Verloving en Huwelijk in vroeger dagen
Part 5
De kerkelijke ondertrouwregisters en de stadhuispuiboeken zijn hier beter, daar slechter, soms in 't geheel niet, bewaard, of ook hier nauwkeurig, daar slordig bijgehouden, door slechte berging, vocht, muizetanden aangevreten, terwijl wij af en toe met huivering lezen, dat de zoontjes van den burgemeester er hunne pennen, ja hunne nagels op oefenden of de domineesjuffrouw er papillotten van maakte: waaraan ze bezweken. Het is hartbrekend zoo meedoogenloos als menschen met oude papieren konden (en kunnen!) omgaan. Jacob van Lennep vertelt ons, dat hij eens een jonge juffrouw aantrof, met een mand naast zich, bezig de brieven te verscheuren en daarin te werpen van een harer ooms, die gezant bij de Porte geweest was. Zoo werd ook het gansche archief der stad Zalt-Bommel van vóór 1660 in 1831 opgeruimd, 2164 halve kilo's aan papier en 16 dito aan perkament. Door dezen verkoop was het gemeentebestuur (eere wien eere toekomt, zegt met begrijpelijke bitterheid De Hoop Scheffer, die ons het feit herinnert) in staat zich een groen tafelkleed voor de vergaderzaal en een paar witte gordijnen aan te schaffen. Gelukkig ontbreekt het goede niet. De puiaanteekeningboeken van Amsterdam b.v. zijn in voortreffelijken staat en wie er in bladert, ziet de geslachten der menschen langs zich heengaan en hem treft menige beroemde naam: »25 Aug. 1590 Jacobus Arminius, predikant deezer steede, geadsisteerd met Claes Fraensz. (Oetgens van Waveren) burgemeester deezer steede ter eenre, en Lijsbeth Laurensdr. oud 20 jaar, wonende op het Water in de gulde Reaal, geadsisteerd met Laurens Jacobsz. [Reaal] schepen en raad, haar vader en Geertje Pieters, moeder, ter andere zijde«; »20 Nov. 1610: Joost van Vondel en Maayke Wolf«; »10 Juni 1634: Rembrandt van Rijn en Saskia Uylenburg« en zoovelen meer, die allen als gewone menschenkinderen van vrijen tot trouwen gekomen zijn en zich voor commissarissen hebben laten aanteekenen. Wil men ten besluite van dit deel onzes hoofdstuks een bewijs, hoe angstig de kerk op de proclamaties acht gaf (met reden, waarlijk!): »Wordt gevraagd« (ter synode van Haarlem anno 1600) »wat men doen sal in een sake des huwlijks, waerin een seker joncman belofte hebbende met eene jonge dochter, henengegaan is nae de commissarissen der huwelijxsche zaken ende nochtans de dochter, die hij verwachtede, niet en is verschenen, waardoor hij, vertoornd zijnde, nae een ander plaetse is vertrocken, alwaer hij hem aen een ander beloeft ende twee huwelijcksche proclamatiën ghehadt heeft, maer en is het huwelijk niet bevesticht geworden, doordien dat de voorschr. dochter de derde proclamatie heeft opgehouden, ende is niettemin nochtans in huyshoudinge met de tweede getreden ende daerin soo lange gebleven, totdat de dochter, met welcke hij eerst beloeft was, met een ander man openbaarlijck is ghehuwelijckt ende nu versoect in den huwelijken staat bevesticht te werden«. De synode staat het toe.
Bij de aanteekening nu moest eerst, als van oude tijden, de toestemming blijken van partijen. Vervolgens het consent der ouders. Van de oude, gewestelijke rechtstoestanden zij slechts kort vermeld, dat in Friesland minderjarigen de toestemming van ouders of voogden noodig hadden (zie boven blz. 66), dat in Gelderland noch in Holland het ontbreken van die toestemming de nietigheid des huwelijks met zich bracht, wel vermogensnadeelen, terwijl in hetzelfde Gelderland eerst de Echtorde van 1597 die nietigheid uitsprak. Reeds vroeger had ook het Eeuwig Edict van Karel V (1540) het consent der ouders geëischt. Toch vinden wij herhaaldelijk zulke huwelijken vermeld b. v. »Den 21 Juny 1618 capiteyn de Vries getrout met Lambrecht Kanters dochter, van (ds.) Taurijn in de Buerkerk, tegen wil ende danck des vaders«. Jonker Lambert Kanter, raad der stad Utrecht, was ouderling ter synode van Dordrecht en zou aldaar overlijden 24 April 1619 en den 27sten plechtig worden begraven. Ds. Joh. Taurinus, de bekende schrijver van de »Weegschaal« was vurig remonstrant: zoo zal de weigering des vaders hier wel in het godsdienstgeschil haar oorzaak gevonden hebben. Het blijft de roem der gereformeerde kerk, dat zij met nadruk het consent der ouders eischte. Reeds in 1572 had de eerste Noordhollandsche synode uitgesproken: »Nyemant, die onder eens anders macht geworpen is (zal) hem vervoirderen hem met yemant te verloven sonder die haer wille, die sij onderworpen sijn, daartoe te hebben«. Ouders en vrienden moeten, stelt zij voor (en dit is ook regel geworden), met de jongelieden medekomen, en anders moet men dezen met schande afwijzen, »al waert dat sij den dienaren oyck veel wilden wijsmaecken«. De Dordtsche synode van 1574 spreekt zich in denzelfden geest uit. De kerk placht zich gaarne te beroepen op het voorbeeld van Simson, den richter in Israël, die »gezien hebbende eene vrouw te Thimnat van de dochteren der Filistijnen, zoo ging hij opwaarts en gaf het zijnen vader en moeder te kennen en zeide: neem mij die tot vrouw«. In overeenstemming daarmede de overheid in 1580: de proclamatiën worden niet toegelaten zonder consent der ouders. Toen de student Corn. Floor te Franeker in 1598 huwen wilde met eene pupil van prof. Drusius (het was een in die dagen berucht geval) verzocht de kerkeraad aan de overheid de proclamatiën op te schorten, totdat gebleken zou zijn van 't consent van 's jongelings moeder. Ouders, verhinderd zelven te verschijnen, mochten bij volmacht van hunne gevoelens laten blijken. Daarvoor put ik een voorbeeld uit de genoemde pui-boeken van Amsterdam. Op 31 Mei 1625 kwam Warner van Lennep (voorvader van het bekende geslacht) ter aanteekening ten stadhuize, bijgestaan door secretaris Valckenier (want de jongman had, afkomstig van Emmerik, in Amsterdam geen verwanten), vertoonend zijns vaders consent. Met hem de bruid, Sara van Halmael, geassisteerd door haar stiefmoeder. En dan de bijvoeging: »de vader heeft gezegd, dat hij de geboden niet zal schutten«. Het was geen consent van harte blijkbaar. Daar het woord »ouders« aanleiding gaf tot misverstand, bepaalden de Staten van Holland en Westfriesland in 1671, dat de uitdrukking »ouders« in art. 3 der ordonnantie van 1580 te verstaan zij als vader en moeder, niet grootvader of grootmoeder. Eindelijk, dat het voorschrift omtrent het oudersconsent langzamerhand zich in de zeden vastzette, blijkt o. m. uit de verbazing, waarmede Nederlanders in den vreemde afwijkende toestanden opmerkten. Den 4den Mei 1689 teekende Const. Huygens de zoon in zijn journaal aan, dat in Engeland een meisje van 14 jaar een goed en valide huwelijk kon sluiten in 't geheim en zonder het consent der ouders.
[Illustratie: Kinderhuwelijk.
Willem II en zijn bruid Maria van Engeland.
Naar de schildering van Van Dijck, in het Rijksmuseum, Amsterdam.]
Ziehier ons de gelegenheid geboden iets te zeggen van de leeftijdsgrens. De verbazing van Huygens vond haar oorzaak in die 14 jaren. Want dat ten onzent de geboden zonder toestemming der ouders niet werden toegelaten, gold alleen voor jongemannen onder de 25, voor jongedochters onder de 20. De leeftijdsgrens voor huwelijken was oudtijds in de verschillende gewesten verschillend, men vindt 18-14, 14-12, terwijl huwelijken onder deze jaren gesloten voor oneerlijk en strafbaar, niet voor nietig golden. Zoo nog onder Karel V. Maar onder de Republiek waren zulke kinderhuwelijken verboden. In Friesland en Utrecht werden ook bij de vrouw de 25 jaren geëischt, vóór zij het ouderlijk consent zou kunnen ontberen. Wie dan nochtans zulk een verboden echt sloot, mocht geen aanspraken op het huwelijksgoed doen gelden, verstandige bepaling ter bescherming van jonge, onervaren erfdochters, opdat niet een of andere schavuit haar hart veroveren, haarzelve schaken en voorts met haar en haar geld trouwen zou--wat toch telkens geschiedde. Was alzoo 14 en 12 jaar voor man en vrouw de uiterste grens nederwaarts volgens de wet--hoe stond het er mee in de practijk? Wij hebben daaromtrent geene opzettelijke onderzoekingen onder oogen gehad, met name niet voor kinderhuwelijken, zooals dat o. a. in Engeland is geschied. Over het onderwerp in het algemeen stip ik slechts aan, dat sommigen de oorzaak van kinderhuwelijken vinden in den wensch der ouders om ontduiking hunner macht (b.v. door schaking) te vóórkomen. Zeker geldt dit niet voor alle dergelijke verbintenissen, zooals ze bij Hindoes en Australiërs, bij Balineezen en Dajaks gesloten worden, en waarvoor onderscheiden redenen bestaan. Ook heeft reeds wijlen de hoogleeraar Wilken onderscheid gemaakt tusschen wezenlijke kinderhuwelijken en verlovingen tusschen kinderen. Maar opmerkelijk is, dat ze in Engeland nog zoo laat, in de 16de en 17de eeuw, gesloten worden. Zoo heeft F. J. Furnivall een onderzoek ingesteld alleen voor de diocees Chester van 1561 tot 1566 met allerbelangrijkste uitkomsten, en wel zonderling klinken ons getuigenissen als dat »Harie Accars at the time of his marriage with his child wife Jane was »about the age off viij yeres and the said Jane about iiij or v yeres old««. Zulke kinderhuwelijken werden in alle vormen gesloten, waren in de gevolgen meest uiterst ongelukkig en hadden verschillende oorzaken. Uitgenomen enkele dergelijke verbintenissen uit staatkundige beweegredenen (toen Willem II met Maria Henriëtte Stuart trouwde, 12 Mei 1641, was hij nog geen 15, zij juist 10 jaar oud) zijn mij ten onzent op dit punt geen gegevens bekend. Wel voorbeelden van zeer jong trouwen. Toen Jacob de Witt 9 October 1616 met Anna van den Corput in den echt trad, was de bruid 16 jaar. In de deftige families bleef dit niet ongewoon, en in de nadagen der republiek vinden wij huwelijken, waarbij de jonge dochter 15, 16 meest 17 of 18 jaar oud is. Sommigen vonden dat te jong. Mevrouw Helder »zoude ongaarne zien dat haare Dogter (van 18 jaar) zoo vroeg trouwde, als nu meer en meer de mode wordt.« In eenvoudiger kringen schijnt de huwelijksleeftijd ouder, 25 tot 30 jaar, omdat daar het wachten op den noodigen welstand meêtelt, soms ook de familieband. Op alle dorpen van Rijnland en Delfland, laten wij ons vertellen uit het derde kwart der 18de eeuw, vindt men jongelieden die 10 à 12 jaar gevrijd hebben, ja die niet voor hun 50ste jaar getrouwd zijn, niet uit al te groote koelheid, maar uit eene ongemeen sterke ouderliefde. Een Duitsch reiziger op 't eind der eeuw vertelt, dat in Engeland meer ongehuwden van 40 dan in Nederland van 25 jaren zijn.
Waren de jongelieden boven de 25 en 20 en konden zij geen consent vertoonen, dan werden de ouders ontboden en gehoord, waarna de magistraat over de gegrondheid hunner bezwaren besliste. Zijn de ouders binnen twee weken niet verschenen, dan gold dit voor toestemming; kwamen zij en was de rechter het met hunne bezwaren eens, dan was er geen appel of reformatie, gelijk de desbetreffende bepaling van 1597 in 1663 werd vernieuwd. Natuurlijk kwam het ook voor, dat de rechter het niet met hen eens was en dan mochten de geboden voortgang hebben. Jammer, dat kerk en staat ook hier zich niet immer naar elkander voegen wilden, dat schouten en secretarissen ten platten lande zich »vaak niet wilden conformeeren met de politie der H.H. Staten om 't consent der ouders te verwachten«, oorzaak van vele landelijke drama's. Te Nieuwkoop woonde in 1595 eene vrouw, die met drie mannen tegelijk ondertrouwd was en nu, zonder consent, met den derden te Nieuwveen wilde trouwen. De predikant weigerde terecht. Toen liet de baljuw van Rijnland haar door zijn schout trouwen.
* * * * *
In gegoede kringen stelde men bij de verloving ook de huwelijksvoorwaarden vast, waaronder ook het spelden- en het weduwengeld, voorts morgengave (waarover later) en bruidschat. Waar de bruidegom alleen zijne sterke handen en de bruid haar »eertje en haar kleertje« meebracht, kon de belijing achterwege blijven. Jan Steen heeft zulk een huwelijkscontract op een prachtig stuk vereeuwigd. Den huwelijkshandel tusschen de ouders der geliefden, waarbij het wederzijdsche goed tegen elkaâr werd opgewogen, zien wij op prenten vaak voorgesteld door een weegschaal, waarop de jongelui zitten. De plank, waarop het meisje met een schatkistje in haren schoot, daalt, die, waarop de jongeling met leege handen, rijst: het huwelijk springt af. Gelukkig, zoo men het eens werd en de mansvader (als in Friesland) der bruid den riem gaf met kettinkjes, waaraan sleutels, schaar, reukballetje en spiegeltje, als om de arbeidzaamheid en de schoonheidszin, der huisvrouw beide noodig, zinnebeeldig uit te drukken. Uit de 16de eeuw hebben wij als geschenken bij die gelegenheid: damasten rokken, gouden ringen, armbanden, maar ook een spinnewiel, tafellakens, drinkvaten, maar ook een in blauw fluweel gebonden gebedenboek met gouden sloten en ook--onergerlijk en natuurlijk--een wieg. In Groningen heette deze bijeenkomst de wijnkoop, omdat de wijnkan er lustig bij rondging en het contract ving doorgaans aan: »Dat ter eere Gods en (zelfde gedachte als bij de wieg) tot vermeerderinge des menschelijken geslachts een wettig huwelijk is beraamd tusschen ...« De bekende Groninger predikant R. Alberthoma teekende in zijn dagboek op 4 Jan. 1753 aan: »van middag is de wijnkoop gehouden van den heer Paulus Chevallier, theol. prof. en onze enige dochter Margaretha Geertruid.« Een zeer eigenaardig geval deed zich in 1775 in de Beemster voor, waarvan Betje Wolff, die daar toen immers woonde, geheel vervuld was en er aan haren vriend, dr. D. H. Gallandat over schrijft. De schatrijke weduwe Agatha van Foreest--geb. Van Foreest, moeder van acht kinderen, werd verliefd op een armen Beemster boerenjongen, Jan Schenk, die nog met haar kinderen had gespeeld. Toen zij besloten was hem te trouwen, liet zij hare kinderen samenkomen op haar buitenplaats in de Beemster (de twee oudste zoons waren officier), deelde hun haar plan mede en beloofde, als een der huwelijksvoorwaarden, hun een millioen gulden af te staan. Er ontstond een zware twist,--»de degens zijn uitgeraakt en de Heeren hebben hunnen aanstaanden stiefvader van de Plaats gejaagd met vele dreigementen.« Toch heeft toen mevrouw de geboden laten vragen, die, na protestatie der familie, ook gegeven zijn. Daar de bruigom roomsch was, moesten zij van zes tot zes weken onder de geboden staan; het huwelijk volgde 4 Juni en werd, zeker om de ergernis, in huis gesloten. Het portret dezer trouwlustige dame hangt in het Westfriesch museum te Hoorn als No. 56. Over ergerlijk bedrog met huwelijksche voorwaarden ontbreken helaas de berichten niet. Men bepaalde een veel hooger som, welke de vrouw mede ten huwelijk bracht, dan de waarheid was, wees haar een douairie of lijftocht toe, grooter dan de wederzijdsche bezittingen samen bedroegen: bij een breuk (faillissement) trok de vrouw dit alles van den boedel af en voor de schuldeischers bleef 10% over!
[Illustratie:
_De Lifde eylaes heeft nu den sack gecreghen, D' ouders Weghen, haer dochter in balance, Heeft den uryer soo ueel goets niet daer teghen, Het houwelyck is af, hy moet uanden dance._
_Amour est refroidy, affection est morte, L' Hollandois ueult la dote et la fille poiser: Que si le Jeun Amant aultant des biens n' apporte, Ailleurs il luy faudra sa fortune chercher._
Huwelijksweegschaal.
Foto naar een prent, toegeschreven aan G. de Jode.]
* * * * *
Bij den ondertrouw dienden partijen al verder over te leggen een »getuigenis van vrijigheid«, bewijs dat men ongetrouwd was. Tegen bigamie hebben kerk en staat gelijkelijk als tegen een groot en schadelijk euvel krijg gevoerd. In onze periode kwam de verbintenis met meer dan ééne vrouw als wettige huwelijksvorm reeds lang niet meer voor; waartoe zijne neiging ook nog iemand voeren mocht, godsdienst, recht en zede stempelden gelijkelijk polygamie als overtreding. Het beroep op de oudvaders in het O. T. wezen Beza, à Limborch, Barlaeus, Cats en wie er verder over geschreven hebben, af met te betoogen, dat zij dwaalden, of dat de veelheid der zondaren de zonde niet verontschuldigt, of dat God in den beginne de veelwijverij toeliet, om de aarde bevolkt te krijgen, maar dat zij toch niet in zijn plan lag, omdat Hij anders gemakkelijk uit Adam meer dan ééne Eva had kunnen scheppen. In de jaren 1535 en een tiental volgende was dit betoog te pas gekomen tegen munsterschen, batenburgers en davidjoristen, die het dubbel huwelijk in theorie verdedigden en in de practijk toepasten. Bekent niet Jan Pietersz. van Alkmaar dat »hem door den leeraar Jacob Remmes is gegeven geweest tot sijne tweede huysvrouwe, de voorsz. sijne eerste huysvrouwe noch levende, eene genoempt Nele?« Was niet de wederdooper Lourijs Lourijsz. van Leiden met Dorothea Pietersdr., ook in 1534, als met zijne vrouw naar Dordrecht gereisd, om daar te prediken, zijne eerste vrouw te Leiden achterlatende? Was niet Maria Barent Gerrijtsdr. uit het land van IJselstein, eerst getrouwd met Gerrit Kieviet, die te Amsterdam werd onthoofd, daarna »een van de huysvrouwen geweest van eenen Corn. Appelman oick van den verbonde van Batenburch, die voor sulx tot Utrecht geëxecuteert is geweest?« Doch de verdwaasdheid dezer ongelukkige schepsels heeft maar kort de toenmalige maatschappij in beroering gebracht. Thans dan waakten staat en kerk zoo goed mogelijk tegen dubbel huwelijk, al was het vaak uiterst moeielijk zekerheid van iemands dood te verkrijgen. Toch kon strengheid bij zoo groot gevaar geen kwaad: bij gebleken bigamie volgde soms doodstraf, te Amsterdam werd iemand, die bij het leven zijner vrouw geboden had gevraagd, gegeeseld. Omgekeerd heeft de overheid voor bigamie te goeder trouw genadig willen zijn door o. m. de wettiging der kinderen mogelijk te maken. Echter heeft zij geen gevolg kunnen geven aan den wensch der gereformeerde kerk, dat men alleen zou mogen trouwen ter plaatse waar de geboden waren gegaan. Dat was niet tegen te gaan. Wel echter moesten, als partijen op verschillende plaatsen woonden, op beide de geboden gelezen worden. Hier is een voorbeeld, ook voor plattelandstoestanden eigenaardig: »Edam 30 Juni 1612 getrouwt Dirck Cornelisz. van Haakswijck (Axwijk) met Trijn Jansdr. van Middelije (Middelie) met goede attestatie des schoolmeesters tot Middelije haare wettelijke uytroepingen gehad te hebben, getrouwt hier te Edam in de hooytijd, dat tot haerent niet gepredickt wordt en daerom oock haer preddicandt van huys was«. Juist omdat het doodsbewijs soms zoo moeielijk te leveren viel, toonde ook de kerk vaak mededoogen. Zekere George Church, een Engelschman, te Rotterdam wonend, had daar, in 1633, eene weduwe getrouwd, Margaretha Hope, die twee mannen gehad had. Maar nu was het gebleken, dat de eerste dier twee nog leefde, in overspel met eene andere, nadat hij Margaretha »malitieuselijck« had verlaten. Toen George dit te weten was gekomen, had hij zich aanstonds van zijne vrouw afgezonderd en eene scheiding bewerkt tusschen haar en dien eersten man. Hij vroeg nu aan de synode van Den Briel of zijn huwelijk met Margaretha, vóór den datum dier scheiding, onecht was geweest en zij dus op nieuw moesten trouwen? Waarop de hooge vergadering »nemende in consideratie de onmijdelijcke onwetenheyt van den man, de trouwloose verlating van Margaretha Hope bij haren eersten man, den commer van d'een en d'ander sijde...« het huwelijk voor wettig verklaarde. In 1664 werd Johan de Witt om advies gevraagd in eene dergelijke zaak van teeren aard. Eene vrouw was getrouwd met een man, die op dat tijdstip in Holland nog eene andere vrouw in leven had, al heette het dat zij overleden was. Maar zij had reeds met dien man geleefd, nog vóór het gerucht van dat overlijden haar was ter oore gekomen, en had dus reeds niet met hem mogen huwen, volgens de wet, dat de overspeler met de overspeelster niet huwen mag. Bovendien kon zij niet aangeven, wanneer zij van dat overlijden had gehoord, wat te vreemder was, omdat die vrouw in een Delftsch logement verblijf hield en men dus van haar afsterven gemakkelijk naricht had kunnen bekomen. De Witt geeft nu den (zeker zeer wonderlijken) raad, dat zij de »saecke sooveel doenlijck secreet houden« moet, omdat anders wel eens scheiding zou kunnen worden bevolen. Hier was, zouden wij zeggen, geen reden voor mededoogen. In elk geval blijkt het gevaar voor bigamie niet denkbeeldig.
* * * * *
Soms werd er bij den ondertrouw gelet op de mogelijkheid, dat de bruid »deflorata«, onteerd kon zijn. Sommige instructies schrijven voor, dat predikant of ambtenaar (bij opgevat vermoeden) moeten vragen of het bruidspaar »vleeschelijke conversatie« gehad heeft? Ook dit stuk uit de geschiedenis des huwelijks heeft eene lange ontwikkeling achter zich, maar wij kunnen er èn om de uitgebreidheid èn om de eigenaardigheid van het onderwerp niet lang bij stil staan. Er zijn tijden, waarin en volken, waarbij de ongereptheid der bruid niet slechts onnoodig, maar zelfs ongewenscht werd geacht zoodat zij, op velerlei, voor ons begrip stuitende, manier vóór het huwelijk werd gedefloreerd. Maar de regel was toch het omgekeerde, dat nl. de maagdelijkheid der bruid van de hoogste waardij werd geacht en bij het huwelijk op overtuigende wijze moest worden aangetoond. Wat Deut. XXII: 13-21 van de oude Israëlieten verhaalt, mag als vast gebruik bij tal van volken gelden, terwijl oude vertellingen en sprookjes dan weêr herinneren, hoe met dit bewijs bedrog kon worden en ook vaak werd gepleegd. Maar hiervan genoeg. In ons tijdperk gold het reeds lang als misdrijf zoo bij de verloving bleek, dat de bruid ontmaagd was, daarom, naar de volkszeden, nog niet altijd als schande. In Amsterdam verwezen commissarissen, als 't bleek, dat de bruid onteerd was, de zaak naar M. H. van den gerechte. Was de zwangerschap der bruid »notoirlijck« dan betaalden in de generaliteitslanden partijen ieder f20, waarbij de ouders voor hunne kinderen, vrouwen voor haar dienstmaagden instonden. Hadden nu partijen nochtans geen bezwaar tegen het huwelijk, dan ontstonden er natuurlijk geene moeielijkheden en deze soort verbintenissen waren talrijk, door de volksmoraal ook niet veroordeeld. »'t Is aan onze stranden,« vertelt ons iemand in 1773, »zeer gemeen een bruid bezwangerd te zien vóór den trouwdag, maar de gelieven blijven elkander getrouw«. En zoo was het niet alleen aan onze stranden, maar ook verder. In de bouwstoffen voor een beroemd geworden rapport, door baron d'Alphonse in 1813 uitgebracht over den staat van ons land en volk, bevindt zich ook een stuk van den prefect de Stassart d.d. 22 Aug. 1812, waarin o. a.: »... De families wachten met het vaststellen van een huwelijk, tot de jongelieden neiging voor elkander getoond hebben. Vandaar de nauwe betrekkingen tusschen de beide geslachten. Bovendien trouwen, althans in de lagere klassen, de meisjes niet vóór zij zwanger zijn, maar in dien toestand worden zij ook bijna nooit verlaten.« Bij deze uitspraak staat een aanteekening van J. D. Janssen, den lateren secretaris-generaal bij het departement voor de zaken der hervormde kerk, waarin hij dien vrijeren omgang prijst en voorts ontkent, dat de bedoelde meisjes zóó zijn. Hij kent geen enkele klasse zóó bedorven, »zelfs« niet in Den Haag, »à l'exception peut être de celle des domestiques, qui a en général les moeurs les plus dissolues«. D'Alphonse heeft toen geschreven: »il en résulte quelquefois quelques anticipations sur les droits de l'hymen«. Dat was weder veel te gunstig. Vandaar, dat het in zijne kringen aan den raadspensionaris van Slingeland zeer kwalijk werd genomen, dat hij, in 1726, een huwelijk sloot met zijne dienstmeid, Johanna van Coesveldt, een »mariage honteux« zegt de Fransche gezant de Fénélon, dat hem veel kwaad heeft gedaan.