Verloving en Huwelijk in vroeger dagen

Part 7

Chapter 73,750 wordsPublic domain

En nu wij toch over ziekten spreken: gelijk in het Romeinsche recht was ook in ons tijdperk, ook naar kerkelijk oordeel, eene »colde nature« voor het huwelijk een beletsel, m. a. w. men mag niet huwen, met wie tot den huwelijksplicht onmachtig zijn. Was dit echter gevolg van al te groot leeftijdsverschil, dan kon het wel door de openbare meening worden veroordeeld, maar moeielijk door de wet worden tegengegaan. Guicciardini in zijne bekende »Beschrijvinge van alle de Nederlanden« (vertaling door Kiliaen, 1612) heeft het er al over en vertelt ons: »'t Is schadelijck ende schandelijck, datter sommighe seltsame ende onbehoorlijcke houwelijcken worden ghemaact te weten een jongelinck met een oud wijf ende eenen ouden grijsaerdt met een jonck vrouwspersoon sonder noodt van kinderen.« Twee en een halve eeuw later hooren wij desgelijks van huwelijken tusschen mannen van zestig en meisjes van twintig jaren, maar erger nog, en gelukkig eene uitzondering, was het huwelijk in 1683 te Appingedam tusschen een man van 96 en een meisje van 20 jaar. Natuurlijk geschiedde dit meest om het »heilig goud«, gelijk Jeremias de Decker in zijn puntdichten zegt:

»'t Geld geld nu meer als d'eer, 't goud word als God gesmeekt, Men juycht als Pluto pleyt; men dut als Plato preekt«;

het was daarom, dat »de bevallige Chrysofilus zich in de armen wierp van eene verlepte dog schatrijke weduwe, een verflenst besje«, wat Justus van Effen in een vertoog van 1732 hekelt, of dat een jongman, zegt de Spectator der studenten, »zich in het prille van zijn jeugd laat koppelen aan eene oude manzieke totebel, aan wie hij zich en zijne vermaken voor een lui en vervelend leven opoffert«. Konden noch de kerk (die van Zeeland wil, dat eene vrouw van 60 niet zal mogen trouwen met een man beneden de 40 jaren) noch de staat veel tegen dit euvel doen, volksgeweten en volkshumor beide hebben er zich altijd tegen gekant en het bespot.

In een land, waar velerlei godsdiensten en kerken gevonden werden, als in het onze, lag ook daarin de oorsprong van huwelijksbeletselen. De vroeger genoemde waren alle »politiek«, raakten de burgerlijke gemeenschap. Maar andere, door de kerkelijken alleen voorgestaan, poogden zij den Staat te doen aanvaarden, opdat ze autoriteit zouden verkrijgen. Zoo wilden zij b.v. een verbod van 't huwelijk tusschen gedoopten en ongedoopten, omdat naar hunne meening zulk een echt het verbond Gods verijdelde en de »livrei des christendoms« wegnam. Zij stelden dus den eisch, dat, als een ongedoopte huwelijksproclamatiën vroeg, hij eerst moest worden gedoopt. Het was waar, dat iemand, om des huwelijks wil zich latende doopen, »gelijkewel met de wereld in 't wilde loopen kon«, maar de kerk kon niet meer doen dan »hem te onderwijzen in de leer der zaligheid, bevelende Gode de uitkomst, die een kenner der harten is.« Intusschen heeft de overheid ook in dezen niet toegegeven en bij hare huwelijkssluiting op al of niet gedoopt-zijn geenerlei acht geslagen. Zij had voor de gansche natie te zorgen en was, niet ten onrechte, van meening, dat het voor het algemeen belang en ook ter bevordering van het ordelijk huwelijk zelf beter was, dat ongedoopten wettig huwden dan onwettig samenleefden. Op de vraag, of onder een gedoopte ook te verstaan zij een door den roomschen priester gedoopte, antwoordde de kerk »ja«, daarin goed gereformeerd. Want de geldigheid van den ketterdoop erkend te hebben en de kerkelijke huwelijksbevestiging van ongedoopten verboden, heeft prof. H. H. Kuyper in de Dordtsche synode gewaardeerd als eene handhaving van het zuiver gereformeerd beginsel. Men kan daarmeê instemmen en het toch als willekeur veroordeelen, dat de kerk dit »ongedoopt-ongetrouwd« wilde uitstrekken over alle burgers des lands. Door dezelfde beginselen heeft de overheid zich gemeenlijk laten besturen bij de pogingen van sommige kerkelijken, om het huwelijk tegen te gaan tusschen gereformeerden en protestantsche dissenters. Over het algemeen was men in kerkelijke kringen ongeneigd het huwelijk aan te bevelen met iemand »drijvende contrarie religie«, om de groote zwarigheden, die er uit voortsproten, maar een huwelijksbeletsel heeft men er niet van willen maken. En de regeering hield zich onzijdig, verbood het in geen geval. Ten opzichte van de nog langen tijd aangetroffen volgelingen van David Jorisz., den beruchten Delftschen wederdooper (gestorven te Basel in 1556), bleef de kerk zich niet altijd gelijk, ofschoon zij in hare veroordeeling van de booze leer dezer »davidjoristen, nicolaïeten ende eenighe andere van den selven slach, bende ende adderengebroedsel« (zooals Joh. Becius zich in 1638 uitdrukte) eenstemmig genoeg was. Soms heet het, dat bekende hardnekkige davidjoristen niet met gereformeerden in de kerk mogen trouwen, zij moesten dan maar ten stadhuize gaan. Soms was men toegevender. Zoo woonde op het einde der 16de eeuw in Den Briel zekere Jacob Jansz. van Velzen, verdacht van de davidjoristische gevoelens aan te kleven. Toen hij nu geboden vroeg voor zijn huwelijk met Goedelieve Bogaert, eene weduwvrouw en zuster van Ds. Joh. Bogaert te Haarlem, wilde de Brielsche kerkenraad die niet laten gaan. Jacob zelf vond, als een vrij protestant, dat hij »in de materie des huwelijks zoo nauw niet behoorde gepraamt (geprangd, gedwongen) te worden« en de synode van Gouda in 1601 ging daarmede accoord en besloot, dat Goedelieve wel ernstig door haren broeder moest worden vermaand, maar dat de geboden in geen geval mochten worden geschut. Men ziet het telkens: de gansche huwelijksregeling was in staat van worden, elk voorkomend geval nagenoeg eischte afzonderlijk overleg.

Het »trouwen aan menisten« werd ook zondig geacht. Want behalve, dat wie dat deden ergernis gaven aan anderen, »soo stellense oock haer selven in perijkel van afwijckinge vande ware gereformeerde religie, gelijck de droevighe ervarentheydt sulks wel heeft geleert«. Hetzelfde gevaar dreigde bij een echt met lutherschen. Ook hier echter kon de kerk slechts waarschuwen, niet verbieden. Waar zij wel tegen is opgekomen (o. a. in 1621), was tegen het geven van proclamatiën door lutherschen, waarop dan het huwelijk door gereformeerde predikanten werd bevestigd. Dat was, wij zagen het, bij de bestaande wetgeving ook inderdaad eene overtreding. Van hunne zijde waren de lutherschen, zelven in afgesloten kringen levende (al kwam er in den loop der jaren wel toenadering), ook op gemengde huwelijken weinig gesteld, en nog op 't einde der eeuw konden de juffrouwen Wolff en Deken ons naar het leven een luthersch koopman schilderen, den ouden heer Edeling, die niet wilde, dat de »keten van luthersche wezens in zijn geslacht in de war zou raken door eene gereformeerde stiefdochter«. Er kwamen, vonden de vaderen, maar onrustige huishoudens van, volgens het spreekwoord:

»Selden sonder kruys Twee gelooven in één huis.«

Helaas, dat de jonge jeugd zich aan al deze overwegingen weinig liet gelegen liggen. »De kinderen«, klaagde de reeds genoemde Van Renesse, »maken heimelijken ondertrouw, stille beloften, 't zij met woorden, 't zij ook met werken, en verloven haar met menschen, die in leer of leven kennelijk afwijken van den weg der zaligheid.« De oude man zag de lasten; de jonge jeugd, door de min vervuld, greep naar de lusten.

Het roomsch-zijn was wel geen wettelijk huwelijksbeletsel, toch kwam een huwelijk tusschen roomschen en protestanten uiterst moeielijk tot stand--van beide zijden. Om zich te dezen voor een onjuist oordeel te bewaren, herinnere de lezer zich den eigenaardigen toestand in de Republiek, waarvan wij niet mogen nalaten met een enkel woord te gewagen. Het genie van Prins Willem heeft ons, onder zooveel andere zegeningen, ook deze gebracht, dat het staatsrecht der Vereenigde Nederlanden, sinds de Unie van Utrecht, het katholiek-zijn niet als misdrijf beschouwde, wat het protestant-zijn in katholieke landen wel was. Er stond bij ons geen straf op: geloofsonderzoek was daarom noodeloos. Het verheven beginsel is later uitnemend uitgedrukt door den Amsterdamschen burgemeester C. Pzn. Hooft, des dichters vader (van wien eens Vondel zong:

»Hoe heeft hem Amsteldam ervaren wijs en simpel, Een hooft vol kreuken, een geweten zonder rimpel.«)

toen hij zeide: »niemand in zijne consciëntie bezwaren, maar een ygelick daarin sijne vrijheydt te laten, zoo veel zonder apparent perijckel van de gemeene rust mach geschieden.« Even uitnemend had zich eens Hooft's geestelijke vader, de Leidsche hoogleeraar Franc. Junius uitgelaten: »Het is confusie ofte verwarringe, dat men sijnen medegesellen wetten wil voorschrijven, en bovenal ist onredelick dat te willen doen in saecken van consciëntie, daer geen ander wetgever is als Godt.« Ware de tijd voor deze grootsche gedachte rijp geweest, er zou om gewetensvrijheid in de Republiek niet hebben behoeven gestreden te worden; hadde zij in 't geheel niet bestaan, er ware ook geen strijd geweest. Thans zien wij vrijheid en dwang voortdurend om den voorrang kampen.

Voor volstrekte godsdienstvrijheid was er ook ten onzent nog geen plaats, aan onze hedendaagsche opvattingen gemeten, werd er dwang geoefend, doch, vergeleken met alle andere landen van toen, stond de Republiek als oord van vrijheid bovenaan en was het lot, voor wie niet tot de bevoorrechte kerk behoorden, gunstig, ja te gunstiger naarmate de practijk nog zooveel zachter was dan de theorie. Toen ten jare 1644 de katholieken van Deventer over verdrukking klaagden, zeiden zij toch in hun verzoekschrift aan den Franschen gezant dat dit was »chose dure et jamais ouyë dans ces provinces, ou la liberté de conscience a toujours esté permise«. Vergeten mogen wij evenmin, dat vele katholieken de toepassing der vrijzinnige beginselen zeer moeielijk maakten. Er waren er, die tijdens den opstand de zijde van Oranje gekozen hadden, velen hadden zich onzijdig gehouden, maar er was ook eene sterke Spaanschgezinde partij geweest, waarvan o. a. de Leidsche patriciër Franc. Dusseldorp een duidelijk type is. En, toen nu in de 17de eeuw, in plaats van de diepgezonken geestelijkheid der 16de, jonge priesters optraden van onbesproken zeden en gloeiende overtuiging, toen vertoonde zich (het zijn woorden van Fruin) een geslacht van katholieken, dat, indien al niet volstrekt anti-nationaal, toch van eene eindelijke overwinning des Spaanschen konings herstel en bloei hunner kerk verwachtten. Na den vrede van Munster heeft dit alles zich gewijzigd--toch is dit (en zooveel meer) noodig te bedenken, ook voor wie de huwelijkswetgeving goed begrijpen wil. Daartoe keeren wij dan thans terug.

Van roomsche zijde heeft eenmaal de genoemde Franciscus Dusseldorp het trouwen met protestanten gelijkgesteld met de zonde, in Levit. XX, 15 vlg. met den dood bedreigd, zeggende, dat aldaar onder »beest« een ketter te verstaan zij, en dat de kinderen uit zulk eene vermenging voor muilezels moesten gehouden worden.

Van protestantsche zijde onderwierp men zulke huwelijken aan strenge beperkingen. Als de man roomsch was, moest hij de verklaring afleggen, dat hij zijne vrouw nooit om overgang zou lastig vallen en dat de kinderen protestant zouden zijn--juist wat een roomsche nooit beloven mag. Toch legde b.v. in 1734 Jan Boumeester te Meppel, die wilde trouwen met de gereformeerde Jantje Giesbers, in handen van schout Hendrik Olfen, bedoelde verklaring af. Natuurlijk gebeurde ook het omgekeerde, dat »een papist zijne gereformeerde vrouw tot zijne religie trok.« Uit den aard der zaak waren de bepalingen het strengste in de roomsche gewesten. Nog den 3den juni 1750 vaardigden de Staten-Generaal een plakkaat uit voor de generaliteitslanden, over huwelijken tusschen personen van den gereformeerden en van den roomschen godsdienst, »welke meer en meer komen in te kruipen en waardoor echtgenooten en kinderen worden verleid, om zich te begeven tot de roomsche dwalingen«.

Het plakkaat schreef voor, dat er geen huwelijksgeboden mochten gaan tusschen personen van beiderlei godsdienst, zoolang de jongeman onder de 25 en de jongedochter onder de 20 jaren was, op straffe van onwettigheid des huwelijks; dat alle trouwbeloften, tot heden tusschen de zoodanigen gewisseld, volstrekt krachteloos en zonder effect zouden zijn; dat alle geboden tusschen gereformeerden en roomschen boven 25 en 20 zouden gaan van 6 tot 6 weken; dat, zoo iemand den roomschen godsdienst omhelsd had om te kunnen trouwen, de verloving hem eerst een jaar daarna zou worden toegestaan, wat ook gold voor een roomsche, die geveinsdelijk tot den gereformeerden godsdienst overging.

Reeds vroeger, 3 Maart 1738 en 11 Mei 1739, was bepaald, dat gereformeerde officieren, die met roomsche vrouwen in het huwelijk traden, zouden worden ontslagen, wat ook over de burgerlijke ambtenaren werd uitgestrekt, drakonische maatregel, die eerst de Bataafsche Republiek in 1795 zich haasten zou op te heffen. Volstrekt verboden zijn deze gemengde huwelijken nooit--hoe moeielijk het was er een te sluiten, is ook ons reeds gebleken (boven blz. 84 vlg.) uit de geschiedenis van mevrouw Van Foreest.

Nog moeten wij (wij naderen het einde van dit lange hoofdstuk) iets zeggen van de beletselen voor het huwelijk van christenen en joden. Spinoza zegt in de voorrede van zijn »Godgeleerd-staatkundig vertoog« (vertaling van Dr. W. Meyer): »Daar ons het zeldzame geluk is te beurt gevallen van in een gemeenebest te leven, waar aan ieder volkomen vrijheid van meening en van godsvereering wordt toegestaan en waar men niets dierbaarder en lieflijker acht dan de vrijheid...« Zoo mocht hij spreken, en ook vreemdelingen viel het op hoe groote vrijheid de joden hier genoten. Het was in den geest van prof. Franc. Junius te Leiden, die eens zeide: »men moet de joden onder de christenen dulden... dewijl het geloof een gaeve Godts en sij daerenboven onze broeders sijn van nature... en oock de kercke uit joden en christenen moet versaemelt worden.« Treffende woorden voor het jaar 1612, waarin ze zijn opgeteekend!

[Illustratie: Huwelijksplechtigheid van de Portugeesche joden te Amsterdam (18e eeuw).

Naar een prent in Hurd, Gesch. v. alle Godsdiensten.]

Toch was ook te hunnen opzichte de verdraagzaamheid nog niet een boven alles verheven wet, het was een »burgerschap van den tweeden rang«, zooals Dr. J. Mendels dat uitdrukt, de »joodsche natie« stond als afzonderlijk volk in het volk, zooals wij thans eene kolonie van Turken of Perzen beschouwen zouden en zij zelven hebben dat ook altijd zoo ingezien. Toen het jaar 1796 hun de volle vrijheid bracht, waren tal van joden, onder leiding hunner parnassijns, tegen deze »incorporatie«, die zij zich overigens volmaakt waardig hebben betoond. Ik heb dat elders uitvoerig verhaald. Welnu de (voor die dagen) groote vrijzinnigheid der landsregeering bracht er hun toe, 14 Mei 1712, der joodsche natie verlof te geven te trouwen ook in die graden, die bij de christenen wel, bij hen niet verboden waren, oom met nicht, man met de zuster der overleden huisvrouw, man met de weduwe zijns broeders, als deze kinderloos gestorven was, het leviraatshuwelijk. Het verlof werd niet voor altijd geschonken, maar nu en ook later bij wijze van uitzondering verleend. Echter kwam het ook voor, dat een rabbijn een huwelijk moest inzegenen, dat hij met de joodsche wet in strijd had geoordeeld.

Maar wat den trouw tusschen jood en christen aanging, volgde men in de Republiek het kanonieke recht, dat het strengelijk verbood. Ook hier geen vaste wet, maar in Holland, Friesland, Gelderland werden overtredingen streng gestraft. Alles (ook volgens protestantsche theologen) ter voorkoming van geloofsverandering, waartegen reeds de groote Dordtsche synode gewaarschuwd had. Het is waar, dat zulke overgangen voorkwamen, sporadisch, en dat de joden in het Noorderkwartier zelfs beschuldigd werden van zich familiaar te maken met de landlieden en van »onder het deksel van eene bijzondere manier van kaasmaken« in hun huizen te komen, om hen te verleiden en tot huwelijken over te halen. Dit laatste was zeker niet waar, de joden zelven zouden er den zwaren last van gedragen hebben. Huwelijken tusschen hen en christenen kwamen voorts weinig voor.

Anders echter stond het in West-Indië en Brazilië, waar te midden der kolonisten vele joden woonden, welvarend en niet zonder invloed, aan onze zijde strijdende tegen de Portugeezen, maar, volgens klachten, die bij de classis Pernambuco der Nederlandsch-hervormde kerk inkwamen, zich ook schuldig makend aan verboden huwelijken met christenen en aan het hebben van christinnen als bijzitten.

Met de joden te zamen worden vaak, bij het huwelijksverbod, mohammedanen en heidenen genoemd. Dat kwam in ons land zelf weinig voor, maar ook in de koloniën, ja op onze handelskantoren in vreemd gebied trachtte men naar die wet te leven. Toen Johan Cunaeus--reeds boven door ons genoemd--zijne zending van Compagnieswege aan het hof van Issahan had volbracht, ging hij ook afscheid nemen van de padres Carmelieten en maande hen bij die gelegenheid ernstig aan om, zoo een der dienaren van de Compagnie met eene inlandsche vrouw in 't huwelijk wilde treden, »hun dat t'excuseren en plad tontseggen, ten ware schriftelijke licentie van den directeur verthoonde«. Een zelfde verzoek richtte Z. Exc. ook tot de »Capusiner padres«. Overigens is in de vaderlandsche plakkaten onder »heidenen« zeker vaak »zigeuners« te verstaan.

Ik eindig met nog twee huwelijksbeletsels, die volgens de kerk moesten gelden. Voor een »dootslager noch onversount en zonder berou«. En, als iemand bij den ondertrouw mist van de persoon, als bij Jacob, die »zich verloofde (zegt Zanchius in deftig Latijn) met Lea, terwijl hij haar hield voor Rachel.« Het ligt voor de hand, dat zulk eene (zeker zeldzame) vergissing, gelijk ook voor het kanoniek recht, de verloving nul en van onwaarde maakte.

Eerst nu is de laatste hindernis uit den weg geruimd. Eerst nu kan de bruiloft aangaan met gezang en gerei.

HOOFDSTUK VI.

DE BRUILOFT.

Wij hebben in dit hoofdstuk eene dubbele taak, wij willen getuigen zijn van de voltrekking van het huwelijk, zooals de Staat die eischte en van de feestelijkheden aan den bruiloftsdag verbonden, naar gebruik en zede. Op één punt vallen zij reeds aanstonds samen: de wet wil met nadruk de openbare huwelijkssluiting, de volkszeden vragen het even nadrukkelijk: luidruchtig bruiloft vieren moet het zijn met gezang en gejuich, opdat de heele wereld wete, dat er een huwelijk gesloten wordt.

In de tweede helft der achttiende eeuw echter begonnen de aanzienlijken er eene eer in te stellen, om in alle stilte te trouwen, bruid en bruidegom gingen zonder eenig gezelschap, ja soms ieder afzonderlijk, in hun daagsche pak naar kerk of raadhuis. En, om toch vooral maar deftig te zijn en alle opzien te mijden, kozen zij niet de Nederlandsche, maar de Fransche of Engelsche gereformeerde kerk, die minder bezocht waren, al kenden zij vaak hunne talen zóó slecht, dat de koster hun had in te fluisteren, als zij »oui« of »yes« moesten zeggen. Ernstige vaderlanders voelden deze verachting van het openbare huwelijk als eene slappe ontaarding, en Abraham Blankaart zegt, dat hij vreeselijk de nijd op dat stille trouwen heeft, alsof men zich het heilig huwelijk schamen moest en daarom wilde hij niet, dat Saartje indertijd in de Fransche of Engelsche kerk trouwen zou. Toch was dit weer niet bij allen dwaze deftigheid, het was ook vaak de eindelijke reactie tegen de overdaad en de onkieschheden eener »ouderwetsche bruiloft«.

Waar in sommige steden, gelijk veelvuldig te platten lande, nog die nabuursplichten zich hadden gehandhaafd, waarover de heer H. Tiesing in den Nieuwen Drentschen Volksalmanak van 1914 ons heeft ingelicht, daar gingen de buren rond om het huwelijk aan te kondigen en tot de bruiloft uit te noodigen. In Drenthe heette zulk een bode de »broedneuger«, en dat moet wel eene blijde bewegelijkheid in menig stil dorp der landschap gegeven hebben, als de broedneuger, kleurige linten om den hoed en om den stok, van nieuwsgierige kinderen omjoeld, het erf opstapte en vroeg, vaak in een lang gedicht, dat hij met zwier voordroeg, »of 't oe bleeft te komen tegen aanstoande Zundag«. Jammer alleen, dat hij voor zijn moeite placht beloond te worden met een geldstukje, dat in een vol glas brandewijn lag, wat hij dus eerst moest leegdrinken, waarom hij, op 't einde van zijn ommegang, wel aanleiding zal gehad hebben te vragen, zooals in één dier gedichten staat: »Heb ik min boodschap niet wel of kwoalik gedoan....«

In de steden waren het gemeenlijk de bedienden (bij de gegoeden), die de uitnoodiging overbrachten aan magen en vrienden. »De Hollanders«, vertelt in 1664 een Engelschman van ons volk, alsof hij het over Indianen heeft, »hebben geen andere vrienden dan die van hun geslacht: op iedere bruiloft pleegt de geheele stam te vergaderen«. Bovendien was reeds op andere wijze van de naderende bruiloft kond gedaan. Een knecht met een ruiker op zijn borst was met een slede, door een versierd paard getrokken, bij vrienden en kennissen eene zoete lading gaan rondbrengen van bruidssuikers, in zilverpapieren zakjes, met roode en groene linten dichtgebonden, en van de bruidstranen, den hipocras, gekruiden wijn in flesschen, van fijn mandewerk omvlochten.

Op eene 18de-eeuwsche kinderprent (verzameling van Dr. Boekenoogen) ziet men zulk eene slede afgebeeld met den knecht, die de lekkernijen aanreikt en de fooi in ontvangst neemt, waaronder dit rijmpje:

»Het lijkt u Jan dus rond te rijden Met Ipocras bij manden vol, Catrijntje mag het ook wel lijden, De meid is naar 't verval al dol.«

Ook de apotheker, die den drank leverde, had er een zoet winstje aan. Wanneer men huwelijksaankondigingen is gaan rondzenden, kan ik niet zeggen, denkelijk sinds de helft der 18de eeuw, ook heb ik er geene onder de oogen gehad. Over Duitsche heeft onlangs Walter von Zuwesten ons verteld in »Von Fels zum Meer« met afbeeldingen. Zeer fraai was de huwelijksaankondiging (September 1839) van den Düsseldorfer schilder Adolf Schrödter en de bloemenschilderes Alwine Heuser.

De taak der speelnooten, twee bruidsjonkers en twee bruidsmeisjes, was bij de oude bruiloften veelomvattend. Zij leiden de feestelijkheden, plaatsen de gasten, zorgen voor de vertooningen en mogen niet schromen zelven vóór te gaan in dans en lied:

»Soete gespeeltjes, Zijdelingen van de bruyd, Nog éénmaal u held're keeltjes Met de gasten opensluyt!«

Zij waren het ook, die twee dagen vóór den trouwdag den zoeten arbeid van het palmknoopen verrichtten, zij vlochten de buigzame twijgen van den maagdenpalm met vergulde en verzilverde draden tot slingers inéén en wonden die om spiegels en luchters en kandelaars, om stoelen en kasten, onder gelach en ravotten en gulle kussen. Ook zorgden zij voor de bruiloftskroon, twee halve hoepels kruisgewijze over een heelen bevestigd, met roosmarijn en loovertjes omvlochten, met gekleurde waaiers en vlaggetjes, en in 't midden binnenin hingen zij een paar cupidootjes, of twee vereende rechterhanden, of een hart met pijlen, of een wieg--als onbeschroomde en onergerlijke uiting van wat ieder van het huwelijk hoopte. Zou het wiegje binnen enkele weken noodig zijn, dan bleef het versieren achterwege, of vlochten de buren--bij ruwer zeden--de kroon van stroo. Maar waar geen oneer dreigde, zaten bruid en bruidegom op den grooten dag aan den bruiloftsdisch in glorie onder hun kroon:

»Nogh is het niet genoegh; men hangt er groene kroonen Daer haar het weerde pant sal aan den dis vertoonen, De solder en de balk, de muren en het bed, Zijn met gestreckte palm aan alle kant beset.«

Het waren de bruidsmeisjes, die het bruidsvertrek in orde brachten, versierden en (naar de zeden des tijds), om den bruidegom te plagen, de beddelakens aan het bed vastnaaiden, of zijn plaats met harde erwtenschillen bestrooiden.