Verloving en Huwelijk in vroeger dagen
Part 4
Reeds in 1576 hadden Baljuw en mannen van Rijnland bepaald, dat partijen zich of door den gereformeerden predikant moesten laten te zamen geven, of voor baljuw en mannen moesten verzoeken, dat hun trouw wettig verklaard werd. Dit was reeds eene belangrijke stap in de richting van orde, maar het besluit gold slechts Rijnland en ook, men durfde een anders gesloten huwelijk nog niet nietig verklaren. Maar vijf jaren later, 1 April 1580, vaardigden de Staten van Holland en Westfriesland hunne Ordonnantie van policie uit, waar men sub III bepalingen vindt »omme te voorsien op de ongeregeltheden in huwelijkszaken«. Hier moeten partijen verschijnen voor magistraat of gereformeerde predikanten hunner woonplaats, om door (voor) hen getrouwd te worden. Huwelijken niet volgens deze ordonnantie »gecontraheerd ende gecelebreerd« zullen voortaan zijn »nul ende van onwaarde«. Eene resolutie van 6 Juli gaf nog nadere uitlegging. Voor Zeeland volgde 8 Februari 1583 eene ordonnantie van den Prins van gelijke strekking, op de openbare afkondiging waarvan de Zeeuwsche kerk telkens aandringt. Den 6den October 1584 volgden de Staten van Utrecht en voerden ook het burgerlijk huwelijk in voor het gerecht ten stadhuize, d. w. z. voor wie dit begeerden. De anderen werden getrouwd door den gereformeerden predikant. Andere huwelijken werden niet langer erkend, terwijl als overgangsbepaling in art. 13 der ordonnantie werd voorgeschreven, dat vroeger gesloten vormlooze of geheime huwelijken alsnog voor het gerecht konden worden gewettigd. De andere gewesten volgden (voor de Generaliteitslanden gaven de Algemeene Staten 18 Maart 1656 een Echtreglement) en sinds was de toestand zóó, dat ieder naar wet en ordonnantie moest trouwen, de gereformeerden in hunne kerk, de andere burgers ten stadhuize. Aan deze laatsten werden dan daarna hunne kerkelijke plechtigheden vrij gelaten. Van opmerkelijke vrijzinnigheid is een besluit van schepenen, raden en gezworen gemeente van Hasselt, reeds 25 Februari 1590. Omdat, heet het in dit merkwaardig stuk, velen, om de verscheidenheid van religie, niet gezind zullen wezen de huwelijken in de gereformeerde kerk te sluiten voor den predikant, en omdat de vrijheid van conscientie gehandhaafd moet blijven, besluiten wij, dat allen die bezwaar hebben tegen de kerk, zich zullen mogen laten afkondigen van het raadhuis en daarna getrouwd worden voor twee schepenen, onder aflegging van een eed en aanteekening in het stadsprotocol. Hoe langzaam elders weêr de nieuwe regeling doordrong (iedere stad was wezenlijk souverein) toont o. m. Kampen. Het burgerlijk huwelijk voor de doopsgezinden is aldaar ingevoerd bij publicatie d.d. 7 Juni 1658. Tot dien datum toe waren zij gedwongen geweest zich door (voor) de hervormde predikanten te laten trouwen. Thans kon dat ten raadhuize geschieden, maar (vreemd genoeg) de geboden moesten zij nog »voor den Eerb. kerckenraedt deser stadt doen opschrijven«. In Holland heeft men den dissenters sneller recht gedaan. Zoo kon de luthersche gemeente te Amsterdam in 1597 bepalen, dat wie wenschten te huwen eerst voor den gecommitteerde van de overheid moesten verschijnen, zich dan aan de voorgeschreven formaliteiten onderwerpen en daarna in de kerk konden worden ingezegend. Zoo is het gebleven tot het einde der republiek. Onder de Bataafsche Republiek openbaarde de nieuwe geest van gelijkheid en vrijheid (zegt Cornelis Rogge) zich ook in de bepaling, dat voortaan _elk_ huwelijk voor de plaatselijke regeering moest voltrokken worden. De inzegening bleef den geestelijken toegestaan, nadat hun op eene wettige wijze de voltrekking voor de burgerlijke regeering was gebleken.
Al was dus het groote beginsel van het burgerlijk huwelijk in de gewestelijke ordonnantiën neêrgelegd, op tal van punten bleek telkens nog voorziening noodig. Onvermoeid hebben de synoden der gereformeerde kerk om zulke nieuwe bepalingen gevraagd en tevens om maatregelen tegen de ergerlijke zonden en abusen den huwelijken staat rakende. Het verdient alle aandacht, dat zij daarbij heeft gestreefd naar ééne wet voor 't gansche land, dat zij dus, te midden van het provincialisme, bij den zeer lossen band die de gewesten te zamen snoerde, voor die landséénheid opkwam, die eerst onder Napoleon gekomen is. In de 162ste zitting der groote, Dordtsche (na)synode besloot de vergadering H. H. M. te verzoeken »dat deselve door hare autoriteyt ghelieve metten eersten te doen stellen eene huwelijcks ordinancie... die eenpaerlick door alle de geunieerde provinciën mach nagekomen worden«. En art. 70 der Dordtsche kerkorde zegt desgelijks, dat »tot noch toe verscheyden ghebruycken in houwelijcksche saken alom onderhouden zijn«, maar dat het »nochtans wel oirbaar is ghelijckformicheyt daerinne gepleecht te worden«.
Het is duidelijk, dat wij in ons bestek er niet aan denken kunnen ook maar een vluchtig overzicht te geven van de wijsgeerige en rechtsgeleerde theorieën ten onzent over het eigenlijk wezen des huwelijks. Slechts op één enkel punt wil ik wijzen: de vraag, of kinderbezit het eigenlijk doel des huwelijks zij? In 't algemeen reeds zijn er anthropologen, die beweren dat, zoomin als bij de dieren, bij den oermensch, bij de natuurvolken, de voortbrenging van eene nieuwe generatie, hoewel de onbewuste drijfveer tot geslachtelijken omgang, bij den man het bewuste doel, een gewild oogmerk zou zijn. Het is, zegt ten onzent o. a. dr. C. J. Wijnaendts Francken, slechts een secondair gevolg. Het behoeft niet eenmaal altijd als gevolg bekend te zijn geweest. Dit laatste is althans onbetwijfelbaar. Maar, zoo was nu de vraag, is het huwelijk niet alleen maar eene door de wet erkende vereeniging der beide geslachten, »eene verzameling« (zegt Huig de Groot en zeide ook het Rom. Recht) »van man en wijf tot een gemeen leven, medebrengend een wettelijk gebruik van elkanders lichaam«, doch is voortplanting zijn eigenlijk doel? Neen, zeide prof. C. L. Vitringa van Harderwijk in 't begin der 19de eeuw, neen, want anders zou de apostel Paulus den christenen niet het coelibaat hebben aangeraden. Ook Kant, de wijsgeer, stelde de verwekking van nakroost op den achtergrond, het doel om kinderen te verkrijgen achtte hij niet te behooren tot de rechtmatigheid der verbinding. Anders de protestantsche kerken, die hierin de roomsche slechts navolgden. Het bijbelsch gebod, aan Adam gegeven, »wees vruchtbaar en vermenigvuldig« gold ook voor later geslachten, vonden zij, en de remonstrantsche hoogleeraar Phil. à Limborch (1735) noemt als eerste doel des huwelijks: »de voortplanting en de vermeerdering van het menschelijk geslacht«. En met deze theorie ging het volksbewustzijn accoord. Het vroeg niet: is het wezenlijk de lust om kinderen te bezitten, die de menschen tot elkander brengt? Maar het achtte kinderbezit het natuurlijk en, zeker, gewenscht gevolg der vereeniging. Tegelijk was het de gereformeerde kerk, die in haar huwelijksformulier de schoone opvatting leerde: »Daarom sult gij ook niet twijfelen of de houwelicke staet en behage Godt den Heere, overmits hij Adam sijne huysvrouwe geschapen, selve toegebracht ende hem tot eene huysvrouwe gegeven heeft; daermede betuygende, dat hij nogh hedendaegs eenen yegelicken sijn huysvrouwe als met sijne hant toebrengt.«
[Illustratie: Bruidsstoet.
Foto (verkleind) naar een miniatuur in »Der Renner«, van Hugo von Trimberg (14e eeuw) Ms. L. Bibliotheek.]
De gansche huwelijksacte, eindelijk, moest, als van ouds, ook bij de nieuwe bedeeling, openbaar zijn. »De tsamenvoeginge der eheluiden, gelijck deselve is eene algemeene actie« behoort te geschieden »in facie ecclesiae« d. i. voor den priester en openlijk. De term en het gansche beginsel waren van Rome overgenomen. De roomsche kerk heeft altijd het openbaar huwelijk gewild. En dit was weder in overeenstemming met het Oudgermaansch recht, dat eischt, dat de vrije Friezin in des vrijen Friezen macht komen moest met hoorngeschal en burengejuich, met fakkelenbrand en vriendengezang. In 1310 b. v. verbood de bisschop van Utrecht, Guy van Avesnes, uitdrukkelijk niet-openbare, clandestiene huwelijken, dat zijn zulke »die aangegaan worden, zonder dat de plechtige afroeping of de behoorlijke geboden in de parochiekerk der trouwensgezinde personen vooraf zijn gegaan.« Ze waren wel niet ongeldig (wij zagen dat reeds in ons eerste hoofdstuk), maar brachten toch sommige nadeelen mede. Zoo had Dirk van Santhorst, uit het geslacht der Wassenaars, »sijn wijf mitter witte van der heylegher kercke niet ghetrouwet.« Daarom wilde de vrouw van Dirk van Raephorst haar den voorrang (»voirstain ende voirofferen ende anders voirdeel te hebben«) niet gunnen in de parochiekerk van Wassenaar (1338). Twee eeuwen later, den 2den October 1535 had George van Egmondt, ook bisschop van Utrecht, noodig een scherp mandaat uit te vaardigen, waarbij hij gebood: »... geen huwelijken te sluiten dan in 't openbaar, ten tijde der godsdienstoefeningen, in de kerken en niet in verborgen plaatsen, in bijwezen der gemeente.« Dat nochtans, ook door plichtsverzuim der priesters, meer nog door de taaiheid van volksgebruiken, de heimelijke, vormlooze huwelijken tot ver in de 16de eeuw voortduurden, hebben wij gezien. Maar het is duidelijk, dat ook nog bij den aanvang onzer periode en later maatregelen daartegen niet overbodig waren. Karel V bepaalde, dat een jongman onder de 25 en eene jonge dochter onder de 20 jaar niet mochten huwen zonder advies, raad en konsent van vrienden en magen van beide zijden, op verbeurte van alle aanspraak op elkanders goed, terwijl geen van Z. M. onderdanen bij huwelijken, zonder medeweten der justitie gesloten, tegenwoordig mocht zijn op boete van 100 karoliguldens. Dat was in 1540. Op 't einde der eeuw had nog de overheid denzelfden strijd te voeren, door de gereformeerde kerk gesteund, die ijverde tegen het trouwen in huis, »yn private huseren«, want het is »ergerlijck en der politie schadelijck«. Het wekte daarom in 1585 groote ergernis in gansch Friesland, dat Johannes Bogerman, de vader, twee freules Burmannia op hare state te Ferwerd getrouwd had. Zelfs het trouwen in huis bij zware ziekte werd nauwelijks (en dan nog met al de waarborgen voor openbaarheid) toegestaan. De straffen waren zwaar. Op heimelijk trouwen stond sinds 1580 voor beide schuldigen f50 voor de eerste maand, f150 voor de tweede, f200 voor de derde en bannissement. Hooge boeten inderdaad. Want in datzelfde jaar 1580 bedroeg het predikantstractement in Den Haag f360, te Dordrecht in 1594 f400, prof. Feugueray werd in 1575 te Leiden benoemd op f500 en f100 persoonlijke toelage. Waren, trots al deze bepalingen, toch nog lieden in 't geheim gehuwd, dan trachtte de kerk hen alsnog openlijk te laten trouwen. Den 23sten Januari 1705 huwden in de Hollandsche gemeente te Smyrna Giovanni Jan Schagen en Anna Smith, weduwe Charles Pike, die vroeger voor een roomsch priester een geheim huwelijk hadden aangegaan. Nu werden zij alsnog openlijk getrouwd en wel »in 't aangezicht des doods« en dus waarschijnlijk (in dit geval van zwaren nood) in huis. Want nog dienzelfden dag overleed Schagen.
Om nu de openbare en wettige huwelijkssluiting voor te bereiden diende de verloving of ondertrouw.
HOOFDSTUK IV.
DE VERLOVING OF ONDERTROUW.
In onze wereld is verloving het eenigszins deftige woord voor engagement, eene voorloopige overeenkomst en verklaring van wederzijdsche genegenheid zonder eenige bindende kracht voor de wet. Dat was vroeger anders. Zij vormde toen deel der huwelijkshandeling en is met onzen ondertrouw te vergelijken. Naar Oudgermaansch recht was zij eene overeenkomst tusschen den bruidegom en dengeen, in wiens macht zich het meisje bevond, den vader, in 't algemeen den voogd. Deze verplichtte zich, tegen betaling eener som, haar den eerste tot vrouw te geven, die zich verbond haar te ontvangen. In den ruwen oervorm van het koophuwelijk kocht de a.s. echtgenoot de voogdij, eigenlijk het bezit, van den vader. Later wordt dat, bij de verloving, een soort van waarborgsom, die aan het meisje vervalt, als na twee jaren geen huwelijk volgt, de meta, de mundschatz. Ook verzachten zich de zeden aldus, dat de koophandel eerst buiten het meisje omgaat, maar dat later (en zóó was het in het middeleeuwsch Hollandsch recht) de toestemming der bruid volstrekt geëischt wordt, gelijk die van ouders of voogden. Van de weigering van den voogd was dan overal beroep op den rechter, in Friesland ook van de weigering des vaders. Hier is invloed der kerk, door het christendom verdwijnt het begrip koop en de toestemming der partijen treedt op den voorgrond. De verloving nu vormde reeds een sterken band. Van den kant van het meisje kon hij niet worden verbroken; zag de man van haar af, dan gold zij als eene weduwe. In onderscheiden Germaansche rechten moest ook de verlover instaan voor de gaafheid der bruid en hare ongereptheid en, bij gebleken bedrog, kon dus de bruidegom hem aanklagen. Maar, omgekeerd, brak hij de verloving af zonder bekende reden, dan moest hij met twaalf eedhelpers, van zijn geslacht en maagschap, die zweren moesten dat zijn eed rein was en niet mein, onder eede verklaren, dat hij geenerlei kwaad aan haar gevonden had, maar dat de liefde voor eene andere maakte dat hij haar verliet. Voorts geschiedden bij de verloving formaliteiten, die dikwijls zinnebeelden zijn van de macht, die de man over zijne vrouw verkrijgt, bij de Friezen het ronddragen van het aeftswird, bruidzwaard (waarover later meer), of ook het zetten van den voet op dien der bruid. Volgens sommigen is ook het geven van den ring teeken van eigendom. Anderen, gelijk wij boven in ander verband zagen, houden hem voor een herinnering aan de koopsom. Sommigen beweren, dat door den ring de eigenschappen van den man op de vrouw overgaan, door den ring draagt zij hemzelven bij zich. Hoe zeer de verloving als sterke band werd gedacht, blijkt ook uit hare geldigheid jegens derden. Wie eens anders verloofde huwde betaalde dubbele meta. Ontucht met eene verloofde gold als overspel.
Nu komen de vaderen onder den invloed van het kanonieke, het roomsche kerkrecht en daardoor ook van het Oudromeinsche recht. Het kanonieke recht stond wel aan het Germaansche nader dan aan het Romeinsche, omdat het, schoon grootendeels in Italië ontstaan, op Germaansch-christelijke grondslagen rustte, zich aan Germaansche toestanden aansloot, maar het ontleende toch zooveel aan het Rom. recht, dat het zonder hulp daarvan niet kon verstaan worden. Nu werd in dat Romeinsche recht de verloving wel als minder verbindend beschouwd, dan in het Germaansche, maar de kerk beschouwde haar toch ook als eene acte, die reeds een band legde. Bij haar heet de verloving desponsatio. Zij geschiedde in tegenwoordigheid van den parochiepriester, van bruid en bruidegom, in de kerk met open deuren, in tegenwoordigheid van twee getuigen, onder uitreiking van een ring. Was alzoo het voorgenomen huwelijk vastgesteld, dan werd het op drie Zon- of Feestdagen na de mis bekend gemaakt, d. w. z. de geboden werden afgeroepen en wie wilde kon bezwaren tegen het huwelijk inbrengen. Zulk een stuk luidde b.v.: Heer Anthony Fockynck kapelaan in de moederkerk te Arnhem bekent, dat hij »drije sonnendage nae een anderen volgenden alhyer in der moderkerke proclamationes gedaen heeft woe dat Jan van Nijmegen ind Mesry Havesche jn der hilliger echtschapp vergaderen solden, weer ymantz, die meighschapp, swagerschapp off andere saicken wuste, dair durch die echtschapp verhynderd mocht worden...« die kon ze mededeelen (1550).
Op dezen weg wandelde men ook in latere eeuwen voort. Ook onder de Republiek droeg de verloving een bindend karakter, zooals in Duitschland gesproken werd van »verlobte Eheleute«, zij is een nog niet geheel afgesloten huwelijk. »Het consent« zegt een schrijver op 't einde der 17de eeuw, »ende de bewilligingh van beyde partijen om t'samen te verbinden aan malkander in den Echten Staat, is eygentlijck het gheene dat het Houwelijck maekt ende waeruyt volgt, dat sodanige perzoonen zijn als getrouwt voor Godt... met die conditie, dat men de behoorlijcke en gewoonlijcke tijdt moet uyt-wachten«. Christenen mogen niet als 't vee te zamen komen, zegt een ander, en zij moeten in de weken der verloving God om een gelukkig huwelijk bidden. De wet dan schreef voor, dat de jongelieden moesten verschijnen voor magistraat of kerkendienaar hunner woonplaats en verzoeken om drie Zondaagsche of marktdaagsche geboden. Op gewone werkdagen mochten geen geboden gaan en evenmin natuurlijk alle drie in één week. Vandaar de grap van Alida Rijzig-Leevend, als de a.s. man van Keetje West ziek is geworden en zij daarom niet op de bruiloft van Chrisje Helder kunnen komen, »had hij het tot een week na zijn huwelijk uitgesteld, dan had gij hem voetstoots hier naar toe kunnen inpakken. Had gij mijn raad gevolgd: drie geboden op één dag en voor 't bed getrouwd«. Na slechts twee geboden mocht geen huwelijk voortgang hebben, ook moest de aanteekening geschieden op 't aangeven van beide partijen. Vorstelijke personen vroegen soms ontheven te mogen worden van de publieke geboden, wat vermoedelijk deftiger werd geacht. Toen in Juli 1659 Henriëtte Catharina, dochter van Amalia van Solms in het huwelijk zou treden met Johan George II van Anhalt-Dessau kreeg Johan de Witt van de Prinsesse-douairière het verzoek om er toe te willen medewerken, dat er dispensatie verleend zou worden van de afkondiging der drie »Sonnedaegse geboden«. De Witt antwoordde 11 Juli, dat de Staten met algemeene stemmen het verzoek hadden ingewilligd. De voorschriften waren goed, maar ook hier bleek, dat goede zeden meer waard zijn dan goede wetten. Want het gebeurde, dat sommigen de proclamatiën wel lieten gaan, maar daarna toch niet trouwden, al hadden zij ook de nadrukkelijke gelofte afgelegd van zich niet te zullen terugtrekken. »Helaas!« roept prof. Van Renesse uit, in zijn toentertijd veelgelezen boekje over »De heilige voorsienigheid Gods in 't beleid der huwelijken« (1639), »men speelt met die eedzweeringen als de kinderen met hare bikkels en knikkers«. Ergerlijk was ook, dat, ofschoon de tijdsruimte tusschen den dag der laatste afkondiging en die des huwelijks was vastgesteld (in Amsterdam, in Leiden ééne maand, elders b.v. in sommige streken der Generaliteitslanden, twee weken), toch die tijd soms onbehoorlijk werd gerekt. Zoo lieten Wouter Hermans en Gerritje Germens te Nijkerk hunne geboden gaan 5, 12 en 19 November 1609, maar hun huwelijk volgde eerst 24 Juni 1618. Bij een ander paar daar ter stede duurde het zelfs van 1597 tot ook 1618. Gelijk de Staten daareven dispensatie verleenden voor de geboden van Henriëtte Catharina van Oranje, zoo konden zij dat ook voor anderen doen. Hielden zij geene zitting, dan (resolutie van 26 november 1678) waren President en Raden van de Hoven en burgemeesters en schepenen der steden daartoe gemachtigd. Het kwam veel voor bij zeelui, die op uitzeilen stonden of ook bij zware zieken. Hun werd dan dispensatie verleend van den interval van tijd tot het gaan der proclamatiën, mits één gebod ging. In de koloniën volgde men zoo goed mogelijk de gewoonten van het moederland. Zoo vertelt een Zweedsch reiziger ons van de Kaap anno 1773, dat geen kolonist mocht huwen zonder goedkeuring van den gouverneur, dat hij het verzoek kon indienen des Donderdags, dat daarop des Zaterdags aan het paar een order wordt gegeven voor den Raad, die de verboden graden onderzoekt, waarna de gouverneur beveelt de geboden af te kondigen. »Zoo goed mogelijk«, zeide ik. Aan boord van het Compagnieschip »D'Sperwer«, waarop Joan Cunaeus voer bij zijne zending naar Perzië, werden ter reede van Surat, 23 November 1651, twee Nederlandsche paren van het comptoir aldaar door Cunaeus' predikant in den echt vereenigd, waarbij wij van geboden niet hooren, al roepen wij ons daarom toch gaarne het tooneel voor oogen van die Nederlanders aan verre kust, begeerig naar vaderlandsche wijze hun huwelijk te laten sluiten.
Maar wij keeren naar het vaderland terug. Voor de buitenwereld bleek van de verloving door het feestelijk versierde huis. De speeljonkers en speelmeisjes hadden hun dienst aangevangen, de spiegels, de stoelen met groen en bloemen versierd, of, bij eenvoudiger levensmanier, alleen deurknoppen en stoep van het huis der bruid groen gemaakt. In de blij getooide kamer zitten dan op den Zondag van het eerste gebod bruid en bruidegom in staatsie, ontvangen de gelukwenschen, en de dag wordt besloten met het commissarismaal. Dit banket draagt zijn naam naar de »Commissarissen tot de huwelijksche zaken«, zeer gelijkende op onze ambtenaren van den burgerlijken stand. In de Republiek, waar bij het beruchte en noodlottige particularisme, de toestanden in elk gewest, in elke stad verschilden, treffen wij dit college niet overal aan. Toch wel in de meeste steden van eenige beteekenis, soms met andere waardigheden verbonden, als te Groningen, waar de Heeren van de Weeskamer tegelijk Commissarissen van den Egten Staat waren. Ook hun getal verschilde, in Amsterdam waren er eerst vijf, later zeven. Deze commissarissen nu hielden aanteekening der geboden, zoowel van hen, die in de gereformeerde kerk als van wie op 't stadhuis voor schepenen trouwden, de afkondiging geschiedde daarna voor de eersten van het voorlezersbankje, voor de tweeden van de pui. Waar geen commissarissen waren, geschiedde de aanteekening voor schout en schepenen of secretaris. Te Amsterdam waren de kosten in de 18de eeuw, voor wie aanteekenden om in de kerk te trouwen, 8 st. voor den secretaris, 16 voor den koster, 6 voor de voorzangers; voor wie op het raadhuis zouden huwen, 30 st. voor den secretaris, 30 st. voor de boden, buiten den gewonen tijd alles duurder. Uitspraken van commissarissen werden ten uitvoer gelegd bij gijzeling of bij bevel van in huis blijven, deur sluiten en nering staken. Uit eene instructie voor commissarissen te Leiden (1658) blijkt dat wie in de kerk hunne geboden gehad hadden niet ten stadhuize mochten trouwen--en omgekeerd, onder kerk altijd te verstaan de Nederlandsch-, Waalsch- en Engelsch gereformeerde. In Amsterdam heette de ondertrouw o. m. »voor de roode deur gaan«, omdat de kamer in de Oude kerk, waar Comm. Zaterdagsmiddags zitting hielden eene roode deur had, waarboven dit oude rijmpje, dat o. a. al in het Wonderboek des onzaligen David Joris (uitgave van 1551) te vinden is,
»Wel haest getrouwt, dat langhe rouwt«,
wijze, maar vaak in den wind geslagen, raad. Van droeviger ondervinding getuigt nog de spreuk in eene Duitsche hanzestad:
»Mancher Mann laut singet, Wenn man die Braut ihm bringet. Wüszte er was man ihm brächte, Er wohl lieber weinen möchte.«