Verloving en Huwelijk in vroeger dagen

Part 6

Chapter 63,618 wordsPublic domain

Maar groote moeielijkheden ontstonden als opschorsing der geboden werd gevraagd, door wie zeide door den bruidegom te zijn onteerd. Volgens den vasten regel in de Republiek, dat wie een maagd onteert haar moet trouwen (ducere) of geld betalen (dotare), kon de onteerde eene actie instellen en middelerwijl de geboden laten ophouden. Dan werd er naar eene minnelijke schikking gestreefd en dikwijls waren het commissarissen tot de huwelijksche zaken, die trachtten »partijen te accordeeren«. Veelal ging het afkoopen boven het trouwen. Zijn de partijen, heet het in een plakkaat van 1666, te zeer ongelijk van kwaliteit, dan zal de gedefloreerde vrouwspersoon worden gecontenteerd met een eerlijken bruidsschat. Doch beiden betalen f200 boete. De keuze tusschen trouwen of afkoopen stond meest aan den onteerder, soms aan den rechter. Besloot hij tot dotatie, dan mocht het meisje die ook van den vader van haren verleider eischen. Overigens bestond er omtrent talrijke, bijkomende vragen geen vaststaande rechtsovertuiging en daarom doet het te meer leed, dat de kerk haren invloed niet meer voor het trouwen heeft aangewend. Zij kon »niet verstaen, dat een vrij, ongehillichte persoon gehouden (sou) wesen te trouwen eene dochter, die hij beslapen heeft«. Beweert zij, dat hij haar trouwbeloften deed, dan zal de magistraat dat, door afneming van een eed, moeten beslechten. Men zou wenschen, dat de kerk, die herhaaldelijk blijk heeft gegeven, zich de belangen van den zwakke aan te trekken, ook hier krachtiger voor de, dikwijls bedrogen en in elk geval verlaten, vrouw ware opgekomen. Hoe zorgvuldig zij echter zulke gevallen onderzocht, moge blijken uit het volgend gebeurde in de Hollandsche gemeente te Londen. In 1570 wenschte zekere Pieter de Brune te trouwen, maar na de eerste proclamatie werd het bezwaar ingebracht, dat hij te Gent reeds aan eene andere trouwbelofte gegeven had. Geroepen voor den Londenschen kerkeraad, verklaarde Pieter »tbijslapen ten diverschen stonden gheschiedt tsijne«, maar van belofte aan die dochter kon geen sprake zijn, omdat »daer ghenouch gheruchte van oneerbaerheit achter haer ghijnck«. De kerkeraad verlangde toen eene notarieele acte uit Gent, ten bewijze dat genoemd meisje inderdaad »in 't openbare leven zat«, eene dergelijke acte te Londen, waarin hij verklaarde te willen trouwen, maar dat het Gentsche meisje trouwbeloften op hem praetendeerde, voorts eene verklaring, dat hij zich onderwerpen zal aan de uitspraak van »den E. Superintendent den bisschop van Londen, tsij (van) de duytsche consistorie«, eindelijk dat, als 't meisje te Gent binnen drie maanden niet verklaarde, of zij bij haren eisch volhardde, dan eerst Pieter zich vrij achten mocht. Alle acten in duplo ter toezending aan bedoeld meisje. Dit is wel een treffend voorbeeld van wijze herderlijke zorg. Het huwelijk schijnt intusschen niet te zijn doorgegaan, althans in de trouwboeken der gemeente vond ik alleen een Jacques de Brune, getrouwd 11 Mei 1609.

HOOFDSTUK V.

DE VERLOVING OF ONDERTROUW. (VERVOLG).

Het is er verre vandaan, dat nu alles zou zijn onderzocht, waarnaar volgens wet en gewoonte bij den ondertrouw een onderzoek diende te worden ingesteld. Het ergste moet nog komen, d. w. z. het moest blijken, dat partijen niet tot elkander stonden in verboden graad van bloedverwantschap. Ook hier weêr ligt eene geschiedenis achter ons, die tot in den oertijd terug reikt. Waar het matriarchaat heerschte (het moederrecht, waarbij naam, eigendom, voorrecht, stamverwantschap door de moeder overgaan, ook als de vader bekend is), waren gansch andere verboden graden, dan waar het patriarchaat bestond. Broeder en zuster van éénen vader, maar van twee moeders zijn bij het matriarchale stelsel niet consanguinair d. i. bestaan elkander niet in den bloede, waarom Abraham tot koning Abimelech zegt van Sara: »Zij is mijne zuster, de dochter van mijn vader, maar niet van mijne moeder en zij werd mijne vrouw«. In dit stelsel is een man nauw verwant aan dochters van eene tante van moederszijde, wat bij het patriarchale niet het geval is. Voorts speelt hier de opvatting van het stamverband haar rol. Soms is een huwelijk alleen geoorloofd in (dus met nauwer verwanten), soms alleen buiten den stam (dus met geen of zeer verre bloedverwanten). Wederom komen consanguinaire huwelijken voor tusschen zeer nauwe betrekkingen als broeder en zuster, waarbij dus voor de schadelijkheid van dergelijke verbintenissen, door sommige moderne schrijvers aangenomen, niet werd gevreesd. Over dit laatste punt heeft ten onzent, in 1888, N. P. van der Stok een lijvig werk geschreven, »Huwelijken tusschen bloedverwanten«, waarbij eene uitvoerige lijst van vreemde en eigen literatuur. Het Oudisraëlietisch recht verbood te huwen met moeder en stiefmoeder, met zuster, halfzuster en schoonzuster, met kleindochter en schoondochter, met tante en aangehuwde tante, wat van hier in het christelijk en mohammedaansch recht overging. Oudgermaansch recht verbood huwelijken tusschen ouders en kinderen, broeders en zusters. Jacob Grimm, de wijdberoemde grondlegger van de studie der Duitsche taal, van het Duitsche recht en van den Duitschen godsdienst, zegt dit aldus: »Ehverbot wegen zu naher verwandtschaft zwischen eltern, kindern und geschwistern versteht sich von selbst; die kirchengesetze dehnten es aus auf schwägerschaft und geistliche verwandtschaft«. En zóó is het ook. In den beginne ontzegde de middeleeuwsche kerk het huwelijk zóó ver, als verwantschap naar Germaansch recht werd aangenomen. Tot in de 9de eeuw vormt in de Duitsche landen deze derde generatie de grens. Maar in 1058 breidde paus Nicolaas II het verbod uit tot de zevende generatie. Deze bepaling echter bracht zulk een sleep van lasten en moeielijkheden met zich, dat in 1215 Innocentius III er op terug kwam. Volgens hem was een huwelijk in op- of afgaande linie volstrekt onbestaanbaar; tot in den 4den graad der zijlinie ongeoorloofd. Daar echter man en vrouw één vleesch en bloed zijn, waren de verwanten van den een ook die der andere, waarom huwelijken, van wie tot elkander in zwagerschap stonden, insgelijks tot den vierden graad verboden waren. Eindelijk: doopvader en doopmoeder stonden tot den doopeling in ouderlijke betrekking, daarom mocht b.v. de peetdochter niet trouwen met den weduwnaar harer overleden peetmoeder. Dit was de geestelijke verwantschap, welke later door de protestantsche theologen en juristen zou worden ontkend, als geenerlei grond vindend in Gods woord. Volgens hen mochten dus peters en meters over 't zelfde kind wel trouwen. Voor 't overige namen deze gereformeerde en luthersche theologen eene dubbele verhindering aan, eene volgens het O. Tisch, goddelijk, eene andere volgens het Romeinsch en kanoniek, menschelijk recht, waarbij zij trachtten de verschillen te vereffenen. Ik denk o. a. aan Beza's tractaat over huwelijksbeletselen, een boek ontstaan uit academische lessen (1591), dat ook hier te lande, in 't Latijn, en in 't Nederlandsch vertaald, ijverig is gelezen en o. a. door de synode van Tholen in 1602 is aanbevolen, toen zij haar »Forme ende maniere van te ondertrouwen, dienende tot instructie voor den kerckendienaren« opstelde, als bij uitstek geschikt, om de »graden van bloetvrientschap of maeghschap in denwelcken te houwelicken van God verboden is« juist te leeren onderscheiden. Ik denk aan Melanchthon's verhandeling over de bloed- en huwelijksverwantschap, dat zich voor het beoogde doel zeer goed leent, want het geeft een bevattelijk overzicht van wat onder verboden graden te verstaan zij, met voorbeelden uit de bijbelsche historie, de Grieksche mythologie en de profane geschiedenis. Ook de Heidelbergsche hoogleeraar Hieron. Zanchius, die in zijn tijd in aanmerking is gekomen voor een stoel aan de jonge, Leidsche hoogeschool, schreef een hier te lande aanbevolen werk over verloving, huwelijk en echtscheiding, waarin hij ook uitvoerig handelt over de verboden graden. Ten onzent geeft de vermaarde theoloog Gisbertus Voetius een tractaat over huwelijk en huwelijksbeletselen. Welnu, deze theologen en de door hen voorgelichte kerkedienaren zagen wel, dat de verbodsbepalingen in de Schrift niet immer met die in de landswetten of in het kanoniek recht overeenstemden. Dus trachtten zij naar eene regeling van staatswege, waarbij met de bijbelsche opvatting rekening werd gehouden, middelerwijl zich vaak schikkende, in wat zij toch afkeurden. Wanneer de overheid een huwelijk toeliet in een, volgens de gereformeerde kerk verboden, graad, dan voltrok de predikant het niet zonder schriftelijk bevel en na de betrokkenen genoegzaam gewaarschuwd te hebben.

De regeling van staatswege van de verboden graden van consanguiniteit ging langzaam en bleef onvoldoende. Nog in 1673 leggen de Staten van Zeeland de verklaring af, dat zij bij het vaststellen der verboden graden op moeielijkheden stuiten, en dat zij daarom overleg zullen plegen met hunne naastgelegen bondgenooten, de Staten van Holland en Westfriesland, met wie zij altijd dezelfde wetten hebben gehad. Deze laatsten nu hadden reeds in 1580 bij de vroeger genoemde ordonnantie, de verboden graden zoo goed mogelijk behandeld, door Zeeland gevolgd in 1583, door Utrecht in 1584, door Friesland in 1586, Gelderland 1597, terwijl voor de generaliteitslanden het Echtreglement van 1656 de graden voorschreef. Hier werd dan het huwelijk verboden tusschen: 1º. Ouders en kinderen, opwaarts en nederwaarts; 2º. broeders en zusters 't zij van vollen of van halven bedde; 3º. man en schoondochter of kleinschoondochter, vrouw en schoonzoon of kleinschoonzoon; 4º. man en voordochter der overleden huisvrouw, vrouw en voorzoon van den overleden man; 5º. man en de weduwe zijns broeders, vrouw en den weduwnaar haars zusters; 6º. man en de weduwe van broeders of zusters zoon, vrouw en den weduwnaar van broeders of zusters dochter. De verboden graden door bloedverwantschap waren ook die door huwelijksverwantschap: in den zooveelsten graad als iemand is mijn bloedverwant, in den zooveelsten is zijn vrouw mijn huwelijksverwant, legt Melanchthon ons uit en Huig de Groot leert: »In swagerschap is verboden te huwelijken binnen de leden hier voren van bloede vermaant.«

Wij willen nu zien, hoe deze theoretische wetsbepalingen hare toepassingen vonden in de practijk van het gewone leven, om de kennis waarvan het ons hier bovenal te doen is. Over de beide eerste graden bestond geen verschil. Verbintenissen tusschen neef en nicht, van ouds verboden, waren veelvuldig voorgekomen. »Otto Gerijts«, zegt eene Arnhemsche schepenaanteekening d.d. 22 Mei 1555, »heeft bij zijns ooms dochter geslapen ind twe kynder by haer geworven. En, so hij sulx nyet hefft willen laeten,« heeft de pastoor den schout met de kerkmeesteren in de vergadering van het kerspel te kennen gegeven, »dat zij sulx de werltlicke here solden laeten straffen.« De vereeniging tusschen neef en nicht gold tijdens de Republiek volgens kerkelijk oordeel voor oneerbaar: wel verbieden Gods woord en de geschreven wetten het niet, maar het is toch niet stichtelijk. Hier is invloed van het kanonieke recht, dat, zegt Beza, nog precieser zijn wil dan God in Zijn woord en zelfs het huwelijk verbood tusschen zusterskinderen tot den derden graad. Zoo mocht dan volgens gereformeerd inzicht geen huwelijk plaats hebben van een man met »sijns broeders wijfs dochter, dewelke is sijne betroude nichte«, ook niet van een man met de nicht van de vrouw, met wie hij geboeleerd heeft. Het is eigenaardig, dat eene Groningsche synode van 1613 huwelijken tusschen neef en nicht afkeurt, omdat de vriendschap tot andere geslachten moet worden uitgebreid. Zoo oordeelde ook de kerkvader Augustinus reeds, toen hij het huwelijksbeletsel der bloedverwantschap een uitvloeisel noemde van de goddelijke wet, die wil, dat niet alleen door de banden des bloeds, maar ook door die van den echt, de gemeenschap der menschen met elkander in den ruimsten zin bevestigd zal worden.

Hevige beroering wekte in Groningsche doopsgezinde kringen anno 1681 het voorgenomen huwelijk van een achterneef en achternicht. Christoffel Wensing, van de Vlaamsche gemeente te Groningen wenschte te trouwen met Antje Mennes van Appingedam en--beide vaders der jongelui waren neven! De kerkeraad te Groningen weigerde zijne toestemming te geven... uit vrees dat zulk een huwelijk bloedschande mocht zijn. Er hadden twee samenkomsten plaats van de oudsten en de afgevaardigden uit de naburige gemeenten, die telkens de zaak naar Groningen verwezen. Toen ging Christoffel naar Appingedam (het was intusschen al voorjaar 1683 geworden!), vroeg dáár de voltrekking van het huwelijk, maar ontving eene weigering, waarop, om de zaak te beslissen, eene vergadering is gehouden van _alle_ Vlaamsch-doopsgezinde gemeenten, met afgevaardigden uit 29 gemeenten, onder wie 3 Oostfriesche. De eerste vergadering duurde van 6 uur 's avonds tot twee uur na middernacht, de volgende begon 's middags 12 uur en besloot eindelijk het geval te onderwerpen aan de stemming der Groninger gemeente. Een-en-vijftig stonden het verzoek van Christoffel toe, maar »met kommer«, drie-en-twintig waren er tegen. Daarop besloot deze synode in de uitspraak der Groninger broederschap te berusten, »met kommer en noodshalve« en onder zekere voorwaarden. »Zooveel had het in«, roept De Hoop Scheffer uit, die ons deze geschiedenis heeft verteld, »om in Groningen onder de Vlaamsche doopsgezinden zijn achternichtje te trouwen!« Laat ons hopen dat Christoffel en Antje gelukkig zijn geweest. Maar de lezer bespeurt, dat de gansche zaak buiten de overheid omgaat: die had het huwelijk zeker toegestaan. Christoffel Wensing wilde zich echter niet buiten het gemeenteverband stellen en moest daarvoor de lasten overhebben.

De eigenlijke moeielijkheden intusschen begonnen eerst bij een huwelijk van den man met de betrekkingen zijner overleden vrouw en omgekeerd. In sommige gevallen was door de landswetten voorzien, maar er deden zich telkens nieuwe voor, waarover dan uitspraak moest worden gedaan, waarbij het oordeel der kerkelijken zijn invloed oefende. Een huwelijk tusschen den man en de voordochter der overleden huisvrouw was, zagen wij, in de ordonnantiën verboden. Toch wenschte Nicolaas Nieuwland, burgemeester van 's-Gravenhage, in 1626 zulk een huwelijk aan te gaan, waartoe prins Maurits toestemming gegeven had. Maar, terwijl er reeds twee geboden gegaan waren, schutten Heeren Staten het derde en, niettegenstaande de man bij zijne vrouw geene kinderen gehad had, sloegen zij het huwelijk af. Volgens de gereformeerde kerk zou de burgemeester zich aan bloedschande hebben schuldig gemaakt. Toen het eens te Opwierda in Groningen bleek, dat zekere Jan Cyess met »sijne stiefdochter boleerde«, werden aanstonds maatregelen genomen »daermit doch sülcke grouwelen vuth dem lande gewehret mochten werden.«

Het huwelijk tusschen den man en de zuster der overleden vrouw was zóó gewoon en lag, door huiselijke omstandigheden, zóó voor de hand, dat de overheid, schoon het verboden was, aarzelde het te veroordeelen. Toch gevoelden velen het als ongeoorloofd en achtten het althans als »lichtveerdigheyt in den h. ehestandt«. Ja, terwijl natuurlijk het huwelijk verboden was van den man met de weduwe zijns broeders, gold ook het trouwen met de halfzuster der overleden huisvrouw in vele kringen voor zonde, wat zich zelfs uitstrekte tot het huwelijk met hare bastaardzuster. Tot deze groep reken ik ook het huwelijk tusschen den man en de vrouw van den broeder der overleden huisvrouw, zijne schoonzuster dus ook, maar verder af. De overheid liet dat soms toe, zooals bij een geval te Gouda in 1601. Daar was Cornelis Cornelisz. getrouwd geweest met Grietje Anteunisdr., Adriaan Anteunisz. haar broeder, met Maaike Adriaansdr. Grietje en Adriaan waren gestorven en nu wenschte Cornelis met Maaike te trouwen. Mocht dat? Het gevoelen was, dat hier de affiniteit, de zwagerschap, ver genoeg was, om het toe te staan, maar dat de eerbaarheid, het fatsoen er toch tegen opkwamen. Wij zijn niet blind voor de zorgvuldigheid der overwegingen, opdat maar de zuiverheid des huwelijks onbesmet zou blijven, al is het waar, dat men soms al te angstig was.

Tot wijder kring, maar in dezelfde rubriek, is te rekenen het huwelijk met de tante der overleden huisvrouw. Bij zulk een geval, anno 1604, heerschte nog onzekerheid, al waren velen geneigd het een »abominabel huwelijk« te noemen. Nu gold het hier eene »bloetmoeye« en dat kon niet nalaten, oordeelden zij, den toorn Gods te wekken. Maar eene eeuw bijkans later, in 1698, was er geene onzekere jurisprudentie meer en weigerde de magistraat zulk eene verbintenis, zelfs waar het thans geene »bloetmoeye«, maar eene »coude moeye« betrof. Jacob Jansz. Knecht nl. koopman te Amsterdam, was weduwnaar van Catharina Peckstok en wenschte te hertrouwen met Maria Sarragon, zuster van Catharina's insgelijks overleden moeder. Na de tweede proclamatie werd de derde geweigerd. Knecht wendde zich tot de hooge regeering en betoogde, dat het huwelijk allerminst geschiedde uit ongebonden driften, maar met alle modestie en eerzaam overleg; dat hij met zijne eerste vrouw maar weinig maanden getrouwd geweest was en geene kinderen bij haar had verwekt; dat de bruid, eene zedige, pieuse, bejaarde dochter zich de opschorting der geboden zoodanig aantrok, dat zij daardoor genoegzaam in eene mijmering vervallen was. Het mocht alles niet baten. Bij resolutie van 25 Januari sloegen H. E. Gr. Mog. het verzoek af, zich beroepende op de ordonnantie van 1580, laatste lid nederwaarts t. w. huwelijk van eene vrouw met den weduwnaar van de dochter eener zuster. Op een huwelijk als dit, tusschen den man en zijne koude tante, achtte men ook Levit. XVIII, 14, XX, 20 toepasselijk: »tot de vrouw van den broeder uws vaders zult gij niet naderen: het is uwe tante.«

Mag de man trouwen met een nicht der overleden vrouw? In Holland en in Groningen zijn van kerkelijke zijde zulke verbintenissen veroordeeld. Het is waar, dat een dier gevallen was verzwaard door de omstandigheid dat »die voorsz. nichte in absentie sijns wijfs met den man op sijn bedde gelegen had,« naar zij zeide, »om sijns crancken kinds wille«. Toch stond het oordeel er over niet vast, en de overheid ging met hare beslissingen waarlijk niet over éénen nacht ijs. Den 8sten April 1638 wendden de Staten van Utrecht zich tot de theologische faculteit, toen bestaande uit Gisbertus Voetius en Meinardus Schotanus, met de vraag: »of iemand mag trouwen met de dochter der zuster der overleden huisvrouw?« Dezelfde vraag legden zij voor aan de juridische faculteit, aan vier advocaten en aan de gereformeerde predikanten. Tot dusver had men zulk een huwelijk toegestaan. Voetius heeft toen het antwoord gesteld, dat daarna werd geteekend door Schotanus en de vijf predikanten. Later bleek, dat het antwoord der juridische hoogleeraren en van twee advokaten met het hunne geheel overéénkwam t. w. zulk een huwelijk is volstrekt verboden. In de vergadering der Staten is het stuk toen gelezen en overwogen en, naar de bedoeling ervan, het verbod voor de provincie Utrecht uitgevaardigd. In Holland werd dit soort van huwelijk verboden bij publicatie van 21 Mei 1664. Maar de Utrechtsche geschiedenis toont wel duidelijk, hoe omzichtig de vaderen in deze stoffe te werk gingen. Onder deze bepaling achtten sommigen zelfs te behooren het huwelijk van den man met de dochter van den halven broeder of de halve zuster der overleden huisvrouw, als hij dus de »coude oom« zijner bruid was.

Wat moet men denken van een huwelijk tusschen den man en de stiefmoeder der overleden huisvrouw? Er was in de landswetten wel voorzien in 't geval, dat iemand de stief_dochter_ zijner overleden vrouw zou willen huwen, maar dat hij zijne aangetrouwde stief_moeder_ zou begeeren, daaraan had niemand gedacht. En toch, ziethier ten jare 1697 Daniël Hooydonck, weduwnaar van Arriaantje Bont, die de geboden vraagt met Sara Wallencourt, stiefmoeder der doode Arriaantje. Immers Sara was de tweede vrouw geweest van wijlen Abraham Bont, in leven koster der Walenkerk te 's-Gravenhage, die in zijn eerste huwelijk vader was van Arriaantje. Schepenen durfden om het zeldzame geval het derde gebod niet laten gaan. Daniël heeft het toen hooger gezocht en 31 Januari stonden H. E. Gr. Mog. den trouw toe.

Het aantal mogelijke gevallen op dit gebied is als dat der sprinkhanen in menigte. Mag een man trouwen met de bruid van zijn overleden broeder? Of (ik noem alleen wat zich inderdaad heeft voorgedaan) met de zuster zijner gestorven bruid? Mag een jonkman trouwen met de bijzit van zijn oom? Op deze al bijzonder onfrissche vraag antwoordt eene synode van 1592 terecht, dat zulk een huwelijk »nyet in Godts woordt bestaen mag«, wat natuurlijk ook geldt van een huwelijk tusschen een weduwnaar en de bijzit van zijn broeder, die bovendien nog in leven is. Maar met deze overwegingen hebben wij de grenzen van het gebied der verboden graden in eigenlijken zin reeds overschreden. Wij stappen er dus van af. Misschien zijn sommigen onzer lezers reeds ongeduldig geworden: zij begeeren nu eindelijk tot de blijde bruiloft te mogen ingaan. Zij hebben, vinden zij, nu genoeg stof om met Philogamos in Cats' »Weduwenhouwelijk« te kunnen uitroepen: »Hoe! Is het huwelijk soo lange in de werelt geweest, waarde man, en sijnder noch soo veele saecken omtrent die gelegentheyt te vinden, die heden noch in twijfel staan?« Helaas, wij zijn nog niet aan de bruiloft toe. Bij den ondertrouw kan nog van andere huwelijksbeletselen blijken.

Afkeurenswaardig achtte de kerk het huwelijk tusschen een voogd of diens zoon en de weeze, die zijn pupil was, tenzij met toestemming der Staten. Dezen gaven haar in geen geval vóór de eindrekening had plaats gehad, wat bij de meerderjarigheid der pupillen geschiedde, meest ten overstaan van de vertegenwoordigers van het openbaar gezag. Huwelijksbeletsel was voorts krankzinnigheid. Dan melaatschheid. Ten jare 1470 was Geert ten Starte, burger der stad Kampen, door lepra aangetast, maar de stadsdokter, mr. Franck Johanssoen, gaf, na consult met vier Utrechtsche geneesheeren, hoop op herstel. Maar de vrouw van den patiënt beklaagde zich over het geld, dat de behandeling kostte en wilde ook niet langer met haren man samenwonen. Geert wendde zich toen tot den Raad met verzoek haar in beide opzichten tot rede te willen brengen, onder overlegging van een rechtsgeleerd advies, waarin uit bijbelsch en kanoniek recht werd betoogd, dat zij tot samenwoning verplicht was. Maar dit was niet de gewone opvatting. Als regel gold onder de Republiek, dat het huwelijk tusschen melaatschen en gezonden verboden was, dat trouwbeloften met iemand, die later blijkt lepra te hebben, van onwaarde zullen zijn en dat zij onderling slechts mochten trouwen met consent van de overheid. In geval van een voorgenomen huwelijk geschiedde te Amsterdam de keuring, van wie verdacht werden besmet te zijn, in de spreekkamer van het leprozenhuis, aan de wand waarvan die bekende schilderij hing, verbeeldende den »vroolijken« optocht der leprozen op koppermaandag. Vertoonde de gevreesde ziekte zich echter na het huwelijk, dan, oordeelde o. a. Cats, mocht men den band er niet om breken:

»Al kreegh uw wederpaer de witte laserije, Al kreegh uw wederpaer de swarte rasernije, Hij blijft uw man...«