Vermakelijke anekdoten, en historische herinneringen
Part 6
Dat weldadigheid uitoefenen ten koste van anderen, spruit bij velen voort uit de meening, waarin zij verkeeren, dat zij daarmeê den hemel zullen verdienen, alsof Onze Lieve Heer evenzoo handelde als aardsche Vorsten somtijds doen, wanneer zij den Minister een kruis of lint schenken voor den arbeid, die een ondergeschikte heeft verricht;--maar ook bij sommigen uit ijdelheid, om na hun dood in 't rond geprezen te worden. Uit kleingeestigheid daarentegen spruiten beschikkingen van een anderen aard, namelijk zoodanige, waarbij allerlei beuzelachtige bijzonderheden worden opgesomd, die bij de begrafenis in acht zijn te nemen, of die 't bestier over huis, stal of andere zaken betreffen; en uit gebrek aan doorzicht de zoodanige, b. v., waarbij gelden worden vast gemaakt en bestemd tot doeleinden, die langzamerhand niet meer vervuld kunnen worden. Zoo b. v. liet de geleerde Hoeufft te Breda, die een groot minnaar en beoefenaar der Latijnsche dichtkunde was, een belangrijke som na, die strekken moest om daaruit jaarlijks een gouden eerepenning te verstrekken aan den vervaardiger van een Latijnsch gedicht, dat door drie gelukkige beoefenaars der Latijnsche poëzie dien prijs waardig gekeurd zou zijn. De erflater was niet indachtig geweest op hetgeen al spoedig na zijn dood zou plaats hebben, n. l. dat het vervaardigen van Latijnsche verzen in onbruik geraken zou, en vooral, dat er wellicht geen drie personen in Nederland meer zouden te vinden zijn, de vereischten bezittende, die hij in de beoordeelaars vorderde.
Intusschen, hoe men ook die liefhebberij, om nog na den dood over zijn eigendom te blijven regeeren, moge afkeuren, geheel uitroeien zal men haar niet, omdat zij den mensch als 't ware is ingeschapen. Niemand schier, of hij verzet zich tegen de gedachte, dat hij van al het aardsche scheiden moet; men wil zoo gaarne ook na zijn dood ten minsten eenigen invloed behouden op wat men achterliet, en begeert dat daarmede althans in onzen geest worde gehandeld. Hoe sterk dat gevoel bij velen spreekt, wordt door talrijke voorbeelden uit de geschiedenis gestaafd. Ik zou er bij menigte kunnen opnoemen; doch kies er bij voorkeur eenige van doorluchtige personen, die ook na hun dood wilden voortleven, al was 't dan op vrij zonderlinge wijze.
Eduard I, Koning van Engeland, had langdurige oorlogen gevoerd tegen Koning Robbert van Schotland. Hij had daarbij doorgaans opgemerkt, dat zijn tegenwoordigheid niet weinig toebracht om zijn leger aan te moedigen, en althans schreef hij daaraan de door hem behaalde overwinningen toe. Met die overtuiging bezield, liet hij, stervende, zijn zoon beloven, dat deze na zijn dood zijn lijk van 't vleesch zou ontdoen en dit laten begraven, maar zijn gebeente met zich voeren zou, zoo dikwijls men weêr tegen de Schotten te velde trok:--zijnde, volgens zijn waan, de overwinning aan zijn beenderen gehecht.
Niet minder vreemd luidde de laatste wilsbeschikking van Johannes Ziska, den aanvoerder der Hussiten. Deze gelastte, dat men hem na zijn dood zou villen, en zijn vel op een trom spannen; hopende alzoo dat de vijand, als daarop getrommeld werd, evenzeer de vlucht zou nemen als men het herhaaldelijk voor hem, die in dat vel stak, had gedaan.
In hoeverre het geraamte van Koning Eduard en het vel van den Hussiet inderdaad de uitwerking hebben gehad, die zij er zich van beloofden, laat ik daar; doch schooner voor de eer eens afgestorvenen is het, wanneer zijn overblijfselen ook zonder beschikking zijnerzijds eerbied aan vriend en vijand inboezemen. Dit was het geval toen de dappere Bertrand du Guesclin omkwam bij het beleg van 't kasteel Rancon in Auvergne, en de belegerden, tot de overgave genoodzaakt, de sleutels van 't gebouw in niemands handen wilden stellen, maar nederlegden op de lijkkist des overledenen.
Een dergelijken eerbied voor een afgestorvene betoonde de Venetiaan Teodoro Trivultio. Bartolomeo d' Alviano, die de Venetiaansche troepen had aangevoerd tegen Brescia, was in een veldslag gesneuveld en zijn lijk werd naar Venetiën teruggevoerd. De weg leidde over 't Veronische, toen een vijandig land, en de Legerhoofden waren meestendeels van oordeel, dat men aan die van Verona een vrijgeleide vragen zou; doch een hunner, Trivultio, verzette zich daartegen en dreef door, dat men het gezegde grondgebied des noods met geweld moest doortrekken. "Het was," zeide hij "niet betamelijk, dat de man, die levend nooit een vijand gevreesd had, na zijn dood blijk van schroomvalligheid zou toonen."--Gewis herinnerde zich Trivultio bij die gelegenheid, hoe bij de oude Grieken de regel gold, dat hij, die aan zijn weêrpartij verlof verzocht om zijn lijken te begraven, afstand deed van de overwinning en geen zegeteeken mocht oprichten; terwijl de partij, aan welke 't verzoek gedaan werd, er roem uit trok. Krachtens dat krijgsgebruik verloor Hicias het voordeel, dat hij buiten allen twijfel op die van Korinthen had behaald; terwijl daar-en-tegen Agezilaus, door aan de Beotiërs hun verzoek toe te staan, zich een voordeel op hen verzekerde, dat anders aan grooten twijfel onderhevig ware geweest.
Om tot uiterste wilsbeschikkingen terug te komen, loffelijk is die van den Ridder Bayard, die, toen hij in den strijd doodelijk gewond werd door een busschot, en men hem buiten 't gevecht wilde voeren, eerst zulks weigerde, zeggende, dat hij in zijn levensuiterste geen begin wilde maken met den vijand den rug te keeren, wat hij nimmer gedaan had; doch toen hij zijn krachten voelde bezwijken, en niet langer bij machte was in den zadel te blijven, zijn Stalmeester verzocht hem aan den voet van een boom te leggen, doch zoo, dat hij met het gezicht naar den vijand gekeerd bleef; en in die houding stierf hij.
Men weet, hoe Vrouwe Maria van Borgondiën, van 't paard gevallen zijnde, en haar dij gekwetst hebbende, overleed ten gevolge eener te ver gedreven kieschheid, daar zij niet had willen toelaten, dat een wondheeler haar ontbloote beenen zag;--haar echtgenoot, Aartshertog, later Keizer, Maximiliaan, was nog preutscher dan zij, 't geen in die eeuw en bij een man als zeer zonderling werd beschouwd. Zoo verre dreef hij de kieschheid, dat hij bij uitersten wille beschreef, dat men hem als hij dood was, niet zonder broek zou begraven. Hij vergat, in een kodicil er bij te voegen, dat de dienaar, die hem de broek zou aantrekken, eerst geblinddoekt worden moest.
Is deze beschikking zonderling, belachelijk is die van zekeren Franschen Edelman, die, in hoogen ouderdom stervende en hevig lijdende aan den steen, zijn laatste levensuren besteedde om niet slechts al de bijzonderheden voor zijn begrafenis te regelen, maar ook al den Adel uit de buurt, en vooral een Vorst van koninklijken bloede, die hem bezoeken kwam, uit te noodigen, zijn uitvaart met hun gevolg bij te wonen, alle mogelijke gronden bijbrengende, om te betoogen dat hem die eer toekwam, en toen hij hun woord gekregen had, gerust den geest gaf.
Geheel anders dacht daarover M. Emilius Lepidus, die aan zijn erfgenamen verbood bij zijn begrafenis de anders gebruikelijke plechtigheden in acht te nemen,--een beschikking, waarover hij door sommigen geprezen werd, die er een bewijs van zedige eenvoudigheid in zagen, door sommigen gelaakt, die haar aan ongepaste karigheid toeschreven. Mijns bedunkens handelt hij het verstandigst, die zich niet bekommert over zijn ter-aarde-bestelling en die aan zijne erfgenamen overlaat. Te recht zegt Cicero, daarvan gewagende: "dat men die zaak, waar 't ons zelve aangaat, niet moet tellen, maar niet verwaarloozen, waar 't onze naastbestaanden betreft"[2]. En evenzoo oordeelt Augustinus, waar hij zegt, dat de zorg voor de begrafenis, de hoedanigheid van het grafteeken en de luister der lijkplechtigheden zaken zijn, die meer de vertroosting der levenden betreffen dan de behoeften der dooden[3].
[2] _Totus hic locus est contemnendus in nobis, non negligendus in nostris._ _Cap._ 1, 1. 45.
[3] _Curatio funeris, conditio sepulturae, pompa exsequiarum, magis sunt vivorum solatio, quam subsidia mortuorum._ _De Civit. Dei_ 1, 12.
* * * * *
~Schrijvers.~--Men heeft den schrijvers wel eens een te groote ingenomenheid met hun letterkundige voortbrengselen verweten, en zeker zijn zij, die zelve bij anderen den lof van hun papieren kinderen uitbazuinen, of, nog erger, er anderen op onthalen, even zeer te veroordeelen en te schuwen als zij, die in gezelschap hun kinderen van vleesch en bloed als kleine wondertjes voorstellen en ze hun kunsten laten vertoonen. Maar van eenen anderen kant kan men het aan een schrijver niet ten kwade duiden, dat hij aan de voortbrengselen van zijn geest eenigermate gehecht is. 't Zijn toch ook zijn kinderen, en nog wel de zoodanige, die uit zijn brein, als Minerva uit dat van Jupiter, en zonder iemands tusschenkomst, zijn voortgesproten. Of die gelukkig of minder gelukkig zijn uitgevallen, of de affektie, die hij hun toedraagt, beredeneerd is of niet, doet minder ter zake. Zelfs is meer dan eens opgemerkt, dat ouders doorgaans een voorliefde hebben voor dezen of genen onder hunne kinderen, die 't minst naar lichaam of geest ontwikkeld zijn: en op gelijke wijze ziet men niet zelden den auteur zeker zwak koesteren juist voor 't werk, dat de kritiek 't minst goed geslaagd oordeelt.
Van de gehechtheid des schrijvers aan zijn werk bestaan zelfs aandoenlijke voorbeelden. Te Rome leefde in de eerste eeuw onzer jaartelling zekere Labiënus, die niet alleen uitmuntte door aanzien en karakter, maar ook verscheidene keurige werken had in 't licht gegeven. Hij had zich benijders en vijanden verwekt, die hem voor den Rechter riepen, en voorstelden als de jeugd door zijn geschriften te hebben bedorven. Die voorstelling schijnt geheel lasterlijk en valsch te zijn geweest. Wat daarvan zij is niet uit te maken, dewijl zij niet tot ons gekomen zijn; genoeg, de Rechter hechtte er aan en gelastte, dat zij verbrand zouden worden. En dit was, naar men beweert, het eerste voorbeeld dat te Rome gegeven werd van een vonnis, tegen boekwerken geveld. Labiënus nu trok zich het verlies zijner papieren kinderen zoo zeer aan, dat hij zich levend liet wegdragen en opsluiten in het graf zijner voorvaderen, en zich daar vrijwillig den dood gaf.
Hetzelfde deed Kumutius Kordus, die onder Tiberius leefde en wiens boeken ten vure gedoemd waren, omdat zij den lof van Brutus en Kassius behelsden. Hij hield hun gezelschap en getroostte zich den hongerdood.
Kassius Severus volgde dit voorbeeld niet, maar tergde zijn rechters, toen hij, krachtens hun vonnis, zijn boeken verbranden zag, en riep hun toe, dat zij hem mede hadden moeten veroordeelen om verbrand te worden; want dat hij al wat in die boeken stond in zijn geheugen bewaarde.
Toen de dichter Lukanus, door Keizer Nero ter dood veroordeeld zijnde, zich door zijn arts de aderen had doen openen, en door bloedverlies verzwakt, begon te bemerken dat de dood, die reeds zijn uiterste lichaamsdeelen had verstijfd, nu ook den zetel zijns levens naderde, hief hij aan met het opzeggen van eenige regels uit zijn gedicht over den slag bij Farsale, en stierf met die verzen in zijn mond. Het was als een laatst vaarwel, zijn kinderen toegeroepen.
Gelijk met de schrijvers, is het met alle kunstenaars gesteld, wat door de Oudheid zeer gelukkig is voorgesteld in de fabel van Pygmalion, die op het beeld verliefde, dat het werk was zijner handen.
* * * * *
~Slaap.~--Het is over 't algemeen het bewijs, niet alleen van een gezond gestel, maar ook van een sterken geest, onder alle omstandigheden des levens goed te kunnen slapen. In de nacht, die den dag voorafging, waarop Alexander de Groote den beslissenden slag aan Darius leveren zou, sliep hij zoo gerust, dat zijn vertrouweling Parmenio verplicht was hem te gaan wekken, en hem tot twee of drie malen bij zijn naam te roepen eer hij hem wakker kreeg.
Cato, de jongere, besloten hebbende zich van kant te maken, wilde daarmede wachten tot hij bericht zou hebben bekomen dat de Senatoren, die hij had weggezonden, veilig buiten de haven van Utika waren gekomen, en ging zoo lang te bedde liggen, waar hij in een zoo diepen slaap viel, dat men hem in de naaste kamer hoorde snorken. Toen de bode, dien hij naar de haven om tijding had afgezonden, was teruggekeerd en hem gewekt had met het bericht, dat tegenwind alsnog het uitzeilen der schepen belette, draaide hij zich weder op zijn bed om en sliep even gerust weder in. Eerst toen hij door een tweeden bode onderricht was dat de vaartuigen in zee waren, stond hij op en volvoerde zijn opzet.
Omtrent hetzelfde wordt verhaald van Keizer Otho, die, evenzeer voornemens zijnde zich te dooden, 's avonds orde op zijn zaken stelde, zijn geld onder zijn dienaars verdeelde, den degen, waar hij zich meê wilde om hals brengen, scherpte, en zich toen gerust te slapen ging leggen, even als Cato zijn voornemen niet volvoerende, dan na dat hij bericht had dat al zijn vrienden in veiligheid waren.
Doch het was niet alleen in zijn uiterste, dat Cato zulk een kalmte van geest toonde: ook een voorbeeld uit vroeger dagen is ons daarvan bewaard gebleven. Ten tijde van de groote samenzwering van Katilina had de Volkstribuun Metellus een voorstel gedaan om Pompejus met zijn troepen binnen de stad te roepen. Cezar, het volk, allen waren op de hand van Metellus en niemand wederstond hem dan Cato alleen, 't Was bekend, dat op den dag, waarop de zaak zou beslist worden, een troep huurlingen en zwaardvechters Metellus zouden vergezellen, zoodat al de bloedverwanten en vrienden van Cato zeer bezorgd voor hem waren, en velen onder hen de nacht wakende doorbrachten om te overleggen, hoe zij hem aan het gevaar zouden onttrekken. Ook zijn vrouw en zijn zusters deden niets dan het huis met jammerklachten vullen: hij daar en tegen sprak iedereen troost in, at en dronk als naar gewoonte en ging toen naar bed, waar hij zoo gerust sliep, dat een zijner vrienden hem den volgenden morgen moest komen wekken om naar de plaats te gaan waar 't geding zou gevoerd worden.
De Raadpensionaris Jan de Witt behoorde ook onder hen, die slapen kunnen zoodra zij 't oorkussen ruiken. Hij placht te zeggen, dat iemand, die vele en gewichtige zaken in 't hoofd heeft, die moet kunnen ter zijde stellen zoodra hij zich te bedde bevindt: een raad, die uitmuntend is, doch dien iedereen niet even bekwaam is te volgen. 't Is echter in 't algemeen raadzaam, niet onmiddellijk van den arbeid naar bed te gaan; want dan blijven allicht onze gedachten op hetzelfde punt werkzaam en belet ons dit te slapen: men doet daarom altijd beter, niet later dan tot een zeker uur te werken, en dan 't zij een spel, 't zij een weinig vermoeiende lektuur bij de hand te nemen, of zich op andere wijze te ontspannen, zoodat men met een verfrischt hoofd te bedde gaat: ik althans heb mij bij 't aanwenden van soortgelijke middelen steeds wel bevonden.
Men heeft opgemerkt, dat lieden, die wegens misdaden te recht stonden waar de hals meê gemoeid was, doorgaans zeer slecht sliepen in de nacht voor dat het vonnis zou gewezen worden, dewijl alsdan de onzekerheid omtrent hun lot hen uit den slaap hield, maar daar en tegen zeer gerust in de nacht voor dat het vonnis zou voltrokken worden en als zij de overtuiging hadden, dat er toch aan hun zaak niets meer te doen was.
* * * * *
~Snapachtigheid.~--Men beschuldigt in 't algemeen de vrouwen van een haar ingeboren zucht tot snappen, en de hekel- en blijspel-dichters, zie o. a. Hooft in zijn Warenar, hebben dan ook nimmer nagelaten, die zucht op allerlei wijze ten toon te stellen. Toch is het de vraag, of die meerdere geneigdheid tot praten niet veeleer een gevolg is van de bijzondere omstandigheden, waarin de vrouwen geplaatst zijn. Zij toch hebben over 't geheel zoodanige bezigheden, waarbij de handen alleen 't werk doen, terwijl hoofd en tong geheel vrij zijn. 't Zij ze aan 't naaien of borduren, 't zij ze aan 't wasschen of schoonmaken zijn, de verbeelding heeft vrij spel en, zij zouden zich vervelen, indien zij niet nu en dan een praatje maakten. De mannen daar-en-tegen, zijn ze ambtenaren, klerken, kantoorbedienden, advokaten, prokureurs, doktoren, letterkundigen, enz. enz., hebben hun hoofd noodig bij hun werk en wennen zich dan voorzeker 't noodeloos praten niet aan. Zijn ze ambachtslieden, landbouwers, poldergasten, hun arbeid zelf, die zware krachtsinspanning vordert, maakt hun doorgaans 't babbelen onmogelijk; zij zouden onder 't werk niet verstaan worden, en zijn na 't werk te moe en te slaperig om te praten. Toch vindt men ook onder de mannen niet weinig snappers,--maar 't is doorgaans juist onder de zoodanigen, die een beroep uitoefenen, waarbij hoofd noch lichaamsspieren zich bijzonder vermoeien, onder kappers, barbiers, bedienden in koffiehuizen en modewinkels, livreiknechts en dergelijken, dat men babbelaars vindt, en wel dikwijls de zoodanigen, die 't aan de vrouwen niets toegeven. 't Is dus mijns bedunkens gewaagd uitsluitend aan de natuur der vrouwen een hebbelijkheid toe te schrijven, die zich uit andere oorzaken verklaren laat.
Doch toegegeven eens, dat de vrouw uitteraard meer dan de man tot snappen geneigd is, dan mag men dit nog als een geluk beschouwen. Immers, het is aan de vrouw, dat de eerste opleiding van 't kind, als baker, als min, als kindermeid, als moeder, is toevertrouwd. Het denkvermogen van het kind kan niet ontwikkeld worden, tenzij men het van zijn geboorte af, reeds wenne, klanken te hooren, er naar te luisteren, er de beteekenis van te verstaan, er op te antwoorden, in één woord, te hooren praten. Nu ligt het wel in de reden, dat men begint met aan het kind enkele woorden voor te zeggen, en vervolgens volzinnen, maar die op zich zelve weinig beduiden, en dat ook zelfs als men verder komt, men nog altijd over zeer dagelijksche en onbelangrijke dingen tegen hem praat;--dat daartoe nu de vrouw in staat gesteld is, daarvoor mogen wij den Hemel danken, en offert zij soms een groot gedeelte van haar leven op om beuzelingen aan een kind te vertellen, laten wij het haar dan niet ten kwade duiden, zoo zij nu en dan beuzelingen in haar gesprek met menschen van haar leeftijd te pas brengt.
En toch, zoo als ik zeide, kunnen de mans niet nalaten, gedurig aan de vrouwen haar snapzucht te verwijten. Zelfs geestelijken hebben zich veroorloofd dit van den kansel te doen. Zoo wordt er van een verhaald, dat hij, op Paaschdag voor geestelijke zusters predikende, de reden van het feit, dat de Heer na zijn opstanding zich 't eerst aan vrouwen vertoond had, daarin verklaarde gelegen te zijn, dat op die wijze de tijding het spoedigst verspreid zou worden.
Een andere geestelijke, die in een dorpskerk preekte, waar mannen en vrouwen afzonderlijk gezeten waren, werd midden in zijn rede gestoord door gebabbel onder zijn toehoorders. Dit hindert hem en hij beklaagt er zich over. Een vrouw staat op, en zegt: "'t Is niet aan onzen kant, Eerwaarde!"--"Des te beter, vrouwtje!" is zijn antwoord: "zooveel te eerder zal 't gedaan zijn."
Weêr een ander, over het gesprek met de Samaritaansche vrouw zullende preêken, zei tot zijn toehoorders: "Verwondert u niet, indien mijn tekst zoo lang is: 't is hier een vrouw, die aan 't woord is."
* * * * *
~Staatzuchtigen.~--Wie door eer- en staatszucht wordt voortgedreven, kent zelden andere houding dan geknield te liggen of op de toonen te staan, en zoekt zich doorgaans, als hij de nukken of de ongenade verduren moet van wie boven hem zijn, zich daarover te wreken door hen, die van hem afhangen, uit de hoogte te behandelen. Dit althans was het gevoelen van een Sinees, die door Europa reisde. Eens zich in de voorzaal bevindende van een machtigen Monarch, zag hij daar een man met een gunstig voorkomen, in een prachtig gewaad, met vele eereteekens behangen, die alleen en afgezonderd stond en met wien zich niemand scheen te willen bemoeien. "Wie is die verlatene?" vroeg de Sinees aan zijn geleider. "'t Is," antwoordde deze, "een onzer voornaamste Heeren; hij heeft roemrijke krijgstochten gemaakt en is Goeverneur van een onzer aanzienlijkste Gewesten; doch voor 't oogenblik is hij in ongenade."--"En waarom draait men hem den rug toe?" vroeg wederom de Sinees: "indien men ten Hove geen medelijden heeft met hem, moest men het ten minste hebben met zijn arme onderhoorigen."
De Kardinaal Dubois, die Minister was onder den Regent, bood een abdij aan een Bisschop, wien hij op zijn hand wenschte te hebben. De Bisschop sloeg de gift af, zeggende, dat hij, volgens de Kanonieke wetten, niet meer dan één geestelijk goed bezitten mocht. Die onbaatzuchtigheid verbaasde Dubois, die zelf alles behalve nauwgezet was. "Indien gij," zeide hij, "niet over sommige punten wat vrij geschreven hadt, zou ik u heilig verklaren."--"Gave God," antwoordde de Bisschop, "dat uwe Eminentie er de macht toe bezat, en ik er u aanleiding toe gegeven had; wij zouden beiden reden tot voldoening hebben."--Dat was een fijne manier om hem zijn staatszucht te verwijten.
* * * * *
~Tooneelspelers.~--Het is noodig, dat een tooneelspeler, behalve een goed uiterlijk, ook bekwaamheid genoeg hebbe om de rol, die hij te vervullen heeft, behoorlijk te begrijpen; dat hij zich in den toestand kunne verplaatsen van de persoon, die hij zal voorstellen, en diens gevoelens en gewaarwordingen als 't ware tot de zijne maken. Met slechts weinigen intusschen is dit het geval. Men had aan een beroemde tooneelspeelster de taak opgedragen, aan eene, die nog debuteeren moest, de rol te leeren spelen eener princes, die een hevige hartstocht gevoelde voor een ontrouwen minnaar; doch, na les op les, begon de onderwijzeres hoe langer hoe meer te bemerken, dat zij niet vorderde. Eindelijk ongeduldig geworden zijnde, zeide zij tot haar leerling: "Is hetgeen ik u vroeg dan zoo moeilijk? Stel u in de plaats der verlaten minnares. Indien gij in haar geval waart en verraden door hem, dien gij liefhadt, zoudt gij dan niet, als zij, van diepe smart doordrongen zijn? Zoudt gij niet...."--"Ik?" antwoordde de debutante: "ik zou mijn best doen, gaauw een anderen vrijer te krijgen."--"Is dit het geval?" hernam de onderwijzeres; "dan verliezen wij beiden onzen kostbaren tijd: ik zal u nooit kunnen leeren uw rol te spelen gelijk 't behoort."--[4]
[4] REMOND DE S^{TE} ALBINE. _Le comédien._ Paris 1751.