Verloving en Huwelijk in vroeger dagen

Part 9

Chapter 93,641 wordsPublic domain

Op Terschelling viel de magistraat de doopsgezinden lastig over hunne huwelijksinzegening, maar Gedeputeerde Staten van Friesland stelden hen in 't gelijk (19 Juni 1623), zoodat zij op dat eiland schijnen te hebben mogen doen, wat elders ongeoorloofd was, gelijk nog eens, in 1676, door acte van een Harlingschen notaris, de geldigheid der doopsgezinde huwelijksinzegening wordt bekrachtigd, d. i. dus van de door een doopsgezind leeraar afgegeven attestatie. Het eene gewest, de eene stad begunstigde de doopsgezinden meer dan de andere, zoodat het aan sommige gemeenten vrijstond om de huwelijken in haar eigen vergadering te sluiten, maar dit aan andere weder werd geweigerd. Ook schijnen de doopsgezinden op Terschelling, na hunne inzegening, ten stadhuize ingeschreven te zijn geworden. Trouwens ook in Holland heerschte er te dezen opzichte nog geen vaste regel en vandaar klachten over moeielijkheden hun in den weg gelegd, wat toch vaak slechts gehoorzamen was aan eene ordonnantie.

* * * * *

Voor het katholieke deel der bevolking ontstonden er groote moeielijkheden uit de bepaling, dat geen huwelijk wettig zou zijn tenzij voor predikant of schepenen gesloten. Hier bracht wetsontduiking uitermate verwarde toestanden, toch al verward genoeg. Vooreerst kwam het voor, dat hervormden, om in verboden graad te kunnen trouwen of het consent der ouders niet kunnende erlangen, zich door pastoors lieten trouwen, in den waan nog bovendien, dat dit huwelijk wettig was.

In 's-Hertogenbosch kwam het voor, zooals de hervormde kerkeraad in 1632 aan de »militaire en de politijcke collegiën« klaagt, dat soldaten, die »met bossche vrouwspersonen comen te trouwen, gaen, om haere bruydts te gelieven eerst trouwen bij de papen ende comen daerna trouwen in de kercke«.

Het was noodig, al verder, te bepalen, dat al had iemand zijne geboden voor een priester laten gaan, hij toch in de hervormde kerk trouwen moest en dat (omgekeerd), al waren de proclamatiën bij predikant of magistraat gegaan, het huwelijk voor den priester nochtans onwettig was.

Eindelijk (het ligt voor de hand), bij de herhaalde wetsontduiking wat aangaat de sluiting zelve des huwelijks, werd er ook met andere voorschriften de hand gelicht, zoodat wij b.v. hooren klagen, dat de priesters in het markiezaat van Bergen op Zoom personen trouwen, die zij nooit zagen, zonder voorafgaande geboden, zonder oudrenconsent. De wetten, te dezen door H.H. Magistraten voor de generaliteitslanden gegeven, zijn mede een deel van hunne politiek tegen deze gewesten, die met harde hand, naar hun oordeel, moesten worden geregeerd.

Een plakkaat van 8 April 1644 verbood roomsche priesters, die nog in Brabant werden geduld, lieden in ondertrouw op te nemen, ook al zouden zij niet van plan zijn het huwelijk zelf te sluiten. Aan die van Hulst en Hulster-Ambacht gaven de Alg. Staten, 31 December 1647, nog eens expresselijk te kennen, dat, als zij buiten de publieke kerk wilden trouwen (want dit mochten zij overal) hun huwelijk, na drie voorafgaande Zondaagsche proclamatiën, bij klokslag te doen, moest worden voltrokken voor (een burgemeester met) twee schepenen en secretaris, terwijl elk ander huwelijk onwettig zou zijn.

In de landen van Overmaze (Valkenburg, Dalhem, 's-Hertogenrade) was 1632, na de verovering van Maastricht, de gereformeerde religie ingevoerd, tijdelijk onderbroken door de herovering in 1635. Na den Munsterschen vrede verbande de regeering »alle praetense geestelijke personen« en in 1656 maakte ook daar het Echtreglement het huwelijk politiek. Toen nu bij den vrede van Nijmegen in 1678 de uitoefening van den katholieken godsdienst werd toegestaan, waanden die van de landen van Overmaze, begrijpelijkerwijze, dat nu ook het huwelijk weêr kerkelijk was geworden, waan, waaraan toen eene resolutie van 21 Augustus 1683 een einde maakte.

Voorzoover de roomschen in de generaliteitslanden dicht genoeg bij de frontieren woonden, lieten zij de plechtigheden van huwelijk (en doop) over de grenzen geschieden. De anderen moesten zich onderwerpen en overtraden de wet, als zij konden.

Er is menig hard woord gezegd over deze en dergelijke maatregelen in de generaliteitslanden. Tot de geschiedkundige verklaring ervan bedenke men, dat de roomsche bevolking in de grenslanden voortdurend onbetrouwbaar bleek en groot gevaar opleverde voor de veiligheid der Republiek. Het ergste was, dat waar de schout ontbrak, het wettig huwelijk diende gesloten voor den predikant. Dit was hatelijk. »Nos pères«, zegt een hedendaagsch katholiek, »ont du se résigner alors à se faire marier devant le ministre protestant avant de se presenter devant leur curé. Ils durent passer du temple réformé à l'église catholique comme de nos jours on passe de la mairie à l'église«.

Ook hier worde weêr bedacht, dat deze predikanten louter optraden als ambtenaren van den burgerlijken stand, dat zij in dat opzicht orde hebben gebracht in de nu getrouw bijgehouden huwelijksregisters--en dat zij, in zoo vijandige omgeving en met zulk eene taak, ook niet voor hun genoegen in de wereld waren. Daarvan is eene geschiedenis als van ds. Paulus Arleboutius te Tilburg (1633), een uiterst leerzaam en tegelijk schilderachtig voorbeeld.

Eindelijk--het blijkt duidelijk, dat de katholieken toch ook de officiëele inschrijving wel op prijs stelden. In de Roermondsche trouwboeken (1632-1637, jaren, waarin die stad Staatsch was) komen de namen voor van tal van roomsche officieren: zij hebben daaraan als maatregel van burgerlijke wettigheid waarde gehecht.

Keeren wij thans tot het algemeene terug, dan rest ons nog te vermelden, dat niet zonder reden de kerk het trouwen voor den magistraat verdacht. Het staat zoo onschuldig in het trouwboek te Vianen op 20 Juli 1604: »Compareerden joncker Balthasar van der Vecht en jonckvrouwe Theodora van Weer en hebben, na voorgaande geboden, voor den stadhuyse alhier gedaen, malcanderen bij desen getrouwt ende beloeven de een den anderen nyet te verlaten volgens Godts inzetten. Actum voor Michiel van Riemsdijk en Willem Pijll, schepenen.« Dat »hebben malcanderen getrouwt« is (wij zagen het) naar het juiste beginsel. Maar overigens--Vianen had, zoomin als Kuylenburg, een goeden naam, het waren wel-aangename vluchthavens voor velerlei soort van avonturiers, die daar gemeenlijk vriendelijke herberg en hartelijke ontvangst vonden. De magistraat zag er niet zoo nauw, ook waar het een huwelijk gold.

En dit geldt waarlijk ook buiten Vianen. Het gelukte al te vaak eene overeenkomst te treffen, als het met verboden graden of getuigenissen van vrijigheid niet in orde was, en trouwlustigen, die wat op hun geweten hadden, konden voor klinkende munt al te lastig onderzoek afkoopen. Geldzucht (heeft Fruin eens gezegd) was de groote zonde van den tijd, en tal van schouten waren helaas omkoopbaar. Wat wonder, dat de predikanten, die op dit punt zuiver van wandel waren, dat trouwen voor den schout soms niet vertrouwden? Gelijk zij evenmin konden toestaan, dat wie anders wel in de kerk kwamen, op 't stadhuis trouwden: het was een »misbruijck der ordonnantie van de policye«.

Op den trouwdag werden de ringen veranderd. De vrijster draagt den (verlovings)ring aan den linkerringvinger, dikwijls ook aan den duim, na haar huwelijk aan rechtervinger of -duim. Zoo was het nog op 't einde der Republiek. Wij durven, om ons bestek, over trouwringen niet uitweiden, er zijn meesterwerken van kunst bij en sommige hebben een Europeeschen naam, zooals de »ring van Frangipani«, ± 1514, thans te Augsburg, met de ingegraveerde, bekoorlijke woorden »Myt wyllen dijn eygen«, ring, die misschien gedragen is door Christoffel, graaf van Frangipani bij zijn huwelijk met Apollonia von Wellenbrug en door H. Thode bezongen werd. Wie deze en enkele andere ringen wil afgebeeld zien, kan »Die Woche« 1913, S. 1913-1916 opslaan en er de toelichtingen van Willy Bauer bij lezen.

* * * * *

Wanneer nu aldus bruidegom en bruid zich elkander in huwelijk gegeven hadden volgens wet en gewoonte, wachtte thuis het bruiloftsmaal.

»Daer twee geliefden trouwen Met weêrzijds vrinden raad, Daer mag bij 't bruyloft houwen Wel zijn een blij gelaad...«,

zagen wij vroeger.

Bij aanzienlijken en gegoeden was de tafel prachtig versierd met bloemen, met slingers, met gekleurd zand ook kunstig bestrooid. De suikerbakkers wedijverden in het scheppen der kunstwerken, die den disch zouden versieren, jachtpartijen, zeeën met schepen, waranden met dieren, de Hof van Eden natuurlijk met Adam en Eva, welke laatste heerlijkheid Cats de vraag doet stellen:

»Waerom toch voor de bruyt een hof op tafel staat?«

wat hij dan beantwoordt met eene bespiegeling over Hooglied IV, 12: »Mijne zuster, o bruid, gij zijt een besloten hof, eene beslotene wel, eene verzegelde fontein,« volgens zijne en de theologie zijner dagen alles zinnebeeld van het huwelijk tusschen Christus en zijne kerk, in waarheid--dit gansche Hooglied--eene verzameling Oudoostersche bruiloftsliederen, in verheerlijking der zinnelijke liefde gelijk, aan wat in zijn eigen dagen nog aan het bruiloftsmaal gezongen werd. De tafel boog door onder den last der gerechten, tegen de weelde waarvan, tegen het aantal gasten en schotels, de overheid wel door keur bij keur optrad, maar zonder veel gevolg, al moest, te Groningen, de bruidegom zelf ten stadhuize onder eede komen verklaren, dat op zijn feest naar die keuren was gehandeld.

Maar de vaderen hadden gezonde magen (misschien zij het ons vergund te verwijzen, naar wat wij over hun eten en drinken schreven in »Het huiselijk en maatschappelijk leven onzer voorouders«, blz. 157-164) en op Susanna Huygens' bruiloft zaten de gasten vijf uren aan tafel te midden van »la senteur des viandes« en toen kon M. du Thou, de Fransche ambassadeur, het niet langer uithouden en moest noodig eens opstaan »pour se degourdir le jarret«. Ook de kerk heeft geijverd tegen den overdaad, de brasserijen en de verspilling bij de bruiloften, bij de schouten aangedrongen op maatregelen »om de ongeregeltheden, die in de landsbruyloften ommegaan te bekampen«. Dubbel erg dus, dat soms predikanten zelven het slechte voorbeeld gaven, zooals Franc. Pontanus, predikant te Odoorn, door »ongeregeltheiden, bi hem alhijr binnen Assen begangen als sijn bruloft gecelebreert werde« (1608).

[Illustratie: Het Boerenbruiloftsmaal (16e eeuw).

Naar Peter Brueghel den Oude.]

Van die bruiloftsliederen gesproken--gedicht en gezongen werd er bij het feest uit den treure. Huwelijken, klaagde reeds de groote hervormer Anastasius Veluanus (1554) »beginnen met gasterijen, onkuys dantssen und singen...« De gasten droegen de liederenboekjes bij zich, duodecimo-bundeltjes, vaak prachtig gebonden, met allersierlijkste slootjes en bevattende minne-, bruilofts- en drinkliederen op aangegeven wijs. De inhoud is zeer verscheiden, oude balladen en volksliederen, zooals het lied van de Soudaensdochter:

»Hoord toe al die vol liefde zijt, Het lust mijn geest te zingen...«

of »Het daghet in den Oosten«, of »Na Oostland wil ik vaaren«; dan verzen aan de beste dichters van den eigen tijd ontleend, soms deerlijk verminkt, goede en slechte, waarin onbeschroomd het mingenot bezongen wordt, dat zoo straks het bruidspaar wacht, of waarin de gasten tot zingen en kussen worden opgewekt, kussen, geen klein deel van der vaderen gulle bruiloftspret, »des coups de baiser«, zegt alweêr Huygens, »francs et bien appuyez, enfin baisers apostoliques et de bonne foy, qui firent un bruit dans la sale, comparable à celuy que les chartons d'Anvers et de Bruxelles font avec leurs fouets, quand quelque douzaine de charrettes enfile les premières rues«. Dan weer plotseling tusschen de dartelste minneliedjes in een geestelijk: »O kerstnacht schooner dan de dagen« of, zooals in het »Groot Hoorns liedeboeck« eene berijming van Spr. XXXI, eene rijmelarij uit het Hooglied:

»Wanneer zal hij mij kussen fijn, Zelfs met de kus zijns monds divijn..«

dan de psalmen 23, 33, 45, 100, 128 naar Datheen, het Onze Vader berijmd en (met doorloopende coupletten) het Ave Maria:

»Maria, vol van gratie, Uw name groeten wij Met groote jubilatie, Zoo is de Heer met dij..«

Deze liederen mag de lezer niet verwarren met de verzen, voor eene bepaalde bruiloft gedicht, door de grootsten onzer zangers of door de pooversten onzer poëtasters, de heerlijkste kunst dus of het ellendigst gerijmel, vrij uit het dichterlijk gemoed geweld of nagelbijtend op bestelling geleverd. Sommigen zijn gemeen, ook de beste dikwijls dartel, Vondel is af en toe van gloeienden hartstocht en bij Hooft slaat ook soms, zegt Kalff, »de vlam der gezonde zinnelijkheid uit«. Verbood ons bestek het ons niet, wij zouden gaarne van 't schoonste afschrijven, zooals van Vondel op de bruiloft van J. Linnich en Kathar. de Vries:

»Hoogste wijsheid, wiens beleid D'eeuwigheid Van het menschdom door het paren Handhaaft, en met volle vreugd Onze jeugd Zegent onder 't zoet vergaren...«

In deze liederen zijn, naar de mode van den tijd, Venus en Cupido de graag aangeroepen goden, die het genot der liefde smaken doen. Zijn er ten onzent ook geweest, die ze juist wilden weren als beschermers van de grofzinnelijke liefde, als in een bruiloftslied van Philip Sydney (1581):

»But thou, foul Cupid, sire to lawless lust, Be thou far hence with thy empoisoned dart, Which, though of glittering gold, shall here take rust, Where simple love, which chastness doth impart, Avoids thy hurtful art?«

In den loop der jaren werden de bruiloftszangen gekuischter, verzwegen de zangers, wat niet meer gezegd worden mocht, en in 1824 zingt Spandaw in een »Echtzang«:

»Gij wacht hier, bruidegom, geen dartle minnezangen, Geen cithertonen, waar Idalisch vuur in gloeit..«

Maar Bilderdijk kon zich niet weerhouden, bij de bruiloft van Pieter N. en Celia V., van woordspelingen als:

»Pietercelie, roem der hoven Ja gij watert ons den mond! Laat vrij Pieter Celie stoven Dat gerechtje is gezond.«

De vroegere, zeer openhartige zinspelingen op het te wachten kroost zijn op 't einde onzer periode geworden tot een »toast aan een bruiloftsdisch« (van C. G. Withuys):

»'k Breng een toast aan 't eerste wiegje, Bruidje bloos er maar niet om! 't Eerste wiegje is bij gehuwden Boven alles wellekom.«

Wil men zich over deze grooter ingetogenheid verheugen, het is ook waar, dat oudtijds onze liederen nog in den volksmond leefden, waaruit ze thans, helaas, verdwenen zijn. De dienstmaagd in Asselijns »Saartje Jansz. of de gewaande dienstmaagd« zingt onder den arbeid een bruiloftslied op Tromp:

»Tsa trompen en trompetten Blaas op een gouden toon, Nu Tromp de oorlogswetten Verlaat om Venus' zoon..«

Omdat bruiloftsverzen somtijds hatelijke, politieke toespelingen bevatten, stonden zij hier en daar onder censuur, welke taak te Groningen was opgedragen aan den... Rector magnificus der hoogeschool! Tegen het al te losse, het soms gemeene erin verzette zich al wat puriteinsch dacht onder de vaderen. Kan het Gode aangenaam zijn, vroegen zij, als men de beginselen des huwelijks zoekt in die ijdele, afgodische namen en grillen van Venus, Cupido en ander duivels gespuis? Wordt niet door zulke venusdichten eene ontuchtige manier van spreken ingevoerd en de jonge jeugd schrikkelijk afgetrokken in hare vrijagiën? Het was beter deze lichte en dartele galmen, deze venusjes en voddekens, dit »singen en lollen van lichtveerdige en onkuysche liedekens« te vervangen »door geestelijcke en stichtelijcke propoosten«. Het was slechts jammer, dat zij, zooals zoo dikwijls, reeds kwaad zagen, waar wezenlijk was onergerlijke blijdschap aan het leven en zijne volheid en dat zij, zooals ook vaak, met het badwater ook het kind uitgoten.

Jodocus van Lodenstein zat eens aan zekeren bruiloftsdisch en zorgde, dat men over tafel slechts hoorde »geestelijcke gezangen of gebeden of stichtelijcke redenen«. En toen Jacobus Arminius, toen nog predikant te Amsterdam, te Leiden de bruiloft vierde van Kuchlinus met zijne tante, voerde hij met zijn tafelbuurman, den uitnemenden hoogleeraar Franc. Junius, een druk gesprek over den val van Adam, de oorzaak, de manier waarop en de gevolgen van dien. Men kan niet nalaten te denken, dat dit toch wel het andere uiterste is.

Op eene bruiloft werden vertooningen gedaan en even natuurlijk, dat er gedanst werd, die bevallige, die statige dansen, die thans vergeten zijn. Ook tegen dit dansen heeft de kerk zich altijd verzet, wederom zonder eenig onderscheid te maken tusschen het wezenlijk wulpsche en gemeene èn het sierlijke, losse, gracelijke van den onergerlijken dans. Eens is gansch Groningen in rep en roer geweest, omdat een ouderling op de bruiloft zijner dochter, het was in 1772, het gewaagd had met zijne dame en het jonge paar een menuet te dansen. Betje Wolff heeft het schrikkelijke geval vereeuwigd in haar gedicht: »De menuet en de domineespruik«. Bij boerebruiloften was het dansen zeker niet altijd los en bevallig: wie den »Boerenbruiloftsdans« van Pieter Brueghel (den vader, gest. 1569) ziet, kan daaromtrent geene groote verwachtingen koesteren.

Maar thans--na een poos dansens--komt het oogenblik, dat de bruid »te bedde gedanst« wordt. Zoo nog in de 17de, niet meer in den loop der 18de eeuw. In de liedjes gaat dat nog kalm toe:

»Strooyt kruytjes en bloemtjes, de bruyd moet te bed! Geleyt er, bereit er Ontkleet haar te met En kust haar goe nagt En slaat dog wel agt, Dat niemand haar ruste verstoort of belet!«

[Illustratie: Dansend paar (16e eeuw).

Naar H. Aldegrever.]

[Illustratie: Dansend paar (16e eeuw).

Naar C. Bos.]

Maar in werkelijkheid ging het ruwer. Schrikt niet! Daar grijpen midden onder den dans de jongere gasten de bruid aan en dragen en sleuren haar naar het bruidsvertrek--vage herinnering aan den ouden bruidsroof. Wel snelt de bruidegom den troep achterna en koopt de bruid terug door een feestje te beloven, het »weerom-vetje« op een der komende dagen. Maar nu barst de storm eerst recht los. Bed, dekens, kussens, al de geheimen der slaapkamer begluren zij, betasten zij en eindelijk vallen zij op de arme bruid aan en »plukken haar als een vogel« en nemen haar af sluier en lint, ketting en kroon, tot hare kousebanden toe, welke laatste vooral als gewenschte buit, als eene oorlogstropee, worden meêgenomen en aan tafel vertoond. De jonge echtgenoot raakt de dolle bende eerst kwijt, als hij doet, alsof hij zich ontkleeden gaat. Op deze manier werd bij de deftigste families de bruid te bedde gedanst. Gelukkig nog, zoo men haar en haar echtgenoot voor 't overige van den nacht met rust liet! Wel mocht Edmund Spenser in zijn »Epithalamion« (1594) smeeken:

»Let no false treason seek us to entrap, Nor any dread disquiet once annoy The safety of our joy; But let the night be calm, and quietsome, Without tempestuous storms or sad affray, Like as when Jove with fair Alcmena lay.... And let the maids and young men cease to sing, Ne let the woods them answer, nor their echo ring.«

Wel mocht nog twee eeuwen later Goethe zingen:

»Im Schlafgemach, entfernt vom Feste, Sitzt Amor dir getreu und bebt, Dasz nicht der List muthwill'ger Gäste Des Brautbetts Frieden untergräbt...«

Van huwelijksreizen wisten de vaderen niet; nog van 1800 vertelt Jacob van Lennep, dat zulke dwaze, onkiesche dingen toen nog niet voorkwamen. Den eersten morgen komen de naaste vrouwelijke bloedverwanten de jonge vrouw begroeten en bij 't kleeden helpen (zóó nog bij Saartje Burgerhart, bij Chrisje Helder), de dienstbode brengt het morgenwater en ontvangt haar bruidsstuk als loon. Lang vergeten was de oude gewoonte van te onderzoeken, naar wat wij boven (blz. 90) hebben aangestipt. Lang ook vergeten (sommigen hebben ontkend, dat het ooit bestond: zóó Karl Schmidt, zóó Bismarck) was in onze periode het recht van den landsheer op den eersten nacht. Wie het vroeger bestaan ervan nog trachten te handhaven zeggen, dat het wijst op een »tijdperk van overgang tusschen de vroegere, als heilig beschouwde, rechten van den stam én de langzaam opdagende persoonlijke rechten van den echtgenoot. Later wordt het dan beperkt tot enkele voornamen, nog later afgekocht, om eindelijk te verdwijnen.« Het is mogelijk, wij stellen ons geen partij; in elk geval was dit gebruik in den nieuwen tijd verdwenen.

Dit geldt wezenlijk ook van de morgengave, het geschenk door den man den eersten morgen aan zijne vrouw gegeven. Dit werd langzamerhand eene som gelds, waarvan het bedrag in het huwelijkscontract werd bepaald, maar waarvan de oorspronkelijke beteekenis geheel verloren was gegaan. Op deze manier: »Eyndelick (het is een stuk van 1626) soo heeft de bruydegom, Johan Witten, siin toecomende huysvrouw (Johanna van Brienen) een morgengave ende nae morgengaevesrechten uyt siin gereedste goederen gegeven 1200 caroli guldens«. Ook kwam het voor, dat de morgengave niet was betaald en werd opgeëischt. Het volgende signaat, d.d. Putten 26 Juni 1544, dat in zijn kortheid toch veel vertelt, lichte dat toe. Griet Jans spreekt aan de vier erfgenamen van haren overleden man, die haar schuldig zijn 12 rijderguldens »van de morgengaeve, gelick die frunde sulx verdedingt ind gemaeckt hebben.«

Te dezer plaatse voegt nog de herinnering vooreerst aan huwelijken op de graven gesloten, opdat (wonderbaar taaie nawerking van den ouden doodenkultus) daardoor lafenis zou geboden worden aan de zielen, wier stoffelijk omhulsel in die groeve rustte. De schilder Maerten van Heemskerck bestemde in 1558 de opbrengst van een stuk land voor »schamele doch eerlijcke jongelieden«, die op zijn graf en dat zijner vrouw te Haarlem zouden trouwen.

Niet minder eigenaardig was de ten onzent (maar ook reeds den Romeinen bekende) diepgewortelde gewoonte (voortgekomen uit de gedachte, dat de dood moet wijken voor wat de kweekplaats des levens is), dat, wie op weg naar het schavot door eene vrouw ten huwelijk werd gevraagd, van den dood vrij kwam. Toen den 3den Juni 1572 de jonge Theodoor Bommer te Gorinchem door Lumey's geuzen naar de galg werd gevoerd, redde een meisje hem op die wijze van den dood. Zoo erlangde 17 September 1603 een door Maurits ter dood veroordeeld Spaansch soldaat lijfsbehoud, »verboden synde door eene jonghe dochter«. Ja, nog in 1672 gold het gebruik in de rechtspraak. Te Amsterdam zouden toen vier Fransche soldaten worden gehangen. »Eenige juffrouwen, met groote meedogenthijt ingenomen«, vroegen aan burgemeester Outshoorn pardon voor de »gecondemneerdens«. Daarop »den heer Outshoorn sijde of de juffrouwen of eenige derselve, souden genegen wesen daarmede te trouwen?« Maar ongelukkig kon het middel deze maal niet worden toegepast: de juffrouwen »antwoorden alle getrout te sijn«. Toch kwamen de Franschen er af met brandmerking en gewipt worden aan de wipgalg. Soms echter ging strengheid boven gewoonte, als toen de jonge officier Nicolaas de Maulde de Mensard, betrokken in de leycestersche samenzwering te Leiden, 27 October 1587 werd terechtgesteld, niettegenstaande een »juffrouw genaemt Uytenbroeck« hem ten huwelijk vroeg.

Na de bruiloft volgden nog de »navetjes«, ook plachten de jonggetrouwden bezoeken te brengen aan magen en vrienden, binnenlandsche reisjes, waaraan toen zooveel meer vast zat dan nu, maar waarvan nog zoo kinderlijk, zoo volop in de ongerepte natuur genoten werd. Dan loopen echter de wittebroodsweken ten einde, de speelman is van het dak, het gewone leven herneemt zijn eischen.

HOOFDSTUK VII.

ECHTSCHEIDING, ECHTMIJDING EN HERTROUW.