, hetzij vaderlandsliefde, hetzij eenig ander gevoel, dat loffelijk is op zich zelf, een moord kan wettigen: zoodat dan ook de meesten van hen, die in de laatste jaren een rol als die van Mutius hebben willen spelen, verre van lof te behalen, afkeer verwekt hebben, en 't vrij algemeen is goedgekeurd dat de galg of 't schavot hun loon werd. Meer onverdeeld is de lof aan de bewijzen van vaderlandsliefde, die ik thans vermelden ga.

In 1396 verdedigden de Zwitsers bij Sempach hun onafhankelijkheid tegen de Oostenrijkers. Deze laatsten, in 't staal geharnast, vormden een muur van ijzeren lansen, die ondoordringbaar scheen aan de lichtgewapende bergbewoners. Toen besloot Arnold von Winkelried, een Edelman uit Unterwalden, zich aan zijn Vaderland ten offer te brengen. "Vrienden!" zeide hij tot de Zwitsers, "ik bezorg u de overwinning ten koste van mijn leven. Draagt slechts zorg voor hen die ik achterlaat. Volgt mij nu en gedraagt u naar mijn voorbeeld." En toen den Zwitsers hun gelederen hebbende doen schikken in den vorm van een driehoek, plaatste hij zich zelf aan de spits en liep op het centrum van den vijand in. Daar gekomen omvatte hij met beide armen zoovele der op hem gerichte lansen als hij maar grijpen kon, en wierp zich daarmede op den grond, aldus aan hen die volgden een doortocht openende om in 't hart dier ineengesloten falanks te dringen. Zoo was de muur verbroken en 't kwam nu tot een strijd van man tegen man, waarbij de Oostenrijkers te kort schoten, daar nu 't gewicht hunner wapenrusting hun noodlottig werd.

In 1346 werd Calais belegerd door Koning Eduard III van Engeland, en zag zich, na een langdurig beleg, op den 3den Augustus van 't volgende jaar tot de overgave gedwongen. Vertoornd over den hardnekkigen wederstand, die hem geboden was, weigerde Eduard in 't eerst eenige gunstige voorwaarden aan de ingezetenen toe te staan, en bepaalde hij, dat de eene helft omgebracht en de andere op rantsoen gesteld zou worden. Van dit wreede besluit werd hij echter door zijn legerhoofden teruggebracht, die hem niet zonder reden voorhielden, hoe zulk een gestrengheid de Franschen zou aansporen, hun gevangenen op gelijke wijze te behandelen, en hij zeide daarom zich tevreden te zullen stellen met den dood van zes personen, die hem, blootshoofds en met den strop om den hals, de sleutels der stad zouden brengen. Toen Mauny uit zijn naam aan de inwoners van Calais deze laatste bevelen zijns meesters kwam overbrengen, verzocht de Stadskommandant, Jean de Vienne, hem te blijven, en tegenwoordig te zijn bij het besluit dat dien overeenkomstig zou genomen worden. De markt stond volgepropt met lieden uit de stad, die er met pijnlijk ongeduld stonden af te wachten, hoe de veroveraar over hen beschikken zou. Toen zij dit hadden vernomen, heerschte alom een stille neerslachtigheid, en de een zag angstig den anderen aan, als om te vragen, wie onder hen een der zes ter dood gedoemden wezen zou. Hier en daar gaf zich de smart in hoorbare zuchten of in snikken en tranen lucht; de Kommandant, hoe dapper hij in de bres gestreden had, schreide als een kind; Mauny zelf was met dit schouwspel innig bewogen. Toch moest men tot een besluit komen; want aan verzachting van 's Konings eisch viel niet meer te denken. Daar kwam Eustatius de St. Pierre midden uit de burgers voor den dag en zeide: "Heeren, groot en klein! 't zou een bittere ramp wezen al dit arme volk door honger of anders te laten omkomen, als er middel tot uitkomst is, en ik voor mij heb zoo groote hoop vergiffenis mijner zonden van onzen Heer te verwerven, als ik sterf tot rantsoen van deze allen, dat ik de eerste wil zijn."--Zoo getroffen waren de omstanders door deze schoone taal, dat elk om 't eerst zich aan zijn voeten wierp, en zoo krachtig was het voorbeeld der deugd, dat terstond Jean d' Aire, Jacques en Pierre Wissant en twee anderen (wier namen de Geschiedenis, die er zoovele van groote schelmen in aandenken houdt, ons niet bewaard heeft) zich bereid verklaarden, met hem te sterven. De Kommandant deed hen uitgeleide tot aan de stadspoort, waar hij hen aan Mauny overgaf, met verzoek in hun voordeel te spreken bij den Koning. Voor dezen verschenen, boden zij hem de stadssleutels aan, terwijl al de hovelingen, door zoo veel grootmoedigheid getroffen, den Koning naar de oogen zagen in de hoop, dat hij een milder uitspraak doen zou. Doch Eduard bleef onbewogen, en in weerwil dat zijn zoon, de Prins van Wallis, zich voor zijn voeten wierp, gaf hij last dat de beul zou geroepen worden. 't Was met die ongelukkigen gedaan geweest, ware niet ter goeder ure 's Konings gemalin, Filippa, zuster van onzen Graaf Willem den Goede, verschenen, die zich aan 's Konings voeten wierp en hem smeekte, den luister zijner overwinning door geen wandaad te bezwalken. "Ach, Mevrouw!" zeide hij eindelijk, "'t ware mij liever geweest, indien gij elders dan hier geweest waart; doch gij bidt mij zoo ernstig, dat ik u niets kan afslaan. Neem ze met u, ik schenk ze u." Terstond leidde hen de Koningin naar haar verblijf, bezorgde hun kleederen en spijzen, en zond ze naar de stad terug, aan elk hunner zes goudstukken schenkende, om in hun behoeften te voorzien.

* * * * *

~Verachting van den Dood.~--Toen Filippus van Macedoniën met zijn leger den Peloponnezus was binnengerukt, zeide iemand tegen Damindes, dat de Lacedemoniërs wèl zouden doen, zich tijdig te onderwerpen, dewijl zij anders 't ergste te vreezen hadden. "Eiwat, bloodaard!" antwoordde deze: "wat kunnen zij te vreezen hebben, die niet bang zijn voor den dood?"--en inderdaad toen Filippus hun schreef, dat hij al hun ondernemingen verijdelen zou, was hun antwoord: "zult gij ons ook beletten te sterven?"

Toen men aan Koning Agis vroeg, hoe een man vrij kon leven, antwoordde hij: "door den dood te verachten."--

Uit deze gezegden blijkt, dat beide deze Spartanen van oordeel waren, dat men des noods zijn einde verhaasten mag, ja verplicht is, zulks te doen, om een erger leed, als b. v. schande of slavernij, te ontwijken. Trouwens, dit werd dien hardvochtigen volksstam van jongs af ingeprent, getuige die Lacedemoonsche knaap, die, door Antigonus gevangen en als slaaf verkocht zijnde, zijnen meester, toen deze zeker verachtelijk dienstbetoon van hem vorderde, toevoegde: "Ik zal u toonen wien gij gekocht hebt, en hoe ik, de vrijheid in mijne macht hebbende, mij schamen zou te dienen," en meteen sprong hij het plat van het huis af en viel te pletter.

Ook de oude Germanen stelden den dood boven de slavernij, en edel was het antwoord, dat Bojaculus, een hunner aanvoerders, aan den Veldheer van Keizer Tiberius gaf: "wij kunnen gebrek hebben aan land om op te leven; maar het zal ons nooit aan land ontbreken om op te sterven."

En dat diezelfde vastberadenheid ook bij de verre nakomelingen der oude Germanen niet was verloren gegaan, bleek uit de schoone woorden, die onze Stadhouder Willem III in 1672 sprak, toen men hem te kennen gaf, dat er voor onze landgenooten, door Frankrijk, Engeland en Munster bestookt, geen uitkomst meer bleef: "Ik weet een middel om den vijand te ontkomen," zeide hij, "dat is te sterven bij de verdediging van de laatste gracht."

De regel echter, dat men den dood verkiezen moet boven hetgeen erger is dan de dood, heeft van ouds reeds aanleiding gegeven tot verheerlijking van den zelfmoord. Ieder weet, hoe Kato van Utika door de Latijnsche schrijvers geprezen werd, omdat hij, toen Cezar zegevierde, de vrijheid van zijn Vaderland niet wilde overleven. Niet minder roemen zij Boges, die, door Xerxes tot bevelhebber van Eione aangesteld en geen kans meer ziende om de plaats tegen de overmachtige Atheners, onder Cimon, te verdedigen, de schande van een post, hem door zijn meester toevertrouwd, te verliezen, niet begeerde te overleven, maar den hem aangeboden eerlijken uittocht weigerde, en, toen al de voorraad verteerd en alle verdere afweer onmogelijk was, eerst in de rivier Strymon al het goud en wat verder de begeerlijkheid des vijands wekken kon, liet werpen, waarna hij een groote houtmijt deed oprichten, zijn vrouwen, kinderen en dienaren en eindelijk zich zelven den vlammen prijs gaf.

Maar ook de zelfmoord ter ontwijking van tegenspoeden van minder beteekenis, ja van ziekten en gebreken, werd bij de Ouden loffelijk geacht. Diogenes, den wijsgeer Speusippus ontmoetende, die, door waterzucht gekweld, zich in een draagbaar liet rondrijden en hem goeden dag wenschte, gaf hem tot antwoord: "U wensch ik geen goeden dag, die laf genoeg zijt om in een toestand als de uwe te blijven leven."--En inderdaad ontnam kort daarna Speusippus zich het leven, dat hem tot een last was geworden.