Vermakelijke anekdoten, en historische herinneringen

Part 5

Chapter 53,741 wordsPublic domain

~Ouderliefde.~--In de jaarboeken van Japan wordt het navolgende voorbeeld van zeldzame ouderliefde medegedeeld. Een Weduwe had drie zonen, die voor haar de kost zochten te verdienen, doch wier arbeid niet toereikend was om haar altijd het behoorlijk onderhoud te verschaffen. Het droevige schouwspel eener Moeder, die het noodige ontbeerde, bracht de jongelingen tot een allerzonderlingst besluit. Men had bij aanplakbiljetten bekend gemaakt, dat wie den dief van zekere gestolen goederen aan 't gerecht overleverde, een bepaalde som gelds ontvangen zou. De drie broeders komen overeen, dat een hunner voor den dief zal doorgaan en door de beide anderen naar den Rechter gebracht worden. Zij loten om te weten wie tot offer der ouderliefde strekken zal, en het lot valt op den jongste, die zich als een misdadiger laat binden en naar den Rechter voeren. Deze ondervraagt hem: de knaap bekent de misdaad en wordt naar de gevangenis gebracht, terwijl zijn broeders het beloofde loon ontvangen. Doch, met het lot van den gevangene begaan, volgen zij hem in den kerker en nemen daar afscheid van hem onder bittere tranen. Zij waanden dat dit tooneel geen getuigen had; doch ook de Rechter had zich naar de gevangenis begeven en onopgemerkt een tooneel gadegeslagen, waar hij niets van begreep, doch 't welk zijn nieuwsgierigheid zoo zeer wekte, dat hij aan een dienaar last gaf, de beide aangevers te volgen en hun bedrijf gade te slaan. De bediende kwijt zich van dien last en komt eerlang bericht brengen, hoe hij de jonge lieden had zien ingaan in een nederige woning, waar zij het door hen ontvangen geld ter hand gesteld hadden aan hun moeder, die op 't hooren, tot welken prijs zij het verworven hadden, terstond bitter was beginnen te schreien en hun gelast had, het terug te brengen, verklarende liever van honger te sterven dan haar leven te rekken ten koste van haar kind. De Rechter, verbaasd over zulk een zeldzaam blijk van ouderliefde, laat den gevangene voor zich komen, onderhoudt hem over zijn gewaanden diefstal, dreigt hem zelfs met de felste straffen, indien hij de waarheid niet bekent; doch de jongeling blijft volharden bij zijn eerste verklaring. Diep getroffen verlaat hem de Rechter, doch doet verslag van het voorgevallene aan den Keizer, die, mede verrukt over een zoo heldhaftig betoon van teederheid, de drie broeders voor zich laat komen, hen van zijn genegenheid, en aan hun moeder een ruim inkomen verzekert.

* * * * *

~Paard.~--Bij de oude Grieken, zoo min als bij de Joden, werd het paard als strijdros of zelfs als rijdier gebezigd: en zoowel bij Homerus als in de Heilige Schrift wordt alleen daarvan gewag gemaakt als trekdier voor de strijdkarren. Dat de Grieken echter andere naburige volken hadden zien te paard rijden, en dit een zeer ongewoon verschijnsel hadden gevonden, blijkt daaruit, dat zij in hun mythen de ruiterij als Centauren of Paardmenschen voorstelden. Bij de Parthen daarentegen, gelijk later bij de meeste Aziatische volkeren, was van ouds het paardrijden een gewone en dagelijksche zaak. Van de Parthen wordt gemeld, dat zij te paard niet alleen ten strijde togen, maar ook hun bijzondere zaken deden, kochten en verkochten, onderhandelden en bezoeken aflegden; en dat bij hen het verschil tusschen Vrijen en Onvrijen daarin bestond, dat de eerstgemelden te paard, de anderen te voet gingen. Ook de Numidiërs, die een deel van het tegenwoordige Barbarijen bewoonden, waren treffelijke ruiters, en zoo zeker van hun paarden, dat zij die, zonder teugel, met de knieën of met de stem regeerden.

Geen wonder, dat langzamerhand ook de Grieken, en later ook de Romeinen, het nut inzagen, dat men van een welgeoefende ruiterij kon trekken, en dat zelfs te Rome de Ruiter- of Ridderschap als een bijzondere orde in den Staat werd aangemerkt, boven die der Plebejers verheven. Bij den roem, dien Alexander de Groote en Cezar verwierven, wordt ook die niet vergeten, welken hun paarden verkregen: beiden even wonderbaar in hun soort als hun meesters. Van Bucefal, Alexanders paard, zegt men, dat het een kop had naar dien van een stier zweemende, dat het door niemand dan door zijn meester getemd had kunnen worden en geen berijder duldde buiten hem; waarom het dan ook na zijn dood vereerd en een stad naar hem genoemd werd. Het paard van Cezar had gespleten hoeven in den vorm van menschenvingeren; het kon evenzeer alleen door zijn meester getemd en bereden worden, en na zijn dood werd zijn beeltenis door Cezar aan Venus toegeheiligd.

Hoewel Cezar, als hij vreemde volkstammen bedwongen had, doorgaans gelastte, dat zij hem hun wapenen en paarden zouden uitleveren, ten einde hun op die wijze hun voornaamste middelen tot krijgvoeren te ontnemen, toch stelde hij, wat zijn Romeinen betrof, steeds het meeste vertrouwen in hun voetvolk, dat door geen ander overtroffen werd; zoo zelfs dat hij, als de nood drong, de ruiters gelastte af te stijgen en te voet te strijden, in de overtuiging, dat zij zich dan beter en moediger zouden kwijten. Even zoo dachten ook over 't algemeen de Franschen, in de oorlogen, die zij in de 14de en 15de eeuw tegen de Engelschen voerden: zij streden liever te voet dan te paard, als meer vertrouwen stellende in hun eigen moed, vlugheid en behendigheid dan in de belemmerende hulp, die een strijdros kon aanbieden: en ook bij de hedendaagsche wijze van oorlogvoeren schijnt het uitgemaakt, dat de kracht van een leger voornamelijk in het voetvolk bestaat.

Toen de Spanjaarden voor 't eerst in Amerika kwamen, zagen de Indianen niet alleen hen, maar ook hun paarden, voor bovenmenschelijke wezens aan; en wanneer zij, na in een veldslag overwonnen te zijn, om vrede kwamen smeeken, brachten zij niet alleen aan de ruiters goud en spijzen, maar boden die ook den paarden met gelijke toespraken aan, hun gehinnik als een hun onbekende taal aanmerkende.

Wanneer oudtijds de Tartaren gezanten stuurden aan den Tsaar van Moscoviën, die toen zoo machtig niet was als tegenwoordig, ging deze hen te voet te gemoet, en bood hun een beker met paardemelk aan, en vielen er dan, onder 't drinken, druppels op de manen hunner paarden, dan was hij gehouden, die met de tong af te lekken.

* * * * *

~Panische schrik.~--Men noemt ~panischen schrik~ de plotselinge ontsteltenis, die iemand overvalt, en geheel van 't spoor brengt, dikwijls zonder dat er billijke grond voor vrees bestaat. Er zijn voorbeelden, dat zoodanige schrik geheele volkeren heeft vermeesterd, als o. a. te Karthago het geval was bij de nadering van Scipio: de menschen holden schreiende en weeklagende hun woningen uit, ja stormden op elkander in, elkander wondende en doodende, als hadden zij den vijand voor zich, en de geheele stad was een tooneel van verwarring.

Toen de laatste der Ptolemeën Achilles en Septimus afzond om Pompejus, die met het overschot zijner vloot herbergzaamheid bij hem zoeken kwam, te dooden, had de ongelukkige vluchteling zeer wel door zijn vrienden en volgers verdedigd kunnen worden; doch zoo zeer waren zij van schrik bevangen, op 't zien der Egyptische schepen die hen naderden, dat zij dachten aan eigen lijfsbehoud en niet deden dan de manschap aan te sporen, zich met kracht van riemen te verwijderen, terwijl zij niet recht tot bezinning kwamen dan toen zij te Tyrus waren aangeland.

In enkele gevallen heeft men gezien, dat juist overgroote schrik tot overmoedigheid leidde. In den eersten veldslag, dien de Romeinen onder Sempronius tegen Hannibal verloren, togen tienduizend der hunnen op de vlucht; doch door de vijanden aan alle zijden omcingeld, wisten zij er niet anders op, dan zich op den dichtsten drom te werpen en er zich door heen te slaan, niet zonder een groote slachting onder de Karthagers te hebben aangericht; aldus een schandelijke vlucht tot denzelfden prijs koopende, als waarvoor zij een roemrijke overwinning hadden kunnen behalen.

Gespt de vrees somtijds vleugels aan de hielen, op andere tijden verlamt zij elke beweging bij hem, dien zij bevangen heeft, en wordt de mensch het vogeltje gelijk, dat, bedwelmd door de blikken van de loerende slang, het besef mist, om zich door de vlucht te redden. Keizer Theofilus, een slag tegen de Agarenen verloren hebbende, was van schrik zoozeer versteld en verstijfd, dat hij niet in staat was een stap te doen om 't gevaar te ontkomen, totdat Manuel, een zijner Krijgsoversten, hem aangreep en schudde, als men iemand doet, dien men uit den slaap wil opwekken, er bijvoegende: "Zoo gij mij niet volgt, dan dood ik u, want het is beter dat gij het leven verliest, dan dat gij gevangen genomen wordt en het Rijk verspeelt."

Toen de Hertog van Bourbon storm liep op Rome, werd een vaandeldrager, die aan de voorstad St. Pieter de wacht hield, zoo zeer van schrik bevangen, dat hij, door een opening in den muur aan den loop ging, recht op den vijand aan, terwijl hij zich verbeeldde binnen de stad te vluchten. Niet eer bemerkte hij zijne vergissing dan toen het volk van Bourbon, in den waan verkeerende dat er meer volk volgde en de bezetting een uitval deed, zich aaneensloot om het te ontvangen; waarop hij, rechts-om-keert makende, naar de stad terugvlood en hetzelfde gat weêr binnenkroop waar hij was uitgekomen.

Aarnout, de onechte zoon van Karelman, betwistte in 888 het rijk aan Guy, Hertog van Spoleto, die reeds Rome vermeesterd had. Na onderscheidene veldslagen komt Aarnout voor die stad en maakt de noodige toebereidselen om haar te berennen. Terwijl zijn arbeiders bezig zijn, doen zij een haas op, die verschrikt door 't leger vliedt, zijn weg naar de stad nemende. De soldaten vervolgen het dier al lachende en joelende. Maar de belegerden, die niet den haas, maar wel de toesnellende soldaten zien, verbeelden zich, dat er reeds storm geloopen wordt, en dewijl hun verdedigingsmiddelen niet gereed zijn, verlaten zij in allerijl de wallen. Aarnout wordt dit gewaar, grijpt de gelegenheid aan, gelast de bestorming, neemt Rome en laat er zich tot Keizer kronen.

In 1598 werd het kasteel van Moyrane door de Franschen onder Lesdiguières belegerd. Een bres gemaakt hebbende, klimmen de belegeraars naar binnen, doch vinden een geduchten tegenweer. In 't heetste van 't gevecht weet een Trompetter naar binnen te dringen en den toren te beklimmen, van waar hij nu met kracht den aanval blaast. Zulk een ontsteltenis brengt dit onder de belegerden te weeg, dat zij zonder nadenken in de gracht springen of zich laten ombrengen, zoodat er van hun driehonderden niet meer dan twee gespaard blijven.

Een dergelijk feit als dat van dien Trompetter werd door een Vlissinger gepleegd, en leidde tot de vermeestering van den Bosch. Bij de berenning dier stad door Frederik Hendrik was gemelde soldaat de stad binnengedrongen, en terstond naar de Groote kerk geloopen, waar hij, den toren beklommen hebbende, er een Prinsenvlag uitstak, die hij, om zijn lijf geslagen, had medegebracht. Het zien dier vlag sloeg de belegerden met zulk een schrik, dat zij, de stad reeds in 's vijands macht wanende, allen verderen tegenweer opgaven.

De Engelschen, in 1647 het voornemen opgevat hebbende om de haven van l'Orient te bederven en op die wijze de Fransche Oostindische Maatschappij ten gronde te richten, zonden te dien einde een vloot af, aan boord waarvan zich de Generaal Sinclair bevond met 7000 man landingstroepen. Aan de kust van Bretagne geland, eischt Sinclair l'Orient op, dat zich overgeeft zonder tegenweer. Den volgenden morgen slaan de tamboers der militie van l'Orient, die geen tegenbevel bekomen hadden, als naar gewoonte hun generalen marsch. Sinclair vraagt aan iemand van 't land, wat dat getrommel na de gesloten kapitulatie beteekent. De ander antwoordt, dat men hem een valstrik gespreid heeft met die kapitulatie en dat eene afdeeling van 12000 man, in de nabijheid gelegerd, slechts wacht, dat hij zijn troepen aan wal zal gezet hebben, om die te omcingelen en gevangen te maken. Staande dit gesprek verandert de wind, waar de Admiraal door middel van een sein Sinclair van verwittigt. Deze laatste nu, vol vrees van overvallen te worden, scheept zich weder in en kiest de ruimte. Maar nu komen zij, die de kapitulatie gesloten hebben, buiten, om zich aan den Engelschen Generaal te onderwerpen, en staan geheel verbaasd, niemand meer te vinden. De bloôhartigheid en de dwaasheid, zegt de Schrijver, aan wien wij deze vertelling ontleenen, stonden aan weêrskanten gelijk.

* * * * *

~Raad inwinnen.~--Dat men raad gaat vragen bij anderen, die men wijzer of beter op de hoogte acht, is op zich zelf zeer verstandig, doch van de honderd, die zulks doen, zijn er negen-en-negentig, die reeds vooraf hun besluit genomen hebben, en eigenlijk alleen daarom bij een raadsman gaan, omdat zij hopen en verwachten dat die zal instemmen met hun zienswijze en zij zich, als de zaak tegenslaat, op hem zullen kunnen beroepen. Een raad, die niet overeenstemt met het verlangen van den vrager, wordt dan ook maar zeldzaam nagekomen, en is er in dien raad iets twijfelachtigs gelegen, dan wordt de twijfel altijd op zoodanige wijze uitgelegd als met dat verlangen overeenkomt. Een voorbeeld uit duizenden levert de volgende vertelling. Een boerin, die haar man verloren had, wilde met haar bouwknecht Jan hertrouwen en ging bij den Pastoor om raad. "Ik ben nog jong genoeg om te trouwen," zeide zij. "Trouw dan," antwoordde Heeroom. "Maar men zal misschien zeggen, dat mijn aanstaande veel te jong voor mij is."--"Trouw dan niet."--"Ik heb echter een hulp noodig en hij verstaat het boerewerk."--"Trouw dan."--"Maar ik ben bang, dat hij mij verwaarlozen zal."--"Trouw dan niet."--"Van een anderen kant, een arme weduwvrouw wordt door iedereen misleid en bedrogen, als zij geen steun heeft."--"Trouw dan."--"Ik ben bang, dat hij gekheid maakt met de meiden."--"Trouw dan niet."--Op die manier ging het gesprek voort en de vrouw klaagde, dat zij even wijs bleef als zij gekomen was, waarop de Pastoor, die geen trek had om in een zoo teedere zaak een bepaald advies te geven, haar raadde, naar de klokken te luisteren die juist zouden beginnen te luiden, en zich te regelen naar den raad, dien deze haar geven zouden. De vrouw deed het en meende duidelijk uit het klokgebrom te verstaan: "trouw uw bouwknecht Jan."--Zoo deed zij; doch weldra had zij er bitter berouw van en ging zich bij den Pastoor beklagen, dat die haar naar een zoo bedriegelijk orakel, als die klokken waren, verwezen had. "Dan heb je niet goed verstaan, wat zij zeiden," antwoordde de Geestelijke: "ga er nog eens naar luisteren. Wel, wat zeggen zij?"--"Och, Heeroom!" riep zij, "zij hebben groot gelijk. Had ik de vorige keer maar beter geluisterd. Zij zeggen heel duidelijk: "trouw uw bouwknecht niet.""

Het raadgeven is altijd een hachelijke zaak, omdat de beste raad dikwijls in onvoorziene omstandigheden een slechte uitkomst kan opleveren; terwijl het omgekeerde evenzeer het geval kan wezen. De Athener Focion had eens aan zijne stadgenooten een raad gegeven, die niet gevolgd werd. Toch had de zaak, tegen zijn verwachting, een goeden afloop. "Wel, Focion," vroeg hem iemand, "hoe denkt gij er nu over?"--"Ik verheug mij, dat het zoo gegaan is," antwoordde Focion, "doch ik heb geen berouw over hetgeen ik gezegd heb."

Vooral is het moeilijk, raad te geven aan hen, die boven ons geplaatst zijn. In zoodanig geval, zeide de beroemde Engelsche Kanselier Bacon, zal men altijd best doen de les, die men geeft, in te kleeden met de woorden van dezen of genen schrijver der Oudheid, of een algemeen gangbare spreuk te bezigen, waarvan men aan hem, die den raad behoeft, de toepassing overlaat.

Toch vindt men er genoeg, die altijd bereid zijn ook ongevraagd raad te geven. 't Is dan minder de vriendschap, dan de ijdelheid, die spreekt. Een wijsgeer gaf eens aan een dier ijverige raadgevers tot antwoord: "hoe wilt gij, dat ik mij beter van mijn gebreken, als gij u niet beteren kunt van 't gebrek van anderen te willen verbeteren."

De dichter Scheichi was arm, en voorzag in zijne behoeften door den verkoop van een oogwatertje. Maar hij zelf leed aan zijn oogen en dacht er niet aan om het middel te gebruiken, dat hij aan anderen verkocht. Eens dat er iemand een fleschje bij hem kocht tegen den prijs van een asper, gaf die, in stede van één asper, hem er twee. Scheichi wilde hem er een teruggeven; doch dien weigerde de kooper: "de eene," zeide hij, "is voor het fleschje, dat ik voor mijn gebruik behoef: de andere, opdat gij er een voor uzelven koopt en er uw eigen oogen meê wrijft, die 't zeer noodig hebben."--Als met Scheichi gaat het met meer van die lieden, die altijd bij de hand zijn om anderen met hun raad te dienen en zelven zich zeer verkeerd gedragen.

* * * * *

~Redenaars.~--Het was bij de Romeinen niet ongewoon, dat de Advokaten elkander grofheden zeiden. Zoo vroeg Filippus eens aan een anderen rechtsgeleerde, die tegen hem pleitte, en Catulus ("hondje") genoemd was, waarom hij zoo "blafte?" "Omdat ik een dief over mij zie," was het antwoord.

Een middelmatig redenaar vroeg aan dien zelfden Catulus: "ben ik niet gelukkig geweest in het opwekken van het gevoel van medelijden bij mijn toehoorders?"--"Voorzeker", antwoordde de ander, "geen onder hen, die uw rede niet deerniswaardig vond."

Verres, die beschuldigd was, zich verrijkt te hebben, door de Gewesten, waarin hij het bewind gevoerd had, onmatige lasten op te leggen, had aan den redenaar Hortensius, die hem verdedigen zou, een keurig bewerkten ivoren Sfinx gezonden. Toen nu Cicero in zijn pleidooi tegen Verres eenige duistere toespelingen gemaakt had op de handelwijze van Hortensius, zeide deze, dat hij niet in staat was, raadsels op te lossen. "Dat is vreemd," voegde hem Cicero onmiddellijk toe, "als men den Sfinx in huis heeft."

Theofrastus verhaalt van een bejaarden redenaar, die zich blankette. Archidamus, voor den Raad van Sparta tegen hem pleitende, zeide dat men iemand niet gelooven moest, die den leugen op zijn voorhoofd droeg.

Eens zeide mij de Heer Thorbecke, sprekende van een onzer medeleden in de Kamer, die het talent had lang en aangenaam te spreken, zonder echter veel bijzonders voor te dragen: "de redevoeringen van dien man zijn wolbalen: veel omvang, weinig gewicht."

Een Rechter, die, 't zij ten gevolge van beschroomdheid, 't zij om andere redenen, nooit in staat was geweest, voor de vuist te spreken, viel eens een Advokaat, die aan 't pleiten was, in de rede. "Gij doet mij gevaar loopen, mijn Heer, den draad van mijn pleidooi te verliezen," zei de Advokaat, "en toch weet niemand beter dan gij, hoeveel moeite het kost, in 't openbaar te spreken."

Beter begreep de Amsterdamsche Schepen zijn plicht tegenover den later zoo beroemden Advokaat Angelus Cuperus. Deze zou voor 't eerst pleiten, en wel in een assurantie-zaak; doch het ongewone maakte hem onthutst en verlegen. "Het schip de Twee Gebroeders," begon hij: "....het schip de Twee Gebroeders....het schip...."--"Mijn Heer!" zei de President-Schepen: "dat schip zal van daag niet van stapel loopen; wij stellen de behandeling der zaak veertien dagen uit."--Dit geschiedde, en veertien dagen later hield Cuperus een meesterlijk pleidooi.

Een Advokaat pleitte eens zeer lang over een zaak, die naar 't oordeel van de Rechtbank te eenvoudig was om er zooveel bij om te halen. Reeds een paar keeren had de Voorzitter hem verzocht zich te bekorten, doch telken reize had de Advokaat beweerd, dat al wat hij zeide onmisbaar tot de zaak behoorde. De Voorzitter verloor eindelijk zijn geduld en zeide: "De Rechtbank gelast u, konklusie te nemen."--"Wel!" zei de Advokaat, "ik konkludeer dat de Rechtbank hoore wat ik nog te zeggen heb."

Dumont, die in de vorige eeuw te Parijs een der beroemdste advokaten was, pleitte eens voor 't Parlement aldaar en voegde bij uitmuntende en afdoende gronden er sommige, die zwak waren of veel van drogredenen hadden. De Eerste Voorzitter, Dr. Harley, kon niet nalaten hem na de zitting daarvan een verwijt te maken. "Wat wilt gij, mijn Heer de Voorzitter," zei Dumont: "iedereen is niet vatbaar voor gezonde redenen! Ik moest argumenten bezigen al naar de Rechters zijn: het eene dient om den Heer A., het andere om den Heer B. te vangen: men moet elk naar de mate van zijn verstand bedienen." Toen nu vonnis gewezen was en de Advokaat zijn zaak gewonnen had, zeide de Voorzitter tegen hem: "Mr. Dumont, uw pakjes zijn behoorlijk aan hun adres te recht gekomen."

Een beroemd Advokaat had zich belast met een zaak voor koorddansers en dergelijk kermisvolk. De Voorzitter betuigde hem zijn verwondering, dat hij voor dergelijke lieden pleiten zou. "Ik meende," antwoordde de Advokaat, "dat zoodra het Hof 't niet beneden zich acht, die lieden in hun belang te hooren, ik het niet beneden mij achten moest, voor hen te pleiten."

Aan een ander Advokaat werd gevraagd, hoe 't kwam, dat hij zich met schurfte zaken belastte. "Och!" zeide hij, "ik heb er zoo vele goede verloren, dat ik niet meer weet welke ik nemen zal."

* * * * *

~Regeeren na den dood.~--Het is niet alleen voor erfgenamen en boedelberedders een zeer lastige, maar ook in 't algemeen een zeer verkeerde zucht, te willen regeeren na zijn dood. Dat iemand, met het vooruitzicht van den dood, beschikkingen maakt betreffende zijn nalatenschap, is loffelijk, alleen uit twee oogpunten: vooreerst voor zoo verre hij daarbij zorgt, dat zijn zaken in behoorlijke orde zijn, zoodat zij, die na hem komen, geen of weinig moeite hebben met het beredderen van den boedel; en ten andere, voor zoo verre hij daarbij bewezen diensten beloont, of welkome herinneringen vermaakt aan hen, die hem dierbaar zijn. En dan nog is het dikwijls de vraag, of de sommen, die eerst na zijn sterven aan anderen verstrekt worden, hun niet even welkom, ja nog welkomer waren geweest, indien hij ze hun bij zijn leven had geschonken. Maar waar ik vooral geen vrede meê kan hebben, is met die legaten aan armen en aan liefdadige instellingen. De dagbladen in hunne kolommen, en de Regenten van Arm- en Godshuizen in hun verslagen en toasten, mogen den naam van zulk een erflater met hooge ingenomenheid vermelden en 's mans liefdadigheid roemen, ik zal alleen dan met die loftuitingen instemmen, wanneer de overledene geen kinderen of naaste erfgenamen heeft gehad, en zijn inkomsten noodig had om naar zijn stand te leven. Maar in elk ander geval is 't al heel gemakkelijk voor hem, zich edelmoedig te betoonen, en zijn 't per slot zijn erfgenamen, en niet hij, van wie de giften herkomstig zijn. Slechts hij, die bij zijn leven geeft, en zoo, dat hij er zich eenige genoegens voor ontzegt, die hij anders zou gesmaakt hebben, mag inderdaad aanspraak maken op den eernaam van weldadig.