Vermakelijke anekdoten, en historische herinneringen
Part 4
~Krijgswetten en gebruiken.~--Dikwijls, bij 't lezen der geschiedenis van belegeringen, ergert men zich over de wreedheid van den overwinnaar, die, na een plaats te hebben ingenomen, de verdedigers ter dood laat brengen. Die ergernis is verschoonbaar, doch niet altijd even billijk. Van ouds toch begreep men, dat ook de stoutmoedigheid, even als alle deugden, hare grenzen heeft, en in geen koppige en dwaze vermetelheid ontaarden moet, en van daar schreef alom het krijgsgebruik voor, dat zij, die hardnekkig bleven in 't verdedigen van een post, die volgens alle regelen van krijgskunst onhoudbaar was, met den dood gestraft moesten worden. Montaigne, een van natuur hoogst zachtzinnig mensch, prijst dien regel, dewijl anders, naar hij zegt, het uitzicht op straffeloosheid aanleiding zou geven, dat een kippenhok een leger ophield: en in meer dan één roman van iemand, die 200 jaren later schreef, van Walter Scott namelijk, vinden wij dezelfde leer gepredikt.--'t Spreekt intusschen van zelf, dat het verschil tusschen de aanvallende en de verweerende krachten zoo aanzienlijk zijn moest, dat er aan den uitslag niet te twijfelen viel, en dat dezelfde bevelhebber, die veroordeeld zou geworden zijn indien hij zijn post had willen verdedigen tegen een batterij van dertig stukken, volkomen gerechtvaardigd was als hij dien niet overgaf aan een vijand, die er twee veldstukjes tegen aanvoerde.
Toch levert de geschiedenis een aantal voorbeelden van een aanzienlijk en welgewapend getal aanvallers, die zich door een naauwlijks noemenswaardigen hoop verdedigers hebben laten terugslaan. Zeer zeker zou Elias Beeckman, toen hij met luttel manschappen, met vrouwen en kinderen de vesting Aardenburg tegen een Fransch leger verdedigde niet alleen, maar den vijand met groot verlies deed wijken, den dood verdiend hebben, indien zijn stoutmoedigheid een min voordeeligen uitslag had gehad; maar hij bleef overwinnaar en in zulke gevallen wordt men door de goede uitkomst gerechtvaardigd.
* * * * *
~Kwakzalvers.~--Een zoogenaamde Alchymist beweerde het geheim te hebben uitgevonden om goud te maken en vroeg een belooning aan Paus Leo X, die een voorstander was der kunsten. De Paus toonde zich geneigd om aan zijn verlangen gehoor te geven en de kwakzalver achtte zijn fortuin reeds gemaakt. Maar leelijk keek hij op zijn neus, toen hij de verhoopte gift ontvangen kwam en van Leo niets anders kreeg, dan een groote leêge beurs, met de boodschap, dat, nu hij toch goud kon maken, hij niets anders behoefde dan een beurs om het te bergen.
Een rijke Engelschman lag te bedde met een hevigen aanval van de jicht, toen zijn kamerdienaar hem iemand kwam aandienen, die een onfeilbaar middel tegen die kwaal beweerde te hebben. "Is die wonderdokter te voet of met rijtuig gekomen?" vroeg de lijder. Het antwoord was: "te voet."--"Zeg in dat geval," hernam de zieke, "dat hij naar de pomp mag bruien; want zoo hij inderdaad het middel bezat, waar hij zich op beroemt, zou hij in een koets met zes paarden rijden en zou ik zelf hem gaan bezoeken en hem de helft van mijn vermogen aanbieden om van mijn kwaal bevrijd te worden."
Een Kwakzalver is altijd vol vaderlandsliefde, zoo b. v. de man van wien Addisson in zijn ~Spectator~ verhaalt. Deze stond te Hammersmith van zijn tooneel tot het volk te redeneeren en zeide: "ik ben in dit dorp geboren en opgevoed, en draag het groote liefde toe: waarom ik ook, uit dankbaarheid voor de weldaden, die ik er genoten heb, een kroon wil schenken aan elken dorpsgenoot, die mij de eer wil bewijzen die aan te nemen." Terstond staken niet weinigen onder zijn toehoorders de hand uit om het beloofde geldstuk te ontvangen, en zagen met niet weinig gretigheid hoe de Dokter zijn arm reeds in een wijden zak stak. Maar in plaats van blinkende munt, haalde hij er kleine papieren pakjes uit en ging toen aldus voort: "deze poeders, Heeren! verkoop ik anders voor vijf schellingen zes penningen; doch uit achting voor deze plaats, die ik lief heb, geef ik ze hier vijf schellingen minder." Ieder haastte zich aan dit edelmoedig aanbod gebruik te maken, en de poeders waren in een oogenblik verkocht, terwijl de omstanders, de een voor den ander borg stonden, dat er geen vreemdelingen onder hen, maar allen te Hammersmith geboren of althans woonachtig waren.
Een kwakzalver, die te Syrakusen gekomen was, beroemde zich een middel te kennen, waardoor Dionysius, die toen daar regeerde, de voorwetenschap zou bekomen van alle lagen, die men hem ooit zou willen leggen, en dat hij het den Vorst tegen een goede belooning zou mededeelen. Dionysius, op wiens leven men het reeds meer dan eens had toegelegd, was natuurlijk zeer verlangend, in 't vervolg tegen elken aanslag beveiligd te zijn; hij liet den man komen en vroeg hem wat zijn geheim was. "Mijn geheim," antwoordde de ander, "is dood eenvoudig. Geef mij een talent zilvers en beroem er u voortaan overal op, dat gij nu 't geheim weet." Dionysius lachte en, het middel goed vindende, liet hij den man de zeshonderd kroonen uitbetalen.
* * * * *
~Lafhartigheid.~--Het was bij de meeste oude volkeren gebruikelijk, hen, die in den krijg op de vlucht getogen waren, met den dood te straffen. Het eerst werd die gewoonte in onbruik gesteld door Charondas van Catana, die wetten schreef, waar zoo wel Grieksche als Latijnsche steden zich naar regelden. Van oordeel zijnde, dat de schrik een gewaarwording is, waaraan ook anders dappere lieden onderhevig kunnen zijn en die iemand ook tegen zijn wil overvallen kan, schafte hij voor hen, die gevlucht waren de doodstraf af, doch gelastte, dat zij drie dagen in vrouwekleêren op eene openbare markt of plein zouden worden ten toon gesteld, in de verwachting dat de schaamte, die zij op die wijze ondervonden, hen voor altijd van den schrik genezen zou.
Hoe de vrees, wanneer zij eenmaal de lieden bevangen heeft, hen buiten bezinning brengt, en hoe aanstekelijk die is, daarvan werd mij door een ooggetuige een treffend voorbeeld medegedeeld. Mijn zwager Joan Hodshon, die in 1830 en later Kolonel-Kommandant was der schutterij te Amsterdam, was in 1812 met de zoogenaamde _gardes d'honneur_ naar Frankrijk getrokken, en tot Luitenant bij de kavallerie bevorderd zijnde, had hij in 1813 den slag bij Leipzig bijgewoond, die, als men weet, door Napoleon verloren werd. Ieder weet welk een roem van onverschrokkenheid en volharding zich de "Oude garde" van den Keizer had verworven, en toch had in dien veldslag de schrik zich van een harer bataillons zoo zeer meester gemaakt, dat het den vijand den rug toekeerde en op de vlucht ging. Hodshon werd door zijn Overste gelast met een deel zijner ruiters hen in 't vuur terug te brengen; doch hoe hij zijn paard ook aanzette, het was hem, zoo als hij mij later meer dan eens betuigde, niet mogelijk geweest, de vluchtelingen in te halen, wien de schrik vleugels aan de voeten scheen te hebben gegeven.
Nog vertelde hij mij, hoe, bij diezelfde gelegenheid, vóór den slag de dagorder gegeven was: "het is op doodstraffe verboden, een gekwetste bij te staan." Dat verbod klinkt ons hard en onmenschelijk in de ooren; doch Napoleon, die, mits de uitkomst van den slag in zijn voordeel was, er zeer weinig om gaf of daar eenige arme drommels meer of minder aan werden opgeofferd, wist zeer goed wat hij deed, en zijn maatregel, hoe wreed ook, was niet onverstandig. Immers, wanneer een soldaat gekwetst wordt, zijn er voor 't minst twee anderen noodig om hem naar achteren te dragen en verliest het gelid alzoo drie man. Bovendien, er waren in 't leger niet weinig jonge soldaten en rekruten, die doorgaans zeer genegen zijn om een gewonde te "helpen"--of liever, om, onder schijn van hulp te bieden, zich aan het gevaar te onttrekken, en op die wijze kon het vallen van een man wel het terugtrekken van een half dozijn of meer ten gevolge hebben.
Er is met dat al groot verschil tusschen de lafhartigheid, die tijdelijk is en door onoverkomelijken schrik ontstaat, en die, welke aan een gebrek van plichtsgevoel te wijten is: tusschen die, welke de soldaat toont onder 't strijden en die, waaraan zich de bevelhebber schuldig maakt, aan wien een post is toevertrouwd, of die in elk geval een goed voorbeeld behoort te geven. Daarom zijn dan ook ten allen tijde zij, die een post overgegeven of zich aan het gevecht onttrokken hebben, voor een krijgsraad gebracht en, naar bevind van zaken, met meerdere of mindere strengheid gestraft geworden. Men weet, hoe o. a. de Heer van Hemert, die in 1586 Grave aan de Spanjaarden had overgegeven, op last van Leicester, die toen Opperlandvoogd was, met den dood gestraft werd, en hoe in 1673 hetzelfde vonnis ten uitvoer gelegd werd op den Overste Mozes Pain et Vin, die de verschansing aan de Nieuwerbrug zonder bevel ontruimd en daardoor aan de Franschen een veiligen terugtocht geopend had. Ook herhaaldelijk werden onderscheidene zeekapiteins, die met hun schepen den slag ontweken waren, meer of minder zwaar, enkelen met den dood, gestraft, en onder de verzen van Vondel is er een, dat den titel draagt van "Staatswekker" en waarbij hij den Staat aanspoort om toch vooral strenge maatregelen te nemen tegen hen, die door hun lafhartigheid 's lands vloot en 's lands eer in de waagschaal stellen.
Onder de regeering van Frans I had de Heer van Frangot, Fontarabiën, waar hij het bevel over voerde, aan de Spanjaarden overgegeven. Voor dit feit werd hij van den adelstand vervallen verklaard, en zoowel hij als zijn nakomelingschap veroordeeld als voor altijd onedel en onbekwaam de wapenen te voeren. Een dergelijke straf ondergingen later, onder Hendrik III, al de edellieden, die zich binnen Guise bevonden, toen deze plaats door den Graaf van Nassau (Willem I) genomen werd.
* * * * *
~'s Lands wijs, 's Lands eer.~--Wie 't overal wil hebben gelijk hij het t'huis heeft, wie zijn voedsel, zijn ligging, zijn kleeding, zijn uren van opstaan, eten, enz. niet kan regelen naar de gewoonte der plaats, waar hij zich bevindt, doet beter, nooit van huis te gaan. Alcibiades, dien ik anders niet als voorbeeld ter navolging stellen zal, wist zich even goed te voegen naar de eenvoudige Spartaansche zeden en met smaak het zwarte mengsel te eten, dat zij soep noemden, als hij, in Ioniën zijnde, in weelde en voorspoed op zijn Persisch wist te leven. Trouwens Alcibiades had een dier gelukkige naturen, die zich overal te huis vinden en zich daardoor ook overal bemind maken.
Inzonderheid past die gave om zich naar de zeden van 't land te schikken aan hen, die er voor hun eigen of huns meesters belangen zijn. Hoe zullen zij zich vrienden maken, als zij gedurig toonen met alles ontevreden en nimmer op hun gemak te zijn? Montaigne vroeg aan een Edelman, dien hij als zeer matig en ingetogen kende en die in Duitschland een belangrijke onderhandeling had gevoerd, hoe dikwijls hij zich in 's Konings dienst een roes had gedronken. Deze antwoordde "drie malen", en verhaalde meteen bij welke gelegenheden. "Ik ken er," voegt Montaigne, dit verhalende, er bij, "wie hun onbekwaamheid om op die wijze meê te kunnen doen in groote ongelegenheid heeft gebracht."--Gelukkig, dat men de Gezanten tegenwoordig niet meer op zulk een proef stelt: het zou anders wel noodzakelijk zijn, bij de examina, die afgenomen worden aan de aspirant-diplomaten, er een te voegen, waarbij zij een proef moesten afleggen van de hoeveelheid drank, die zij kunnen verzwelgen zonder van de bank te rollen.
Is men thans niet meer gehouden om, zoo men zich achting bij een volk wil verwerven, ook aan zijn uitspattingen en verkeerde gewoonten deel te nemen, toch zal men steeds wel doen, waar men zich bevindt, het spreekwoord "'s Lands wijs, 's Lands eer" voor oogen te houden. Wie in Holland tegen den middag zijn koffie met een broodje gebruikt, gebruike in Engeland ale of porter met koud vleesch, en in Frankrijk zijn carbonade met een glas wijn, en hij zal er zich wel bij bevinden. De zendeling, die Sineezen of Hottentotten bekeeren wil, zal moeilijk slagen, zoolang hij niet eerst zelf zoo veel mogelijk een Sinees of een Hottentot wordt.
De Engelschman kan moeilijk, en minder dan iemand van eenige andere natie, van zijn gewonen leefregel afstand doen, en moet er dan ook dikwijls voor boeten. Ik herinner mij hoe, voor eenige jaren, verscheidene Europeanen in Sina werden vermoord. Onder hen was ook de korrespondent van het Engelsche dagblad _the Times_. Deze had, om Sina en de Sineezen recht goed te bestudeeren, zich geheel als een Sinees gekleed, sprak de taal van 't land vrij vloeiend, en had een geheel Sineesche reisbagaadje meê. Hij werd echter als vreemdeling herkend en opgehangen.--Mij verwonderde dit volstrekt niet, toen ik las, dat hij onder zijn bagaadje een half dozijn flesschen ~soda-water~ had; want een Engelschman schijnt het buiten ~soda-water~ niet te kunnen stellen, en niemand dan een Engelschman zal er aan denken, ~soda-water~ op reis meê te nemen. Het zal dus wel zijn ~soda-water~ geweest zijn, dat hem verklapt heeft.
Maar behalve dat men, door 's Lands wijs te volgen, zich aangenaam maakt bij de inboorlingen, is zulks ook steeds heilzaam voor de gezondheid. 't Schijnt, dat de ervaring in ieder land dien leefregel heeft doen aannemen, die er het meest toe geëigend is, en wie tegen dien leefregel handelt, begaat altijd een waagstuk.
Men weet, welk een slechten naam de kust van Guinee heeft met betrekking tot het klimaat, en hoe weinig Europeanen er gezond blijven. En nu verdient het opmerking, dat gedurende den tijd, dat Napoleon in oorlog was met Engeland en ons land bij Frankrijk ingelijfd, zoo dat men in de gemelde kolonie niets uit Europa, veel min uit het moederland bekomen kon, de Hollanders, die er waren, volkomen gezond bleven. Men schreef dit daaraan toe, dat zij al dien tijd wel gedwongen waren geweest, zich uitsluitend met de voortbrengselen van 't land te voeden en geheel op zijn Guineesch te leven.
* * * * *
~Logen.--~
Al is de logen nog zoo snel, De waarheid achterhaalt ze wel,--
zegt Cats: en zeer zelden ziet men, dat een logenaar, ook de gevatste, niet vroeg of laat wordt ontmaskerd en beschaamd gemaakt. "De logenaar," zegt een Latijnsch spreekwoord, "behoort een goed geheugen te hebben,"--en toch verspreekt hij zich nu en dan en vergeet wat hij vroeger gezegd heeft. Ik wil daarvan een paar voorbeelden bijbrengen.
Koning Frans I had, na uit Italiën verdreven te zijn, te Milaan een geheimen Agent, die er zich in schijn voor zijn eigen zaken ophield, doch inderdaad om de gangen van den Hertog na te gaan. Gezegde Agent, die Merveille heette en stalmeester was van den Koning, had geheime geloofsbrieven en instruktiën mede, waaruit zijn hoedanigheid bleek van gemachtigde, doch ook brieven van aanbeveling aan den Hertog, die zijn bijzondere zaken betroffen. Intusschen kwam de zaak den Keizer ter ooren, die, er niet weinig over verstoord zijnde, bij den Hertog er op aandrong, dat de gemelde Agent van kant zou gemaakt worden. De Hertog, zich niet tegen 's Keizers wil durvende verzetten, liet inderdaad Merveille op schoonschijnende gronden in hechtenis nemen, hem zijn proces opmaken en twee dagen later bij nacht onthoofden. Doch nu moest ook Koning Frans tevreden gesteld worden en tot dat einde zond de Hertog tot hem Francisco Taverna, die beroemd was als behendig en voorzichtig spreker. Taverna, bij den Koning gekomen, gaf hem een fraai opgesmukt verslag van de zaak, daarbij voorwendende, dat de Hertog zijn meester nimmer anders had kunnen denken, dan dat de veroordeelde een Milanees en een onderdaan was, en volstrekt niet had geweten, dat de man tot 's Konings Huis behoorde en geloofsbrieven als Gezant bezat. Vruchteloos poogde een tijd lang de Koning, die aan gezegde praatjes geen geloof sloeg, Taverna door allerlei vragen en opmerkingen van zijn stuk te brengen, de listige Gezant had altijd een schijnbaar voldoend antwoord klaar. Eindelijk toch vroeg Frans I, waarom de straf bij nacht en als in 't geheim voltrokken was;--waarop Taverna, plotslings uit beleefdheid jegens den Koning zijn rol vergetende, als reden daarvoor opgaf, dat zulks geschied was omdat de Hertog, uit eerbied voor Zijn Majesteit, niet had willen gedoogen dat de straf bij dag en in 't openbaar voltrokken werd.--Men kan bedenken welk bescheid hij van den Koning kreeg, en deze verhief er zich later meermalen op, dat hij zulk een slimmen vos als dien Milanees zich zoo duidelijk had doen verspreken.
Nog erger bekwam een Gezant van Paus Julius II een logen, dien hij zich veroorloofde. De man was namelijk afgevaardigd naar Hendrik VIII van Engeland om dezen aan te sporen tot een oorlog met Frankrijk. Toen nu de Koning in zijn antwoord op het gedane voorstel de groote bezwaren opsomde, die er bestonden om zich ten strijde toe te rusten tegen een zoo machtigen Vorst als Frans I, zeide de Gezant zeer ten ontijde, dat hem die bezwaren ook vrij wichtig waren voorgekomen, en "dat hij ze reeds aan den Paus onder 't oog had gebracht." Die taal, zoo geheel afwijkende van het voorstel dat de Gezant belast was te doen, wekte 's Konings wantrouwen op en het vermoeden, dat de ander in 't geheim naar de zijde van Frankrijk helde; hij waarschuwde den Paus, die, hoogst verstoord, de goederen van den Gezant verbeurd verklaarde en hem naauwlijks genade van 't leven schonk.
* * * * *
~Menschenoffers.~--Het is van ouds een volksgeloof bij de meeste Natiën geweest, dat men de Godheid met menschenoffers verzoende. Niet alleen verhaalt ons de Grieksche geschiedenis van Thoas, den dwingeland van Tauris, die de vreemdelingen slachtte op het outer van Diana, maar ook Achilles offert bij Homerus een stoet jonge Trojanen aan de schim van zijn vriend Patrokles, en gelijkelijk wijdt Eneas, bij Virgilius, een aantal gevangenen aan die van Pallas. In latere dagen zien wij, hoe Sultan Morad, na een glansrijke overwinning, 600 Grieksche jongelingen ten zoenoffer deed strekken aan de schim zijns vaders. De gezanten van den koning van Mexiko, bij Fernand Cortes van de macht huns meesters ophalende, verhaalden niet alleen, hoe hij dertig vazallen had, waarvan elk honderdduizend man te velde kon brengen, en dat hij zijn verblijf hield in de schoonste en sterkste stad die zich in de wereld bevond, maar voegden er bij, dat hij bij machte was, jaarlijks vijftigduizend menschen op de altaren der Goden te slachten. Wel is waar zorgde hij altijd met eenige naburige volkeren in oorlog te zijn, zoo om de jeugd in den krijg te oefenen als om altijd voorraad te hebben van gevangenen, tot offers bestemd. Elders werden tot welkomst aan Cortes in zeker dorp vijftig menschen geslacht. Een volksstam aldaar, die in den strijd tegen hem was te kort geschoten, zond hem gezanten met drie soorten van geschenken, die zij hem aanboden op de navolgende wijze: "Heer, hier zijn vijf slaven; indien gij een God zijt, die naar bloed dorst, zoo eet ze, en wij zullen er u meer zenden; zijt gij een zachtmoedige God, hier zijn wierook en pluimen; zijt gij een mensch, zoo aanvaard deze vogels en vruchten."
Wanneer wij ons echter verwonderen en met afkeer spreken over de barbaarsche gewoonten dier heidensche volkeren, dan moeten wij niet vergeten, dat zij, die zich Kristenen noemen, hun, waar 't op menschenoffers aankomt, niets te verwijten hebben, en dat, zoo 't heette, tot Gods eer, duizenden en duizenden op schavotten en brandstapels of op andere wijze zijn om 't leven gebracht. En dat niet alleen in de ruwe Middeleeuwen, maar ook in tijden, die op hooge beschaving roemden. Eischte de Inquisitie hare offers ter wille van den Godsdienst en namen haar tegenstanders niet zelden een bloedige weêrwraak, het was in naam der vrijheid, dat in 't laatst der vorige eeuw onmenschelijke beulen dagelijks het bloed deden rooken van tallooze onschuldigen, en dat, als te Nantes, geheele scharen van grijsaards, vrouwen en meisjes in de rivier werden verdronken.
* * * * *
~Moed.~--Vele handelingen worden hoog geroemd omdat zij het gevolg schijnen van de edelste drijfveêren, terwijl zij inderdaad uit geheel andere oorzaken spruiten. Een soldaat van Lukullus had zich door den vijand van zijn plunje zien berooven: begeerig, die terug te bekomen, deed hij een wakkeren, doch hoogst gewaagden tocht, waarbij hij niet alleen het zijne terug bekwam, maar ook een rijken buit op den vijand behaalde. Lukullus, dit vernemende, kreeg daarop groote gedachten van zijn moed en droeg hem een niet minder gewaagde onderneming op, in de verwachting, dat hij niet zou aarzelen, de nieuwe gelegenheid om zijn moed te toonen, met gretigheid te aanvaarden. "Ik dank u," zei de andere, "gebruik daar liever dezen of genen armen sukkel toe, die zijn boeltje kwijt is."
In een gevecht van de Turken tegen de Hongaren, hadden zich Chazan en de Janitzaren, die hij aanvoerde, min dapper van hun plicht gekweten. Hierover op scherpe wijze door Sultan Mehemet doorgestreken, ging Chazan, tot eenig antwoord, zich met het zwaard in de vuist midden in de vijandelijke drommen werpen, waar hij, als te verwachten was, het offer werd van zijn waagstuk. Het was hier de spijt over den geleden hoon, die hem den onberaden moed had gegeven tot zulk een wanhopige daad.
* * * * *
~Naauwgezetheid.~--In de Middeleeuwen waren de Bisschoppen en andere Geestelijke Heeren, die de waardigheid van Pairs van het rijk bekleedden, gehouden, hun Soeverein in den oorlog te volgen. De Bisschop van Beauvais, die met Philippus Augustus op die wijze den slag van Bovines bijwoonde, nam dapper deel aan den strijd, doch, te naauwgezet om bloed te vergieten, waarvan, naar een oud voorschrift, de Kerk een afkeer heeft, bezigde hij een strijdkolf, en wanneer hij een vijand had nedergeslagen, liet hij aan een edelman van zijn gevolg de taak om hem verder om hals te brengen of gevangen te maken.
Niet minder naauwgezet had zich de man getoond, wien door Hendrik III van Frankrijk verweten werd, dat hij de handen aan een priester geslagen had.--"De handen aan een priester, Sire!" herhaalde de man: "'t zou nooit in mij zijn opgekomen, zulk een strafbaar feit te plegen. Ik heb hem alleen een trap gegeven dat hij rolde, en heb hem toen met de voeten een weinig op buik en maag getrommeld."
* * * * *