Vermakelijke anekdoten, en historische herinneringen

Part 3

Chapter 33,835 wordsPublic domain

Een Spanjaard, door Zuid-Amerika reizende, ontmoette op een afgelegen plaats een Indiaan, die, even als hij, te paard was gezeten. De eerstgenoemde, wiens rijdier oud en kreupel was, den anderen op een vluggen en wakkeren hengst gezeten ziende, stelde hem een ruil voor, waar de Indiaan natuurlijk niet in verkoos te bewilligen. Maar de Spanjaard, die goed gewapend was, dreigde hem dood te schieten, indien hij niet toegaf, maakte zich meester van den hengst en liet zijn mageren knol achter, waar de Indiaan nu op mocht zien voort te sukkelen. Deze laatste volgt echter zijn spoor tot aan de naaste stad en klaagt hem daar bij den rechter aan, die den Spanjaard met het paard voor hem verschijnen doet. De Spanjaard ontkent den roof en beweert, dat het paard hem toebehoort en hij het van jongs af heeft opgekweekt. Er was geen bewijs van het tegendeel en de rechter was op het punt, den klager in 't ongelijk te stellen, toen deze plotselings uitriep: "het paard behoort aan mij en ik zal het bewijzen." Meteen doet hij zijn mantel af, werpt dien over den kop van het paard, en zegt tot den rechter: "die man heeft het paard opgekweekt: dus kan hij ook wel zeggen, aan welk oog het blind is." De Spanjaard, geen aarzeling willende betoonen, antwoordt terstond: "aan het rechter."--"Noch aan 't rechter, noch aan 't linker," zegt de Indiaan, terwijl hij den mantel weêr wegneemt. De rechter, door een zoo vernuftig en krachtig bewijs overtuigd, wees hem het paard toe en de Spanjaard kon beschaamd afdruipen.

* * * * *

~Gewoonte.~--Iemand vroeg aan een armen drommel, die bijna naakt langs 's heeren straten liep en er even vroolijk uitzag, ofschoon het vroor, dat het kraakte, of hij geen hinder van de koude had. "Wel, mijn Heer," antwoordde de andere, "gij loopt wel met het aangezicht ontbloot; welnu! ik ben geheel aangezicht."

Een Gaskonjer wandelde in een dunnen zijden rok heel bedaard den Pont-Neuf te Parijs op en neder, schoon de thermometer onder nul stond. De Koning, daar voorbij rijdende, en hem ziende, liet ophouden, en vroeg hem hoe 't mogelijk was, dat hij niet van de koude leed. "Indien," antwoordde de Gaskonjer, "Uwe Majesteit hetzelfde deed als ik, zou zij nimmer hinder gevoelen van de koude."--"En wat doet gij dan?" vroeg wederom de Koning.--"Ik draag mijn geheele kleêrkas op mijn lijf," hervatte de Gaskonjer. De Koning lachte en liet den man het noodige geld geven om zich een goede winterkleeding aan te schaffen.

Cezar was, volgens Suetonius, gewoon, welk weêr het was, blootshoofds en meestal te voet aan 't hoofd zijner troepen te gaan.

* * * * *

~Gierigheid.~--Een gierigaard, die ten tijde van Koning Dyonisius in Siciliën woonde, had een schat in zijn tuin begraven en leefde heel armoedig. Dionysius, dit vernomen hebbende, liet den man gelasten dien schat hem te brengen. De ander deed dit, doch niet dan na er een klein gedeelte van behouden te hebben, waarmede hij zich in een andere stad nederzette. Nu zijn groote zucht tot sparen verloren hebbende, begon hij van 't geen hij overgehouden had, meer op zijn gemak te leven: wat Dionysius ter ooren kwam, die hem de rest van zijn schat terugzond, zeggende: dat de man, nu hij geleerd had het geld te gebruiken, niet langer onwaardig was het te bezitten.

* * * * *

~Geluk.~--Krezus, Koning van Lydiën, was de rijkste en vermogendste Vorst van zijn tijd, waarom zijn naam ook nog heden ten dage gebezigd wordt om een rijkaard aan te duiden. Zich tegen Cyrus van Persiën verzet hebbende, werd hij door dezen overwonnen en ter dood veroordeeld. Naar de strafplaats gaande deed hij niet dan uitroepen: "O Solon, Solon!" Cyrus, dit hoorende, vroeg hem, wat die woorden beteekenden, waarop de ander hem antwoordde, dat de Atheensche wijsgeer Solon hem, toen hij op zijn schatten en voorspoed stofte, gewaarschuwd had, dat niemand, hoe 't hem ook meêliep, zich gelukkig kon heeten vóór zijn dood. Dit trof Cyrus en hij spaarde den Vorst het leven.

Ik geloof met dat al veeleer, dat Solon gezegd zal hebben, dat niemand er op rekenen kan, gelukkig te blijven; want heeft hij gezegd wat de oude schrijvers, of Krezus, hem in den mond leggen, dan heeft hij met andere woorden verklaard, dat niemand ooit gelukkig is. Zijn bedoeling schijnt echter alleen geweest te zijn om, even als later onze Breêro, te zeggen: "t Kan verkeeren."

Van gelijken aard als dat van Solon, was het gezegde van Agezilaüs tegen iemand, die den Koning van Persiën gelukkig prees, omdat hij, zoo jong nog, het gebied bekomen had over een zoo machtig Rijk: "Koning Priam van Troje was ook gelukkig toen hij jong was."--Men weet hoe ellendig het, bij Trojes verwoesting, met den ouden Priam en de zijnen afliep.

Niets is wisselvalliger dan 't Fortuin: Dionysius, die over Syrakuzen geregeerd had, werd schoolmeester te Korinthen; Pompejus, die de halve wereld veroverd had, werd als vluchteling door een paar ellendige staffiers van Ptolemeüs om hals gebracht; Ludovico Sforza, Hertog van Milaan, die heel Italiën in bedwang had gehouden, overleed na een tienjarige gevangenschap; Maria Stuart, Koningin van Schotland en Koningin-Weduwe van Frankrijk, liet haar hoofd op 't schavot; Koning Theodorus van Korsika werd te Amsterdam voor schulden gegijzeld; en de laatste der Koningen uit het beroemde Huis van Wasa zat op zijn ouden dag, als een burgermannetje, met de dikke kasteleines uit de Toelast te Haarlem een jasje te spelen.

* * * * *

~Goed en kwaad gezelschap.~--"Zeg mij met wien gij verkeert, en ik heb uw aart geleerd," is een oud en zeer juist gezegde; en over 't geheel kan men iemand vrij wel beoordeelen als men weet, met welke lieden hij bij voorkeur omgaat. Wie dagelijks in 't gezelschap van bedaarde en verstandige lieden gezien wordt, zal van zelven den naam van bedaard en verstandig bekomen: en wie tot gewoonte heeft, een kroeg te bezoeken waar gauwdieven bijeenkomen, zal geen recht hebben, zich te beklagen, als de Politie, daar een inval doende, hem met de rest meêpakt.--De wijsgeer Bias, eens op zee zijnde, werd door een storm beloopen; zijn medereizigers, over 't geheel een vrij gemeene troep, riepen met luide gebeden den bijstand der Goden in; "Zwijgt toch," zeide hij: "laten de Goden niet hooren, dat gij u hier bevindt, het zou uw ondergang zijn en de mijne met een."

Albuquerque, die Onderkoning in Oostindiën was voor de Kroon van Portugal, zich in zeegevaar bevindende, nam een jongen knaap op zijn schouders, om geen andere reden, dan dat de Goddelijke Gunst dien knaap om zijn onschuld, en ook hem om diens wille, sparen zou.

Zekere boer, die Kees Piet heette, had een spreeuw, aan welken hij geleerd had te zeggen: "Moei mij niet! ik ben de spreeuw van Kees Piet!" Nu was gemelde Kees Piet een minnaar van een slokje en kwam 's avonds wel eens met een nat zeil t'huis. Wanneer zijn vrouw hem daarover verwijtingen deed, was doorgaans zijn verschooning: "Kwaad gezelschap doet dolen."

't Gebeurde, dat de spreeuw, eens uitgevlogen zijnde, tusschen een koppel van zijn natuurgenooten en met deze over een spreeuwebaan strijkende, onder 't net raakte! Juist zou de vogelaar het beest het lot van zijn medegevangenen doen ondergaan, toen het de aangeleerde les te pas bracht en zeide: "Moei mij niet! ik ben de spreeuw van Kees Piet."--De vogelaar, die Kees Piet zeer goed kende, spaarde het beest 't leven en liet aan den eigenaar daarvan weten, dat hij 't kon komen halen. "Wel, Gerrit! wel, mannetje!" zei Kees Piet, toen hij aan de oproeping voldeed, tot den spreeuw: "Wat is er met je gebeurd en hoe ben je in zoo'n perykel gekomen?"--En de spreeuw, niet minder gevat dan de vorige reis, gaf tot antwoord: "Kwaad gezelschap doet dolen."

Van dien spreeuw spring ik op Cezar over, die de overtuiging bezat, dat, zoo slecht gezelschap dolen doet, goed gezelschap, en wel in de eerste plaats het zijne, ook geene dan goede uitwerkselen hebben moest. In Afrika zijnde en in een boot de holstaande zee moetende oversteken, zag hij den stuurman beven. "Wat vreest gij?" vroeg hij, den man geruststellend op den schouder kloppende; "gij voert Cezar en zijn geluk."

Even moedig en nog schooner wellicht is het gezegde van Willem III, toen hij, in 1691 uit Engeland naar herwaarts overgekomen, en, daar zijn schip om 't lage water de Maas niet kon opvaren, genoodzaakt was zich met de boot naar 't strand te laten roeien. 't Was een afschuwlijk weêr, met mist, hagel en regen, en zij, die met hem waren, gaven niet onduidelijk te kennen dat zij zich alles behalve op hun gemak bevonden. "Hoe is het?" vroeg de Vorst: "Vreest gij, in mijn gezelschap te sterven?"

* * * * *

~Grillige loop van 's werelds zaken.~--Van Paus Alexander VI en van zijn zoon Cezar Borgia, Hertog van Valentinois, worden tallooze gruwelen verteld, door hen gepleegd ter voldoening van hun heersch- of geldzucht. Doch op merkwaardige wijze werd bij hen 't spreekwoord bewaarheid, dat het kwaad zijn meester loont. De Hertog, besloten hebbende den Kardinaal van Corneto, bij wien zijn vader en hij het avondmaal gingen gebruiken, om 't leven te brengen, zond een flesch wijn vooruit, met last aan den hofmeester, dien goed te bewaren. De Paus, vóór zijn zoon bij den Kardinaal gekomen zijnde, vroeg te drinken, en de hofmeester, in den waan verkeerende, dat die wijn hem alleen was aanbevolen wegens zijn voortreffelijkheid, schonk er den Paus van in, de Hertog, kort daarna komende, en er op vertrouwende, dat men aan zijn flesch niet geraakt had, dronk er insgelijks van, met die uitkomst, dat de vader terstond daarop stierf, en de zoon levenslang aan de gevolgen bleef lijden.

Izabella, koningin van Engeland, in 1326 met een leger uit Zeeland naar haar rijk getrokken zijnde om haar man ten voordeele van haar zoon te beoorlogen, ware verloren geweest indien zij ware geland ter plaatse waar zij bedoeld had zulks te doen, en waar een talrijk leger haar afwachtte: doch door tegenwind werd zij naar een andere zijde der kust gedreven, waar zij in veiligheid landde. Hetzelfde gebeurde 362 jaar later met onzen Stadhouder Willem III, die, eerst voornemens zijnde, naar 't Noorden van Engeland met zijn bevrijdingsvloot heen te stevenen, door storm werd teruggeslagen, en weinige dagen later weder uitgezeild, terwijl de wind uit denzelfden hoek bleef waaien, genoodzaakt was, zijn tocht naar 't Zuiden te richten, waar het trof, dat geen troepen waren om zich tegen zijn landing te verzetten.

Icetes had twee soldaten omgekocht om Timoleon, die zich te Aurane in Siciliën bevond, van 't leven te berooven. Zij namen het oogenblik waar, dat Timoleon den Goden zou offeren, en, zich onder de menigte vermengende, waren zij juist bezig met elkander te overleggen, hoe zij van de gelegenheid gebruik zouden maken, toen er een derde man toeschoot, een hunner met zijn degen doorstak en dood ter neder velde, en de vlucht nam. De makker des verslagenen, niet anders denkende of de aanslag was ontdekt, loopt naar 't altaar en biedt aan, alles te bekennen, zoo men hem in 't leven liet. Terwijl hij bezig is aan Timoleon mede te deelen, wie en hoe men 't op diens leven had toegelegd, wordt de vluchtende moordenaar door 't volk achterhaald en naar Timoleon gevoerd. Ondervraagd zijnde, wat hem tot den manslag bewogen heeft, zegt hij, met volle recht zijn vader gewroken te hebben, en brengt getuigen bij, die bevestigen dat zijn vader eenige jaren te voren, door den man, dien hij thans verslagen had, verraderlijk was omgebracht.--Men schonk hem niet alleen vergiffenis, maar nog een goede belooning bovendien, dat hij dus, om zijn vader te wreken, den algemeenen vader der Sicilianen het leven gered had.

Jazon Fereus leed aan een hevige verzwering in de borst, waar de heelmeesters geen raad tegen wisten. Zich ontdoen willende van een leven, dat hem tot last geworden was, mengde hij zich in een veldslag en wierp zich in 't heetste van 't gevecht om den dood te zoeken. Inderdaad kreeg hij een diepe wond in de borst; doch de uitslag was anders dan hij zich had voorgesteld; want de stoot had de verzwering gebroken en hij kwam genezen uit den slag terug.

Een ander bewijs, hoe het toeval soms op vreemde wijze kan dienen, levert het gebeurde met den schilder Protogenes. Deze had een vermoeiden en hijgenden hond voor te stellen, en 't werk was goed geslaagd; alleen kon het hem maar niet gelukken, het schuim om den bek naar zijn zin af te beelden; uit spijt smeet hij zijn natten spons tegen het doek: en zie! die kwam net tegen den bek van den hond te land, en bracht daar bij toeval te weeg wat de kunst niet had kunnen volvoeren.

Somtijds is 't als schijnt het lot met ons te spelen. De Heer d' Estrées, en de Heer van Liques, die tijdens de Fransche burgeroorlogen der 16de eeuw tot verschillende partijen behoorden, maakten beiden hun hof aan dezelfde jonkvrouw. De Heer van Liques was de gelukkige, op wien de keuze der schoone viel; doch op den dag zelf van zijn bruiloft kreeg hij den dwazen inval, uit te rijden om bij St. Omer een schermutseling te houden, waar hij echter te kort schoot en gevangen genomen werd door zijn medeminnaar. En nu was de bruid wel genoodzaakt, zich in persoon tot den vrijer, dien zij versmaad had, te wenden, om hem de vrijlating van haar man te verzoeken, welke hij haar met echt Fransche galanterie toestond.

Opmerkelijk is ook de gril van 't noodlot, dat een Konstantijn, zoon van Helena, de stichter, en een andere Konstantijn, mede zoon eener Helena, de laatste keizer was van het Grieksche rijk.

* * * * *

~Huwelijkstrouw.~--Men vroeg aan een schoone en rijke Romeinsche weduwe, waarom zij niet hertrouwde;--"Omdat," antwoordde zij, "mijn echtgenoot mij nog altijd voor oogen staat."

Paulina, vrouw van Seneka, wilde haar man, wiens dood Nero gelast had, niet overleven, en liet zich, even als men aan hem deed, de aderen openen. Nero wilde dit niet gedoogen en zond wondheelers af, die 't bloed stelpten en de aderen opbonden; doch zij droeg levenslang een bleekheid op 't gelaat, die, zegt Tacitus, aan elk getuigenis gaf van haar kuische liefde voor haar gemaal.

Sinorix en Sinatus waren, volgens Plutarchus, twee machtige Heeren in Galatiën. Sinorix werd verliefd op Camma, de vrouw van Sinatus. Om haar te kunnen huwen, nam hij zijn toevlucht tot het plegen eener misdaad, en liet hij Sinatus vermoorden. Eenigen tijd hebbende laten verloopen, vroeg hij Camma ten huwelijk en wist haar bloedmagen op zijn hand te krijgen, die nu krachtig bij de weduwe aandrongen, dat zij de goede partij, die zich voordeed, niet zou afslaan. Camma, van hare zijde, maakte wel eenige zwarigheden; doch gaf eindelijk toe en de dag voor het huwelijk werd bepaald. Toen die gekomen was, begaf zij zich met Sinorix naar den tempel van Diana, wier priesteres zij was, en daar een weinig van een drank, dien zij bereid had, op 't altaar geplengd hebbende, dronk zij er een gedeelte van en gaf de rest aan Sinorix. Naauwlijks had hij gedronken, of, zich tot de Godin wendende, zeide zij: "Ik neem u tot getuige, dat, zoo ik mijn gemaal overleefd heb, het alleen geweest is om zijn dood te wreken. Wat u betreft, Sinorix! boosaardigste aller menschen, geef last dat men, in plaats van een huwlijksfeest, u een graf bereide." Hij stierf nog denzelfden dag aan 't vergif, dat in den drank gemengd was, en zij den dag daarna.

Koenraad III, die in 1138 tot Roomsch-Keizer gekozen was, belegerde de kleine stad Wijnsberg, waarin de Hertog van Wurtenberg, die tegen zijn verkiezing geijverd had, was opgesloten. Lang had deze zich wakker verdedigd, doch zag eindelijk zich genoodzaakt zich aan de genade of ongenade des Keizers over te geven. Koenraad, die fel op hem gebeten was, wilde alles te vuur en te zwaard verdelgen; doch schonk genade aan de vrouwen, aan welke hij vergunde, de stad te verlaten, en met zich mede te dragen al datgene waar zij den meesten prijs op stelden. Maar niet weinig vreemd stond hij te kijken, toen hij de Wijnbergsche vrouwen, met de Hertogin aan 't hoofd, de poort zag uitkomen, ieder met haar man op den rug. Hij had zijn woord gegeven, en, getroffen door de kloekheid en huwlijkstrouw, waarmede de vrouwen hem verschalkt hadden, schonk hij aan de stad volledige genade.

In 't begin der 17de eeuw waagde Karel Emmanuel, Hertog van Savooien, een aanslag op Geneve, 't welk hij bij nacht poogde te verrassen. De uitkomst beantwoordde niet aan zijn verwachting; er werd alarm gegeven toen nog maar een klein deel zijner soldaten den buitenwal beklommen had; de burgerij vloog te wapen, en de vijand werd met groot verlies teruggeslagen, terwijl de gevangenen, die men op hen maakte, tot een schandelijken dood werden gedoemd. Onder deze laatsten bevond zich een officier van rang. De vrouw van dezen, van het gebeurde onderricht, snelt naar Geneve en vraagt vergunning, haar man voor 't laatst te omhelzen. Men weigert haar die en de officier wordt gehangen zonder dat zij getuige zijn mag van zijn dood. Nu volgt zij het lijk naar de plaats, waar het wordt ten toon gesteld. Zij zet zich neder tegenover die treurige overblijfselen en blijft daar zitten zonder eenig voedsel te willen nemen of haar oogen van dat akelige schouwspel af te wenden, en het was in dezen toestand, dat de dood een einde kwam maken aan haar rouw.

Talrijk zijn de voorbeelden van vrouwen, die schier op gelijke wijze haar man uit de gevangenis verlosten. Bij ons was het die van den leeraar Dominicus Sapma. Deze was in het begin der 17de eeuw, wegens zijn Arminiaansche gevoelens, in het tuchthuis te Amsterdam gezet. Daar kwam zijn vrouw hem bezoeken, met een dikken doek over 't gezicht en zware kiespijn voorwendende. Bij haar man toegelaten, beduidde zij hem, met haar van kleederen te verwisselen, en zoo kwam hij, even zeer den doek voor 't gezicht houdende, de gevangenis uit en bij vrienden, die hem een goed heenkomen bezorgden.

Het tweede voorbeeld is van Lady Nithsdale, wier man in 1716 ter dood veroordeeld was wegens deelneming aan eedgespan, dat Jacobus II weder op den Engelschen troon zou helpen. Hij zou, met anderen van zijn partij, den 16den Maart worden onthoofd, doch werd gered door zijn vrouw, die, bij hem toegelaten om hem een laatst vaarwel te zeggen, hem hare kleederen aantrok, waarmede hij, gaande tusschen twee dienstmaagden in, met den zakdoek voor 't gelaat als iemand die van droefheid overmand is, den Tower uitkwam en, in het rijtuig gestapt, dat haar daar gebracht had, terstond naar den Teems reed, waar een boot hem wachtte, die boot bracht hem aan boord van een schip, dat zeilrêe lag en hem behouden naar Frankrijk voerde. Den volgenden morgen trad een geestelijke den kerker binnen om den gevangene ter dood te bereiden en keek niet weinig verbaasd op, een vrouw in plaats van een man te vinden. De Luitenant van den Tower, bericht van het gebeurde ten Hove gezonden en tevens gevraagd hebbende, wat hij met die vrouw zou doen, kreeg in last, haar in vrijheid te stellen: doch zij weigerde den Tower te verlaten eer zij kleeren had die haar voegden. Zij werd spoedig daarna, in Frankrijk, met haar man vereend.

Dezelfde list bezigde, in 1815, Mevrouw de La Valette, om haar man te verlossen, die, even als de Maarschalk Ney, de zijde van Napoleon, bij diens terugkomst uit Elba, gekozen had. Een paar bijzonderheden, die zijn ontkoming vergezelden en niet algemeen bekend zijn, heb ik uit den mond van den oud-Referendaris van de kamer der Pairs, den eerwaardigen Pasquier. Toen La Valette in 't gewaad zijner vrouw buiten de deur kwam, was de koetsier van den fiacre, die haar gebracht had, niet te vinden. De man zat in de kroeg en was stom dronken. Opschudding te maken zou tot ontdekking geleid hebben, en de vluchteling zag zich dus wel genoodzaakt te loopen tot de eerste plaats, waar hij gelegenheid vond om een rijtuig te bekomen. Doch nu was 't zaak een veilige schuilplaats voor hem te vinden, en daartoe waagde de vriend van La Valette, die hem verzelde, een stouten stap. Hij reed met hem naar de vrouw van den Minister van Buitenlandsche Zaken, maakte, na haar, die zeer bevriend was met Mevrouw de La Valette, wat gepolst te hebben, haar bekend, wie met hem in 't rijtuig gekomen was en bewoog haar tot diens redding mede te werken. En zoo bleef La Valette onderscheidene dagen, en terwijl men overal door geheel Frankrijk zijn spoor zocht en de Minister van Buitenlandsche Zaken ook naar 't buitenland schreef om hem te doen zoeken, op een bovenzolder van het Hôtel dienszelfden Ministers verborgen. Eerst toen men 't zoeken opgaf en hem reeds buiten 's lands waande, verliet hij zijn schuilplaats en werd hij uit Parijs en over de grenzen geholpen.

* * * * *

~Kinderliefde.~--De vrouw van een edelen Venetiaan, haar eenigen zoon verloren hebbende, was ter prooi aan de bitterste droefheid. Een Geestelijke trachtte haar vertroosting aan te bieden. "Herinner u", zeide hij, "hoe Abraham willig gehoorzaamde, toen God hem bevolen had zijn eenigen zoon, zijn lieveling, te offeren,"--"Ach!" riep zij uit, "eerwaarde Vader!--nooit zou God zulk een offer van een moeder gevergd hebben!"

* * * * *

~Kluchtige zetten in 't uiterste.~--Een man, die naar de galg geleid werd, verzocht, dat men hem niet door zekere straat zou voeren, die hij noemde: "want," zei hij, "daar woont een koopman, die geld van mij te vorderen heeft en mij soms bij de kladden mocht krijgen."

Een ander verzocht onder weg aan den beul, hem niet met de vingers aan den hals te raken: "ik kan geen kittelen verdragen," zei hij, "en mocht eens beginnen te lachen, wat bij zoo'n deftige plechtigheid kwalijk zou voegen."

Een ander werd naar een galg gevoerd, die op een berg stond. Zijn biechtvader hield hem onderweg op allerlei wijze het geluk voor, dat hem in de andere wereld zou te beurt vallen. Dit verveelde den gevonnisde, die liever in 't leven had gebleven. Juist kwamen zij op een plaats, waar het pad langs een steilen afgrond liep, toen de Pater, om hem te bemoedigen, hem vertelde, dat hij dien avond het maal zou gebruiken in 't hemelsche paradijs. "Ga dan vooruit, en zet den wijn in 't koelvat," zei de boef, en gaf den Geestelijke een stomp, dat deze in den afgrond tuimelde.

Een ander, even voor de strafoefening te drinken gevraagd hebbende, weigerde een glas bier, dat hem werd aangeboden, zeggende gehoord te hebben, dat men van bier 't graveel bekomt.

Het was voorheen op vele plaatsen de gewoonte, dat, wanneer een meisje zich aanbood om een ter dood veroordeelde tot man te nemen, zij hem vrij kreeg van 't schavot. Dit gebeurde eens in Denemarken; doch de patiënt, bespeurende, dat de schoone, die hem 't leven redden kwam, een weinig kwalijk ging, zei tot den beul: "sla mij den strop maar om: 't is een mankpoot."

* * * * *