Vermakelijke anekdoten, en historische herinneringen
Part 2
In den oorlog, die in de 16de eeuw tusschen Keizer Ferdinand en de weduwe van Johannes, Koning van Hongarije gevoerd werd, was een Duitsch krijgsknecht bij de bestorming van Bude gesneuveld, na de meest treffende wapenfeiten te hebben verricht. De Heer van Reisach, een van 's Keizers bevelhebbers, was inzonderheid getroffen geworden over 's mans kloeke daden en haastte zich, toen 't lijk teruggevoerd werd, er op af te gaan om te zien, wie die dappere wezen mocht. Toen de helm was afgenomen, herkende hij zijn zoon. Al de omstanders gevoelden zich bij deze ontmoeting tot tranen toe bewogen; hij alleen bleef stokstijf, en zonder dat een trek op zijn gelaat zich verroerde, op het lijk zijns lievelings staren, totdat de smart zijn levensgeest verwonnen had en hij hartsteek dood nederviel.
Over 't algemeen is niet alleen de diepe droefheid, maar ieder gevoel, dat ons geheel vermeestert, buiten staat om zich met woorden of uiterlijke teekenen lucht te geven. Maar daarom dan ook is die toestand hoogst gevaarlijk en kan bij hem, die een groote vreugde smaakt, of bij hem, wien een bittere ramp treft, plotselinge onmacht, ja den dood veroorzaken. Een Romeinsche moeder stierf van blijdschap toen zij, na den slag bij Cannae, haar zoon, dien zij gesneuveld waande, levend terug zag: Sofokles en Dionysius de Oude stierven insgelijks van vreugd: en zoo ook de Romeinsche Pretor Talva, toen hij in Korsika vernam welke eer de Senaat besloten had hem te bewijzen. Paus Leo X was zoo in zijn schik toen hij de inneming van Milaan vernam, waar hij zeer naar verlangd had, dat hij er de koorts van kreeg, die hem ten grave sleepte.
En hoe zelfs verregaande spijt iemand kan doen sterven, wordt ons bewezen door het voorbeeld van den redekunstenaar Diodorus, die zoo overweldigd werd door een gevoel van schaamte, omdat hij bij een openbare les niet in staat was geweest een bewijsgrond, dien men tegen hem had aangevoerd, naar eisch te wederleggen, dat hij er een beroerte van kreeg, aan welke hij overleed.
* * * * *
~Dieren.~--Is men den menschen rechtvaardigheid schuldig, men is goedwilligheid schuldig aan de dieren, inzonderheid denzulken, aan wie ons een band van wederkeerige verplichting hecht, en velen, die zich Kristenen noemen, mogen zich schamen voor de Turken, die aalmoezen en gasthuizen voor dieren over hebben.
De Romeinen hadden een bijzondere zorg voor de ganzen, door wie, volgens de overlevering, het Kapitool behouden was gebleven.
De Atheners gelastten, dat de muilezels, die gediend hadden bij den arbeid aan den tempel, Hecatompedom genaamd, voortaan vrij zouden wezen en overal ongestoord mochten grazen.
Bij de Agrigentijners was het de gewoonte, de dieren, die hun lief geweest waren, als, bij uitstek fraaie paarden, honden, vogels of andere dieren, die zich door waakzaamheid, nut of trouw hadden onderscheiden, ja zelfs, die alleen den huisgenooten tot een genoeglijk tijdverdrijf hadden gestrekt, na hun dood op plechtige wijze te begraven, en de weelderige pracht, die zij in alle dingen ten toon spreidden, blonk evenzeer aan de gedenksteenen, die zij bij zulke gelegenheden oprichtten en die nog eeuwen lang der stad tot cieraad geweest zijn.
Plutarchus maakte er een gewetensbezwaar van, een trek-os, die hem jaren lang had dienst gedaan, om een klein voordeel aan den slachter te verkoopen.
Een Syriër bezat een olifant, wiens oppasser aan 't arme dier dagelijks de helft onthield van de gerst, die er voor bestemd werd. Eens gebeurde 't, dat de meester zelf aan den olifant zijn rantsoen kwam geven en dan ook de volle maat gerst in de etenstrog uitstortte; waarop de olifant, na zijn oppasser schuins te hebben aangezien, met zijn snuit de helft van het hem toebedeelde afscheidde en ter zijde stelde, daarmede het onrecht aan den dag brengende, dat hem gedaan werd.
Een ander olifant had een oppasser, die insgelijks zich te zijnen koste verrijken wilde en een gedeelte van zijn rantsoen terughield, het ontbrekende met steenen aanvullende. De olifant echter betaalde hem met gelijke munt, want op een dag naderde hij het vuur, waar het middagmaal bij gekookt werd, lichtte het deksel van den pot en vulde dezen met asch.
Hyrkaw, de hond van Koning Lysimachus, wilde na diens dood het bed zijns meesters niet verlaten en weigerde alle spijs en drank; toen het lijk plechtig verbrand werd, liep hij het na, en wierp zich in de vlammen.
Een gelijke trouw bewezen de windhonden van Graaf Floris V van Holland, die na dat hun meester door Velzen en zijn eedgenooten was omgebracht, bij het lijk bleven, het verzelden naar Alkmaar, waar het begraven werd, zich op de grafzerk nedervlijden en er den hongerdood stierven.
De geschiedenis levert meer dan één voorbeeld van honden, die den moordenaar van hun meester aan den dag brachten. Koning Pyrrhus, een hond ontmoetende, die bij het lijk van een verslagene de wacht hield, en vernemende dat hij zulks reeds drie dagen gedaan had, gelastte dat men het lichaam begraven zou en nam den hond met zich mede. Eenige dagen later hield hij een groote wapenschouw, bij welke gelegenheid de hond, zijns meesters moordenaars ontdekkende, plotseling op hen aanviel, met hevig geblaf en groot betoon van woede, hierdoor het eerst leidende tot een vermoeden, dat, door een nader onderzoek bevestigd, de straf der schuldigen ten gevolge had.
Een hond, die de wacht had bij een tempel te Athene, een dief bemerkende, die bij nacht de schatten daaruit roofde, blafte hem wel aan, doch zonder dat de kerkbewaarder ontwaakte; waarom het dier besloot den dief te volgen, 't geen hij echter niet dan op een afstand deed. Zoo bleef hij hem bij tot aan de stad Kromyon, waar de kerkbewaarders, die, én den schat én den hond missende, en vernomen hebbende dat men dezen laatste onder weg gezien had, ook eerlang aankwamen, en nu den dief, hun door het schrandere dier aangewezen, deden vatten en medevoerden. De rechters, dezen dienst van den hond willende erkennen, gelastten dat hem uit de openbare kassen jaarlijks een zekere hoeveelheid koren zou worden verstrekt, en bevolen den priesters aan, zorg voor hem te dragen.
* * * * *
~Drift.~--Montaigne vertelt, hoe een zijner kennissen, die een martelaar was van de jicht, en wien het gebruik van gerookt en gezouten vleesch verboden was, weigerde dit na te laten en voor die weigering de navolgende kluchtige reden gaf, namelijk, dat als hij hevige pijnen leed, hij er iemand over moest kunnen doorhalen, en dat het hem verlichting schonk, wanneer hij nu eens op den ham, dan op de worst, dan weder op 't rookvleesch kon vloeken.
En inderdaad, even als wanneer onze arm is opgeheven om te treffen, het ons een hinderlijk gevoel geeft als die niets dan ijdele lucht ontmoet, even zoo heeft de ziel behoefte om, als deze of gene drift haar beroert, een voorwerp te vinden, waaraan zij die kan koelen. Hieraan schrijft dan ook Plutarchus het zwak toe, dat sommigen hebben voor schoothondjes, apen of papegaaien: "Het beminnend beginsel," zegt hij, "dat in ons leeft, geen wettig voorwerp vindende, waar 't zich aan hechten kan, hecht zich aan dwaze en ijdele voorwerpen." En liever fopt de ziel, als zij door drift geslingerd wordt, zich zelve door zich een versierd en fantastisch beeld te scheppen, waar 't die drift op bot viert, dan dat zij die op niets zou verspillen. Op gelijke wijze bijten de dieren in den steen of in het ijzer, dat hen gekwetst heeft, of wreken zich op zichzelven over de smart, die zij gevoelen.
Xerxes liet, toen hij een zeeslag verloren had, den Hellespont met geesels slaan en zond een uitdaging aan den berg Athos. Cyrus hield zijn leger verscheidene dagen op om zich op de rivier van Gyndus te wreken over de vrees, die hem de overtocht daarvan veroorzaakt had. Keizer Augustus, door een storm op zee overvallen, liet uit wraak het beeld van den zeegod Neptunus van zijn plaats nemen. De Thraciërs plachten als 't onweêrde, de wolken met pijlen te beschieten. Bij de Joden, en ook bij andere oudere en nieuwere volkeren, trokken zij, die een verlies geleden hadden, zich de haren uit het hoofd of krabden zich de borst open, alsof hun dit het verlorene terug zou bezorgen.--Maar nog ziet men er genoeg, die, als zij bij 't spel verloren hebben, of op anderen grond verstoord zijn, zich de vuisten op de tafel aan bloed slaan, of zich de nagels afbijten, of zich wreken op de kaarten of dobbelsteenen: en helpt het middel niet om het geledene te herstellen, het heeft toch doorgaans ten gevolge, dat zij er weder tot kalmte en bezinning door geraken.
* * * * *
~Dronkenschap.~--Toen men aan Cimber, die zich niet zelden aan drank te buiten ging, de vraag stelde deel te nemen aan het eedgenootschap tegen Cezar, en eenigen twijfel aan den dag legde met betrekking tot zijn gevoelens te dien aanzien, antwoordde hij vrij kluchtig: "Zou ik een dwingeland verdragen? ik kan naauwlijks den wijn verdragen."
Vooral in de vorige eeuwen gingen de Duitsche soldaten spreekwoordelijk voor dronkaards door; doch dan konden toch de meer sobere Franschen niet nalaten, met verbazing te erkennen, dat zij, in weêrwil van hun dronkenschap, zich toch nimmer vergisten als 't hun kwartier, hun plaats in 't gelid, het wachtwoord, enz., betrof--en, dat zij er niet te minder om vochten.
Toen Artaxerxes en zijn broeder Cyrus naar den Persischen troon dongen, voerde de eerste, onder andere verdiensten, welke hij boven zijn broeder bezat, ook deze aan, dat hij vrij wat beter drinken kon dan Artaxerxes.
Sylvius, in de 16de eeuw een beroemd geneesheer te Parijs, placht te zeggen, dat men over 't geheel een matigen leefregel houden moet, doch zich eens in de maand een roes drinken, om de zenuwen der maag levendig te houden en te voorkomen dat zij verdooven.
Omtrent hetzelfde voorschrift gaf Boerhave; doch reeds had Plato, ofschoon verbiedende dat iemand vóór zijn 18de jaar wijn gebruikte of zich vóór zijn 40ste een roes dronk, aan hen die de veertig te boven waren, den raad gegeven, den wijngod met kracht te vieren.
* * * * *
~Eenvoudigheid van zeden.~--Men verhaalt, dat Attilius Regulus, die 't Romeinsche leger in Afrika aanvoerde, te midden van zijn glorierijke overwinningen, een brief aan den Senaat schreef, meldende dat de bouwknecht, die 't bestuur had over de zeven morgen lands, welke hij bezat en die al zijn rijkdom uitmaakten, was weggeloopen, al 't bouwgereedschap met zich nemende, en dat hij nu verlof verzocht om t' huis te keeren en orde op zijn zaken te stellen, eer zijn vrouw en kinderen grooter schade leden. De Senaat verleende het verlof niet, doch stelde iemand aan om den bouwknecht te vervangen, liet nieuw bouwgereedschap op het landgoed brengen ter vervanging van het vermiste, en gelastte dat de vrouw en kinderen van Regulus uit de openbare kas zouden onderhouden worden.
* * * * *
~Etikette.~--Koningin Margaretha van Navarre stelde als algemeenen regel, dat wie een gast bij zich verwachtte, moest zorgen bij diens aankomst t' huis te zijn, en dat zelfs zij te misprijzen waren, die het beleefder achtten een aanzienlijke personaadje, die hen bezoeken kwam, te gemoet te gaan; want dan kon 't gebeuren, dat men elkander misliep:--iets anders was het, zulk eenen uitgeleide te doen.
Evenzeer is het een vaste regel, dat op een samenkomst de minste in rang zich het eerst ter plaatse bevinde.
Toch werd die regel dikwijls op andere wijze gesteld, waar 't Gekroonde Hoofden gold. Toen in 1533, Paus Klemens VII een bijeenkomst te Marseille zou houden met Frans I, kwam de Koning wel 't eerst aldaar aan om de noodige toebereidselen te maken, doch verwijderde zich toen uit de stad, ten einde den Paus gedurende een paar dagen gelegenheid te laten om zich te ververschen en op zijn gemak te stellen. Evenzoo toen een jaar te voren dezelfde Paus te Bononiën met Karel V bijeen zou komen, kwam deze laatste eerst na hem in die plaats. En beide reizen verdedigde men zijne handelwijze met te beweeren, dat de voornaamste personaadje altijd ondersteld wordt de minderen bij zich te ontvangen, en dat het niet den schijn moet hebben dat hij hen, wèl dat zij hem komen opzoeken.
Toen Paus Pius VII in Frankrijk kwam om Napoleon tot Keizer te wijden, baarde de moeilijke vraag, hoe en waar hij ontvangen zou worden, niet weinig stof tot gesprekken en gissingen aan 's Keizers hof, en al hetgeen door de etikette voorheen was voorgeschreven en nagevolgd, werd bij die gelegenheid opgehaald. Napoleon, die toen reeds besloten had, niemand boven zich te erkennen, had reeds een middel gevonden, waar niemand op bedacht was geweest en waardoor hij elk ceremoniëel bezwaar voorkwam. Hij wist, op welk uur de Paus op zijn reis naar Parijs door 't woud van Fontainebleau zou komen, en hij zorgde ter juister tijd den grooten weg op en hem te gemoet te rijden. De postiljons van den Paus en de kamerheer, die hem vergezelde, hadden hun instructiën; toen de twee rijtuigen elkander tegenkwamen, hielden beiden stil, de portieren vlogen open: Napoleon sprong zijn rijtuig uit, de Paus werd uit het zijne geholpen, en de Keizer, zonder verdere plichtplegingen op den Kerkvoogd toegetreden, omhelsde hem en wandelde een eind met hem voort.
* * * * *
~Gebrek aan onderzoek.~--Indien men, alvorens over de oorzaak van een feit te redetwisten, zich verzekerde of het feit zelf waar was, zou men, zegt Fontenelle, zich niet belachlijk maken door de oorzaak te vinden van iets dat niet bestaat: en hij haalt, om aan zijn gezegde klem bij te zetten, de navolgende vertelling aan. In 1593 liep het gerucht dat een zevenjarig kind, in Sileziën, bij het wisselen zijner tandjes, een gouden tand had gekregen. Horstius, professor in de geneeskunde aan de Universiteit te Helmstad, schreef hierop in 1595 de geschiedenis van dezen tand en beweerde, dat men hier deels aan een natuurspeling, deels aan een mirakel te denken had, en dat die tand door God aan het kind gezonden was om de Kristenen te troosten over hetgeen zij van de Turken te lijden hadden. 't Was zeker een vreemde soort van troost en niet minder vreemd het verband tusschen dien tand en den oorlog met de Turken. In 't zelfde jaar, en opdat het den tand aan geen verslaggevers ontbreken zou, schreef Rullandus er nogmaals de geschiedenis van. Twee jaar later schreef een ander geleerde, Ingostenes, tegen het gevoelen, dat Rullandus over den tand had geüit, en Rullandus gaf spoedig daarna een heel fraai en geleerd tegenschrift uit. Een ander beroemd man, Libavius, samelde alles bijeen wat over den tand gezegd was, en voegde er zijn eigen meening bij.--Nu had men bij dit alles maar één ding vergeten, namelijk te onderzoeken of de tand werkelijk van goud was. Een goudsmid werd hiermede belast, en ziet, het kwam uit, dat de tand eenvoudig met wat bladgoud was overdekt;--maar men schreef eerst boeken en toen ging men den goudsmid halen.
* * * * *
~Geleerdheid.~--De beroemde Elias Annes Borger kreeg op zekeren dag zijn turfschipper bij zich, die zijn verbazing uitdrukte, dat iemand zich zoo aanhoudend kon bezig houden met op oude letters te turen. "Ja," zeide Borger, "ieder heeft zoo zijn liefhebberij en zijn vak. Mij zou dat heen en weêr trekken in een tjalk niet bevallen, en daar-en-tegen heb ik de studie lief, en hoe moeielijker, hoe meer zij den geest prikkelt. Zoo heb je hier een woord, waar ik al veertien dagen op zit te turen, zonder dat ik het raden kan. Zie, 't is een Kaldeeuwsch woord, en stonden hier nu drie puntjes, dan zou ik het terstond kunnen verklaren; doch er staan er vier, en nu weet ik er niets van te maken."--De turfschipper bekeek het handschrift, en wel met zoo veel aandacht, als ware hij een professor in de Oostersche talen geweest. Op eenmaal riep hij uit: "dat eene is geen punt, 't is een muggesch...je."--Borger keek nogmaals toe, hield het handschrift vlak tegen 't licht, en erkende dat de turfschipper gelijk had en de moeilijkheden in 't Kaldeeuwsch beter kon ophelderen dan hij zelf.
* * * * *
~Genade en wreedheid.~--De meest gewone wijze, waarop men het hart vermurwt van dengene, dien men beleedigd heeft en die de macht in handen heeft om zich te wreken, is door smeeking en verootmoediging; toch vindt men ook voorbeelden, dat onversaagde stoutheid tot een even gelukkige uitkomst leidde. Bij gelegenheid, dat Eduard, Prins van Wallis, dezelfde, die bij de Engelschen gewoonlijk onder den naam van "de Zwarte Prins" bekend is, zijn zegevierende wapenen in Frankrijk gevoerd en aldaar o. a. de provincie Guienne had veroverd, had hij zich zwaar beleedigd gevoeld door de inwoners van Limoges en was daarom met zijn krijgsmacht naar die stad getrokken, welke, na een hardnekkigen tegenstand, voor zijn wapenen moest bukken. Ofschoon Eduard anders een grootmoedig en menschlievend vorst was, schijnt hij deze reis buitengewoon verbitterd te zijn geweest; althans hij gaf, naar het toenmalige krijgsgebruik, de stad aan de woede zijner soldaten ten prooi. Geen gejammer van vrouwen en kinderen, die zich voor zijn voeten wierpen en genade smeekten, was in staat, hem te bewegen, en de moord ging zijn gang, tot dat hij, altijd verder de stad binnentrekkende, drie edellieden gewaar werd, die met ongeloofelijke stoutmoedigheid den aandrang der Engelsche benden bleven trotseeren. Hun kloekheid boezemde hem eerbied in: zijn gramschap week: hij gelastte dat men hen zou sparen, en met hen al de overige ingezetenen.
Iets dergelijks wordt verhaald van Scander-Bey, den vermaarden Vorst der Epiroten. Deze vervolgde met opgeheven sabel een soldaat, die zich misgrepen had. Vruchteloos was 't of de arme drommel om genade riep; zijn smeekingen schenen zijn vergramden meester slechts te meer in toorn te ontsteken: eindelijk, geen uitkomst meer wetende, keert de vluchteling zich om, trekt zijn zwaard en stelt zich in postuur om weerstand te bieden. Die kloekheid perste Scander-Bey, die reuzekrachten bezat en wien het geen moeite zou gekost hebben, zijn tegenstander met één houw neder te vellen, een lach af; zijn drift was geweken en hij schonk den man vergiffenis.
Een ander bewijs, dat stoutmoedigheid somtijds een beter uitwerking heeft dan gedweeheid, levert de Thebaansche Geschiedenis. Epaminondas en Pelopidas, de twee helden, aan wie Theben haar vrijheid dankte, hadden in 't belang der stad hun bevelhebbersambt eenige dagen langer waargenomen dan de wet veroorloofde, en waren deswegens in staat van beschuldiging gesteld. Pelopidas, die onder het wicht dier beschuldiging gebogen ging en 't volk door smeekingen trachtte te vermurwen, ontkwam niet dan ter nauwernood een banvonnis. Epaminondas daar-en-tegen voerde een hoogen toon, en, de groote daden ophalende, door hem verricht, voer hij heftig tegen zijn beschuldigers uit en schilderde hunne ondankbaarheid met zoo treffende kleuren, dat het volk niet eens verkoos tot de stemming over te gaan, maar hem als in zegepraal naar zijn woning terugvoerde.
Intusschen, wat bij den eenen ten goede werkt kan bij den anderen zeer verkeerd werken. Pompejus schonk vergiffenis aan de Mamertijnen, op wie hij zeer gebeten was, en zulks alleen uit eerbied voor de grootmoedigheid van hun stadgenoot Zeno, die de algemeene schuld voor zijne rekening wilde nemen en ootmoedig gebeden had, de straf voor allen te dragen; terwijl de gastheer van Sylla, die in de stad Perusium een dergelijk edelaardig deugdbetoon had gegeven, er niets bij won, noch voor zich, noch voor de overigen.--Ook hangt er veel in dergelijke gevallen van iemands gemoedsstemming af. Talrijk zijn de blijken van edelmoedigheid, door Alexander den Groote gegeven. Men weet, hoe welwillend en edel hij zich gedroeg jegens het gezin van den overwonnen Darius; men weet, dat, toen hij aan den Indischen Vorst Porus gevraagd had, hoe hij hem behandelen moest, en tot antwoord had bekomen: "als een Koning," hij hem werkelijk een koninklijke behandeling heeft aangedaan. En toch zag diezelfde Alexander met onverschillig oog de slachting aan, op zijn last in Theben aangericht, waar ruim zes duizend strijdbare mannen door 't zwaard vielen, die allen onverschrokken den dood trotseerden, zonder dat hun moedig sterven in 't minst zijn hart kon bewegen. Een geheelen dag duurde de moord, en het zwaard keerde niet in de schede dan toen er geen droppel bloeds meer te vergieten viel en er niets overbleven dan grijsaards, vrouwen en kinderen, die tot slavernij gedoemd werden.
Nog gruwzamer was de behandeling, die hij Betis deed ondergaan. Deze had de stad Gaza kloekmoedig tegen hem verdedigd, en, toen die toch ingenomen werd, zich, ofschoon van de zijnen verlaten en met wonden en bloed overdekt, nog tot het uiterste verweerd tegen de Macedonische krijgsknechten. Eindelijk door hen overmand zijnde, werd hij voor Alexander gebracht, die, wrevelig over den duren prijs, dien hem de overwinning gekost had--hij zelf o. a. had twee wonden ontvangen--hem toevoegde: "Betis, wees verzekerd, dat gij niet zult sterven op zoodanige wijze als gij wel gewenscht hadt; maar al de kwellingen verduren, die tegen een gevangene in 't werk gesteld kunnen worden."--Kalm en zwijgend niet alleen, maar met trotsche houding en blik hoorde Betis die bedreiging aan. "Heeft hij geen knie gebogen?" vroeg Alexander, langs hoe meer vergramd: "is hem geen enkel woord van deemoed ontvallen? Voorwaar, ik zal zijn stilzwijgendheid overwinnen, en kan ik hem geen woord, dan zal ik hem voor 't minst een jammerklacht afpersen." En meteen gelastte hij, dat men Betis de hielen zou doorboren, en liet hij hem alzoo achter aan een kar gebonden, om de wallen slepen, op gelijke wijze als dit met Hektor op bevel van Achilles had plaats gehad.--Was het hier bloote navolgingszucht van Achilles, die hem tot zulk een wreedheid dreef? of kon hij niet dulden, dat een ander hem in onverschrokkenheid evenaarde?
* * * * *
~Gevatheid.~--Diagoras van Melos, die te Athenen de wijsbegeerte had beoefend, was een verachter der Goden en had daarom den bijnaam gekregen van "de Atheïst." Eens dat hij een tempel in Samothraciën bezocht, wees hem de bewaarder een aantal _ex voto's_ en schilderijen, daarin opgehangen door geredde schipbreukelingen. "Zult gij," vroeg de man, "nu nog zeggen, dat de Goden zich de menschelijke zaken niet aantrekken? Gij ziet, hoe velen door hun genadigen bijstand gered werden?"--"Jammer," antwoordde Diagoras, "dat men hier ook niet de afbeeldingen heeft van hen, die de Goden hebben laten verdrinken: dat getal zou nog vrij wat ruimer zijn geweest."
Een vader prees zijn zoon het heilzame aan van vroeg op te staan. "Er was een man," zeide hij, "die, vroeg op den weg zijnde, aldaar een goudbeurs vond."--"Maar, vader," zei de knaap: "de man, die de beurs verloren had, was dan toch nog vroeger op geweest."