Verloving en Huwelijk in vroeger dagen

Part 8

Chapter 83,655 wordsPublic domain

Te platten lande zorgden hier en daar de vrouwen voor het hoofdkussen van dat bruidsbed, brachten de veeren er voor te zamen en werden dan op het veerenmaal onthaald. Wij noemen maar iets uit de veelheid der gebruiken. In de huwelijksgeschenken heerschte natuurlijk eene oneindige verscheidenheid, maar als vaste zinnebeelden waren er de bruidegomspijp, de kop met een altaar en vuur, of met harten, of een bruidspaar er in gebakken, een prachtige, met strikken versierde goudsche pijp, die zorgvuldig, als een soort van amulet, zal worden bewaard, en waaruit de man telken jare op zijn trouwdag rooken zal. Hier is ook de glazen huwelijksbokaal op zilveren voet, die bij den bruiloftsdisch zal rondgaan en waaruit later, bij plechtige gelegenheden het echtpaar drinken zal.

Allen kennen wij voorts nog die sierlijke, zilveren trouwkistjes, waarin de medaljes bewaard werden, bij gelegenheid van het huwelijk geslagen, met toepasselijke afbeeldingen en spreuken.

Zoo breekt de trouwdag aan. Elke dag was toegestaan. Zeer gebruikelijk was de Zondag, na de middagpredikatie, omdat anders de feesten aan die beurt schade zouden doen. Dat men op de hooge feestdagen trouwde, vond geene algemeene goedkeuring; volstrekt verboden waren de vasten- en biddagen. Zegt niet de profeet Joël: »Bepaalt een vastendag, kondigt een heiligen dag af.. verlate de bruidegom zijne kamer, de bruid haar slaapvertrek.«

De Zondag was in den aanvang ongewenscht, in Groningen nog in de 17de eeuw verboden, in de 18de ook daar toegestaan. Een Groningsch predikant teekende 19 April 1750 in zijn dagboek aan: »heden heb ik in de vroegpredikatie getrouwd Mons. Havinga en nigtje Radijs«. En 19 April viel in dat jaar op Zondag. Maandag en Vrijdag waren voor het lager geloof ongeluksdagen.

[Illustratie: Rubens' bruid, Hélène Fourment in bruidskleed.

Naar een schilderij van Rubens.]

Toen onze stadhouder Willem V in October 1767 met Frederika van Pruisen trouwen zou, wilde haar oom, Frederik de Groote, niet dat het op een Maandag geschieden zou, zeggende: »nur nicht am Montag, denn diese Tag ist nicht gunstig, nur wenigstens habe ich an einem Montag eine Bataille verloren«, dus werd het 4 October, een Zondag.

Op den vastgestelden dag dan kwam de bruidegom de bruid afhalen. Zij was door de bruidsmeisjes gekleed en droeg het bruidskroontje, in de 17de eeuw op de loshangende, in 18de op de gekapte haren... maar voor 't overige wagen wij ons niet aan eene beschrijving van het bruidstoilet in zijne wisselende vormen, in elk gewest, in elken tijd verschillend, afhankelijk ook van den godsdienst, door de bruid beleden en natuurlijk ook van haar stand en vermogen.

In de kunst kent ieder Rubens' portret van zijne tweede vrouw, Helena Fourment, in bruidstooi (1630) en nog eerder Rembrandts »Joodsche bruidje« (1668) in het Rijksmuseum, volgens velen niet eene »joodsche« bruid, maar Rembrandts zoon Titus met Magdalena van Loo, terwijl anderen denken aan een vader, die zijne dochter aan den bruidegom geeft; over de kleuren van welk stuk (»al de geestesweelde van zijne oneindig verdiepte kunst«) en over de houding der twee figuren Jan Veth zoo fraai geschreven heeft. In geen geval mag men uit dit stuk de wezenlijke kleeding eener joodsche bruid ten onzent opmaken: daartoe doet men beter de prenten te bezien in de gelijktijdige werken over »De kerkzeden en gewoonten der hedendaagsche jooden« of eene »Schoole der jooden« en dergelijke.

Even verschillend natuurlijk was de wijze, waarop het paar zich ter kerke of ten raadhuize begaf. Bij deftige Amsterdammers in de 18de eeuw bestrooien kinderen hen bij het buitentreden met bloemen en groen, daarna gaan zij in de slede en de familie volgt in karossen. De overheid, altijd er op bedacht de weelde bij bruiloften te beteugelen of, zoo haar dit al niet gelukte (wat nooit het geval was), er althans voordeel uit te trekken, vroeg voor ééne karos, ten bate van het Aalmoezeniershuis, f25, hing ze in riemen f100, voor eene slede f2.50, voor twee f6.30.

Bij het wegrijden strooiden de bruidsjonkers suikergoed onder de toegestroomde schare, en niemand minder dan Constantijn Huygens vertelt ons, dat, toen zijne dochter Susanna 20 April 1660 trouwde met Philips Doublet, heer van St. Anna-land, dit suikerstrooien geschiedde »en telle abondance que vous eussiez dit d'un orage de gresle, où l'on vit coups de poing donnez pour le butin, femmes décoiffées, filles culbutées et autres bouleversements estranges, le sexe à cotillon ne se souciant peu de ce qu'on luy faisoit, pourveu qu'il attrapast quelque poignée de sucre«. Dikwijls ging de stoet ook te water, te Leiden b.v. deed men in de 18de eeuw in een groot tentjacht »een toertje door de frissche gragten der stad om van boord ter kerke te gaan«. Van die jachten waren er vele, en de stadsregeering vroeg van elk »speelschuitje« f2.50 voor het Armewees- en kinderhuis. Thans zijn ze, met de frissche grachten, verdwenen.

Bij welvarende boeren ging men in sjeesen, voorop de bruidssjees, de bruidegom hield de teugels en de versierde zweep in de hand, de bruid strooide uit een volle mand suikergoed en daarachter volgde de lange rij der gasten: eene blijde cavalcade, vol van kleur en leven. Dit is nog niet geheel uitgestorven.

Maar meest ging in de dorpen de optocht te voet en het was dán, gelijk natuurlijk is, dat de taaiheid van oude gebruiken zich openbaarde. In Drenthe ging de bruidegom met zijne verwanten naar het huis der bruid, vroeg haar buiten te komen en daarna toog de blijde stoet, soms de speellui voorop, ter kerke. Het is geheel de Oudgermaansche bruidsopeisching, op haar beurt weder herinnering aan den vrouwenroof. In Noordholland begaven bruidegom en bruid zich na den trouw ieder weêr naar eigen huis. Dan toog de bruidegom naar de herberg en zond vandaar enkele vrienden om de bruid te halen. Zij kwam... maar vóór haar uit droegen hare gespelen allerlei spijs en drank: teeken, dat zij niet van honger en dorst haar ouders huis verliet. Vooral vertoont dat oude zich in het vangen, het schutten der bruid, dat wij kennen uit Brabant, Limburg, Drenthe, Arnhem, Rijnland, het spannen van een lijn, het leggen van een balk over den weg, beletsel, dat dan voor eene kleinigheid werd afgekocht.

Is dit een overblijfsel uit den tijd, dat het trouwen van een vrije met eene lijfeigene werd tegengegaan? Aldus sommigen. Maar evenzeer mag men denken aan den tegenstand, den vrouwenroover geboden. Al het genoemde vormt daarvan de nog maar weinig samenhangende overblijfsels. Maar de Oudromeinsche huwelijksplechtigheid bewaarde nog tal van die schijndaden van geweld, het wegvoeren van de bruid uit het huis harer ouders, men ontrukt haar aan de armen harer moeder, men voert haar, luidschreeuwende, weg. Bij het huis des bruidegoms tillen de vrienden haar over den drempel: laatste herinnering aan het rooven. Ook de bruiloftsliederen wezen daarop, en de fakkels, door de bruidegomsvrienden gedragen, herinnerden aan den nacht, waarin men immers op roof uitgaat.

Van deze »wegvoering naar het huis (des bruidegoms)« bewaren ook onze gebruiken de sporen, men verstopt de bruid, men vindt haar, men eischt haar op, men brengt haar in triomf naar hare nieuwe woning, men tracht de roof te verhinderen.

»Het schijnt alsof de maeght een krijghsgevangen waer«,

rijmt Cats en dit was niet ver van de oude waarheid, gelijk ook later:

»Wegh met dat oude vuyl! In Zeeland is de bruydt Geen ruyters eygen slaaf, geen rovers eygen buyt«.

Maar de bruidsgang naar de kerk bewaart nog andere overoude herinneringen. In 1610 klaagden enkele leden ter synode van Appingedam, dat »bij copulatie van eheluden einer mith einem blothem schwerde vorahntrede.« Drie eeuwen vroeger, 1327, hadden die van den gerechte in datzelfde Appingedam uitdrukkelijk bepaald, dat de naaste bloedverwant der bruid de aangewezen man was, om met het uitgetogen, blanke zwaard vóór den stoet uit te gaan. Ziehier (bijna schreef ik: in levende lijve) het Oudgermaansche (bepaaldelijk Oudfriesche) huwelijkszwaard, »aeftswird«, waarvan weder Jacob Grimm ons leert: »Die friesen trugen der braut ein schwert vor zum zeichen, dasz der mann gewalt über ihr leben habe«. Oude Friesche kronieken vertellen ons hetzelfde: de zwaarddrager houdt het zwaard voor de deur der echtelijke woning en daaronder door treedt de bruid het huis binnen. In geval van overspel zal haar man haar met dat zwaard mogen dooden. Dat wist ook Kiliaan, toen hij in zijn beroemd woordenboek (1598) schreef: »Sweerdhouder, sax. fris. sicamb. bruydleyder, paranymphus, agnatus sponsi proximus« (d. i. naaste verwant van den bruidegom), in dit laatste dus verschillend van de Appingedammer wetten, die het zwaard, zagen wij, door den broeder der bruid lieten dragen. Overigens--de 17de-eeuwsche dorpelingen, over wie de kerkvergadering van Appingedam zich bezwaard gevoelde, waren zeker het rechtssymbool vergeten en droegen hun zwaard vóór de bruid uit, omdat dit altijd zoo gebeurd was, met die taaiheid van volksgebruiken, die ons zooveel uit eene lang ten onder gegane gedachtenwereld bewaard heeft. Wij moeten daarvan nog een treffend voorbeeld geven.

Uit datzelfde Groningen en uit Drenthe weten wij, dat, althans nog in den aanvang der 17de eeuw, het gewoonte was »bij den kerckganck van brüdt ende brödegam den brudigam tho schlahen«, of ook, met eene kleine wijziging, hem te slaan »nae die copulatie« of ook »in der kercke wanneer eluyden worden gecopuleert«. Dit »brüdegomslahen« (soms is het de bruid, die onder het gaan van de kerk naar huis met geschilde berketakjes geslagen wordt) geschiedt nog heden in Westfalen, in den Oberpaltz, bij de Letto-Slaven, Rabelais vertelt ervan in zijn »Pantagruel« en zoo doet ook Olaus Magnus, de bisschop van Upsala, de geograaf, een tijdgenoot van Luther. Maar wat beteekent het? Heeft Kuhn gelijk, als hij zegt, dat de bruidegom moest voelen wat slagen zijn, opdat hij later zijne vrouw sparen zou? Veeleer (heeft Mannhardt ons doen zien) hebben wij hier een spoor van die oud-animistische wijsbegeerte, die leerde dat er booze geesten in den bruidegom konden huizen, die hem in den bruidsnacht ongeschikt tot de copula konden maken en dus vooraf met slagen verdreven moesten worden. Daarvan wisten de Groningers en Drenthen in de dagen van prins Maurits niets meer, maar zij sloegen den bruidegom onder den, hùn onbewusten, invloed van lang verdwenen, in gebruiken voortlevende, denkbeelden.

* * * * *

Maar thans is de bruidsstoet aangekomen, laat ons eerst zeggen, bij de gereformeerde kerk. Hoe kwam daar nu het huwelijk tot stand? Hoe werd de verloving als een »aangevangen vereeniging« tot een »volslagen huwelijk«?

Aanvankelijk, bij de onzelfstandigheid der vrouw naar Germaansch recht, trad bij den kerkelijken trouw de priester op als vertegenwoordiger van het meisje en gaf de bruid aan den bruidegom. Langzamerhand trad nu die voorstelling van de onzelfstandigheid der vrouw terug en dus ook het besef, dat, zoo er iemand moest gegeven worden, het de vrouw zijn moest. In plaats daarvan kwam nu de meening, dat beide echtgenooten gegeven worden aan elkander door den priester. De priester copuleerde hen, voegde hen te zamen, wat dan overeenkwam met zijn functie volgens kanoniek recht, hij reikt den ring, hoort de gelofte, zegt de gebeden en houdt de aanspraak en bindt te zamen. Hier is b.v. het formulier waarmede »op manendach post thome anno 1534« een pastoor het huwelijk van zekeren Claes Dirricks sloot: »Soe bynde ick u tsamen mytten bandt daer Godt Adam jnd Eva myt bande.«

Het »trouwen door den paap« maakte dus op kanoniek standpunt het wettig huwelijk. Daarop slaat het weinig stichtelijke, Amsterdamsche straatliedje, dat bij de nadering van het Paaschfeest en na afloop der Dommelde metten (nachtofficie op Woensdag, Donderdag en Vrijdag van de Goede week) door den hondenslager en de schooljongens, nog kort vóór de Hervorming bij beurtzang aangeheven werd. Lelong heeft het ons echter niet geheel ongerept, denk ik, overgeleverd. De kerkedienaar begaf zich met zijn ratel, vergezeld van een groot aantal schooljongens, ook met ratels, op straat; voor de huizen der aanzienlijke poorters stonden zij stil, waarop de man riep:

»Zijt gij allegader hier?« »Ja!« »Moecht gij wel goedt Hamburger bier?« »Ja!« »Heeft de paap uw moeder getrouwt?« »Ja!« »Zijt gij al te samen hoerekinderen?« »Neen!«

Man en jongens ontvingen als loon een pint bier, dat zij uit hun mutsen opdronken.

Het ligt nu voor de hand te meenen, dat bij de nieuwe bedeeling predikant en magistraat in de rechten des priesters traden en dus het huwelijk sloten, dat hun eene actieve, huwelijkscheppende rol werd toebedeeld. Maar, zegt prof. Fockema Andreae, »ik houd dat voor niet meer dan schijn«. De predikant treedt volgens de hervormde formulieren nimmer in die rol op, toch is het huwelijk voor den predikant overal rechtskrachtig. Attestatiën van gesloten huwelijken, door hem afgegeven (eene synode van Den Briel anno 1593 zegt het zeer juist), zijn officiëel, daar zij door een publiek persoon zijn gegeven over wat op eene publieke plaats verricht is. Zulke attestatiën werden dan ook door de Hoven aangenomen. Goed gereformeerd zeide reeds in 1566 de Rotterdamsche predikant Adr. Damman na de voltrekking van een huwelijk, dat het »bij hen geen sacrament werd geacht, maar eene belofte, die de contrahenten elkander doen«.

Was het nu aldus bij de kerk, is het dan denkbaar, dat men voor het burgerlijk huwelijk, waaraan men dezelfde rechtsgeldigheid verleende, een samengeven _door_ den magistraat zou hebben geëischt, dat de kerk niet vorderde? Neen, predikant en magistraat schiepen niet door hunne handeling het huwelijk: partijen solemniseeren hun huwelijk zelven voor de gemeente of voor schepenen, waarvan akte gegeven wordt. Dit geldt van alle provinciën.

In de onderscheiden in gebruik zijnde formulieren heerscht echter door slordige woordkeuze soms verwarring. Niet in het kerkelijke. Ook hier heeft de Dordtsche synode uniformiteit gebracht. In de 178ste zitting der (na)synode, 28 Mei 1619, besloten de leden, dat de »Nederlantsche liturgie, waarin begrepen sijn de publijcke gebeden en de formulieren van de bedieninghe der sacramenten, oeffeninghe der kerckelijcke discipline, bevestinghe der kerckendienaren ende insegheninghe des huwelijckx sal worden oversijen.« Dit is ook geschied, maar voor eene officiëele uitgave hebben zij niet gezorgd. Ten grondslag legden zij den tekst der Zeeuwsche kerk van 1611, terwijl eene uitgave, bezorgd door de Zuidhollandsche van 1737, zeer gebruikelijk is geworden.

In het formulier dan »om den houwelicken staet voor de gemeente Christi te bevestigen« luidt het: »Overmits den gehouwden gemeynlick velerhande tegenspoet ende kruys van wegen de sonde is toekomende; opdat gij N. ende N., die uwe echtelicke verbindinge in Godts name opentlick alhier in de kercke wilt laten bevestigen, oock in uwe herten versekert zijn meugt van de gewisse hulpe Godts in uwen kruyce...« volgt eene uiteenzetting van het doel des huwelijks, daarna stelt de dienaar de vragen, waarin o. a.: »Bekent gij voor Godt en dese gemeynte, dat gij genomen hebt ende neemt tot uwe wettelicke huysvrouwe...« en desgelijks tot de bruid: ... »dat gij genomen hebt ende neemt...« en eindelijk geeft hij den zegen: »De Vader der barmhertigheydt, die u door sijne genade tot desen heyligen staet des houwelicks beroepen heeft, verbinde u met rechte liefde ende trouwe ende geve u sijnen segen«.

Het is duidelijk: het is de bevestiging van wat beide partijen ten opzichte van elkander willen. De predikant neemt voor Gods aangezicht akte van wat partijen elkander beloven en roept daarover Gods zegen in.

Thans laat ik enkele burgerlijke formulieren volgen. Te Amsterdam geschiedde de trouw voor twee schepenen, van wie de voorzittende schepen vroeg (de opgave is van 1658), nadat bruid en bruidegom elkander de hand hadden gegeven: »»Gij A.A. bekent aengenomen te hebben tot uwe wettige huysvrouwe B.B.? ende gij B.B. bekent aengenomen te hebben tot u wettige man, huysheer ende vooght A.A.?« Beyde geantwoort hebbende: ja, seyt wijders aldus: »Ende belooft malcander aen wedersijden getrouw te sijn en als echte man en wijff eerlick ende godsalichlick na des Heeren insettinge te leven, totdat u de doot scheyden sal?« Weder geantwoort hebbende: ja, seit dan nogh: »De Heere segene u huwelick. Gedenkt den armen.««

Men ziet, in dit formulier, gebruikt bij den trouw van niet-gereformeerden, is evenmin van huwelijksschepping _door_ den magistraat sprake: partijen bekennen elkander aangenomen te hebben. De schepen neemt daarvan akte en zegt: »de Heer zegene uw huwelijk.«

Te Kampen had het formulier voor den trouw ten raadhuize den volgenden inhoud (1658, vernieuwd 1664): »Gij bruidegom ende bruid... verklaert gij... met uwen vrien wille malkanderen met hande ende monde trouwbeloften te hebben gedaan... om malkander trouwe te houden als wettige man en wijff, in eendragt, minne en liefde met den anderen te leeven nae instellinge des Heeren en het uytwijsen van sijn heylig woord, alles met hulpe van den Heere, sonder wijns genadige bijstant wij het allerminste niet en vermogen?« Antwoord: Ja. »So wil dan God almagtig ul. in desen egtenstaat segenen en u verbinden met regte liefde en trouwe. Gaet in vrede!« Hetzelfde formulier gebruikte men ook te Deventer. Ook hier hetzelfde beginsel, gelijk het mede is neêrgelegd in het advies der Hoven omtrent de staatskerkorde van 1601, waarin deze verklaring: »Op huiden zijn voor schepenen van... gekomen en verschenen N. N. als bruidegom ter eene en N. N. als bruid ter andere zijde... gevende hij haar zijne mannelijke trouwe... en wederom zij hem hare vrouwelijke trouwe... Tot al hetwelk zij Godt almagtigh tot een getuige aangeroepen en gebeden hebben. Aldus gedaan bij schepenen...«

Echter zijn er ook ordonnantiën op dit punt, waarin sprake is van »sich laten copuleeren«, zich laten »thosamen geven und conjugeren« door den predikant, maar men was weinig zorgvuldig in zijn woordenkeus, als in Zwolle, waar in één stuk sprake is van trouwen _door_ een predikant en _voor_ schepenen. Wezenlijk heeft overal gegolden: partijen geven zich aan elkander, predikant of schepenen scheppen niet het huwelijk.

Omtrent die burgerlijke formulieren nog een woord. De hervormde kerk achtte het onbetamelijk, dat sommige secretarissen ten stadhuize het formulier voorlazen 't zij uit de liturgie der hervormden, 't zij uit die der lutherschen. Ja er waren schepenen of schouten, die een gebed uitspraken, die den zegen gaven, waartegen de kerk altijd heeft geprotesteerd. Waarom? Was zij naijverig op wat haar alleen toekwam? Wilde zij het huwelijk ten stadhuize neutraal houden?

[Illustratie: Een huwelijksvoltrekking in een gereformeerde kerk.

Naar een prent van Bernard Picard.]

De trouw in de hervormde kerk geschiedde nu gemeenlijk als volgt, waarbij, wat de versiering aangaat, de gegoedheid van partijen natuurlijk verschil maakte. Of in het koor, of in het doophek, of daarvóór in het midden der kerk lag een tapijt, stonden armstoelen en taboeretten, de poort van het doophek was vaak met groen versierd en in de tweede helft der 18de eeuw, de dagen der hooge kapsels, was het voor vele dames een zwaar stuk onder die poort door te gaan. Onder psalmgezang trad de staatsie (wij vertellen hier Schotel na) binnen, de leeraar beklom den kansel en las het straksgenoemde formulier. Dan liet hij bruidegom en bruid elkander de rechterhand der trouw geven en stelde de vragen, over het neergeknielde paar sprak hij dan den zegen uit, waarna het gebed volgde. Onder het gezang werd gecollecteerd. Daarna begaf zich de stoet, waarbij thans de man de hoogerhand had, naar de consistoriekamer, waar men ververschingen gebruikte. Dit was de trouw op zijn deftigst. Maar zeer dikwijls ging het minder statig toe, als de bruiloftsgasten zich niet ontzagen pratend en joelend de kerk binnen te treden.

Alleen geordende predikanten mochten den dienst leiden. Toch kwam het voor, dat proponenten het deden, gelijk bij het huwelijk van Willem Albert van Hout en Antonia Magdalena van Breda te Hoeven gem. Oudenbosch, 22 Juli 1787, dat door den proponent J. M. Visser werd ingezegend. In Utrecht echter was dit werk ook aan proponenten toegestaan. Te Leiden schijnen soms zelfs voorzangers zich de inzegening te hebben aangematigd. De kosten waren natuurlijk afhankelijk van den stand van het bruidspaar, van de plaats en van de vraag, of de trouw op gewonen of buitengewonen tijd geschiedde. In 1788 kostte te De Bildt zulk eene extra-inzegening 2 dukaten aan de armen (de gouden dukaat deed ongeveer f5.50), tabak en pijpen, 12 flesschen malaga met een schotel best banket aan den kerkeraad, ½ anker wijn aan den predikant, f3 aan den koster.

Als een voorbeeld van huwelijksinzegening in eene hervormde gemeente in het buitenland geven wij die in de beroemde, reeds vroeger vermelde, Hollandsche kerk te Londen, die ook voor deze liturgische handelingen zooveel heeft gedaan en voor wie Maarten Micron reeds in 1554 zijne »Christlicke Ordinanciën« opstelde, waarin ook »Van de ceremonie des huywelicx«. Nadat het paar in de trouwboeken was ingeschreven (ze beginnen in 1571: »Hier achtervolgen die namen der gheener die onser Nederduytscher gemeinte getrouwet zijne«) en de drie Zondagsche proclamatiën waren »uutgheropen«, had de bevestiging op den volgenden Zondag in den morgendienst plaats, in diezelfde prachtige kerk in Austin-friars, waar thans nog de gemeente samenkomt.

De dienaar hield eene toespraak over het huwelijk, wees het bruidspaar op zijne verplichtingen en deed de vragen. Daarna legde hij hunne rechterhanden inéén en sprak: »God Almachtich, die u tot den huywelicken staet gheropen heeft, binde u te samen met den bandt der warachtigher liefden, opdat gij u gansche leven de groote verborghen eenicheit Christi ende sijnder ghemeinten uitdrucken moecht, ende wille u vermeerderen, ter eeren sijns naems ende uwer sielen salicheit doer denselven Christum Jesum. Amen.«

Naar aanleiding van Matth. XIX sprak de predikant dan nog over de vaste onverbrekelijkheid van den huwelijksband, en de gemeente, bij monde van den dienaar, zegende het neêrgeknielde paar: »God wil u vruchtbaer maken ende ghenade gheven uwe kinderen, die hem sal believen u te gheven op te voeden, door leeringe ende straffinghe des Heeren. God blijve met u ende met ons allen.« Met psalmgezang eindigde de plechtigheid.

Hoezeer wij bij ons onderwerp telkens verdacht moeten zijn op plaatselijke afwijkingen leert ons de huwelijksinzegening op Ameland, waarvan ik daarom met een enkel woord melding maak. Dit merkwaardige eiland was staatkundig onafhankelijk (in den 80-jarigen oorlog sluit het een verbond van neutraliteit met de Republiek en met Spanje) en even onafhankelijk was de gereformeerde kerk, eene naar inrichting en bestuur op zich zelve staande gemeenschap. Vandaar op Ameland groote verdraagzaamheid tegenover dissenters. De doopsgezinde leeraren mochten huwelijken voltrekken, maar alleen tusschen leden hunner eigen gemeente. De hervormde predikanten deden het, als bruidegom en bruid (of een van beiden) ongedoopt, hervormd of van eene andere doopsgezinde gemeente waren.